Bijdrage Partij voor de Dieren AO Opvang­pro­ble­matiek


12 maart 2009

Voorzitter,

Met de agenda van vandaag zouden we dagen kunnen vullen. Het huidige beleid ten aanzien van dierennoodhulp –voor zover aanwezig- is namelijk bijna te triest voor woorden. Dieren die op straat zwerven, nota bene vaak door toedoen van de mens, hebben de wettelijke status van gevonden voorwerpen. Ook dieren met een eigenaar worden bij wet beschouwd als eigendom dat niet beschadigd of onbruikbaar mag worden gemaakt door anderen.

Meer dan zeventigduizend honden en katten worden jaarlijks opgevangen, in de Nederlandse dierenasielen. Steeds vroeger in het jaar zien deze opvangcentra zich genoodzaakt om een opnamestop in te voeren, wetende dat dit betekent dat in de zomervakantie veel dieren –vooral katten- op straat belanden. Op straat worden jaarlijks duizenden verwilderde zwerfkatten gecastreerd, gesteriliseerd en teruggeplaatst.
Specialistische opvangcentra zoals voor chinchilla’s, reptielen, schilpadden en knaagdieren krijgen dieren aangeboden uit heel Nederland en België. Dat de omvang van de problematiek rondom deze dieren groot is, blijkt op het moment dat ieder nieuw geopend knaagdieropvangcentrum binnen enkele weken vol zit. Gegevens hierover worden niet bijgehouden en er is zeker geen sprake van een landelijke dekking van opvangcentra.

Mensen die zich om het lot van dieren in nood bekommeren worden eerder bestraft dan beloond voor hun waardevolle werk. Zo krijgen dierenambulances bijvoorbeeld parkeerboetes opgelegd wanneer zij een gewond dier aan het helpen zijn. Ook mogen zij niet over tram en busbaan. Echter, op het moment dat er sprake is van een overlastsituatie voor de mens, zoals het ontstaan van een file op de snelweg, krijgen zij van de KLPD alle ruimte om over de vluchtstrook te rijden. Het kan dus wel, als er mensen bij gebaat zijn.

Dierenasielen en dierenopvangcentra zijn in veel gevallen opgericht op particulier initiatief. De financiële middelen zijn beperkt en capaciteitsproblemen en tekort aan menskracht zijn aan de orde van de dag. De centra zijn afhankelijk van donaties, giften, legaten en de inzet van vrijwilligers. Onverwachte uitgaven als hoge medische kosten en benodigde renovaties van het pand, zorgen vaak voor noodsituaties. Zo leidde een uitbraak van schimmel in een Zwols dierenasiel enige tijd geleden nog bijna tot het einde van het asiel en de 120 dieren die er op dat moment verbleven.

Deze week ontvingen wij een brief van de minister over dit onderwerp. Hierover heb ik een paar vragen:
- vindt de minister dat gemeenten ook verantwoordelijk zijn voor de vergoeding van de geneeskundige zorg in de eerste 14 dagen? Dat blijft nu namelijk onduidelijk.
-Kan de minister een overzicht geven van de gemeenten die afspraken hebben gemaakt met dierenasielen en hier tevens een financiële bijdrage aan leveren? Wat is de gemiddelde hoogte hiervan en achten de dierenasielen dat kostendekkend?
-In hoeverre dienen structurele kosten (onderhoud pand, aanstellen personeel) hier volgens de minister in mee te worden gerekend? Zonder pand, hokken en personeel immers geen opvangmogelijkheid.

