Bijdrage Partij voor de Dieren voort­zetting debat Wijziging van de Natuur­be­scher­mingswet


17 juni 2008

Voorzitter.

Ik heb dit debat met verbazing gevolgd. De manier waarop er in de Kamer gesproken wordt over de Natuurbeschermingswet lijkt ver af te staan van de realiteit dat onze natuur ernstig bedreigd wordt, niet voldoende wordt beschermd tegen bijvoorbeeld ammoniakuitstoot uit de veehouderij, waar 90% van de ammoniak in Nederland vandaan komt. Driekwart van de natuurgebieden wordt daarmee te zwaar belast. Wij zien de natuur zienderogen achteruitgaan, terwijl vooral de nadruk lijkt te liggen op de economische haalbaarheid van natuurbeschermingsbeleid. Maar dat is een gepasseerd station. Iedereen weet dat er aan het herstellen van natuurgebieden allerlei haken en ogen zitten, dat wij tegen moeilijkheden aanlopen en dat er allerlei mitsen en maren zijn. Kapot maken gaat gemakkelijk, maar zie het maar eens te herstellen. Ik vraag mij echt af waar wij toekomstige generaties mee zullen opzadelen. Bescherming van de economie is in mijn ogen de teneur die nog altijd breed gedragen wordt ten aanzien van de bescherming de natuur. Dat betreurt mijn fractie ten zeerste.

Ik wilde hier opgemerkt hebben dat het primaat van de economie kennelijk nog altijd onaantastbaar is. Ik denk dat wij daarvan af moeten, in het licht van de doelstelling die wij ons hebben opgelegd om de natuur daadwerkelijk te beschermen. Dan gaat het niet alleen om mooie woorden en niet om incidentele succesjes. Het roer moet echt om. Dat is de manier waarop de fractie van de Partij voor de Dieren in dit debat staat en dat is niet de toon die ik bij de andere fracties heb geproefd. Daarover wilde ik een opmerking maken.

De Raad van State heeft moeite met de manier waarop de minister in dit wetsvoorstel de bewijslast wil omdraaien ten aanzien van activiteiten die schade kunnen berokkenen aan de natuur.

De Partij voor de Dieren deelt de mening van de Raad van State. Een passende beoordeling van de impact van een activiteit op kwetsbare natuur moet worden overgelaten aan het bevoegd gezag. Dat laat je niet over aan ondernemers, die immers zelf belanghebbend zijn en naar alle waarschijnlijkheid niet ter zake kundig. Waarschijnlijk onbedoeld, maar in haar eerste termijn bevestigde de minister nota bene zelf dat je om problemen vraagt wanneer je de beoordeling van de impact van gedrag overlaat aan individuele ondernemers of burgers.

Bij de vraag van de heer Cramer over groei zegt de minister: de ene ondernemer of burger zegt dat hij dìt een natuurlijke groei vindt terwijl een ander dat een natuurlijke groei vindt. Dat zal bij de passende beoordeling niet anders zijn. De vraag is natuurlijk wie of wat gediend is met de wijziging die de minister wil voorstellen. Niet de natuur, zoveel is duidelijk. In dit verband wil ik ook memoreren: alles van waarde is weerloos. Dat is een mooie uitspraak van Lucebert.

Ook ondernemers hebben hier echter niets aan. Het lijkt een cadeautje maar dat is het niet. Er wordt niet meer, maar minder zekerheid geboden. De Partij voor de Dieren kan zich niet vinden in de uitleg van de minister over de opmerkingen van de Raad van State. Wat is het geval? Je zegt tegen de ondernemers dat een vergunning niet meer nodig is; je mag het zelf beoordelen. Maar hoe zit het met de zekerheid die daarmee geboden wordt? Mocht de beoordeling namelijk niet in orde zijn, dan zal er repressief moeten worden gehandhaafd en komt de pijn alsnog, alleen op een later moment, na een langere periode van onduidelijkheid. Ik geef een kleine illustratie. Als wij willen dat mensen in Nederland veilig op de fiets door het verkeer kunnen gaan, zegt de politie ook niet: zoek zelf maar uit of het een fel geel jasje is, een knipperend lampje of volwaardige fietsverlichting, wij zien het wel en als het niet in orde is en dan krijgt u een dikke vette bekeuring van ons. Daarvoor hebben wij richtlijnen die duidelijkheid geven aan mensen die zich eraan moeten houden. Analoog daaraan denk ik dat de uitleg van de minister, dat zij nu zekerheid biedt aan de ondernemers en burgers, niet opgaat.

Ik zie het lampje knipperen; ik moet afronden. Ik sluit mij aan bij het verzoek van de PvdA-fractie. Het verzoek is heel zinnig om te kunnen beoordelen welke mogelijkheden de Eerste Kamer nog ziet, zeker als de evaluatie waar wij op zitten te wachten er binnenkort aankomt. Nu alleen het hoogst noodzakelijke en de rest van het debat na het zomerreces.