Bijdrage Partij voor de Dieren aan schrif­telijk overleg over Zodoende 2007, jaar­rap­portage VWA over proef­dieren en dier­proeven


18 februari 2009

Inbreng Partij voor de Dieren, 19 februari 2009

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben met belangstelling kennisgenomen van het Jaaroverzicht van de Voedsel en Warenautoriteit over dierproeven en proefdieren, Zodoende 2007. Allereerst vragen de leden zich af waarom deze rapportage over de dierproeven die in 2007 in Nederland zijn uitgevoerd pas een jaar later, op de laatste dagen van 2008, is verschenen. De fractie van de Partij voor de Dieren meent dat het bundelen en ordenen van de gegevens over dierproeven geen jaar in beslag hoeft te nemen. Kan de minister de late verschijningsdatum verklaren?

Communicatie en transparantie over de registratie van dierproeven en proefdieren
De fractie van de Partij voor de Dieren heeft verschillende vragen over de communicatie over de dierproevenregistratie door de VWA. De kop van het persbericht over Zodoende 2007, “Welzijnsregels proefdieren weer goed nageleefd”, wekte bij deze fractie de nodige verbazing. Allereerst is het maar de vraag of ‘naleving van de regels’ wel het belangrijkste nieuws is dat er over dierproeven te melden valt. Graag een reactie van de minister op dit punt. Daar komt bij dat uit de rapportage blijkt dat slechts de helft van het geplande aantal inspecties is gerealiseerd. Kan de minister verklaren op welke gronden de VWA meent te kunnen concluderen dat de welzijnsregels voor proefdieren goed zijn nageleefd, als zij maar liefst de helft van de door haar beoogde inspecties niet heeft uitgevoerd?

Communicatie is onvolledig
De leden van de Partij voor de Dierenfractie vragen zich af of de minister van mening is dat de overheidscommunicatie over dierproeven (door de VWA) volledig te noemen is. Het aantal dieren dat ‘in voorraad’ wordt gedood, is de laatste jaren sterk gestegen, en ligt sinds 2005 op meer dan 400.000 dieren per jaar. De Partij voor de Dierenfractie vindt dat de berichtgeving over dierproeven niet alleen moet laten zien hoeveel dierexperimenten daadwerkelijk zijn verricht, maar ook hoeveel dieren jaarlijks in totaal worden gedood. Op die manier zou bijvoorbeeld duidelijk worden dat het aantal dieren dat voor het uitvoeren van dierproeven wordt gebruikt en/of gedood de laatste drie jaar (2005, 2006, 2007: totaal rond de 1 miljoen dieren) hoger ligt dan de drie jaren ervoor (2002, 2003, 2004: tussen de 850.000 en 910.000). Is de minister met de Partij voor de Dierenfractie van mening dat, door deze cijfers niet actief te communiceren, een te rooskleurig beeld wordt geschetst van het proefdiergebruik in Nederland?

Taalgebruik is verhullend
De laatste opmerking van de Partij voor de Dierenfractie over de communicatie over de registratie van dierproeven en proefdieren betreft de soms verhullende woordkeuze in het jaarverslag van de VWA. In een publieksdocument moet het gebruik van vakjargon zoveel mogelijk worden gemeden en moet een ieder gemakkelijk kunnen begrijpen wat er wordt bedoeld. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hopen dat de minister deze mening deelt. Het meest in het oog springende voorbeeld is het gebruik van de term ‘ongerief’, waarmee het lijden van dieren niet goed kan worden uitgedrukt. Graag een reactie van de minister op dit punt. Verder wekt de keuze van de term ‘genetische modificatie’ de nodige verbazing. Van Dale stelt dat modificatie een ‘niet-erfelijke wijziging van een eigenschap onder invloed van veranderde levensvoorwaarden’ betreft. De correcte aanduiding is, volgens Van Dale, ‘genetische manipulatie’. Waarom wordt deze aanduiding niet gebruikt?