Ondanks het mooie plaatje dat de minister schetst, moet er in de praktijk worden gebedeld om de vergoeding die de gemeente zou moeten geven voor de bewaarplicht van 14 dagen. En dan nog is het resultaat wisselend en vaak mager. Niet iedere gemeente betaalt en ook de hoogte van de vergoeding is niet vastgelegd. Dit kost dus tijd, energie en menskracht: middelen die doorgaans schaars zijn. Na 14 dagen komen de kosten volledig bij de opvang te liggen.
Het gebrek aan overheidssturing zorgt er daarnaast voor dat dierenambulances in toenemende mate te kampen krijgen met ‘concurrentie’: ze worden tegen elkaar uitgespeeld door gemeenten en worden hierdoor niet zelden gedwongen onder de kostprijs te rijden of komen in financiële problemen. Werkgebieden raken hierdoor versnipperd, wat reistijden vergroot en de duidelijkheid voor de burger niet vergroot. Ook als je kijkt naar de gespecialiseerde opvangcentra is dit beleid niet houdbaar: Gemeenten kunnen niet verantwoordelijk worden gehouden voor kosten dieren uit andere gemeenten. Andersom zou het onzinnig zijn om per gemeente mogelijkheden te creëren voor de opvang van alle diersoorten die mogen worden gehouden in Nederland.
Deze problematiek is kortom gemeentegrensoverschrijdend, we hebben er de minister vaak op gewezen, en de Partij voor de Dieren vindt dan ook dat landelijk beleid hiervoor noodzakelijk is.

Verkoop dieren
Landelijke verantwoordelijkheid voor het oplossen van de problemen rondom de opvang van dieren zou bovendien een grotere stimulans kunnen vormen om ook de oorzaak eens aan te pakken.
Zolang geen enkele moeite wordt genomen om de voorkant aan te pakken, namelijk de verkoop van (jonge) dieren in dierenwinkels, tuincentra en op internet, blijft het immers aan de achterkant dweilen met de kraan open.

Over de I&R verplichting voor katten kan ik kort zijn: het is onbestaanbaar dat de minister dit middel niet verwelkomt als oplossing voor de alsmaar groeiende problematiek rond zwerfkatten, al dan niet verwilderd.

Ongedomesticeerde dieren – VOND protocol

Voorzitter, dan over opvangcentra voor ongedomesticeerde dieren die helaas ook vaak in nood zijn. Zowel de dieren als de centra... De Partij voor de Dieren is voorstander van professioneel georganiseerde noodopvang van dieren uit het wild. Niet iedereen moet op een zolderkamertje een ‘opvang’ kunnen beginnen. We maken ons echter wel zorgen over de manier waarop de voorschriften uit het kwaliteitsprotocol nu snel lijken te worden doorgedrukt.
Terecht merkt de minister in haar brief (6-3) op dat de aard en de omvang van de opvangcentra sterk varieert en dat het hierdoor lastig is om een protocol op te stellen dat voor iedereen werkbaar is. Een eis dat ieder binnengekomen dier bijvoorbeeld door een dierenarts moet worden gecontroleerd, is in de praktijk onbetaalbaar en onhaalbaar.
Er heerst dan ook nogal wat onrust en onzekerheid onder de verschillende opvangcentra. Hier moet naar geluisterd worden.

Is het waar dat de minister slechts tien opvangcentra heeft geconsulteerd over de impact van dit protocol, zo’n 5% van het totale aantal opvangcentra (10 v/d 200)? Verstaat zij dit onder een impactanalyse en een brede steekproef onder alle categorieën van opvangcentra?

Wat stelt de minister tegenover deze omschakeling? Alle lasten worden wederom op het bord gelegd van de centra. Wij vinden dat geld en kennis beschikbaar moet worden gesteld voor opvangcentra die moeten verbouwen, hulp nodig hebben bij het oprichten van een stichting of vereniging, bij het zoeken naar de juiste opleiding voor medewerkers en de middelen daartoe.

Vereiste van een opleiding tot vakbekwaam dierverzorger is heel mooi, maar kan de minister aangeven in hoeverre relevante opleidingen beschikbaar zijn? Is het niet zo dat binnen de bestaande opleidingen niet of nauwelijks aandacht wordt besteed aan deze categorie dieren en deze vorm van noodhulp?

Is de minister bereid de werking van het protocol en de impact op de landelijke dekking en kwaliteit van opvangcentra geregeld te evalueren?