Bijdrage Partij voor de Dieren Begroting LNV 2010 Ouwehand


1 december 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Ik begin met een van de grootste bedreigingen van onze leefomgeving, waarbij de minister van LNV het komende jaar moet laten zien wat zij waard is als hoeder van het collectief belang: de totale verwoesting van het leven in zeeën en oceanen.

De zeeën en oceanen zijn van ons allemaal, en niet alleen voor de heb. Wij zijn er met zijn allen volledig van afhankelijk, net zoals van al het andere natuurlijke kapitaal trouwens. Geen natuur, geen leven op aarde. Zo simpel is het. De overheid heeft dus niet alleen de taak, maar ook de morele plicht om te waken over dit collectieve goed.

In plaats daarvan kreeg een heel kleine groep mensen, de vissers, een vrijbrief om de zeeën en oceanen van hun rijkdom te beroven. Een fractie van de totale wereldbevolking haalt met subsidie gratis grondstoffen uit de natuur die van ons allemaal is, en richt daarbij ook nog eens immense verwoestingen aan. De minister en andere voorvechters van de visindustrie roepen keer op keer de idylle op van het eerlijke beroep, de noeste arbeid, de romantiek van de visserij om te maskeren dat de sector de afgelopen decennia is veranderd in een hightechindustrie die op ongekende schaal de oorlog heeft verklaard aan het leven in de zee. Met militaire opsporingsapparatuur worden scholen haring, sardine en blauwe wijting opgespoord en opgevist. De sector maakt gebruik van netten die zo groot zijn dat er wel dertien Boeings 747 in passen. Er is letterlijk geen ontkomen aan.

En gaat het niet om onvoorstelbaar grote vistrawlers, letterlijk drijvende visfabrieken, waarvan de allergrootste ter wereld in Nederlandse handen is, dan wordt er wel gevist met kotters die met zware sleepnetten in hun jacht op tong en schol de zeebodem zo hardnekkig omploegen dat er niets anders overblijft dan een levenloze moddervlakte. Van alle levende wezens die op die manier uit het water worden getrokken wordt driekwart dood of halfdood weer overboord gekieperd. De vissen die wel worden verwerkt voor consumptie liggen eindeloos te stikken op het dek, worden levend ingevroren of bij bewustzijn opengesneden en gevild om te eindigen als zogenaamd gezonde bron van eiwit op het bord van de westerse consument, als visolie of -- dat is misschien wel het ergste -- vermalen tot vismeel om te dienen als voer voor betreurenswaardige soortgenoten in de nieuwe vee-industrie, de kweekvis. Misschien kan het nog wel erger, want vissen worden ook op grote schaal, vermalen en wel, gevoerd aan varkens en aan kalfjes die wij hebben beroofd van hun moedermelk. Het laatste plannetje van de minister is dat ze worden verwerkt tot biodiesel: vissen als brandstof om nieuwe vissen mee te doden.

Het resultaat van dit alles is dat tegen 2050 de zeeën leeg zullen zijn, met het Europees visserijbeleid voorop als de grootste verwoester van allemaal.

Het komend jaar zal eindelijk, eindelijk worden gewerkt aan een herziening. Maar zal dit wat opleveren? Wij hebben al gezien dat zowel de Europese Unie als de minister mooie woorden kunnen spreken, klinkende ambities hebben. Maar concreet beleid om het tij te kunnen keren? Ho maar. De Algemene Rekenkamer heeft daarover al iets gezegd en had er kritiek op. Toch zien wij weer dezelfde subsidiëring terug in de begroting voor komend jaar.

Het moet gezegd, de minister heeft de wind mee als het gaat om het omzeilen van de grote problemen die worden veroorzaakt door de visserij. Sterker nog, als zij al een stapje zet in de richting van de bescherming van een met uitsterven bedreigde vissoort, krijgt zij wind tegen vanuit de Kamer. De SP heeft mooie woorden over de overbevissing, maar zodra de Nederlandse vissers dreigen te worden geraakt door maatregelen, blijkt dat ook voor de SP economische belangen op de korte termijn belangrijker zijn dan het beschermen van onze soortenrijkdom.