Een ander concreet voorbeeld van verhullend taalgebruik betreft de beschrijving van de ingrepen/technieken voor het ‘vervaardigen van een genetisch gemodificeerd dier’ (p. 16). Kan de minister bevestigen dat met het ‘induceren van superovulatie’ wordt geduid op hormoonbehandelingen van (zeer) jonge vrouwtjesdieren (veelal muisjes van zo’n drie weken oud) zodat zij extra veel geslachtsrijpe eicellen produceren en dat ‘het verzamelen van eicellen’ betekent dat de bevruchte eicellen uit de baarmoeder van het zwangere dier worden verwijderd, waarbij het betreffende dier wordt gedood? Zo ja, is de minister met de Partij voor de Dierenfractie van mening dat de gekozen formulering weinig inzicht geeft in de daadwerkelijke handelingen die plaatsvinden bij deze techniek?

Compleet beeld ontbreekt
De fractie van de Partij voor de Dieren vindt dat het jaarverslag van de VWA fundamenteel tekortschiet in het presenteren van een helder en compleet beeld van de dierproeven die in Nederland worden verricht en de gevolgen die dat heeft voor dieren. Zo valt op dat een duidelijke omschrijving van de handelingen die worden verricht voor het creëren van genetisch gemanipuleerde dieren ontbreekt. Uit alleen de opsomming van de technieken voor het ‘vervaardigen van genetisch gemodificeerde dieren’ (p.16) wordt niet duidelijk dat jonge vrouwtjesdieren (muizen) na een hormoonbehandeling worden gedekt door een veel ouder en zwaarder mannetje. Dit terwijl uit onderzoek blijkt dat de jonge vrouwtjesmuizen daarbij vluchtgedrag vertonen, evenals symptomen van angst en stress.
Ook wordt niet direct duidelijk dat de uiteindelijke nakomelingen uit genetische experimenten worden gedood wanneer zij (na bloedafname, staartknip, oorknip of teenknip) niet de gewenste afwijking blijken te bezitten. Er wordt alleen gemeld dat in 2007 246.696 ‘genetisch gemodificeerde dieren’ in voorraad zijn gedood (p.21). De toelichting hierop, “Het instandhouden van sommige lijnen, stammen of transgene dieren vergt veel dieren” is in de ogen van de fractie van de Partij voor de Dieren nogal weinigzeggend.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn in dit kader benieuwd naar het oordeel van de minister over de verslaglegging van de VWA. De fractie is van mening dat de overheid moet zorgdragen voor een helder en compleet overzicht over dierproeven in Nederland, waarmee belangstellende burgers op inzichtelijke wijze kunnen worden geïnformeerd. De rapportages van de VWA bestaan op dit moment vooral uit cijfermatige opsommingen, en missen op belangrijke punten uitleg, toelichting en specificatie van beschreven technieken en onderzoeksdoelen. Is de minister bereid hiertoe de nodige verbeteringen door te voeren? En is de minister bereid de huidige nietszeggende titel van de jaarrapportage over dierproeven (‘Zodoende’) te vervangen door één die de lading dekt?


Aantal dierproeven en het totale diergebruik voor dierexperimenteel onderzoek
De VWA meldt dat het aantal dierproeven in 2007 597.605 bedroeg en daarmee t.o.v. 2006 met 1% is gedaald. De Partij voor de Dieren is blij dat het aantal dierproeven is afgenomen, maar plaatst enige kanttekeningen bij de dalende trend. Om te beginnen vraagt deze fractie zich af waarom de reductie zo minimaal is (1%). Kan de minister dat toelichten, en daarbij aangeven wat zijn verwachtingen zijn voor de komende jaren? Kan de minister aangeven wat zijn ambities zijn voor de reductie van het aantal dierproeven op langere termijn?

Dieren gedood in voorraad
De fractie van de Partij voor de Dieren maakt zich grote zorgen over het bijzonder hoge aantal dieren dat ‘in voorraad’ wordt gedood (p.21): 400.978 dieren in 2007. Ook in 2006 en 2005 ging het om meer dan 400.000 dieren. Een van de Dierexperimentencommissies heeft te kennen gegeven deze zorg te delen (p.11)

In 2007 werden 246.696 dieren gedood als gevolg van genetische manipulatie, zo meldt de VWA op pagina 21. De leden van de Partij voor de Dierenfractie zouden graag een nadere specificatie zien van dit aantal.

-Kan de minister aangeven om welke diersoorten het gaat, en welke technieken voor genetische manipulatie bij de verschillende diersoorten worden gebruikt?
-Kan de minister per techniek aangeven hoeveel dieren tijdens het proces van genetische manipulatie worden gedood voordat een lijn of stam dieren is gecreëerd met de gewenste genetische afwijking voor verdere experimenten?
-Kan de minister per techniek aangeven wat de gevolgen zijn voor het welzijn van de betreffende dieren?

