Bijdrage Partij voor de Dieren aan schrif­telijk overleg over Dier­proeven


10 september 2008

Schriftelijk Overleg Dierproeven


De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn blij dat het kabinet aandacht heeft besteed aan het beleid rondom dierproeven. De Wet op de dierproeven had en heeft tot doel om voorschriften te stellen ten aanzien van dierproeven met het oog op de bescherming van het dier. De Wod is 25 jaar na zijn inwerkingtreding in 2005 eindelijk geëvalueerd.

In het evaluatieonderzoek stonden twee vragen centraal:

  1. Is het instrumentarium van de Wod doeltreffend, met andere woorden: dragen (de toepassing van) het instrumentarium, het toezicht en de handhaving en de daarbij gevolgde procedures bij aan de bescherming van de intrinsieke waarde van proefdieren?
  2. Biedt de Wod voldoende houvast voor een adequate ethische toetsing c.q. afweging van het maatschappelijk belang tegen het aan het proefdier berokkende ongerief in het licht van het in de Wod geformuleerde uitgangspunt van de erkenning van de (intrinsieke waarde van) het dier?

    Het onderzoeksteam kwam tot de conclusie dat het instrumentarium van de Wod in de huidige opzet zeker bijdraagt aan de bescherming van de intrinsieke waarde, maar dat de bijdrage die de wet levert aan de bescherming van proefdieren verre van optimaal is. Daarbij concludeert de commissie dat de gedachte van de wetgever dat het belang van dieren in een bewust afwegingsproces moet worden ingebracht, in de praktijk niet uit de verf blijkt te komen. De praktijk laat vooral een toetsing zien van de proefdierkundige opzet, de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier vormt geen zelfstandig afwegingscriterium voor de ethische toetsing. De fractie van de Partij voor de Dieren denkt dat de evaluatiecommissie een deugdelijk rapport heeft afgeleverd. Deze leden betreuren het dan ook dat destijds, bij het verschijnen van het rapport, de toenmalige minister van VWS kennelijk zijn oren heeft laten hangen naar wetenschap, farmaceutische industrie en patiëntenorganisaties, die protesteerden tegen de voorgestelde verbeteringen van de wetgeving. Op basis van hun verzet meende de minister te kunnen concluderen dat er ‘onvoldoende draagvlak’ zou bestaan voor de aanbevelingen van de onderzoeksgroep die de evaluatie heeft uitgevoerd.

    In de brief Beleidsvoornemens dierproeven (19 oktober 2007) stelt het kabinet dat de bezwaren tegen de aanbevelingen uit het evaluatierapport “Noodzakelijk kwaad” van ‘fundamentele aard’ waren, en dat de toenmalige minister van VWS de aanbevelingen om die reden destijds niet heeft overgenomen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen zich af hoe het kabinet het evaluatierapport beoordeelt. Is het kabinet van mening dat de onderzoekers van de Universiteit Utrecht een deugdelijk rapport hebben afgeleverd? Kan het kabinet aangeven welke ‘fundamentele bezwaren’ precies zijn aangevoerd, en hoe zij deze bezwaren beoordeelt? Heeft zij onderzocht in hoeverre de bezwaren gegrond waren? Kan het kabinet aangeven hoe haar oordeel over de kwaliteit van het evaluatierapport zich verhoudt tot haar oordeel over de bezwaren die zijn geuit tegen de conclusies en aanbevelingen?
    Juridisch kader Wet op de dierproeven
    De evaluatie wijst uit dat de Wod qua juridische structuur is achtergebleven bij de ontwikkelingen die sedert haar inwerkingtreding hebben plaatsgevonden in het algemeen bestuursrecht. Ook bestuursrechtjuristen wijzen er al jaren op dat de Wod een uniek geval is, omdat het zo ongeveer de enige (bestuurs)wet is, waar het voor de rechter onmogelijk is om de praktijk aan de wet te toetsen. Hoe kijkt het kabinet tegen deze situatie aan?
    De aanbeveling om de Wet op de dierproeven, die immers al meer dan 30 jaar oud is, te herijken tegen de achtergrond van de systematiek van de Algemene wet bestuursrecht lijkt alleszins redelijk. De evaluatiecommissie merkte hierbij terecht op dat de Wet openbaarheid van bestuur in deze opzet de benodigde bescherming van bedrijfsvertrouwelijke gegevens geeft, en dat bovendien overwogen kan worden in aanvulling daarop specifieke bepalingen op te nemen in de Wet op de dierproeven, bijvoorbeeld met betrekking tot de bescherming van gegevens over de locatie van de uitvoering van dierproeven en de bescherming van persoonlijke gegevens.
    De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren begrijpen niet waarom het kabinet zulke heldere aanbevelingen voor het verbeteren van verouderde wetgeving in de wind slaat. Kunnen de bewindslieden toelichten waarom de kaders van de Algemene wet bestuursrecht niet zouden gelden voor de Wet op de dierproeven?
    Openheid en openbaarheid
    De Partij voor de Dieren is van mening dat dierproeven een maatschappelijke aangelegenheid vormen waar democratische controle op moet kunnen worden uitgeoefend. Kan het kabinet aangeven welke visie zij heeft op de verantwoording die over dierproeven moet (kunnen) worden afgelegd?