Ook de Partij van de Arbeid stelt buitengewoon teleur als het erop aankomt. Aanpak van de overbevissing? Ja hoor, maar niet als het lastig wordt. Dit geldt niet alleen ten aanzien van de visserij, maar ook ten aanzien van de natuur.

De heer Polderman (SP):

Dit is uitlokking. Ik weet waar mevrouw Ouwehand op doelt. Het enige waarover wij van mening verschillen bij de overbevissing is de aalvisserij. Doelt u daarop?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik doel inderdaad op de palingvisserij, maar ook de opstelling van de SP-fractie in het mosseldossier vond ik buitengewoon teleurstellend voor een partij die natuur- en milieubelangen zegt te huldigen.

De heer Polderman (SP):

Over de aalvisserij hebben we uitvoerig met elkaar gediscussieerd. Volgens mij is onze oplossing om iets voor deze bedreigde diersoort te doen anders dan uw oplossing. U zegt dat u het niet met onze oplossing eens bent. Daar hebben we kennis van genomen. Die discussie hebben we gevoerd. Ik verschil niet met u van mening over de vraag of we er iets aan moeten doen. Het verschil van mening gaat alleen over de manier waarop.

Ten aanzien van de mosselvissers; we hebben geprobeerd om de mosselvisserij te reguleren op een manier die zowel de vissers als de vis recht doet. Dat u het daarmee niet eens bent, is bijzonder jammer. Wij hebben initiatieven als de mosselzaadinvanginstallaties gesteund. Door al dit soort innovatieve ontwikkelingen te stimuleren is het volgens ons niet meer nodig om een eind te maken aan deze sector. Dat daarmee de mossel als zodanig blijft bestaan, kunt u ons niet verwijten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik ben er erg voor dat de mossel blijft bestaan, vooral als belangrijke voedselbron voor de vogels die afhankelijk zijn van het Waddengebied.

Ik constateer dat er dikke stapels rapporten lagen over de bedreiging van de paling en dat het, zelfs als we nu een vangstverbod zouden instellen, 80, zo niet 200 jaar, gaat duren voordat de palingstand zich heeft hersteld. Ik heb gezien dat de SP die rapporten heeft willen negeren. De oplossingen die de heer Polderman heeft aangedragen, zijn door wetenschappers bekritiseerd. Ik vraag mij dus af waar de SP is als het gaat om de natuurkwaliteit.

De voorzitter:

Mijnheer Polderman, u zou zich toch beperken tot twee interrupties?

De heer Polderman (SP):

Mevrouw Ouwehand pleit ervoor dat wij ophouden met regelingen. Als wij terug zouden gaan naar het Nederland uit de tijd van de Romeinen, heeft zij gelijk. Maar dan moeten we half Nederland onder water zetten. Dat vind ik een te radicaal voorstel.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik concludeer dat de SP haar beloftes op het gebied van de bescherming van natuur en milieu als het erop aankomt niet weet waar te maken. Ik hoop dat dit een incident is geweest en dat de SP, ook als we met zijn allen spreken over de hervorming van het Europees visserijbeleid, pijnlijke maatregelen niet zal schuwen. Ik nodig de SP daartoe uit. Ik hoop van harte dat de partij hierop ingaat. Wat er tot nu toe is voorgevallen, beloofde niet veel goeds.

De opstelling ten aanzien van de visserij geldt helaas ook voor de natuur. Natuurlijk maken de coalitiefracties van de Partij van de Arbeid en van de ChristenUnie zich sterk voor de EHS. Dat kan op waardering rekenen van de fractie van de Partij voor de Dieren. Maar weer geldt: zodra het lastig wordt, geven ze niet thuis.

