Bijdrage Partij voor de Dieren aan crisis- en herstelwet


12 november 2009

De heer Koopmans (CDA):
(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik stel nu twee vragen aan de heer Koopmans. Ik heb namelijk begrepen dat de heer Koopmans later in zijn betoog in zal gaan op de NB-wet. Mijn eerste vraag heeft betrekking op de investeringen. Ik hoorde de heer Koopmans zeggen dat het om tientallen miljarden kan gaan. Waarop baseert hij dat? De heer Koopmans heeft vast en zeker ook gezien dat wij het kabinet hebben gevraagd om die doelstellingen te onderbouwen. Wij willen namelijk weten wat een en ander zal opleveren. Wij hebben gevraagd of het kabinet het CPB een doorrekening kan laten maken, al zou het maar een quickscan maken. Het kabinet antwoord daarop: nee, wij willen gewoon projecten versnellen. Dat kan het doel zijn, maar dan moet het kabinet boven de wet schrijven dat die tot doel heeft om projecten te versnellen. Dan moet het niet schermen met mooie beloftes over de toekomst van onze economie. Als de heer Koopmans daarover hardere cijfers heeft, wil ik graag dat hij die met ons deelt.
De heer Koopmans (CDA):

Als je die 57 projecten voor je legt, evenals de projecten die de CDA-fractie en andere fracties daaraan willen toevoegen, is duidelijk dat het om tientallen miljarden aan investeringen gaat. Je moet daarbij dan ook de negen categorieën betrekken en nagaan wat de komende jaren in Nederland op grond daarvan mogelijk is. Een deel zal naar voren gehaald worden. Daardoor zal het een bijdrage leveren aan het "oplossen" van de crisis. Ik denk dat het buitengewoon moeilijk is om dat te berekenen, maar een ding is zeker: er zijn tal van projecten die door velen worden gewenst. Daarvoor is een breed draagvlak. Die kunnen dus eerder van start gaan en dat zal extra banen opleveren. Hoe meer, hoe liever. Het CPB hoeft een en ander voor mij niet tot op de laatste baan te berekenen, want ik kijk iedere bouwvakker met plezier in de ogen die wij met deze wet kunnen helpen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Het sentiment druipt eraf. Ik heb gewoon om een onderbouwing gevraagd. Ik vind dat de heer Koopmans dit uit de lucht grijpt, zeker gezien de opmerkingen van de Raad van State en de rondetafelgesprekken die wij hebben gevoerd. Die maken dat er grote twijfels zijn over met name de economische effecten op de lange termijn. Over de korte termijn kunnen wij inderdaad wel wat uitspraken doen, maar de heer Koopmans gebruikt hier grote woorden, zonder dat hij een onderbouwing kan geven. Ik vind dat wij een steviger fundament nodig hebben, gezien het nogal ingrijpende karakter van deze wetgeving. Het verbaast mij dat de CDA-fractie daarmee zo lichtvaardig omgaat.

De heer Koopmans (CDA):
Voorzitter. Ik wil slechts één opmerking maken. Het is geen sentiment om zicht op een baan te blijven houden.

--

De heer Koopmans (CDA):
Het tempo van dit wetsvoorstel smaakt naar meer. Daarom verzoek ik de minister van Verkeer en Waterstaat om snel te komen met een aanpassing van de wet waardoor het advies van de commissie-Elverding eveneens snel wet wordt en de tijdwinst die wij daarmee kunnen halen, gekoppeld aan draagvlakverbreding, wordt gewonnen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik stel een vraag over de versnelling en de gebrekkige besluitvorming. Ook door Elverding wordt het bestuurlijke en politieke onvermogen als een van de belangrijkste factoren daarbij genoemd. Het kabinet heeft, naar ik meen in de memorie van toelichting en anders in de nota naar aanleiding van het verslag, gezegd dat het daarvoor een aantal trajecten heeft ingezet. Maar daar zit niet heel veel tempo in. Ik vraag mij dus af: wanneer kunnen wij de deadline verwachten waarop dit bestuurlijke onvermogen is opgelost? Is dat dan misschien ook 1 januari 2010?