De Partij voor de Dierenfractie is benieuwd naar de verwachtingen van het kabinet over het aantal dieren dat de komende jaren zal worden gedood of gebruikt voor genetische manipulatie. Is het kabinet bereid ambities te formuleren en beleid te ontwikkelen om dit aantal terug te dringen?

Naast de 246.696 genetisch gemanipuleerde dieren zijn in 2007 154.189 ‘gewone’ dieren in voorraad gedood. De Partij voor de Dierenfractie heeft de minister eerder al gevraagd doelstellingen en beleid te ontwikkelen om dit aantal terug te dringen. De minister antwoordde daarop dat dit niet nodig zou zijn, omdat een economische prikkel om het aantal overtollige dieren laag te houden voor de proefdierfokkerijen een voldoende stimulans zou zijn om geen onnodige overschotten te laten ontstaan. De leden van de Partij voor de Dierenfractie zijn niet overtuigd van de argumentatie van de minister, temeer omdat een onderbouwing van zijn stelling ontbreekt en de praktijk hiertoe evenmin aanwijzingen laat zien. De minister geeft geen nader inzicht in de economische prikkel waar hij naar verwijst. Zo is het niet geheel ondenkbaar dat proefdierfokkerijen juist uit economische overwegingen overgaan tot het doden van dieren wanneer ze deze niet binnen een rendabele periode hebben kunnen verkopen, wanneer het aanhouden en verzorgen van dieren duurder blijkt dan het fokken van nieuwe. Graag alsnog een toelichting op de stelling van de minister. Verder wil de Partij voor de Dierenfractie weten welke afstemmingsprotocollen op dit moment worden gevolgd door proefdieronderzoekers die dieren willen bestellen voor hun experiment, en de fokkers die deze dieren leveren. Wordt er gezocht naar mogelijkheden om bestelling van dieren door onderzoekers te combineren, wanneer de één alleen vrouwtjesdieren wil gebruiken, en de ander alleen mannetjesdieren? De leden van de Partij voor de Dierenfractie kunnen zich nauwelijks voorstellen dat hierin geen verbeteringen te realiseren zouden zijn en krijgen graag meer inzicht in het beleid dat leidt tot de dood van zoveel overtollige proefdieren.
De Partij voor de Dierenfractie zou verder graag van de minister een toelichting krijgen op de 93 uit het wild gevangen dieren die zijn doodgegaan zonder in een proef te zijn gebruikt. Om welke dieren ging het, waar kwamen zij vandaan en wat is de reden van hun dood?

Herkomst proefdieren
De Wet op de Dierproeven stelt dat het verboden is proeven op dieren te verrichten die niet in de inrichting van de betrokkene gefokt zijn, of rechtstreeks afkomstig zijn van een andere inrichting waarin dieren worden gefokt met het oog op dierproeven (artikel 11). In Zodoende 2007 staat dat voor ongeveer 15.000 dieren een ontheffing nodig was van dit verbod. Vervolgens wordt gesteld dat deze ontheffing op verzoek wordt verleend voor het aantal dieren dat wordt genoemd in een onderzoeksplan en waarover een erkende DEC positief heeft geadviseerd. Verderop valt te lezen dat in 2007 4.747 proefdieren afkomstig waren uit de wilde fauna. De Partij voor de Dieren heeft over deze cijfers een aantal vragen:

