Bijdrage Partij voor de Dieren aan de Mili­euraad


18 februari 2009

19 februari 2009

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Een volle agenda. De heer Vendrik en ik hebben slimme afspraken gemaakt. Het vurige pleidooi van de heer Vendrik voor een ambitieus klimaatbeleid en een meer dan ambitieuze inzet voor de onderhandelingen kan ik van harte onderstrepen. Ik heb nu het genoegen om, mede namens de GroenLinks-fractie, in de bres te springen voor landen die hun akkers gentechvrij willen houden, want er speelt nogal wat. In de Milieuraad zal waarschijnlijk worden gestemd over het opheffen van de gentechteeltverboden van Frankrijk en Griekenland. Die landen willen gewoon niet dat er genetisch gemanipuleerde maïs op hun akkers groeit vanwege de risico's die niet te overzien zijn. Ook Duitsland overweegt inmiddels zo'n verbod. Ik heb groot respect voor de landen die het genetisch geknutsel met planten buiten de deur willen houden, want, zoals gezegd, hoe kunnen wij beoordelen wat de gevolgen zullen zijn over 20, 25 of misschien 50 jaar? Er kleven belangrijke ethische bezwaren aan genetische manipulatie en 60% van de Europeanen is ertegen. Dat het Nederlandse kabinet onder aanvoering van mevrouw Verburg stelt dat gentech uit de taboesfeer moet worden gehaald, vind ik ronduit verwerpelijk, want wat zien wij gebeuren? Nederland vergroot de mogelijke voordelen uit en doet bezwaren af als emotie. Dat doet geen recht aan de fundamentele bezwaren die er wel degelijk zijn.
Ik heb begrepen dat Nederland wederom gisteren of eergisteren tegen de wens van Frankrijk heeft gestemd om zijn eigen land gentechvrij te houden. Het gaat nu opnieuw naar de Milieuraad. Ik wil hierbij de minister verzoeken om de keuzevrijheid, waarvan wij eerder van het kabinet hebben gehoord dat het die voor andere landen wil respecteren, dan ook daadwerkelijk in praktijk te brengen. Vorig jaar heb ik in een debat met minister Verburg dezelfde vraag voorgelegd. Zij zegt dan dat zij voor keuzevrijheid is, maar uiteindelijk zijn de handelingen van het Nederlandse kabinet geheel anders. Dat kan natuurlijk niet. Graag een reactie hierop. Ik heb alvast een VAO aangekondigd, omdat ik denk dat de Kamer zich hierover moet uitspreken, als de minister die toezegging niet kan doen.
Voorzitter. De IPPC-richtlijn. Het is mij opgevallen dat het verhaal van de milieuminister in de agrarische pers lovend is ontvangen. Als de agrarische pers staat te juichen bij een milieuminister dan is er stront aan de knikker. De uitbreiding van de IPPC-richtlijn naar kleinere veehouderijbedrijven heeft ook voor mijn fractie bezwaren. Waar gaat het om? Wij bediscussiëren de grote problemen die gemoeid zijn met de veehouderij op de vierkante centimeter. Wij moeten het milieu beschermen tegen de veehouderij, maar wij moeten ook de dieren een gunstig leven bieden, dus met een luchtwasser op een stalletje ben je er inderdaad niet. In dat opzicht kan ik tegen de minister zeggen dat voor mij die IPPC-richtlijn ook niet hoeft zo lang het kabinet geen integraal duurzame koers heeft uitgezet waar de Kamer mee kan instemmen. Dus als de minister nu zegt dat wij de IPPC-richtlijn niet op de kleinere bedrijven van toepassing willen verklaren, dan verwacht ik dat de minister op heel korte termijn met een integraal plan komt om zowel de milieu- als de dierenwelzijnsproblemen op te lossen. Kan zij dat toezeggen? De fractie van de Partij voor de Dieren zit er erg mee in haar maag. Wij worden op deze manier in de discussie getrokken die slechts met oogkleppen op gevoerd kan worden. Op die manier kun je geen verantwoorde besluiten nemen. Graag een reactie van de minister op dit punt.
Een positief punt over zeehonden. Het Europees Parlement steunt de minister inmiddels en wil een strenger verbod op zeehondenproducten. Dat verbod betreft niet alleen de producten van zogenaamd humaan gedode zeehonden, want dat valt niet te handhaven en het is de vraag wat een humane dood is, maar alle producten van zeehonden. Hartstikke goed. Kan de minister aangeven of wij onze successen kunnen vieren en de vlag kunnen uitsteken?
Over het klimaat heb ik mij aangesloten bij de opmerkingen van de heer Vendrik.
Ik kan de richtlijn gevaarlijke stoffen in elektrische apparatuur niet overzien, vandaar dat ik de minister vraag of er ingeval van de beoordeling van de gevaarlijke stoffen en de aansluiting bij REACH gevolgen te verwachten zijn voor het gebruik van proefdieren. De minister hoeft daar niet meteen op te antwoorden, dat mag zij ook schriftelijk doen. Wij moeten inzicht daarin krijgen om een goede afweging van de totale voorstellen te kunnen maken.
Ik steun de minister in haar inzet om bij het ecolabel vooral te starten aan het begin van de keten van processed food. Ik wil er wel voor waken dat een ecolabel niet te snel als een positieve etikettering wordt gebracht, terwijl er nog allerlei bezwaren aan kleven. Wat is werkelijk duurzaam en wat is gewoon ietsje minder slecht dan het product dat ernaast ligt? Kan de minister toezeggen dat wij niet zo dadelijk consumenten met valse duurzaamheidsetiketten een rad voor ogen draaien?

