Bijdrage Ouwehand AO Agra­rische acti­vi­teiten in het Besluit algemene regels voor inrich­tingen mili­eu­beheer


22 juni 2011

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De vee-industrie ligt onder zwaar maatschappelijk vuur. De schadelijke gevolgen van de intensieve veehouderij worden steeds tastbaarder, en dat wordt niet gepikt. Burgers ondertekenen massaal burgerinitiatieven tegen de komst van nog meer stallen, varkensflats en megastallen. Zij vinden, geheel terecht, dat dieren op een beschaafdere manier behandeld moeten worden en dat ons milieu effectief beschermd moet worden in plaats van alleen op papier. Burgers zien dat de weinige natuur in ons land bijna bezwijkt onder de enorme ammoniakuitstoot uit de stallen. Het opheffen van de vergunningplicht voor een grote categorie van intensieve veehouderijen was al een slecht idee en dat wordt alleen maar erger, ook gelet op het IRAS-rapport. Er lijkt zich een paradox af te tekenen: de protesten, het verzet en het maatschappelijk besef dat er echt iets gedaan moet worden aan de vee-industrie nemen lijken tegelijk op te lopen met juist het versoepelen van de regels die de vee-industrie nog een beetje binnen de perken zouden kunnen houden. Dit kabinet voert onder Balkendende bedachte plannetjes uit om de komst van nog meer vee-industrie makkelijker te maken en zelfs aan te moedigen. Dat staat haaks op de ontwikkelingen in de samenleving.

Het zou de staatssecretaris passen om zich deze ontwikkelingen aan te trekken en mee te nemen in zijn beleid. Hij zegt echter dat deze drastische wijziging geen verband houdt met de maatschappelijke discussie over megastallen, omdat alleen de relatief kleine intensieve veehouderijen geen vergunning meer hoeven aanvragen. Het gaat om 6400 bedrijven. Een bedrijf met 1999 vleesvarkens of 39.999 kippen is niet weg te badineren door het klein te noemen. De staatssecretaris zegt ook dat het bevoegd gezag het heus wel doorheeft als er een nieuw bedrijf gevestigd wordt en dat men dan naar hartenlust kan handhaven op basis van de algemene milieuregels. Wij weten dat dit niet gebeurt. Wanneer dringt dit nu door?
Het grootste punt is dat er geen actief besluit meer genomen hoeft te worden in de vorm van het afgeven van een vergunning. Dan is er dus ook geen "nee" meer mogelijk. Dat is simpelweg niet acceptabel. Het laten vervallen van de vergunningplicht heeft ook als gevolg dat burgers geen bezwaar meer kunnen aantekenen tegen de komst of de uitbreiding van bijvoorbeeld een varkensstal in hun buurt. Dat is onacceptabel en een schending van de rechten van de burgers in ons land. Tegen een bedrijfstak die zo veel negatieve effecten met zich brengt voor de directe leefomgeving, moet een burger zijn zienswijze kenbaar kunnen maken.

Naast het schrappen van de vergunningplicht voor intensieve veehouderijen is de Partij voor de Dieren ook zeer ongelukkig met het afschaffen van het lozingenbesluit. De waterkwaliteit in Nederland is slecht en dat komt voor een groot deel door de intensieve veehouderij. Landbouwgif, maar zeker ook mest bevuilt ons water. De normen worden vaak fors overschreden, met grote gevolgen voor ons drinkwater en de biodiversiteit. Bijensterfte wordt gelinkt aan enorme concentraties imidacloprid, een supersterk insecticide, in het oppervlaktewater, tot wel 4776 keer de toegestane norm. Dat is nogal wat! In plaats van maatregelen te nemen om de vervuiling bij de bron aan te pakken, regelt dit Activiteitenbesluit dat je geen vergunning meer nodig hebt om je gif en je mest te lozen: ongelooflijk en onverantwoord. Als de staatssecretaris er zo van overtuigd is dat dit geen invloed heeft op de waterkwaliteit, daag ik hem uit om dit te staven door een monitoringverplichting in te stellen. Laten de boeren dan aantonen dat zij het water niet vervuilen. Wij hebben gezien dat op een andere manier niet is te achterhalen hoe zo'n enorme overschrijding -- ik noem het getal nog even: 4776 keer de norm -- in dat water terecht is gekomen. Er is niemand die op basis van zo'n constatering kan worden aangepakt.