En lastig wordt het, als het gaat om vernietiging van de natuur door de veehouderij. Natuurlijk doet pleiten voor het aankopen van natuurgebieden niet zoveel pijn, misschien alleen budgettair. Maar maatregelen die de vernietiging van de natuur daadwerkelijk een halt toeroepen, worden genegeerd. De depositie van stikstof en ammoniak, dat in grote hoeveelheden uit de veehouderij in de natuurgebieden terechtkomt, wordt niet aangepakt. Met steun van de Partij van de Arbeid en de ChristenUnie is de milieuwetgeving op het gebied van ammoniak volledig uitgekleed.

We zien precies hetzelfde gebeuren met de natuurwetgeving. Iedere keer vindt men uitvluchten om de vee-industrie maar niet te hoeven aanpakken, met als kers op de taart de Crisis- en herstelwet, waarin de bescherming van natuur definitief de nek om wordt gedraaid. Als de fractie van het CDA zegt het het op dit dossier steeds beter met de fractie van de PvdA kan vinden, is er iets grondig mis. De ChristenUnie zegt, met steun van andere partijen, dat het steeds ingewikkelder is om erachter te komen hoe wij de Natura 2000-gebieden zouden moeten beschermen. Maar dat heeft de ChristenUnie zelf gedaan. We weten precies hoe we die gebieden moeten beschermen. Ook weten we precies waaraan we moeten toetsen. Het is niet de Partij voor de Dieren die dit verzint, maar de Raad van State, die met uitspraak na uitspraak sinds 2000 al heeft aangegeven waar het heen moet.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Dit is een gevalletje van uitlokking. Ik heb niet gezegd dat het steeds moeilijker wordt om te zien waaraan de Natura 2000-gebieden moeten voldoen. Waar ik iedere keer op hamer, is dat er bij overheden met name een gebrek aan kennis is over wat er precies speelt. Ik vind dat mevrouw Ouwehand mij opnieuw verkeerd heeft geciteerd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dan moet mij van het hart dat ik teleurgesteld ben dat de ChristenUnie niet heeft gereageerd toen wij dit punt naar voren brachten bij de behandeling van de Crisis- en herstelwet. Juist het bestuurlijke en politieke onvermogen om tot goede besluiten te komen, zou de belangrijkste oplossing kunnen zijn in dit dossier. Dat zeggen juristen, dat zegt de Raad van State en dat zeggen natuurbeschermingsecologen. De heer Cramer heeft het probleem niet opgepakt, maar kiest er wel voor om met een aantoonbaar verkeerd systeem nu de natuurbescherming te regelen.

De heer Cramer (ChristenUnie):

Alweer twee keer onjuist. Ik heb al een aantal keer in de commissievergadering dit punt ingebracht. Tijdens de behandeling van de Crisis- en herstelwet is bovendien door collega Wiegman dit onderwerp wel degelijk aan de orde gesteld.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Aan de orde stellen en besluiten dat je niet op oneigenlijke gronden de Natuurbeschermingswet kunt uitkleden, zijn twee heel verschillende dingen. Ik herinner de fractie van de ChristenUnie eraan dat bij de behandeling van het toetsingskader ammoniak, dat precies hierover gaat, de problemen op een presenteerblaadje werden aangereikt. We wisten dat dit het niet zou gaan halen. Dat de fractie van de ChristenUnie dan toch instemt met een dergelijk toetsingskader, betekent dat zij medeverantwoordelijk is voor de problemen die daardoor ontstaan. De heer Cramer kan niet volhouden dat hij niet weet hoe het Natura 200-beleid moet.

Voorzitter. Ik ben de laatste die de minister hoofdpijn zou willen toewensen, maar ik voorzie dat haar ook het komende jaar weer een enorme worsteling te wachten staat op het hoofdpijndossier ammoniak en natuur. Dat had niet gehoeven, herhaal ik. Kom gewoon je verplichtingen na om de natuur te beschermen tegen activiteiten die ernstige schade toebrengen: zo simpel is het; zo hebben we het afgesproken in Europa. Ik wijs de minister op de hard oplopende kosten als zij het niet doet. Nu al zijn de schattingen 2 mld. voor het herstelen van Natura 200-gebieden, waarvan 80% moet worden vrijgemaakt om toegebrachte schade te herstellen. Als die schade toeneemt, voorspel ik dat deze kostenpost verder zal stijgen. De minister wil echter niet. Nu ligt er zelfs een brief voor gedoogbeleid op het gebied van ammoniak, met daarin precies dezelfde argumenten en fouten waarop destijds het toetsingskader en de AMvB ammoniak gesneuveld zijn.