De heer Koopmans (CDA):
Ik heb net in lijn met de vraag van mevrouw Ouwehand aan de minister van Verkeer en Waterstaat gevraagd om dat wetsvoorstel zo snel mogelijk naar ons toe te sturen, omdat de invoering in wetgeving van de aanbevelingen van de commissie-Elverding een antwoord geeft op de terechte vraag van mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat is me toch niet scherp genoeg. Wij hebben wel al kunnen zien wat de kaders zijn van die wetten. Het lijkt erop dat het een proces wordt waardoor het nog lang gaat duren voordat wij de bestuurlijke problemen hebben opgelost. Ik had eerlijk gezegd verwacht dat het CDA, als het zo hecht aan versnelling van die projecten, met voorstellen was gekomen om daarvan ook echt werk te maken. Dat kan toch?

De heer Koopmans (CDA):
Een totale invulling van de adviezen van de commissie-Elverding in dit wetsvoorstel zou buitengewoon ingewikkeld zijn geweest. Ik denk dat het verstandiger is om af te wachten. Zonet heb ik echter ook al gezegd dat wij ongeduldig zijn en vinden dat de minister van Verkeer en Waterstaat op dit dossier tempo moet maken, zodat wij zo snel mogelijk de adviezen van Elverding in wetgeving kunnen omzetten.

Ook zijn er nog aanpassingen van het bestuursprocesrecht aangekondigd. Dat wetsvoorstel moet nu eveneens snel komen. Daar wachten wij eigenlijk al veel te lang op. De minister van Justitie kan ons ongetwijfeld melden wanneer dit wetsvoorstel naar de Kamer gezonden wordt. Daar ben ik benieuwd naar.

--

De heer Koopmans (CDA):
De uitspraken van de bestuursrechter en het gesprek dat de Kamer op mijn initiatief met de vertegenwoordigers van de Europese Commissie hebben gehad, zijn voor mijn fractie reden geweest om te bezien of wij de beheerplannen die noodzakelijk zijn voor Natura 2000-gebieden, niet nog steviger in de wet kunnen verankeren. De vertegenwoordigers van de Europese Commissie waren duidelijk: ontwikkelingen zijn mogelijk als je maar afdwingbaar vastlegt dat de totale stikstofuitstoot vermindert. In het land moet dat vanwege de hoge achtergronddepositie. In het beheersgebied moet in de beheerperiode de emissie ook omlaag, als er tenminste in dat beheergebied vanuit de instandhoudingsdoelstellingen stikstofemissiereductie nodig is. Dat is niet altijd aan de orde. Salderen is dan mogelijk. Je mag groeien als je reducerende maatregelen neemt. Extra uitstoot kan dan binnen de totale afname. Het ellendige begrip "significante aantasting" uit de Vogel- en Habitatrichtlijn is daarmee van zijn desastreuze kant ontdaan. De uitstoot gaat aantoonbaar omlaag in Nederland, de depositie op beheergebieden ook.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dit is een belangrijk onderwerp. De Raad van State heeft niet voor niets geadviseerd om de Natuurbeschermingswet uit de crisis- en herstelwet te schrappen. Hoe beoordeelt de heer Koopmans de voorgestelde constructie voor de beheerplannen en het regelen van het bestaand gebruik daarin in het licht van de rechtszekerheid van de betrokken ondernemers? Dat is mij niet helemaal duidelijk. Ik hoor graag van de heer Koopmans hoe hij dat ziet.