Ik concludeer dat de uitkleding van de wetten die onze kwetsbare natuur en onze leefomgeving beschermen, hiermee een nieuw hoogtepunt heeft bereikt. Dat is feitelijk een dieptepunt van jewelste. De ammoniakwetgeving is de laatste jaren al compleet weggevaagd. De Natuurbeschermingswet stelt niets meer voor dankzij de recente wijzigingen in de Crisis- en herstelwet die twee weken geleden nog verergerd zijn door een zeer vergaand amendement uit de koker van CDA en VVD. Industriƫle boeren, ga uw gang maar, zo is de boodschap: uitbreiding, nieuwvestiging, dit kabinet legt u geen strobreed in de weg en de gevolgen zien wij later wel. Dat burgers, milieu en natuur hieronder zullen lijden, om nog maar te zwijgen van het ernstige dierenleed, wordt kennelijk van geen enkel belang geacht. Laat ik alvast aankondigen dat ik moties wil indienen als de staatssecretaris niet bereid is het Activiteitenbesluit zodanig aan te passen dat de intensieve veehouderijen en het lozingenbesluit eruit worden gehaald. Met andere woorden: die vergunningplicht moet gehandhaafd worden.

Staatssecretaris Atsma: Voorzitter. (...)
Meer bedrijven vallen onder de algemene regels en de vergunningplicht komt voor een groot aantal bedrijven te vervallen. Wij hebben het dan over zo'n 5800 bedrijven. Dat is niet niets. Tegelijkertijd betekent het vervallen van de vergunningplicht niet, zoals mevrouw Ouwehand lijkt te suggereren, dat er geen eisen meer worden gesteld. Integendeel, de eisen blijven bestaan. Sterker nog, ik heb de Kamer vanmorgen eigenlijk alleen maar over eisen gehoord. De een zegt dat de eisen te ver gaan en voor de ander gaan ze niet ver genoeg.

De suggestie dat het vervallen van de vergunningplicht betekent dat er geen eisen meer worden gesteld, is klinkklare nonsens. Ik wil dat zo gezegd hebben. Welke bedrijven vallen dan wel onder de specifieke vergunningplicht? Dan hebben wij het over de IPPC-bedrijven: met name de grotere veehouderijbedrijven. Mevrouw Ouwehand spreekt in algemene zin over de vee-industrie. De gemiddelde gezinsbedrijven vallen straks niet meer onder de vergunningplicht, alleen de grote bedrijven moeten een vergunning hebben. Daarmee wordt voldoende waarborg geboden. Mevrouw Ouwehand -- ook de heer Van Gerven liet dit doorklinken -- zei zich zorgen te maken dat met het vervallen van de vergunningplicht de rechtspositie van burgers geweld wordt aangedaan. Dat is niet het geval. Als er eisen zijn gesteld en gemeenten maatwerk kunnen leveren, kan elke burger op het moment dat er een vestiging of een uitbreiding aan de orde is, bij het bevoegd gezag aan de bel trekken met de vraag of een en ander conform de gemaakte afspraken op lokaal niveau is. Ik neem dus afstand van deze stelling. Als een bedrijf wel vergunningplichtig is, is de procedure duidelijk.

(...)

Mevrouw Ouwehand heeft terecht aangegeven dat de grens met betrekking tot het wel of niet vergunningplichtig zijn van veehouderijbedrijven, in de pluimveesector heel globaal bij 40.000 kippen ligt. Met de beste wil van de wereld kan ik niet onderbouwen dat dit een megastal is. Met andere woorden: je moet de discussie daar voeren waar zij thuishoort. Ik wil graag een debat met de Kamer over de megastallen, maar ik vind dat dit hier niet aan de orde moet zijn. Het wegvallen van de vergunningplicht heeft zeker geen betrekking op, wat in jargon "megastal" is gaan heten, integendeel. Hetzelfde geldt voor de varkenshouderij en andere sectoren. De parallel die de heer Van Gerven trekt, is totaal niet aan de orde.

(...)