-Wanneer 15.000 dieren niet afkomstig waren uit proefdiercentra of fokkerijen, en 4.747 daarvan uit het wild, wat was dan de herkomst van de overgebleven 10.535 dieren waarvoor een ontheffing nodig was van artikel 11 van de Wod? Om welke dieren ging het hier?
-De VWA is niet helemaal duidelijk over de verleende ontheffingen van artikel 11 van de Wet op de Dierproeven. Klopt het dat een ontheffing op verzoek wordt verleend wanneer een erkende DEC positief over het betreffende onderzoeksvoorstel wordt geadviseerd? Kan de minister aangeven welke (aanvullende) overwegingen de DEC in een dergelijk geval betrekt bij haar advisering?
-Voor de proefdieren die uit het wild worden betrokken is zowel een ontheffing nodig van artikel 11 van de Wod als van de Flora- en faunawet. Kan de minister aangeven op welke gronden de ontheffingen worden verleend? Geldt ook hier de positieve advisering van een erkende DEC als voldoende ontheffingsgrond?
-Kan de minister aangeven wat het resultaat is geweest van de aankondiging van de VWA dat een werkafspraak is gemaakt met LNV om de vergunningprocedures voor het betrekken van proefdieren uit de wilde fauna te vereenvoudigen? (Zodoende 2006)
-Kan de minister aangeven welke overwegingen hebben geleid tot het besluit vleermuizen te betrekken uit de wilde fauna om ze te gebruiken voor een dierproef? Om welke proeven ging het?
-Kan de minister aangeven of hij inmiddels antwoord heeft gevonden op de vraag die is gerezen uit de inventarisatie naar het onderzoek op primaten, waaruit bleek dat van 5-10% van de primaten waarop in Nederland dierproeven zijn verricht en die niet afkomstig waren uit fokcentra, de herkomst niet te achterhalen was?

Toetsing van en toestemming voor proefdieronderzoek
De fractie van de Partij voor de Dieren vindt het opmerkelijk dat 99% van alle ingediende onderzoeksplannen een positief advies heeft gekregen van een Dierexperimentencommissie. De leden van deze fractie vragen zich af hoe de minister dit gegeven beoordeelt, mede in het licht van de constatering dat deskundigen op het gebied van ethiek en op het gebied van alternatieven voor dierproeven blijkens Zodoende 2007 nog altijd zijn ondervertegenwoordigd in de Dierexerimentencommissies.

De Partij voor de Dieren maakt zich zorgen over de constatering van de VWA dat de verslaglegging door de DECs onderling sterk verschilt, waardoor de analyse van de gegevens wordt bemoeilijkt. De partij pleit dan ook voor een uniforme verslaglegging en is benieuwd naar de stand van zaken op dit gebied.

Opmerkelijk is de fusie van twee DECs tot één grote DEC die in drie kamers vergadert, ieder met een eigen aandachtsgebied. De Partij voor de Dieren is een voorstander van een centraal georganiseerde, landelijke DEC die in themacommissies vergadert. Een dergelijke structuur kan belangrijke verbeteringen realiseren op het gebied van de onafhankelijkheid, expertise en efficiëntie. Is de minister bereid een dergelijke structuur te overwegen, gebruik makend van de ervaringen van de gefuseerde DEC die al enige stappen in deze richting heeft gezet?

Ethische toetsing proefdieronderzoek
De VWA meldt dat niet alle DECs gebruik maken van de gelegenheid om knelpunten te noemen. Slechts een minderheid (10 van de 24) heeft procedures of kwesties genoemd die als problematisch worden ervaren. De fractie van de Partij voor de Dieren vraagt zich af hoe de minister dit beoordeelt.

Waar wel knelpunten werden genoemd, had de meest genoemde betrekking op de problemen die ontstaan bij de ethische toetsing van dierproeven voor lifestyle-ziekten. De Partij voor de Dieren herkent dit knelpunt en is van mening dat het goed zou zijn als er meer inzicht komt in de ontwikkelingen op dit gebied. Welke lifestyle-onderzoeken vinden er plaats in Nederland en welke dierproeven worden hiervoor verricht? Welke onderzoeksvragen kunnen we in de toekomst verwachten en is het ethisch toelaatbaar hier dierproeven voor te verrichten? Hetzelfde geldt tot op zekere hoogte voor onderzoek op het gebied van verslavingen. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zouden graag zien dat de minister van VWS het door de DECs gesignaleerde knelpunt serieus zou nemen en kijkt met belangstelling uit naar zijn initiatieven op dit gebied.

Uit verschillende gesprekken met het veld en de bijwoning van de genoemde, door een DEC georganiseerde workshop over lifestyle-ziekten, is de Partij voor de Dieren gebleken dat verschillende betrokkenen menen dat de ethische toetsing van aanvragen voor proefdieronderzoek in een te laat stadium plaatsvindt. Onderzoek naar de gevolgen van ongezonde levensstijlen heeft brede maatschappelijke discussiepunten, die zich niet altijd goed laten terugbrengen tot het beslissingsniveau van een DEC. Deze constatering pleit ervoor de beoordeling van de toelaatbaarheid van dierproeven op een hoger aggregatieniveau te laten plaatsvinden.