"Mest is het nieuwe goud", heb ik de minister weleens horen zeggen. Ik heb dat toen betwijfeld en geroepen dat ik nooit eerder zo'n sterke beschrijving had gehoord van de uitdrukking dat geld stinkt, maar de minister bezwoer mij dat het geen luchtje zou hebben. Nu ligt er echter een nieuw rapport waaruit blijkt dat investeren in natuur letterlijk waardevoller is dan investeren in goud. Neemt de minister dit mee in de heroverwegingen? Dit rapport is geschreven door de Verenigde Naties, mede gesubsidieerd door de Europese Commissie. In het rapport wordt gewezen op de immense kosten van het verlies van onze bossen: 2 tot 3 biljoen euro per jaar. Dat gaat niet alleen over bossen aan de andere kant van de wereld, waar we overigens ook een grote verantwoordelijkheid voor dragen gezien onze veevoerproductie daar, maar ook over bossen hier die door de toenemende ammoniakdruk steeds vaker verdwijnen. Die maatschappelijke kosten zouden tegenover de vermeende baten moeten staan Ik zou graag een analyse zien van het kabinet.

Dan heb ik een klein positief punt. De minister wil wel beginnen de Nederlandse natuur te beschermen tegen uitheemse diersoorten Ze heeft drie eekhoornsoorten genoemd die een bedreiging vormen voor onze inheemse soorten. Deze drie soorten wil zij voortaan weren uit Nederland. Dat lijkt me een positief bericht, maar ik ben er wel verbaasd over. Wat kunnen we namelijk verwachten van de positieflijst het komende jaar? Als het aan de Partij voor de Dieren ligt en aan heel wat meer organisaties in Nederland, gaat het niet slechts om drie eekhoornsoorten, maar bijvoorbeeld om kangoeroes, krokodillen, struisvogels en gifslangen: alle diersoorten die zich niet thuis voelen in het Nederlandse klimaat en in de Nederlandse huiskamers. Rages zoals de uil van Harry Potter, waardoor steeds meer oehoes opgesloten zitten ergens in een volière in een achtertuin zouden we toch ook moeten willen aanpakken? Kortom, ik ben positief verrast over het bericht van de minister, maar ik ben ook verbaasd dat er geen actieplan onder zit betreffende de vraag hoe zij een en ander het komende jaar gaat oplossen. Komen er heldere criteria voor de positieflijst? Hoe denkt de minister over uitfasering? Ik hoor graag meer over de plannen: hoe meer, hoe beter.

Dan kom ik aan het onderwerp paarden. Het afgelopen jaar hebben we regelmatig van gedachten gewisseld hierover. Afgelopen week zijn er veel reacties binnengekomen, in ieder geval in onze e-mailbox maar wellicht ook in die van het ministerie van LNV, over het geval in Voorburg, waar paarden tot aan de knieën in de modder staan. De reden daarvan? Er zijn geen regels die voorschrijven hoe je paarden zou moeten houden.

De minister vindt dat eigenlijk wel goed. De minister zegt: laat de sector het maar oplossen. Ik heb al eerder met de minister van gedachten gewisseld over het feit dat je individuele paardenhouders daar op geen enkele manier mee betrekt.