Minister Cramer: Er zijn vragen gesteld over genetisch gemodificeerde organismen. Er zijn moties aangenomen die betrekking hebben op producten van gemodificeerd maïs. Een aantal landen wil vrijwaring van de productie van MON810 en T25. Het kabinet is er in principe voorstander van dat voor de productie van landbouwgewassen -- in dit geval van maïs -- geen generiek Europees beleid geldt, maar dat landen zelf een afweging mogen maken. Dit correspondeert echter niet met hetgeen nu in EU-verband is vastgelegd in wetgeving. Als wij dit inbrengen in de Milieuraad, dan moeten wij zeggen dat wij afwijzen wat er tot nu toe op dit punt is besloten. Dat kan eigenlijk niet, want wij willen een consistent beleid. Als wij eenmaal ergens "ja" of "nee" tegen hebben gezegd, kunnen wij niet zo maar van mening veranderen. Bovendien kun je hierover pas een besluit nemen als de wetgeving is gewijzigd. Ter voorbereiding van de conferentie in Nairobi heb ik met enkele Europese collega's gesproken. Nederland zal inbrengen dat het aan de lidstaten moet worden overgelaten of zij de teelt van ggo-gewassen willen toestaan of niet. Om dat te kunnen realiseren, zal de wetgeving op korte termijn moeten worden aangepast. Dit zal door Frankrijk en door een aantal andere landen voorgesteld worden. Wij hebben hier trouwens ook met het voorzitterschap over gesproken. Langs deze lijn kunnen wij uit die ingewikkelde spagaat komen. Aan de ene kant willen wij consistent handelen in Europa en aan de andere kant willen wij landen in dezen de vrije keuze geven.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Deze uitleg verbaast mij. Ik vraag mij af welke voorloperinitiatieven Nederland heeft genomen om die wetgeving te veranderen. Het is mooi gezegd dat Nederland vindt dat individuele lidstaten vrij moeten kunnen beslissen of zij de teelt van de gentechgewassen willen toestaan, maar vervolgens verschuilt Nederland zich achter het argument dat er nu eenmaal afspraken zijn en dat het niet van consistent beleid zou getuigen om daarvan af te wijken. Ik heb daar serieus bezwaar tegen. Ik wil daar graag een nadere toelichting op. Ik vraag mij ook af of de minister vindt dat de landen die lidstaten wel deze vrijheid gunnen, misschien op hun achterhoofd zijn gevallen. Dat kan de minister toch niet menen? Het zijn toch serieuze gesprekspartners? Alleen het argument van consistentie van beleid kan niet zwaarder wegen dan het voorzorgsprincipe. Wij hebben het over een techniek waarvan de gevolgen over vijftig jaar niet zijn te voorzien. Dat weet de minister net zo goed als ik. Ik zou het op prijs stellen als Nederland zijn woorden omzet in daden. Nu deze variant opnieuw wordt beoordeeld, moeten wij de landen die het moratorium willen handhaven het voordeel van de twijfel geven. Tot er meer duidelijkheid is over de beoordeling van MON810 moeten deze landen de vrijheid hebben om de teelt van deze gewassen te verbieden.

Minister Cramer: Ik begrijp wat mevrouw Ouwehand bedoelt. Ik zeg iets waar zij eigenlijk heel blij mee zou moeten zijn, namelijk dat Nederland hiervoor zal pleiten. Ik heb uitgelegd dat wij zelf ervoor gaan pleiten om de wetgeving aan te passen. Wat wil zij nog meer?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Als ik het goed begrijp, doet u dit pas als Frankrijk met dit voorstel komt. In de Milieuraad stemt u echter voor de opheffing van het moratorium in Hongarije en in Oostenrijk. Als dat niet het geval is, dus als u keurig tegenstemt, dan ben ik blij.

Minister Cramer: Ik zal niet herhalen wat ik zojuist heb gezegd. Omdat eerst de wet gewijzigd moet worden, gaat de discussie niet over de vraag of wij voor of tegen moeten stemmen. Ik heb dit ook besproken met het voorzitterschap zodat er geen verwarring ontstaat over de landen die voor of tegen stemmen. Wij staan op het standpunt dat de beslissing over de teelt van ggo's aan de lidstaten is. Daarvoor proberen wij in Europees verband de handen op elkaar te krijgen. Dat is de inzet.

Mevrouw Ouwehand (SP): Als u het zo ziet, is de enige mogelijkheid dat u zich van stemming onthoudt.