Dit pleidooi wordt ondersteund door het gegeven dat de meeste onderzoeksprogramma’s al in een vergevorderd stadium zijn voordat een DEC de vraag krijgt voorgelegd of dierproeven voor het betreffende onderzoeksdoel toelaatbaar zijn. De consequenties van het afwijzen van het verzoek zijn in dat stadium groot, omdat daarmee het succesvol afronden van al jarenlopend onderzoek onmogelijk kan worden gemaakt. De Partij voor de Dieren vindt dat die druk moet worden geweerd uit de besluitvorming over dierproeven en pleit voor een vroegtijdige ethische toetsing van onderzoek waarbij in een later stadium (mogelijk) dieren worden gebruikt. De VWA meldt dat één van de DECs hiertoe al initiatieven heeft ondernomen (p. 10). De leden van de Partij voor de Dierenfractie vragen zich af hoe de minister hier tegenaan kijkt en ontvangen graag een reactie op hun pleidooi voor een tijdige beoordeling van onderzoek waarbij de kans aanwezig is dat de betreffende onderzoekers gebruik willen maken van diermodellen.

Onduidelijkheden over de interpretatie van wettelijke bepalingen
De Partij voor de Dieren vraagt zich al enige tijd af wat de reikwijdte is van de bepaling uit de Wet op de dierproeven die stelt dat een dierproeven verboden is als er een alternatief voorhanden is (artikel 10, lid 1a). Blijkens de rapportage van de VWA worstelen ook de Dierexperimentencommissies met deze vraag: voor een bepaalde proef was een alternatief beschikbaar, maar dit alternatief werd niet in alle landen geaccepteerd waar de producent het betreffende geneesmiddel op de markt wilde brengen (p.10). Andere signalen duiden erop dat commerciële bedrijven soms een alternatief voor een dierproeven ontwikkelen, die zij alleen tegen hoge kosten beschikbaar stellen aan anderen. Gevreesd moet worden dat er op die manier niet altijd gebruik wordt gemaakt van het alternatief.

In beide gevallen bestaat er onduidelijkheid over de interpretatie van de wet. Kan de minister aangeven of hij deze onduidelijkheden wil oplossen, en zo ja, welke oplossingen ziet hij daarbij voor zich? De leden van de Partij voor de Dierenfractie vragen zich af of de minister bereid is een inventarisatie uit te voeren naar de knelpunten en onduidelijkheden in de uitvoering van de Wet op de dierproeven die liggen op het terrein van de beoordeling door de DECs. Deze fractie zou graag weten welke onduidelijkheden er bestaan, hoe de verschillende DECs met dergelijke onduidelijkheden omgaan en welke afwegingen er worden gemaakt bij de advisering over een onderzoeksplan wanneer op zulke knelpunten wordt gestuit.

Toetsing eerste handeling
Een van de DEC’s heeft aangegeven veel adviezen te verstrekken over dierproeven waarbij alleen de eerste handeling wordt uitgevoerd en waarbij de rest van de proef elders wordt uitgevoerd en (dus) ook elders wordt beoordeeld (p.11). Deze DEC accepteert een verklaring van de opdrachtgever dat de verder ethische toetsing aldaar plaatsvindt. De Partij voor de Dierenfractie vraagt zich af of de minister deze constructie nader kan toelichten en daarbij aan kan geven wat de juridische houdbaarheid is van een dergelijke procedure. De fractie vraagt zich af bij wie de verantwoordelijkheid ligt voor het welzijn van het betreffende dier, en welke afwegingen er worden gemaakt wanneer een DEC alleen de eerste handeling beoordeelt, terwijl in een later stadium mogelijk handelingen volgen die door de betreffende DEC niet zouden worden goedgekeurd.


Registratie proefdieren en dierproeven
De Partij voor de Dieren vindt de verslaglegging over dierproeven en proefdieren in Nederland te mager en vraagt de minister met verbeteringsvoorstellen te komen. Op verschillende punten willen de leden van deze fractie nu vast de vinger leggen.