De heer Graus (PVV):

De paarden op de Loolaan in Den Haag, aan de grens tussen Den Haag en Voorburg, heb ik persoonlijk twee keer bezocht, onder meer met de politie. Ik ben degene geweest die er begin november voor heeft gezorgd dat twee paarden in beslag zijn genomen. Ik heb namelijk rechtstreeks contact gehad met de Dienst Levende Have van Politie Haaglanden. U kunt dat navragen. Ik ben er in april al geweest. Het is niet alleen een gebrek aan regelgeving. U hebt daarmee een punt, maar het was ook de onbereikbaarheid van politie en Dierenbescherming waardoor er de hele tijd niets aan werd gedaan. Ik heb op zondag zelf de lobbyist van de Dierenbescherming moeten bellen, omdat ik niemand van de Landelijke Inspectie Dierenbescherming te pakken kreeg. Ik heb noodgedwongen de politie moeten bellen, die het ook niet als een prioriteit zag. Dat moet u er wel even bij vermelden, alstublieft.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Er is inderdaad een probleem met de capaciteit van de handhaving op het gebied van dierenwelzijnsregels die er wel al zijn. Ik merk daarbij op dat de handhavingscapaciteit altijd tekort zal schieten zolang er geen goede regels zijn voor het houden van dieren. Ik hoop dat de heer Graus mijn voorstel steunt. Hij sloot zich ook bij ons aan toen we een rondetafelgesprek hielden over paardenwelzijn, maar vervolgens heb ik hem niet aan onze zijde gezien. Hoe duidelijker, hoe beter; als je weet hoe je paarden moet houden, kan de LID gemakkelijk optreden en ingrijpen. Ik hoop op de steun van de heer Graus op dit punt.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mijn concrete vraag aan de minister is of zij komend jaar regels gaat stellen voor het houden en huisvesten van paarden en pony's.

De heer Graus (PVV):

Voorzitter.

De voorzitter:

Het is aan de voorzitter om het woord te geven. De heer Graus.

De heer Graus (PVV):

Sorry, voorzitter.

Ik herinner mevrouw Ouwehand eraan dat wij een motie van haar over prikkeldraad en paarden nog gesteund hebben. Ik weet niet waar zij op doelt als ze zegt dat ik haar niet gesteund heb.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik meen dat ik de heer Graus niet heb gezien in het overleg over paarden. Ik wil hem echter alle credits geven als hij samen met mij voor regels voor het houden van paarden is. Dan zijn we op dit punt in staat om elkaar de hand te geven.

De heer Graus (PVV):

Zeker nu ik in een parlementaire onderzoekscommissie zit, moet ik veel debatten en algemeen overleggen laten schieten. Na de verkiezingen zal het er beter uitzien voor ons. Dan kunnen we aan meer debatten en AO's deelnemen.

De voorzitter:

Dat lijkt mij een goede zaak.

Mevrouw Ouwehand vervolgt haar betoog.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Het was geen verwijt, maar er was even onduidelijkheid op dit punt. Ik ben blij dat de heer Graus ook regels wil voor het houden van paarden.

Het komende jaar zal de minister zich opnieuw roeren in het Internationaal Walvis Comité. Ik wijs de minister erop dat er op dit moment een campagne gaande is tegen de internationale handel in dolfijnen voor dolfinaria. Het is de minister wellicht bekend dat die campagne nauw samenhangt met de jaarlijkse slachting van 23.000 dolfijnen in schimmige baaien in Japan. De dieren worden baaien ingejaagd. De goede exemplaren worden er door dolfijnentrainers uitgehaald voor hun eigen dolfinarium en de rest wordt op zeer brute wijze afgeslacht. Is de minister bereid om te pleiten voor een Europees importverbod voor dolfijnen die in het wild zijn gevangen? Wil zij zich het komende jaar in het Internationaal Walvis Comité inzetten voor de bescherming van de dolfijnen? Die zijn op dit moment nog vogelvrij.