Mevrouw Ouwehand heeft terecht de grenzen benoemd. Daarover kun je natuurlijk van mening verschillen, maar je kunt met de beste wil van de wereld niet stellen dat een pluimveehouderij met 40.000 kippen een megastal is. Uw suggestie dat het een kwestie van vrijheid, blijheid is voor iedereen die iets wil beginnen, is onzin. Je hebt te maken met gemeentelijke spelregels op basis van het bestemmingsplan. Verder heb je te maken met een pakket eisen waaraan iedereen moet voldoen, ook de bedrijven die niet langer vergunningplichtig zijn. Ik herhaal wat ik zo-even tegen mevrouw Ouwehand zei: de positie van de individuele burger die het ergens niet mee eens is, is niet volstrekt weggevaagd. Integendeel, de burger kan altijd naar het bevoegd gezag stappen om te vragen of alles wel conform de eisen is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De staatssecretaris schetst een papieren werkelijkheid die wij in dit dossier al veel te lang zien. In theorie kunnen burgers inspreken op het onderwerp van de algemene regels, maar bijna niemand weet hoe dat moet. Het is ingewikkeld. Wij hebben laatst kruiwagens vol dossiers gezien; het valt niet mee. Als het bedrijf er eenmaal is, kunnen burgers een handhavingsverzoek indienen bij het bevoegd gezag. Als dat niet wordt gehonoreerd, kan tegen het besluit wel bezwaar en beroep worden aangetekend, maar tegen de komst van het bedrijf an sich kunnen burgers niets doen. Ik wil deze staatssecretaris het volgende meegeven. "Megastal" is een overkoepelende term. Wij zien dat er veel milieudruk is van bedrijven die naast elkaar worden gebouwd. Een bedrijf met 39.999 kippen kan een ander bv'tje oprichten en vervolgens vergunningvrij in dezelfde gemeente alsnog een bedrijf starten. Dat is de realiteit van de dag, waar papier geen bescherming tegen biedt. Ik maak er dus bezwaar tegen. Ik ga er nu al van uit dat de staatssecretaris bij hoog en bij laag zal volhouden dat er sprake is van een goed beschermingsregime, maar dat is niet waar.

Staatssecretaris Atsma: Ik maak bezwaar tegen het feit dat u suggereert dat burgers dom zijn. Mochten ze al niet in staat zijn om te doorgronden wat aangekondigd wordt, dan heb je nog tal van organisaties -- mijn ervaring in de afgelopen jaren heeft dat geleerd -- die maar wat graag bereid zijn om de burger te hulp te schieten. Mijn ervaring leert ook dat dit soms gevraagd, maar nog veel vaker ongevraagd gebeurt; soms legaal, soms via andere wegen. Dat laatste hebben wij deze week weer kunnen zien. Ik neem afstand van de suggestie dat de gemiddelde burger niet in staat is om te beoordelen wat er bij de buren gebeurt. Dat is gewoon onzin en er is ook geen enkele reden om dat te suggereren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dit vind ik een beetje goedkoop: doen alsof ik daarmee zeg dat burgers dom zijn. Burgers zijn helemaal niet dom. Het kost ze uren en heel veel moeite en energie om erachter te komen hoe ze procedures moeten aanvechten. De cirkel is mooi rond: dankzij de CDA-fractie is hulp van buitenaf niet meer toegestaan. Denk aan een jurist in Amsterdam op driehoog achter die zich gespecialiseerd heeft in bezwaarprocedures tegen deze tak van sport, bij wie burgers kunnen aankloppen met de vraag: wil jij mij alsjeblieft helpen, want ik durf het zelf niet? Of: ik weet het niet. Of: ik heb er geen tijd voor, want ik heb een drukke baan. Dat mag niet meer, want dan ben je opeens niet meer belanghebbend. Ik maak er bezwaar tegen dat dit kabinet doet alsof burgers gewoon inspraak hebben, terwijl het in de praktijk neerkomt op bescherming en rechten van niks. Het doet geen recht aan de realiteit van de stroperigheid en de mist voor burgers die hun stem willen laten horen over de vestiging of uitbreiding van veehouderijbedrijven. De staatssecretaris is het niet met mij eens, maar ik wil het wel gezegd hebben.

Staatssecretaris Atsma: (...) Mevrouw Jacobi maakt zich samen met de heer Van Gerven en mevrouw Ouwehand zorgen over lozingen: is er wel voldoende toezicht op wat er door het agrarisch bedrijfsleven wordt geloost? Hier en daar heb ik zelfs de suggestie gehoord dat alles kan en dat er een loopje wordt genomen met bestaande wetgeving. Ik bestrijd dat.