Verslaglegging per onderzoeksinstelling
In de jaarlijkse VWA-rapportage zijn de dierproeven die zijn verricht bij de universiteiten en universitaire medische centra apart weergegeven. Ook de dierproeven die in opdracht van het ministerie van Defensie worden verricht, worden apart vermeld. Hoewel deze overzichten nog altijd zeer summier zijn, bieden zij iets meer inzicht in de onderzoekscategorieën waarin proefdieronderzoek plaatsvindt in Nederland en welke dieren daarvoor worden gebruikt. De Partij voor de Dieren vraagt zich af waarom voor de andere instellingen geen specifieke overzichten in het jaarverslag van de VWA worden opgenomen. Het is niet duidelijk waarom wel de gegevens van 15 universiteiten en universitaire medische centra zijn opgenomen, en niet die van van overige ziekenhuizen en instellingen voor volksgezondheid, instellingen ten diensten van landbouw en diergeneeskunde, instellingen voor wetenschappelijk onderzoek, instellingen voor hoger en middelbaar onderwijs beroepsonderwijs. Is de minister bereid deze gegevens alsnog op te laten nemen in het jaarverslag en daarbij te bezien of er nadere specificatie mogelijk is van de onderzoeksdoelen en de dierproeven die voor de verschillende doelen worden verricht?

Onderzoek naar schadelijke stoffen
De Partij voor de Dierenfractie maakt zich zorgen over de stijging in het aantal dierproeven voor onderzoek naar de schadelijkheid van stoffen die bestemd zijn voor de industrie (p.15). Kan de minister aangeven wat zijn verwachtingen zijn op dit gebied en daarbij aangeven welke ontwikkelingen kunnen verwachten in het kader van de implementatie van REACH?

Extra zorgpunt hierbij is de vrijstelling op het verbod op de LD50/LC50 testen. De VWA stelt dat voor het bepalen van de acute dermale en inhalatoire toxiciteit zoals voorgeschreven in de OECD-testrichtlijnen nog geen door de OECD vastgestelde alternatieven voorhanden zijn en dat daarom een vrijstelling op dit verbod is verleend. Hoewel de VWA meldt dat in 2007 geen gebruik is gemaakt van die vrijstelling, maakt de Partij voor de Dieren zich grote zorgen over mogelijke LD50/LC50-testen in de toekomst. Kan de minister aangeven wat hierbij zijn verwachtingen zijn en daarbij aangeven op welke wijze hij deze proeven denkt te kunnen voorkomen? Voor welke producten zou een aanvraag voor een LD50/LC50-proef kunnen worden ingediend? Wat is de status van de ontwikkeling en acceptatie/validatie van alternatieven voor de genoemde proef?

Dierproeven voor toevoegingen in voedingsmiddelen
Een van de knelpunten zoals aangegeven door de Dierexperimentencommissies is het proefdieronderzoek naar lifestyle-ziekten. Gezien de dilemma’s die daar spelen, is het proefdieronderzoek voor toevoegingen aan voedingsmiddelen minstens zo problematisch. De Partij voor de Dierenfractie vindt het op zijn plaats als er inzicht wordt verschaft in de dierproeven voor toevoegingen in voedingsmiddelen. De vraag is immers welke belangen hier worden gediend. Kan de minister bevestigen dat in Nederland dierproeven zijn uitgevoerd voor producten als Yakult, Becel Pro-activ en Danone Essensis, een zuivelproduct voor een ‘mooiere huid’ dat uiteindelijk niet op de Nederlandse markt is verschenen en in België inmiddels uit de schappen is verdwenen?

Eerder al heeft de Partij voor de Dieren de minister gevraagd de Kamer te informeren over de dierproeven die voor toevoegingen aan voedingsmiddelen worden verricht. De minister bleek daar niet toe bereid, met als belangrijkste argument dat het kabinet streeft naar een verlaging van de administratieve lasten en het verstrekken van de benodigde gegevens een verhoging van de administratieve lasten voor de betreffende onderzoeksinstellingen met zich mee zou brengen. De leden van de Partij voor de Dierenfractie verwerpen dit argument met kracht. Voor de uitvoering van een dierproef moeten onderzoeksplannen worden ingediend en goedgekeurd. De benodigde informatie is bij de betreffende instellingen dus al beschikbaar en hoeft alleen nog maar gekopieerd en verzonden te worden. Dat kan nauwelijks een administratieve belasting worden genoemd. Daarbij vindt de Partij voor de Dieren de opstelling van de minister vreemd in het licht van zijn eerdere pleidooi om meer openheid te betrachten ten aanzien van dierproeven. Bij de leden van deze fractie bestaat de indruk dat het argument van de administratieve lasten als schijnargument is ingezet. Zij willen er nogmaals bij de minister op aandringen om de Kamer te informeren over de dierproeven die in Nederland worden verricht voor toevoegingen aan voedingsmiddelen en over de afwegingen die een rol spelen bij de goedkeuring van die proeven.