Ik gebruik de laatste paar minuten voor iets wat niet zo snel gebeurt tussen de minister van LNV en de PvdD. We hebben, denk ik, een plannetje waar we samen enthousiast over kunnen zijn. Ik heb een amendement ingediend om het natuurvriendelijk tuinieren door particulieren te stimuleren. Dat past precies binnen de lijnen die de minister voor ogen heeft: betrokkenheid en eigen verantwoordelijkheid van de burgers en het maken van afspraken met betrokken marktpartijen, in dit geval bijvoorbeeld tuincentra en bouwmarkten. Onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat veel mensen wel iets zouden willen doen voor natuur in de eigen omgeving. De verstedelijking zorgt ervoor dat steeds meer openbaar groen onder druk komt te staan. Ook particuliere tuinen zijn steeds vaker versteend en omheind. De minister heeft dit jaar al laten zien dat ze daar iets aan wil doen door bijvoorbeeld de campagne van de Zoogdiervereniging te steunen om mensen bewuster te maken van natuurvriendelijk tuinieren met het oog op het huisvesten van egels of het bieden van een leefomgeving aan egels. Ik zou denken dat we de signalen dat burgers zelf ook iets willen doen om de eigen woonomgeving aantrekkelijker te maken voor dieren, groener en prettiger te maken, moeten oppakken.

Ik vraag de minister om het amendement te omarmen. Ook vraag ik of zij bereid is om afspraken te maken met bijvoorbeeld tuincentra en bouwmarkten om ervoor te zorgen dat mensen bij het inrichten van hun eigen tuin de overweging maken om dat natuur- en diervriendelijk te doen, met meer groen in de bebouwde omgeving. De minister zou deze grote kans samen met de Partij voor de Dieren kunnen oppakken. Dat zou een positieve afsluiting kunnen zijn van dit debat.

Mevrouw Jacobi (PvdA):

Ik heb grote sympathie voor het inhoudelijke deel van het voorstel van de Partij voor de Dieren. Ik zou trouwens ook graag zien dat gemeenten hun eigen bermen veel natuurvriendelijker zouden maken, waardoor meer kansen ontstaan voor vlinders, bijen en dergelijke. Ik ben niet blij met de dekking die mevrouw Ouwehand voorstelt. Kan zij nog eens goed uitleggen waarom zij voor deze dekking heeft gekozen? Waarom zou dit geld daarvoor moeten zijn gereserveerd? Ik zou zeggen dat zij met een goed pleidooi bij de gemeenten ook al een heel eind moet komen. Deze kosten zouden dan niet hoeven te worden gemaakt door het ministerie van LNV.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat is een goede vraag. Eerst wil ik het even hebben over de gemeenten. Ik heb in mijn amendement aangegeven dat er op dit moment al verschillende initiatieven zijn om goede voorlichting te geven en aan te sluiten bij de wens van burgers om hun eigen tuin natuurvriendelijker in te richten. Maar het is versnipperd. Mijn indruk is dat er met een geringe investering -- het gaat om 1,3 mln. -- een behoorlijke structuur kan worden aangebracht in de voorlichting. Ik vraag de minister nadrukkelijk om te reageren op de dekking, het liefst nog in haar eerste termijn. Het geld zit in de pot voor natuur- en milieueducatie, en de minister heeft zich samen met mij druk gemaakt over de bedragen die uit die pot naar Artis gaan. Eigenlijk wil ik van de minister weten hoe die pot er verder uitziet. Ik denk dat dit op het gebied van natuur- en milieueducatie een heel kansrijk project is. Als de minister mij ervan kan overtuigen dat daardoor andere projecten die wij samen van belang vinden in het gedrang komen, dan kunnen wij samen nog naar een andere dekking kijken. Maar ik heb zo het vermoeden dat er, naast Artis, nog wel andere dubieuze bestemmingen zijn voor die pot. Ik zou het geld dan liever willen oormerken voor iets dat wel zin heeft.

