Bijdrage Thieme over de toewijzing van een extra zetel voor Nederland in het Europees Parlement


1 april 2010

Mevrouw Thieme:

Voorzitter,
Op 6 april 2009 informeerde de staatssecretaris de kamer in een brief over de te volgen procedure voor de toewijzing van een 26e Nederlandse zetel in het europees parlement. De Staatssecretaris informeerde de Kamer over de spelregels die gehanteerd zouden worden bij deze eenmalige en unieke wedstrijd en gaf aan zich bij de vaststelling van de spelregels te hebben gebaseerd op het advies van de Kiesraad, laten we zeggen de scheidsrechterscommissie van ons parlementaire kiesstelsel.
Maar er was sprake van spelregels die niet in overeenstemming waren met het advies wat de scheidsrechterscommissie daarover gegeven had, zonder dat de kamer dat wist.
De Staatssecretaris heeft op 6 april in haar brief de indruk gewekt het advies van de Kiesraad integraal te hebben overgenomen en dat bleek later niet het geval te zijn. De Staatssecretaris schrijft in haar brief van 6 april, en ik citeer “Ik heb over deze wijze van verdelen advies gevraagd aan de Kiesraad. De Kiesraad onderschrijft in zijn advies van 19 maar 2009 de verdeling van de extra zetel als restzetel op basis van de oorspronkelijke kiesdeler gebaseerd op 25 zetels” Einde citaat. Voorzitter, als de Kamer op een dergelijke manier wordt geïnformeerd, dan mag de Kamer ervan uitgaan dat zij volledig is geïnformeerd door de bewindsvrouw en hoeft de Kamer de achterliggende stukken niet op voorhand en per definitie te checken. Mijn fractie had geen enkele reden om te twijfelen aan de juistheid van de door de Staatssecretaris geschetste advies van de Kiesraad en had ook geen reden om dit inhoudelijk aan te vechten in een debat. Mijn fractie ging akkoord met dit zodanig verwoorde advies en zag geen aanleiding om tijdens een procedurevergadering een debat aan te vragen.
Het advies resulteerde in de veronderstelling dat de 26e zetel alleen toegewezen zou kunnen worden aan wie in eerste aanleg al een zetel in de wacht gesleept had. Hij die heeft, hem zal nog meer gegeven worden, hij die niet heeft, hem zal ook het weinige dat hij heeft ontnomen worden.

Voorzitter, pas tijdens de wedstrijd, of eigenlijk pas na de wedstrijd kwam de Kamer erachter dat de Staatssecretaris de spelregels had geromantiseerd op basis van eigen overwegingen die ze niet met de kamer gedeeld had en die afweken van het advies van de kiesraad. De Kiesraad noemde namelijk een belangrijk bezwaar bij de door de staatssecretaris voorgestelde methode. De Kiesraad schrijft dat de door de staatssecretaris gewenste methode leidt tot een verslechtering van de evenredige samenstelling van het Nederlandse deel van het Europees parlement. De Kiesraad schrijft, en ik citeer “De beperkte verstoring van de evenredigheid zou met name kunnen optreden indien een partij bij de eerste toedeling van zetels op 11 juni 2009 net buiten de boot is gevallen, omdat zij geen volle zetel bemachtigt – en dus ook niet in aanmerking komt voor een restzetel- terwijl diezelfde politieke groepering wel een zetel bemachtigd zou hebben indien er van meet af aan 26 zetels te vergeven waren geweest.” Einde citaat
De conclusie van de Kiesraad luidt als volgt: ‘De Kiesraad is van oordeel dat uw keuze voor toewijzing van de mogelijke extra zetel in het Europees Parlement als ware het een restzetel, een verantwoorde keuze is. Ter voorkoming van een – zij het beperkte – inbreuk op de evenredigheid die van uw voorstel zou uitgaan, geeft hij wel in overweging om een nuancering aan te brengen door te regelen dat voor deze extra zetel ook die partijen in aanmerking kunnen komen die bij de verkiezing ten minste 75% van de kiesdeler hebben behaald. Verder heeft de Kiesraad in zijn advies aanbevelingen gedaan voor de inrichting van de besluitvorming en de noodzakelijke wijzigingen van en aanvullingen van de Kieswet.’

Voorzitter, de Staatssecretaris negeert het belangrijkste inhoudelijke advies om in overweging te nemen dat partijen die 75% van de kiesdeler hebben gehaald in aanmerking te laten komen. Waarom, vraag ik de staatssecretaris.