Wettelijk voorgeschreven proeven
De fractie van de Partij voor de Dieren heeft een aantal vragen over de dierproeven die worden uitgevoerd vanwege wettelijke bepalingen:

-Kan de minister aangeven hoe de wettelijke bepalingen die alleen gelden in Nederland zich verhouden tot de wettelijke bepalingen die gelden voor lidstaten van de EU? Om welke onderzoeken gaat het hier?
-Kan de minister aangeven welke mogelijkheden hij ziet om de internationale bepalingen, zowel binnen als buiten de EU, te harmoniseren?
-Kan de minister aangeven welke mogelijkheden hij ziet om richtlijnen die het gebruik van dierproeven met zich meebrengen te herzien?

Dierproeven in het onderwijs
In de rapportage van de VWA valt op dat het aantal dierproeven in het onderwijs in 2007 is gestegen naar 17.938, een stijging van 3% ten opzichte van 2006. De VWA geeft aan dat een klein deel van deze stijging kan worden toegeschreven aan harmonisatie in de wijze van registreren van dit proefdiergebruik, maar dat de totale stijging daar niet mee is verklaard. De fractie van de Partij van de Dieren zou graag van de minister horen hoe hij deze stijging verklaart, en welke maatregelen hij zal treffen om het aantal dierproeven in het onderwijs terug te dringen.

Controle en toezicht
Controle op de naleving van de Wet op de dierproeven schiet structureel tekort. Al jaren wordt door onder andere vacatures en ziekte onder de medewerkers slechts een deel van het geplande aantal controles uitgevoerd. De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen zich af of de minister inmiddels zicht heeft op de gevolgen van de fusie van de VWA, AID en PD voor het aantal formatieplaatsen dat beschikbaar is voor controle en handhaving op het gebied van dierproeven en biotechnologie. Is de minister bereid het aantal formatieplaatsen structureel uit te breiden?

Geconstateerde afwijkingen en ovetredingen
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren willen graag een toelichting op de geconstateerde overtredingen en afwijkingen van het ingediende onderzoeksplan en de acties die hierop zijn ondernomen. Zo werden meerdere gevallen ontdekt van het te laag inschatten van ongerief, het verzuimen passende maatregelen te treffen bij geconstateerd ongerief, het niet toepassen van pijnbestrijding, het niet toepassen van de gestelde humane eindpunten, het doden van muizen met 100% CO2 en het werken zonder de hiervoor vereiste diploma’s. Hoe beoordeelt de minister de ernst en de hoeveelheid van deze overtredingen, mede gezien het geringe aantal inspecties en het feit dat driekwart hiervan vooraf werd aangekondigd?

Het bevreemdt de leden dat bij een overtreding als het doden van muizen met 100% CO2 kan worden volstaan met het aanpassen van de dodingsmethode. Kan de minister toelichten waarom hier niet is overgegaan tot sanctionering en in welke gevallen dit wel zou zijn gebeurd?

Ook werd bij controle een geval aangetroffen van het toepassen van een biotechnologische techniek zonder de hiervoor benodigde vergunning. Kan de minister toelichten welke techniek dit betrof en hoe het mogelijk is dat dit onopzettelijk zou zijn gebeurd? Kan de minister aangeven hoe het volgens hem mogelijk is dat betrokken personeel onvoldoende bekend is met de bepalingen in de vergunning? Welke functies bekleedde het personeel in kwestie? Ziet hij aanleiding om actie te ondernemen op dit kennelijke gebrek aan inhoudelijke kennis?

Bij de maatregelen wordt gesproken over het verzenden van een schriftelijke waarschuwing voor het uitvoeren van een niet vergunde biotechnologische techniek en het onvoldoende bekend zijn met de bepalingen in de vergunning. De vergunninghouder was hier eerder op gewezen, evenals op de matige kwaliteit van de aanwezige administratie. De leden zien hierin een ernstig manco dat controle bemoeilijkt. Kan de minister toelichten hoeveel waarschuwingen worden uitgegeven voordat overgegaan wordt tot sanctionering?