De heer Atsma (CDA):

De CDA-fractie heeft zich al meermalen uitgesproken over en geërgerd aan de verstening van de tuintjes in Nederland. Laat ik het zo maar formuleren. Ik vind het fijn dat u daarnaar heeft geluisterd, maar als ik naar het bedrag kijk, dan vraag ik mij af hoe ik dat voor mij moet zien. Ik heb zelf een tuin en geloof dat daarop geen druppel vergif gaat. Wilt u alle particulieren die een tuintje onderhouden, stimuleren door een premie te geven of door gratis zaaizaad beschikbaar te stellen? Of krijgen wij een bakje slazaadjes? Wat moet ik mij erbij voorstellen? Ik vind het namelijk interessant om erover na te denken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb in mijn amendement aangegeven dat wij kunnen aansluiten bij de ervaring die Milieu Centraal op dit gebied al heeft. Milieu Centraal heeft in 2005 een kleine campagne gevoerd over natuurvriendelijk tuinieren. Ook heb ik in het amendement aangegeven dat er op dit moment her en der initiatieven zijn. Ik heb niet tot achter de komma ingevuld hoe die campagne er wat mij betreft uit moet zien. Bij Milieu Centraal zitten goede mensen die wij daarvoor in eerste instantie kunnen benaderen. Maar ik denk zeker wel aan voorlichting aan particulieren als zij beslissingen nemen, bijvoorbeeld over de wijze waarop zij in een nieuwbouwwijk hun nieuwe tuin inrichten. Als die mensen in de bouwmarkt staan en op het punt staan om alleen maar tegels en dichte schuttingen te kopen, dan zouden zij op die plek in aanraking moeten komen met een andere keuzemogelijkheid.

De heer Atsma (CDA):

Wij verstaan elkaar op dit punt wel. Overigens heeft men op het platteland allang uitgevonden hoe je een tuin jarenlang in stand kan houden zonder overheidsbemoeienis. Maar elk tuincentrum heeft zijn eigen adviseurs. Met alle respect, maar als je naar de bouwmarkt gaat om je tuin in te richten, dan betekent dat in de praktijk heel weinig groen. De mensen moeten dus naar een andere winkel gaan. Er zijn volop adviseurs die kunnen vertellen hoe je een tuin zou moeten inrichten.

De voorzitter:

Is dit een suggestie die moet worden beaamd?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik wil daarop wel even reageren. De precieze doelgroep die je wilt bereiken, zal in kaart moeten worden gebracht. Ik denk juist dat het zinvol kan zijn om ook de bouwmarkten erbij te betrekken, omdat daar inderdaad de keuzen worden gemaakt voor alleen maar tegels en dichte schuttingen. Mijn voorstel is tweeledig. Wij maken budget vrij voor de voorlichting en ik vraag de minister om te bekijken of zij met de sectorpartijen tot afspraken kan komen. Nogmaals: uit onderzoek blijkt dat veel burgers heel graag willen, maar geen idee hebben over de manier waarop zij dat zouden moeten doen. Dat men het op het platteland goed heeft geregeld, betekent nog niet dat het ook in de steden op orde is. Ik zou dus graag de steun van de CDA-fractie krijgen voor dit amendement.

De heer Polderman (SP):

Vorig jaar hebben wij een amendement ingediend om de volkstuinen wat meer te steunen. Die zijn interessant in het kader van natuur aan de randen van de stad. Mag ik rekenen op de steun van de Partij voor de Dieren als wij hiervoor opnieuw aandacht vragen? Ik heb dat dit keer in mijn bijdrage niet gedaan, maar ik neem aan dat de Partij voor de Dieren mij zal steunen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dat is natuurlijk afhankelijk van de dekking, maar de Partij voor de Dieren is erg voor volkstuinen. Ik meen dat we het SP-voorstel vorig jaar ook hebben gesteund. Ik denk dat we het zowel zouden moeten zoeken in volkstuinen als in wat mensen zelf willen doen in hun omgeving. Dat heeft allerlei voordelen, bijvoorbeeld voor de waterretentie in bebouwd gebied, voor geluiddemping en voor temperatuurbeheersing; het kan eigenlijk niet op. Het is aan alle kanten mooi. Het hoeft maar een kleine investering te zijn. Ik hoop heel erg dat de minister het amendement zal omarmen.