    Het kabinet schrijft dat de wenselijkheid van openbaarmaking op drie verschillende niveaus is bekeken, waarbij openbaarmaking van projecten (die bestaan uit samenhangende experimenten) wordt gepresenteerd als een werkbare oplossing die aanvaardbaar is voor het merendeel van de betrokkenen. Deze oplossing wordt vervolgens niet verder uitgewerkt. Waarom niet? De openbaarmaking van de DEC-jaarverslagen en de grotere openheid waaraan vergunninghouders moeten werken, leveren nog geen openbaarheid van projecten op. Kan het kabinet aangeven op welke wijze zij de openbaarheid van projecten zal realiseren?
    In de beleidsvoornemens spreekt het kabinet de wens uit meer openheid te betrachten rondom dierproeven. Kan het kabinet aangeven welke definitie van openheid zij hiervoor hanteert? De Code openheid dierproeven opgesteld door de VSNU, KNAW en NFU beschrijft openheid als “een bereidwillige houding van de houder van informatie over dierproeven om de dialoog hierover met de samenleving aan te gaan. (…) Kenmerkend is het vrijwillige karakter: de informatie hoeft niet compleet te zijn, mag geabstraheerd zijn en hoeft niet de originele documenten te omvatten.” Hoe beoordeelt het kabinet deze visie op openheid?
    De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen zich af op welke wijze het kabinet de stelling heeft getoetst dat het openbaar maken van individuele experimenten ‘zal leiden tot een onwerkbare situatie door de verzwaring van administratieve lasten en problemen met de bescherming van het intellectuele eigendom van de aanvragers en de privacy van de onderzoekers’. Kan het kabinet aangeven hoe deze stelling zich verhoudt tot de aanbevelingen uit het evaluatierapport, waarin wordt gewezen op de bescherming die kan worden geboden door de Wet openbaarheid van bestuur, alsmede door specifieke bepalingen die zouden kunnen worden opgenomen in de Wet op de dierproeven?
    Ethische toets
    De Wet op de dierproeven regelt dat dierproeven vooraf moeten worden getoetst door dierexperimentencommissies. De primaire taak van de DECs is het toetsen van de ethische toelaatbaarheid van elk individueel dierexperiment, en daarnaast dienen deze commissies na te gaan of aan alle wettelijke eisen voor de dierproef is voldaan. Nu is de ethische afweging van DECs, die ten grondslag zou moeten liggen aan de goedkeuring van dierexperimenten, niet openbaar en daarom niet controleerbaar. Uit diverse proefschriften, onderzoeksrapporten en uit publicaties uit de vakliteratuur (interviews met proefdierdeskundigen) blijkt echter dat DECs niet toekomen aan de ethische toetsing, maar zich beperken tot een beschouwing van de 3 V’s (vermindering, vervanging en verfijning).

    Zo constateert onderzoeker Frans Stafleu in zijn proefschrift over de ethische aanvaardbaarheid van dierproeven: “De drie V’s (met nadruk op verfijning) en de overige aspecten van de proefdierkundige kwaliteit komen uitgebreid aan bod en worden zeer kritisch getoetst. Men vindt het echter moeilijk om het menselijk belang te beoordelen. Het doel van de proef is veelal onduidelijk. Bovendien is het moeilijk voor werknemers bepaalde doelstellingen van hun instelling te bekritiseren, als was het maar vanwege de economische afhankelijkheid van de instelling. Afwijzingen van de dierproef komen weinig voor en hebben dan meestal betrekking op de wetenschappelijke kwaliteit” . De Keuringsdienst van Waren bevestigt dit beeld , en ook uit de evaluatie van de Wod blijkt dat DECs vooral toetsen op de 3 V’s, en met de ethische toets slecht uit de voeten kunnen.
    De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn hoogst verbaasd dat het kabinet hier volledig aan voorbij gaat in haar brief over de beleidsvoornemens dierproeven. Waarom wordt er om de hete brei heen gedraaid? De fractie van de Partij voor de Dieren wil van de bewindslieden weten hoe zij de ethische toetsing van dierproeven door DECs beoordelen.
    De fractie van de Partij voor de Dieren wijst erop, dat de overheid de DECs heeft belast met de ethische toetsing van dierproeven, maar heeft verzuimd om hiervoor een ethisch toetsingskader te ontwikkelen. Hoe moeten DECs de moeilijke ethische toets uitvoeren in de ogen van het kabinet? Ook de evaluatiecommissie stelt dat het probleem rond de ethische toets ‘in belangrijke mate lijkt samen te hangen met een gebrek aan een operationeel toetsingskader door dierexperimentencommissies’. Zij adviseert nader onderzoek te verrichten naar de operationalisering van de toetsingscriteria, en te voorzien in een uitdrukkelijke neerslag (motivering) van de ethische toets. Dat zijn alleszins redelijke aanbevelingen, die in de ogen van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zonder problemen zouden moeten kunnen worden opgevolgd. Waarom heeft het kabinet niets met deze voorstellen om de ethische toets te verbeteren gedaan?

    In de Wet op de dierproeven ontbreekt een afbakening van de belangen voor welke wetenschappelijk onderzoek met dierproeven gerechtvaardigd kan zijn. Is het kabinet bereid deze belangen alsnog in te kaderen, zodat meer duidelijkheid ontstaat over de doelen waarvoor dierproeven in elk geval niet zijn toegestaan?
    De Partij voor de Dieren-fractie heeft de volgende vragen over de ethische toetsing van dierproeven:
    -Kan het kabinet aangeven hoe de ethische toets precies plaatsvindt bij de DECs? Welke criteria worden bij deze toets gehanteerd, en door wie zijn die criteria opgesteld?
    -Kunnen de bewindslieden aangeven of, en zo ja, hoe, er wordt toegezien op de wijze waarop DECs de ethische toets uitvoeren?
    - Bestaat er (inmiddels) een algemeen toetsingkader voor DECs met betrekking tot de ethische toets? Zo ja, hoe ziet dat toetsingskader er uit? Zo nee, betekent dat dan dat elke DEC zijn eigen toetsingskader heeft ontwikkeld?
    -Hoe denkt het kabinet willekeur in de ethische toetsing van dierproeven te kunnen voorkomen wanneer er geen algemeen geldend toetsingskader bestaat dat de DECs kunnen gebruiken bij de uitvoering van de hen opgelegde taak?
    -Kan het kabinet aangeven op welke wijze de ethische norm voor de toelaatbaarheid van dierproeven tot stand komt of is gekomen?

    In de beleidsvoornemens dierproeven heeft het kabinet alleen aandacht voor de deskundigheid en de expertise van de DECs, en niet over de structuur waarin de ethische toetsing van dierproeven het beste kan plaatsvinden. Op de knelpunten rond de onafhankelijkheid van de DECs ten opzichte van het instituut waaraan zij verbonden zijn, wordt niet ingegaan. Wat is de visie van het kabinet op de positie van de DEC-leden en de afhankelijkheidsrelatie met het onderzoeksinstituut waar zij als werknemer aan verbonden zijn? Kan het kabinet de onafhankelijkheid van DECs waarborgen? Zo ja, op welke wijze?
    Er zijn in Nederland rond de 80 vergunninghouders actief, en 25 DECs, die ieder voor hun eigen instituut de aanvragen voor dierexperimenteel onderzoek moeten beoordelen. In het licht van de opbouw en bundeling van expertise, efficiency, stroomlijning van de ethische toets, waarborging van onafhankelijkheid en deregulering valt er veel te zeggen voor de oprichting van één landelijke DEC, die alle dierproeven in Nederland van een oordeel voorziet. Via gespecialiseerde subcommissies kan binnen zo’n landelijke DEC de benodigde kennis over en ervaring op de verschillende onderzoeksterreinen gemakkelijker worden gegarandeerd dan in de huidige situatie, waarin de verschillende DECs min of meer als generalisten moeten kunnen opereren. Zijn de bewindslieden bereid een dergelijke structuur te overwegen? Zo neen, waarom niet?
    Handhaving
    Het kabinet schrijft in haar brief van 19 oktober: “Het instrumentarium van de toezichthouder, de VWA, is beperkt tot de schriftelijke waarschuwing en (uiteindelijk) het opmaken van een proces verbaal en het inzenden daarvan naar het Openbaar Ministerie (OM). (…) Hoewel sprake is van een gering aantal vergrijpen dat geconstateerd wordt is het handhavingsinstrumentarium in de praktijk niet altijd toereikend gebleken. Als het OM om redenen van opportuniteit van vervolging afziet, blijft een misdraging soms zonder gevolg.

    De Partij voor de Dieren-fractie is van mening dat het kabinet hier de wereld op zijn kop zet. Er is een al vele jaren een ernstig en structureel gebrek aan toezicht. Het kabinet bevestigt dit in antwoord op Kamervragen over de handhaving en sanctionering rondom de Wod (26 juni 2008). Er wordt gesneden in het aantal beschikbare fte’s bij de VWA, en van de 5,3 fte in 2006 was slechts 3,8 fte belast met het daadwerkelijke toezicht. Daar komt bij dat de formatie de afgelopen 5 (!) jaar niet volledig inzetbaar is geweest. Inspectie is vooral een papieren inspectie en het is niet ongebruikelijk dat de helft van de voorgenomen controles niet wordt uitgevoerd. De constatering van het kabinet dat er slechts een gering aantal vergrijpen wordt vastgesteld lijkt te suggereren dat die vergrijpen niet plaatsvinden, terwijl de gebrekkige controle net zo goed de reden kan zijn van het kleine aantal geconstateerde overtredingen. Graag een reactie van de bewindslieden. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vinden dat het kabinet de controle op de Wod serieus moet invullen, en hiervoor structureel meer geld en mankracht moet reserveren. Uitbreiding van het handhavingsinstrumentarium van de VWA heeft immers alleen zin als er voldoende geld en menskracht beschikbaar is om daadwerkelijk te controleren en handhaven.
    Het kabinet schrijft verder dat een misdraging soms zonder gevolg blijft. Dat lijkt de fractie van de Partij voor de Dieren wat omzichtig uitgedrukt. Kan het kabinet de situatie wat preciezer schetsen? Hoe vaak is er in de afgelopen tien jaar aangifte gedaan van overtreding van de Wet op de dierproeven bij het OM? En kan het kabinet aangeven welke sancties in de loop der jaren zijn opgelegd aan vergunninghouders die de Wod overtraden?

    Biotechnologie
    Het kabinet schrijft dat het Besluit Biotechnologie bij dieren heeft voldaan aan de oorspronkelijke doelstelling, te weten inzicht krijgen in de biotechnologische handelingen bij dieren en de ethische aanvaardbaarheid daarvan. Vervolgens stelt het kabinet dat “De toetsing van aanvragen voor een vergunning heeft uitgewezen dat biotechnologische handelingen bij proefdieren voor medisch onderzoek aanvaardbaar is, als het maatschappelijk belang van dit onderzoek opweegt tegen de nadelen die proefdieren mogelijk ondervinden”. Feitelijk denken de bewindslieden dus wel genoeg te te weten over de ethische aanvaardbaarheid van genetische manipulatie van dieren voor medisch onderzoek. Kan het kabinet aangeven welke criteria en toetsingskaders zijn gehanteerd voor het bepalen van het ‘maatschappelijk belang’ van het onderzoek waarvoor de afgelopen jaren vergunningen voor het genetisch manipuleren van dieren zijn afgegeven? Kan het kabinet voorts aangeven of, en zo ja hoe vaak, een positief advies van de Commissie biotechnologie bij dieren over een aangevraagde vergunning door de rechter is herroepen? Dankzij de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure bestaat de mogelijkheid om verleende vergunningen te toetsen aan de Nederlandse wet- en regelgeving en zonodig een vonnis van de rechter te vragen. Openbaarheid en de mogelijkheid om zaken aan de rechter voor te leggen hebben geleid tot voortschrijdend inzicht en het afschaffen van deze openbaarheid en het afschaffen van de mogelijkheid om de rechter in te schakelen bij vermeende discrepanties tussen voorgenomen handelingen en de wetgeving, betekent een buitengewoon ernstige verslechtering van de positie van de proefdieren. Dat staat haaks op de stelling van het kabinet dat het Besluit Biotechnologie bij dieren niet veel meer toevoegt aan een betere bescherming van proefdieren. Kunnen de bewindslieden dit uitleggen? Streeft het kabinet naar een betere bescherming van proefdieren, en zo ja, op welke wijze zal dit streven vorm gegeven worden?

    De Partij voor de Dieren is van mening dat de ontwikkelingen die zich op het gebied van de biomedische wetenschappen zullen voordoen, de maatschappelijke discussies die daarover gevoerd gaan worden en de biotechnologische technieken die in de toekomst op dieren kunnen worden toegepast, niet kunnen worden voorspeld. Alleen al om die reden kan onmogelijk worden volgehouden dat de ethische aanvaardbaarheid van biotechnologische handelingen bij proefdieren voor medisch onderzoek vaststaat. De maatschappelijke discussie over voortschrijdende biomedische ontwikkelingen zou onderdeel moeten vormen van de beoordeling van het maatschappelijk belang van een bepaald medisch onderzoek waarbij dieren worden gebruikt. Wanneer de vergunningprocedure voor biotechnologie bij dieren achter gesloten deuren gaat plaatsvinden, worden ethische bezwaren uit de samenleving letterlijk buitengesloten. De leden van de Partij voor de Dieren achten dat onaanvaardbaar en pleiten voor het behoud van de openbaarheid rond biotechnologie bij dieren.
    Genetische manipulatie van dieren gaat gepaard met niet te onderschatten dierenleed. Het ‘creëren’ van ‘lijnen’ met een genetische afwijking gaat gepaard met voortplantingstechnieken waar de betreffende dieren ernstig onder te lijden hebben. De dieren die geboren worden uit een dergelijk genetisch experiment worden veelal onderworpen aan extra ingrepen om hun precieze gentype te kunnen bepalen, en om hen onderling uit elkaar te kunnen houden. Kan het kabinet aangeven welke technieken op dit moment worden gebruikt voor de genetische manipulatie van dieren, en hoezeer de dieren daarvan te lijden hebben? Kan het kabinet voorts aangeven welke ingrepen worden toegepast op (genetisch gemanipuleerde) proefdieren, zoals de staart-, oor- en teenknip, en welke alternatieven mogelijk zijn voor deze ingrepen? Is het kabinet bereid pijnlijke ingrepen op proefdieren, louter ter identificatie, te verbieden?
    Genetische manipulatie kost zeer veel dierenlevens, vanwege het grote aantal dieren dat ‘nodig’ is voor de creatie van een koppeltje dieren met het gewenste genetisch defect. De aantallen dieren die ‘in voorraad’ worden gedood, is de afgelopen jaren schrikbarend gestegen, zo blijkt uit de jaarlijkse rapportages van de VWA. In 2006 ging het om meer dan 408.960 dieren! Dat is vooral te wijten aan het toegenomen aantal biotechnologische experimenten met proefdieren. Kan het kabinet aangeven welke ontwikkelingen zij op dit gebied verwacht? Moeten we ons binnenkort neerleggen bij het kille feit dat meer dan een half miljoen dieren als fokvoorraad wordt gedood in onze proefdierlaboratoria? Is het kabinet bereid ambities te formuleren en beleid te ontwikkelen om deze verontrustende ontwikkeling een halt toe te roepen?
    Deskstudie primaten
    In de deskstudy wordt een overzicht gegeven van de proeven waarvoor primaten zijn gebruikt in 2006. Gegevens over in Nederland aanwezige fokkolonies ontbreken. Kan het kabinet aangeven om hoeveel primaten het hierbij gaat, welke soorten hierbij betrokken zijn en hoeveel instituten beschikken over fokkolonies?
    In de deskstudy wordt beschreven dat 5-10% van de gebruikte dieren niet uit fokcentra binnen de EU komen. Kan het kabinet aangeven waar deze dieren vandaan komen?
    Bij de conclusies is te lezen dat ‘huidige fokkolonies minimaal op het huidige niveau gehandhaafd moeten worden, eventueel kan overwogen worden dit niveau iets te verhogen om bij te dragen aan het opheffen van het Europees tekort aan apen van EU-bodem.’ Graag een reactie hierop van het kabinet.
    Gezien de aard van de proeven, hebben primaten meer te lijden onder de experimenten waarvoor zij worden gebruikt, zo wordt beschreven in de deskstudy. Kan het kabinet aangeven welke initiatieven er tot nu toe hebben plaatsgevonden ten aanzien van de verfijning, vermindering en vervanging van experimenten met primaten? Door wie zijn deze geïnitieerd? Welke budgetten zijn hiermee gemoeid en van wie zijn deze afkomstig?
    De deskstudy geeft aan dat het gebruik van primaten in onderzoek meer ethische bezwaren oplevert dan het gebruik van andere diersoorten en dat (niet gevalideerde) alternatievenmethoden door toelatende instanties voorzichtigheidshalve niet worden geaccepteerd. Kan het kabinet aangeven om welke methoden het hier gaat en welke inspanningen zijn verricht om de validatie rond te krijgen? Kan het kabinet aangeven of en zo ja, welke maatregelen worden getroffen om deze situatie te veranderen?
    Deelt het kabinet de mening van de onderzoekers dat het van belang is op korte tot middellange termijn aandacht te schenken aan vermindering en verfijning? Zo ja, op welke wijze geeft het kabinet hieraan gevolg?
    Er wordt gesteld dat apen nodig zijn voor onderzoek naar hogere cognitieve functies. Kan het kabinet aangeven welk onderzoek hieronder valt? Kan het kabinet uiteenzetten wat moet worden verstaan onder ‘een andere wetenschappelijke vraag’ (pagina 4) en welke apensoorten hiervoor worden gebruikt?
    Kan het kabinet aangeven of en zo ja, op welke wijze invulling wordt gegeven aan de ‘Primaten Declaratie’ (No 40) die in september 2007 is aangenomen door het Europees Parlement, waarin staat dat een afbouwprogramma moet worden opgesteld voor het uitfaseren van dierproeven met primaten en dat moet worden gezocht naar proefdiervrije alternatieven?
    Deskstudie ongewervelden
    De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn verbaasd over het feit dat gewacht wordt met het nemen van maatregelen tot de Europese besluitvorming is afgerond nu de EFSA advies heeft uitgebracht over de wettelijke bescherming van drie groepen ongewervelden (cephalopoda, cyclostomata en decapoda crusteae). Deze diersoorten mogen hierdoor nog steeds zonder bescherming in proeven worden gebruikt, terwijl is aangetoond dat zij kunnen lijden.
    Ook met betrekking tot diersoorten uit categorie 3 van de deskstudy dient volgens de Partij voor de Dieren het voorzorgsprincipe te worden gehanteerd. Er is onvoldoende bekend om een verantwoorde risico-inschatting te kunnen maken over het receptief vermogen van deze categorie dieren. Desondanks wordt geconcludeerd dat wettelijke bescherming niet nodig is. Is het kabinet bereid dit standpunt te herzien?
    Kan het kabinet aangeven in hoeverre het advies van de EFSA met betrekking tot de wettelijke bescherming van deze drie groepen ongewervelden uitwerking zal krijgen op andere beleidsterreinen, bijvoorbeeld wanneer het gaat om toegestane dodingsmethoden?
    Alternatieven
    De Partij voor de Dieren is blij dat het kabinet het beleid rond alternatieven voor dierproeven opnieuw heeft willen bekijken. Het belang van het ontwikkelen en valideren van alternatieven voor dierproeven wordt onderstreept door alle partijen in het debat: farmaceutische industrie, wetenschap, patiëntenorganisaties en dierenbeschermingsorganisaties. Iedereen is ervan doordrongen dat een ambitie om het aantal dierproeven terug te dringen door de ontwikkeling en toepassing van alternatieven, vraagt om een voortvarende aanpak met bijbehorende middelen. Op dit vlak kunnen we de visie die het kabinet heeft gepresenteerd niet anders zien dan als een eerste analyse van het bestaande beleid en de recente ontwikkelingen in de maatschappelijke discussie over de aanvaardbaarheid van dierproeven en de wens om te komen tot alternatieven. In de kabinetsvisie Alternatieven voor dierproeven kunnen we lezen dat er meer structuur en coördinatie wordt aangebracht in lopend en voorgenomen beleid. Dat is een goede en noodzakelijke eerste stap, maar ook niet meer dan dat. Het kabinet spreekt zich niet uit over ambities, heeft geen concrete doelen en resultaten op het oog, en gaat niet in op de aanpak van een knelpunt als validatie, een probleem dat door veel stakeholders als frustrerend wordt ervaren. Daarbij komt dat de financiële middelen die het kabinet vrijmaakt voor het alternatievenbeleid, volstrekt ontoereikend zijn.

    De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt het kabinet om een nadere uitwerking van de visie. Wat zijn de ambities van het kabinet voor de ontwikkeling en toepassing van alternatieven en de terugdringing van dierproeven op de lange termijn? Welke concrete doelen en resultaten heeft het kabinet voor ogen? Op welke analyses is het gepresenteerde budget gebaseerd? Heeft het kabinet haar licht opgestoken bij de onderzoeksinstituten, ZonMw en NCA om zicht te krijgen op de budgetten die nodig zijn om een doeltreffend alternatievenbeleid te kunnen voeren? Is het kabinet bereid om een werkplan op te stellen waarin de kabinetsvisie wordt uitgewerkt in concrete doelen en bijbehorende maatregelen en tijdsplanning?
    Op dit moment volgen proefdieronderzoekers een relatief korte cursus met betrekking tot alternatieven voor dierproeven. Is het kabinet bereid de mogelijkheden te onderzoeken om deze cursus uit te breiden en een systeem te ontwikkelen waarbij afgestudeerde onderzoekers regelmatig een opfriscursus volgen om op de hoogte te blijven van de actuele ontwikkelingen op het gebied van alternatievenonderzoek? Eerder heeft de minister van VWS de Kamer toegezegd de werkwijze en budgetten van het Britse National Centre for the Replacement, Refinement and Reduction of Animals in Research (NC3R’s) nader te bekijken. In de kabinetsvisie Alternatieven voor dierproeven is hier echter niet veel over terug te vinden. Kan het kabinet (alsnog) aangeven wat de beschikbare budgetten zijn bij het NC3R’s in het Verenigd Koninkrijk en welk werk zij precies verrichten? De fractie van de Partij voor de Dieren is van mening dat waardevolle initiatieven op het gebied van alternatieven voor dierproeven nauwlettend moeten worden gevolgd, om daar ons voordeel mee te kunnen doen voor de Nederlandse situatie en internationale samenwerking. Graag alsnog een uitvoering van de eerder gedane toezegging op dit gebied.
    Kan het kabinet aangeven in welk stadium het ASAT initiatief zich thans bevindt, welke partijen hierbij zijn betrokken, waarom het dit initiatief buiten de kabinetsvisie wordt gehouden en wat de verwachte consequenties zijn met betrekking tot de ontwikkeling van alternatieven voor dierproeven en het terugdringen van het proefdiergebruik?
    Het is onduidelijk met welke financiële middelen de overheid de ontwikkeling van alternatieven voor dierproevenprojecten gaat ondersteunen en via welke organisatie. Kan het kabinet hier duidelijkheid over verschaffen?
    Op welke wijze denkt de overheid overheidsgerelateerde organisaties (als RIVM, NVI, ID-Lelystad, NWO, RIKILT), andere organisaties (dierenbelangenorganisaties, patiëntenverenigingen) en industrie te stimuleren om het alternatieven voor dierproevenonderzoek te ondersteunen?
    De taken van het NKCA worden uitgebreid in vergelijking met die van het huidige NCA. Verwacht het kabinet dat het NKCA met het voorgestelde budget alle voorgestelde taken afdoende kan vervullen?
    De voorgestelde organisatiestructuur is complex en onduidelijk. Wat wordt de rol van de Maatschappelijke klankbordgroep, en van de organisaties genoemd links in het diagram (ZonMw, NVI, NWO, etc.)? Wat wordt de rol van de Interdepartementale Stuurgroep en Werkgroep?

    Is het kabinet bereid publicaties te stimuleren over dierproeven die niet het gewenste resultaat hebben opgeleverd, opdat dubbelingen zoveel mogelijk worden voorkomen?