De vraag is, voorzitter of het de verantwoordelijkheid van de Kamer is om dit zwijgen van de staatssecretaris dan op te merken voorafgaand aan de procedurevergadering over de behandeling van het voorgenomen wetsvoorstel of niet. Mijn fractie meent dat de bewindsvrouw de informatieplicht heeft om, in te gaan op de bezwaren die de Kiesraad heeft ten aanzien van haar voornemen. Of in ieder geval niet de suggestie te wekken dat zij het advies integraal heeft over genomen. Dan had de Kamer de kans gehad om eventueel een debat hierover aan te vragen in de procedurevergadering.
De Kiesraad maakte op 11 juni,de dag na de verkiezingen, bekend van oordeel te zijn dat er nog géén politiek besluit genomen was, dat dat leidde tot een lastige situatie en dat de toewijzing pas zou kunnen worden bepaald nadat de Kamer een keuze gemaakt zou hebben. Voor alle duidelijkheid, het is niet het Kabinet dat over de toewijzing gaat, noch de Kiesraad, maar de wetgever die een politiek besluit moet nemen, dat volgens de Kiesraad nog steeds niet genomen is.
Dat zadelt de Kamer nu met een probleem op. Veel partijen erkennen dat het sjieker was geweest het politieke besluit te nemen voorafgaand aan de verkiezingen van 4 juni. Maar nu dat niet gebeurd is, kan de redenering niet zijn “als het niet gegaan is zoals het moet, dat moet het maar zoals het gegaan is”
Mijn fractie heeft advies gevraagd aan staatsrechtgeleerde professor Elzinga. De Staatssecretaris zei in haar brief van juni: “Hoewel ik in mijn brief van 6 april niet expliciet ben ingegaan op de gesuggereerde verfijning van de Kiesraad, is wel beschreven waarom deze overweging niet is gevolgd”. Geen woord over die belangrijkste inhoudelijke suggestie in de brief van 6 april.
Professor Elsinga zegt, en ik citeer uit zijn advies: “deze feitelijke gang van zaken overziende, moet in de eerste plaats worden geconcludeerd dat de beide brieven van de staatssecretaris niet op alle punten de gewenste duidelijkheid hebben geschapen. Opmerkelijk is dat de staatssecretaris in de brief van 6 april niet in gaat op het belangrijkste inhoudelijk voorstel van de Kiesraad.”
De Kamer staat voor de keuze welke consequentie zij verbindt aan het feit dat zij niet voor de verkiezingen van 4 juni heeft besloten de spelregels te bediscussiëren of vast te stellen.
Door die keuze is allerminst een voldongen feit ontstaan, zoals in het eerdere Algemeen Overleg door leden van deze Kamer en de staatssecretaris gesuggereerd is. De kamer zal, ook volgens de voorzitter van de Kiesraad en ook volgens staatsrechtgeleerde Elzinga, alsnog een eigenstandig besluit moeten nemen.
Daarbij gaat het niet om de toewijzing van een zetel aan ofwel de PVV ofwel de Partij voor de Dieren. Een dergelijke keuze is enkel voorbehouden aan de kiezers. Hier gaat het enkel om het verzuim dat de Kamer nog geen politiek besluit heeft genomen en over over de keuze om het advies van de Kiesraad over te nemen of niet. Dit moet een puur procedurele en juridisch zuivere afweging zijn. Het is niet zo dat, omdat er geen debat is aangevraagd in de procedurevergadering waarin de brief van de staatssecretaris werd behandeld, er automatisch een besluit door de Kamer genomen is tot aanname van het wetsvoorstel.

Voorzitter, de Kiesraad gaf duidelijk aan dat de toerekeningwijze van het verdelen van de 26e zetel onder hen die al 25 zetels verdeeld hadden, afbreuk zou doen aan het beginsel van maximale evenredigheid.
Mijn fractie vraagt de Staatssecretaris, met voorbijzien aan partijbelangen, alsnog te kiezen voor maximale evenredigheid, analoog aan het eerste advies van de Kiesraad.
De Kamer kan zich aanrekenen geen politiek besluit te hebben genomen, maar mag daaraan niet de conclusie verbinden dat het dan maar moet zoals de Staatssecretaris in haar incomplete weergave van het advies heeft aangegeven.
Het is vandaag de vraag, voorzitter, of we met deze wet die de toewijzing van de 26e zetel regelt, kiezen voor het maximaal proberen de wens van de kiezer tot uitdrukking te brengen, of om de makkelijkste weg te kiezen. De politiek heeft te kampen met een grote mate van wantrouwen bij de kiezer, en dat wantrouwen zal niet kleiner worden wanneer niet degene met 157.735 stemmen de 26e zetel krijgt, maar degene met slechts ….. reststemmen.
Zo simpel is het en daar valt niet veel anders van te maken.
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag het advies van dhr. Elzinga integraal opnemen in dit verslag. U hebt het allen als bijlage ontvangen.
Als het goed is heeft de Kamer mijn amendement vanochtend ontvangen en ik hoop op steun hiervoor.

En voorts zijn wij van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie!