Bijdrage Partij voor de Dieren feite­lijke vragen over de VROM-begroting


8 oktober 2008
  1. Kunt u aangeven hoe het advies van de commissie Alders over de uitbreiding van de vluchten op de vliegvelden Schiphol (90.000 extra vluchten per jaar) en Eindhoven en Lelystad (70.000 extra vluchten per jaar) zich verhoudt tot de doelstelling van het Kabinet om een reductie van dertig procent in de uitstoot van broeikasgassen in 2020 ten opzichte van 1990 te realiseren?
  2. Hoeveel geld uit de VROM begroting zal worden besteed aan onderzoeken naar de ontwikkeling van emissiearm voer en stimulering van precisielandbouw?
  3. Voor welke maatregelen ter beperking van de broeikasgasuitstoot in de landbouw krijgen bedrijven subsidie voor de gemaakte kosten en hoe hoog is het totale subsidiebedrag?
  4. Wat is het maximale subsidiebedrag dat een veehouderij kan krijgen voor het nemen van maatregelen ter beperking van de broeikasgasuitstoot? En om hoeveel bedrijven zal het naar verwachting gaan?
  5. Wordt bij het bepalen van subsidiabele maatregelen ter beperking van de broeikasgasuitstoot in de landbouw rekening gehouden met de mogelijke effecten van de maatregelen op het welzijn van dieren? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?
  6. Wordt bij het beoordelen van de maatregelen die worden genomen ter beperking van de broeikasgasuitstoot, criteria op het gebied van dierenwelzijn meegenomen? Zo ja, welke en in welke mate wordt beoordeeld of het welzijn van dieren door het nemen van deze maatregelen niet wordt aangetast? Zo neen, waarom niet en hoe wordt dan beoordeeld of het welzijn van dieren door het nemen van deze maatregelen niet wordt aangetast?
  7. Wordt bij het bepalen van subsidiabele maatregelen ter beperking van de broeikasgasuitstoot in de landbouw ook maatregelen in de vorm van een krimp van de veestapel meegenomen? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet?
  8. Worden aan de subsidieverlening voor het onderzoek naar emissiearm veevoer de voorwaarden op het gebied van dierenwelzijn gesteld? Zo ja, welke? Zo neen, waarom niet en op welke wijze wordt voorkomen dat de ontwikkeling van emissiearm voer een verslechtering van het welzijn van de betrokken dieren veroorzaakt?
  9. Wordt bij de subsidieverlening voor het onderzoek naar emissiearm veevoer gekeken naar de mogelijke negatieve gevolgen van klimaatverbetering via het voerspoor voor de weidegang van melkkoeien? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?
  10. Hoe beïnvloedt de huidige uitbreiding van het melkquotum en de verwachte afschaffing in 2015 de realisatie van de klimaatdoelstellingen voor de landbouw?
  11. Aan welke ambities en reductiedoelstellingen denkt u bij de opmerking dat het verminderen van de consumptie van dierlijke eiwitten belangrijk is om de emissies van overige broeikasgassen te reduceren?
  12. Waarom is de beïnvloeding van de eiwitconsumptie alleen mogelijk in een geleidelijk proces? Wat wordt met deze aanname bedoeld en waar is deze aanname op gebaseerd?
  13. Hoeveel geld wordt beschikbaar gesteld voor het onderzoek naar de mogelijkheden van een transitie in consumptie van eiwitten, in het bijzonder de consumptie van vlees.
  14. Hoeveel geld wordt beschikbaar gesteld voor de milieu analyse naar de beste mogelijkheden om eiwitten te vervangen?
  15. Wat worden de kerndoelen in de beleidsvisie over het verminderen van de consumptie van dierlijke eiwitten?
  16. Wordt bij het stimuleren van duurzame consumptie en productie (doelstelling 22) ook aandacht besteed aan het verminderen van de consumptie van dierlijke eiwitten? Zo ja op welke wijze? Zo neen, waarom niet en hoe verhoudt dit zich tot de doelstellingen voor het project Schoon en Zuinig?
  17. Wordt bij het stimuleren van duurzame consumptie en productie (doelstelling 22) ook aandacht besteed aan dierenwelzijnsaspecten van productie en consumptie? Zo ja op welke wijze en met welke insteek? Zo neen, waarom niet en hoe wordt voorkomen dat duurzame consumptie stimuleringsmaatregelen het welzijn van dieren zullen bijten?
  18. Wordt bij het stimuleren van duurzame productie en consumptie ook gekeken naar de milieu, klimaat, en dierenwelzijnsaspecten van de veehouderij? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?
  19. Biedt de doelstelling ‘stimuleren van duurzame consumptie en productie’ (doelstelling 22) de duurzaamheidswinst van een krimp van de veestapel meegenomen? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?
  20. Kan het Cradle to Cradle concept ook een stimulans zijn vor de verduurzaming van de veehouderij? Zo ja, hoe wordt hier op ingezet? Zo neen, waarom niet?
  21. Hoort de veehouderij ook tot een van de sectoren waar het Cradle to Cradle concept adoor de branche organisatie actief wordt uitgedragen naar de leden? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?
  22. Kunt u aangeven hoe u het oppervlak van bijna 180.000 ha natuurgebied waarin de milieukwaliteit wat betreft verzuring en vermesting matig tot zeer ernstig is, wilt terugbrengen tot 0 hectare (‘alles gewenste milieukwaliteit’), in 2027 (Tabel 4.5, onder 2), terwijl het Kabinet niet streeft naar een vermindering van de veestapel, opnieuw inzet op een derogatie en pleit voor een verdere verruiming van het melkquotum?
  23. Wanneer zal de nota over de WTO, non-trade concerns en border tax adjustment naar de Kamer worden gestuurd? Wanneer zal de nota over de WTO, non-trade concerns en border tax adjustment naar de Kamer worden gestuurd?
  24. Wat is de laatste stand van zaken rondom het dossier Duurzaam inkopen? Op welke wijze wordt er gewerkt aan het aanscherpen van de criteria op het gebied van milieu en dierenwelzijn voor de inkoop van schoonmaakmiddelen door de overheid?
  25. Is het onderzoek naar de (nationale) effecten van de afschaffing van het melkquotum reeds afgerond? Wanneer zal de Kamer over de uitkomsten hiervan worden geïnformeerd?