(...)

De drinkwaterwetgeving en de meststoffenwetgeving zijn zo duidelijk gedefinieerd dat er geen enkele reden is om mee te gaan met de suggestie dat er nu een andere vorm van controle zou zijn, integendeel. Het voorstel van mevrouw Ouwehand om te werken met omgekeerde bewijslast, waarbij een ondernemer moet aantonen dat hij geen vervuiling heeft veroorzaakt, lijkt mij heel raar. Dan zouden wij dat immers ook moeten introduceren voor alle huishoudens in Nederland en dat lijkt mij onverstandig. Juist daarom hebben wij toezichthouders en hebben wij via wet- en regelgeving strenge eisen gesteld aan het bedrijfsleven en in feite ook aan huishoudens om te voorkomen dat gevaarlijke stoffen in het grondwater terechtkomen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik blijf bij de stelling die door praktijkonderzoek en observaties ruimschoots onderbouwd wordt, namelijk dat het zeker niet ligt aan de intelligentie van burgers in het buitengebied, integendeel. Als een burger zich op de hoogte wil stellen van de plannen in zijn omgeving, heeft hij te maken hebt met stroperigheid en mist. Er komt nooit een advertentie in de krant waarin staat: let op, want het is de bedoeling dat er op nummer 16 een kippenfabriek komt met iets minder dan 40.000 kippen. En: als u bezwaar wilt maken, dan kan dat hier. De staatssecretaris weet dat. Als wij het geworstel zien van burgers die wel een poging doen om zich te verzetten, kan de staatssecretaris niet anders dan het met mij eens zijn dat het heel ingewikkeld is. Ik vind het een minachting van burgers om dit te ontkennen.
Ik heb verder een opmerking over de positie van gezinsbedrijven. Wij wijzen staatssecretaris Bleker er regelmatig op: als je het niet compleet in kaart hebt en als je niets doet aan de omvang van de veestapel als geheel, dan veroordeel je inderdaad ook de kleine gezinsbedrijven tot administratieve rompslomp en toetsingen die er wat mij betreft moeten blijven. Mijn laatste opmerking gaat over de giflozingen. Ik vind het heel flauw dat de staatssecretaris zegt: dan zouden wij dat ook voor alle huishoudens moeten doen. De vervuiling is nu niet terug te leiden op een vervuiler. Dat is vastgesteld door de waterschappen en de staatssecretaris kan niet anders dan dat bevestigen. Het gaat om stoffen met enorme effecten op de biodiversiteit, zelfs op de bijen waarvan wij voor onze voedselproductie volledig afhankelijk zijn. In zo'n situatie ligt het voor de hand om effectief te monitoren. Het gaat immers niet om kinderachtige situaties waarin je van alles moet bewijzen. Het gaat om gevaarlijke stoffen, ernstige overschrijdingen en de onmogelijkheid om die terug te leiden tot degene die het gedaan heeft. Ik vraag de staatssecretaris om ofwel deze stoffen van de markt te halen -- dat wil hij niet -- ofwel scherp te monitoren.

Staatssecretaris Atsma: (...) Mevrouw Ouwehand heeft nog eens geprobeerd duidelijk te maken dat burgers wel degelijk zelf nadenken. Ik ben degene geweest die haar daarop heeft gewezen, dus ik ben blij dat zij het me nu nazegt. Ik veronderstelde dat mevrouw Ouwehand vond dat burgers niet in staat zijn om vergunningen voor en initiatieven van de agrarische sector te beoordelen. Wij zijn het met elkaar eens dat ze dat wel kunnen. Dat het ingewikkeld is ... Als de boeren dat al vinden, vinden de burgers dat waarschijnlijk ook. Mij is er veel aan gelegen om het allemaal wat eenvoudiger te maken. Wat dat betreft zijn wij het over veel zaken gelukkig met elkaar eens. Het streven naar vereenvoudiging van de regelgeving blijkt ook uit het Activiteitenbesluit. Over de lozingen heb ik al gesproken. Mevrouw Ouwehand denkt hier anders over dan ik. Niet elke lozing is een giflozing. Een ondernemer in een drinkwaterwingebied moet voldoen aan de normen, niet meer en niet minder.