Minister Cramer: Onthouden betekent dat je geen mening hebt. Wij willen wel heel duidelijk zeggen wat wij beogen. Mevrouw Ouwehand heeft ook een vraag gesteld over de intensieve veehouderij.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb mijn zorgen geuit en het duivelse dilemma geschetst waar ik me in bevind. De agrarische sector is blij dat de milieuminister hem niet het mes op de keel zet. Dat is altijd een slecht signaal. Ik ben zeer voor de bescherming van het milieu. Ik wil dat bedrijven met tussen de 30.000 en 40.000 legkippen onder de IPPC-richtlijn komen te vallen, maar mijn dilemma is dat dit kabinet zijn belofte op het gebied van dierenwelzijn niet nakomt. De dieren zullen dus nog langer worden opgesloten in stallen met een luchtwassertje op het dak. Ik kan de minister steunen als zij de IPPC-richtlijn niet op deze bedrijven van toepassing wil verklaren als zij met een prachtig plan komt om de werkelijke schade aan natuur en milieu te beperken en het leven van de dieren te verbeteren.

Minister Cramer: De intensieve veehouderij is nu gebonden aan ammoniakplafonds. Mijn inzet blijft in dat verband dat men moet voldoen aan de NEC-richtlijn. Daarnaast is er regelgeving voor dierenwelzijn. Daarom vinden wij het niet verstandig om de IPPC-richtlijn voor kleinere bedrijven van toepassing te verklaren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb nog een vraag over de argumentatie van de minister in haar brief. Zij stelt dat het nodig is om die bedrijven onder de IPPC-richtlijn te brengen omdat de bedrijven al vergunningplichtig zijn. Nationaal wordt er echter alles aan gedaan om de vergunningplicht uit de regelgeving te slopen. Er wordt gewerkt aan een voorstel om alleen veehouderijbedrijven die onder de IPPC-richtlijn een vergunningplicht op te leggen. Dat is een soort cirkelredenering, waarmee de uitholling van de natuur- en milieubescherming in Nederland met kracht wordt voortgezet. De minister wil kennelijk niet dat Brussel ons gaat overrulen met strengere milieumaatregelen. Het verhaal van de minister houdt geen stand. Het interne klimaat in een stal is geen issue voor dierenwelzijn. Ik weet dat deze minister daar niet over gaat, maar ik zie geen concrete stappen van het kabinet om het doel te bereiken dat dieren in 2023 de gelegenheid moeten hebben om natuurlijk gedrag te vertonen. Zo lang dat perspectief er niet is, houdt de regering de Kamer klem in een discussie op de vierkante centimeter over verschillende maatschappelijke waarden. Ik vind dat echt verwerpelijk.

Minister Cramer: De sector moet zich aan de regels houden. Er is veel regelgeving voor de uitstoot van ammoniak en andere schadelijk stoffen en voor dierenwelzijn. De sector is aan duidelijke milieueisen gebonden. Dat weet men ook. Het is ook duidelijk dat op sommige terreinen de eisen aangescherpt zullen worden. Minister Verburg heeft gezegd dat onze inzet is een duurzame landbouw op langere termijn. Wij moeten daar naartoe groeien. De kleinere bedrijven vallen onder de algemene regels voor milieu en dierenwelzijn. Daarmee is de zaak afgedekt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Het antwoord van de minister inzake het stemgedrag voor het opheffen van moratoria op de teelt van gentechgewassen overtuigt mij niet en dan druk ik mij zeer voorzichtig uit. De minister legt de nadruk op consistentie, maar wat is er nu zo vreselijk aan om tegen te stemmen? Allerlei landen hebben gezegd dat Oostenrijk, Hongarije, Frankrijk en Griekenland mogen zelf weten of zij gentechgewassen op hun akkers willen of niet. Dat is eigenlijk ook de opvatting van de minister. Verschillende landen in de Milieuraad steunen dit standpunt en ik heb nog niet gezien dat zij een draai om de oren hebben gekregen van de Europese Commissie. Ik vraag mij af wat de juridische houdbaarheid is van de afspraken waar de minister naar verwijst. In de tussentijd gaat de minister zich inzetten voor wijziging van de wetgeving op dit punt. Hoe lang gaat dat duren? Kunnen wij het risico nemen dat MON810 in Oostenrijk geteeld moet worden, terwijl wij weten welke gevolgen dit in Canada heeft gehad. Een Canadese boer is nota bene door Monsanto aangeklaagd omdat hij als gevolg van de kruisbestuiving met Monsantozaden ongewild gentechgewassen op zijn akkers heeft. Bovendien moet hij Monsanto betalen. Als de minister wil dat wij in Europa dit soort risico's moeten nemen, ben ik benieuwd hoe zij haar verantwoordelijkheid op dit punt ziet. Nederland kan zich van stemming onthouden. Duitsland is bijvoorbeeld niet op de stemmingen verschenen. Er zijn allerlei opties. Ik overweeg hierover een motie in te dienen.