De heer Koopmans (CDA):
Dat helpt ook weer qua tijd. Ik kan nu weer verder met mijn tekst. Daarin geef ik een antwoord op deze vraag. De wettelijke verankering van de programmatische aanpak stikstof en de beheerplannen met afdwingbare mogelijkheden, waar de vertegenwoordigers van de Europese Commissie terecht om vroegen, maken een sluitende aanpak mogelijk. Ik ben er buitengewoon enthousiast over dat ik samen met collega Samsom een amendement (32127, nr. 55) hebben kunnen indienen om de wettelijke verankering en daarmee ook de rechtszekerheid te vergroten. Dat wordt ook gesteund door de ChristenUnie, want wij hebben daar samen veel over gesproken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dan draait het dus om de vraag of de ondernemers in het betrokken gebied vergunde rechten krijgen. Het gaat nu om bestaand gebruik. Gaat het in uw optiek, in uw voorstel en met uw amendement dan om een recht dat niet meer van die ondernemers kan worden afgenomen?

De heer Koopmans (CDA):
Het belangrijkste deel van het amendement behelst toekomstige ontwikkelingen. Laat ik het beeldend zeggen. Stel dat een varkenshouder die 1000 varkens heeft en wiens bedrijf een uitstoot heeft van 1000 kg ammoniak, een bedrijf erbij koopt. Hij koopt nog 1000 varkensrechten erbij. Hij vernieuwt zijn stal, heeft dus 2000 varkens en de uitstoot zou 500 kg ammoniak zijn als hij er een luchtwasser eraan vast hangt. Dat is de helft minder dan in de huidige omstandigheid. Dat is nu met de geldende Natuurbeschermingswet en de uitleg van de Raad van State niet mogelijk. De Raad van State zegt immers dat die uitstoot van 500 kg een significante aantasting is van het natuurgebied. Het resultaat is dat die boer niets aankoopt, zijn stal niet vernieuwt en de uitstoot 1000 kg blijft. Niemand, noch de boer noch het milieu, wordt daar beter van. Daarom is het juist goed dat wij in dit wetsvoorstel en met het amendement regelen dat groei mogelijk is mits je reduceert.

Deze aanpak is vergelijkbaar met het NSL, het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Ook dat is een aanpak waarmee in het hele land de uitstoot wordt verminderd en waarmee op sommige plekken de mogelijkheid wordt gegeven om door middel van salderingstechnieken de uitstoot te vermeerderen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter …

De voorzitter:
Mevrouw Ouwehand, wij hebben afgesproken dat er een vraag en een vervolgvraag mogen worden gesteld. Ik ga niet toestaan dat wij dat doorbreken, want dan wordt heel erg vroeg.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik begrijp het, maar ik wil er een opmerking over maken. Dit is namelijk cruciaal. De Raad van State heeft gezegd dat er hiaten zijn met betrekking tot de Vogel- en Habitatrichtlijn. De heer Koopmans gaat in zijn beantwoording in op uitbreidingen, maar ik vroeg hem, in te gaan op bestaand gebruik. Dat betekent nogal wat. Als wij rechten gaan vergunnen aan boeren die op basis van bestaand gebruik bestaande rechten krijgen, als de voorspelling van de Raad van State klopt en als blijkt dat wij de Vogel- en Habitatrichtlijn niet juist hebben geïmplementeerd, voor wie zijn dan de kosten?

De heer Koopmans (CDA):
Ik ben ervan overtuigd dat dit wetsvoorstel, het amendement dat erbij zit en het huidige wetsvoorstel -- ik geloof dat de Eerste Kamer het al aangenomen heeft -- dat het bestaande gebruik regelt, een sluitende aanpak is die niemand wat kost, die het milieu verbetert en die boeren ontwikkelingsmogelijkheden geeft en die ook de benodigde infrastructurele ontwikkelingen en investeringen mogelijk maakt.

--

De heer Aptroot (VVD):
De heer Vendrik legt mij woorden in de mond. Ik heb een voorbeeld van een echte beroepsdwarsligger genoemd, en ik heb niet iedereen daaraan gelijkgesteld. Dat is duidelijk. Wij vinden inderdaad dat het tegengaan van beroepsdwarsliggen ook voor het bedrijfsleven moet gelden. Als een bepaalde fabriek wil uitbrengen, gebeurt het in de praktijk dat de concurrent allerlei procedures begint, niet omdat die daar ter plekke overlast heeft van die fabriek, maar omdat die gewoon de concurrentie niet wil toestaan om te groeien en flink te concurreren. Marktwerking, heet dat, en daar houden wij van. Als wij merken dat zoiets gebeurt, zeggen wij ook dat het bedrijfsleven dan niet moet kunnen meedoen. Wij hebben er ook de pest aan dat een bedrijf in procedure ging tegen de A4 bij Leiderdorp omdat volgens dit bedrijf zijn lichtreclame daardoor niet meer zichtbaar was. Het argument was niet dat de buurt overlast had. De omwonenden wilden de verbreding en het in de bak leggen van de A4, maar een ondernemer met een ander financieel belang ging dwarsliggen. Van de heer Vendrik mag dat, maar de VVD wil dat niet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik stond nog even te twijfelen of ik mijn vraag zou stellen, maar toen begon de heer Aptroot zelf over de "beroepsprobleemmakers", om het daartoe maar even te reduceren. Ik begrijp de vraag: kan het kabinet aangeven of dit Europaproof is? Het parlement is echter medewetgever. De heer Aptroot is medeverantwoordelijk. Ik vind het dus een beetje zwak. Hij kan nu al de inschatting maken dat het behoorlijk mank gaat lopen. Dan is de vraag: gaat de VVD eerlijk haar eigen aandeel in die puinhoop op zich nemen, of verklaart zij definitief de oorlog aan iedere milieuorganisatie die het waagt om naar de rechter te stappen?

De heer Aptroot (VVD):
Ik verklaar niemand de oorlog. Wij zijn niet zo oorlogszuchtig. Wij willen dat er in Nederland nu eens fatsoenlijk besluitvorming kan plaatsvinden. Aan beroepsdwarsliggers -- dat kunnen organisaties en verenigingen zijn, maar soms zijn het ook ondernemers, of individuen, of afdelingen van politieke partijen die altijd dwarsliggen -- hebben wij de pest. Iedereen die zo dwarsligt terwijl hij geen direct belang heeft, vinden wij heel vervelend. Zulke mensen verklaren wij niet de oorlog, maar wij zullen hen wel met democratisch middelen proberen te bestrijden door hun dit onmogelijk te maken. De regering probeert nu een goede stap te zetten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Het is toch belangrijk om nog even een opmerking te maken voordat er wel erg dikke koppen in de Telegraaf verschijnen.

Ik wil de heer Aptroot er heel graag op wijzen dat als een milieuorganisatie naar de rechter stapt om een afgegeven vergunning aan te vechten en daar gelijk in krijgt, het blijkt dat een democratisch genomen besluit door het bevoegd gezag niet goed gehandhaafd is. Dat geldt met name voor natuurbeschermingswetgeving. De heer Aptroot is toch zo van de democratisch genomen besluiten? Waarom spreekt hij dan zulke lelijke woorden over iemand die naar de rechter stapt om te vragen of de heer Aptroot of iemand anders die het bevoegd gezag vertegenwoordigt zich wel netjes aan de besluiten heeft gehouden en die van de rechter gelijk krijgt?

De heer Aptroot (VVD):
Iedereen mag gebruikmaken van de rechten die de democratie biedt. Wij vinden echter dat de democratie te ruime mogelijkheden biedt om altijd maar dwars te liggen, ook als je geen direct belang hebt. Als we dat zouden kunnen dichttimmeren, als dat op basis van deze wet zou lukken, zijn wij daar heel blij mee en steunen wij dat van harte. We zouden het dan niet alleen tijdelijk willen, voor een beperkt aantal projecten, maar definitief.

--

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Wij bespreken vandaag de Crisiswet van het kabinet-Balkenende IV. Zelf noemt de regering het de "Crisis- en herstelwet", maar daar doe ik niet aan mee. Dan weet zij dat alvast.

Ik begin mijn bijdrage met artikel 21 van de Grondwet, dat luidt: de zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Zorg voor de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu is een mooie plicht, maar in hoeverre wordt die ingevuld? Natuur is het meest waardevolle dat wij bezitten. Wij zijn er met zijn allen volledig van afhankelijk: schone lucht, schone aarde en schoon water. Diversiteit aan planten, dieren en ecosystemen heeft niet alleen een grote waarde in zichzelf, het is ook de basis van ons dagelijks leven: kritisch, natuurlijk kapitaal. Het is kritisch kapitaal, omdat je het niet zomaar vervangt. Waar haal je schone lucht vandaan om in te ademen als alle lucht in je omgeving vervuild is? Waar zijn de grondstoffen voor onze samenleving als de bossen zijn verdwenen? Wat gaan wij drinken als het water vervuild is; in ieder glas een chloortablet? Het is dus kritisch kapitaal waarop je zuinig moet zijn. Zijn wij dat? In Nederland is nog maar 15% van de oorspronkelijke biodiversiteit over en voor meer dan 90% van de beschermde soorten en habitattypen -- let op: beschermd -- ziet het er niet goed uit. Nederland teert in op zijn eigen natuurlijk kapitaal en put daarbij in groeiende mate de natuurlijke reserves in andere, vooral armere delen van de wereld uit.

Voor ons klimaat is het allang vijf voor twaalf geweest. Dat heeft belangrijke consequenties. Lukt het ons niet om de opwarming van de aarde tot maximaal 2 graden Celsius te beperken, dan is de schade niet te overzien en niet te betalen, aldus onze minister van milieu. Zij heeft natuurlijk gelijk. Al in 2006 waarschuwde de Britse topeconoom Stern dat niets doen leidt tot aanzienlijk hogere kosten dan nu investeren in effectief klimaatbeleid. Hij becijferde dat de kosten van klimaatverandering 1000 tot 5500 mld. zouden bedragen, maar dat je dat kunt voorkomen door te werken aan effectieve klimaatoplossingen.

Met de klimaatdoelen in Nederland gaat het slecht, ronduit slecht. Op korte termijn zullen door de economische crisis de doelen wel worden gehaald, maar op langere termijn, 2020, zeker niet. De Milieubalans was hier helder over. Alleen een fundamentele herziening van beleid kan de neergang keren, aldus de balans. Ook de zorgen om de biodiversiteit zijn groot, heel groot. Let wel, de ambitie was alleen nog maar om het verlies aan biodiversiteit in 2010 te stoppen. Zelfs die matige ambitie wordt niet gehaald. Dan heb ik het inderdaad nog niet gehad over herstel van natuur.

De Verenigde Naties roepen komend jaar -- het begint dus in 2010 -- uit tot het jaar van biodiversiteit. Milieuministers en -commissarissen laten wereldwijd de noodklok luiden voor de desastreuze kaalslag op de natuur. En wat doet onze milieuminister? Zij verleent blijmoedig haar medewerking aan een wet die onze natuur en ons milieu vakkundig om zeep zal helpen. Dat geldt ook voor de minister van natuur, beter bekend als de minister van LNV, want op serieus natuurbeleid heeft nog nooit iemand haar kunnen betrappen.

Voorzitter. De wet die voor ons ligt, de crisiswet, zal snel en doeltreffend leiden tot regelrechte ecologische kapitaalvernietiging ten bate van meer asfalt, vliegreizen en karbonaadjes, allemaal aspecten van een samenleving die zich nog niet realiseert dat het vertrappen van de natuur de maatschappij in heel grote problemen brengt. Dit wetsvoorstel draagt de handtekening van een kabinet dat weigert zich neer te leggen bij de conclusie dat niet de economische crisis, maar de klimaat- en biodiversiteitscrisis de grote crises van onze tijd zijn. En dat is dom. Bij het uitbreken van de financiële crisis die overging in een economische recessie doken overal pleidooien op om te breken met de oude werkelijkheid en niet van de minsten: van prominente economen, opinieleiders en politici. Laat ik Herman Wijffels, niet helemaal onbekend in CDA-kringen, vrij citeren. Hij stelde het volgende.

De huidige crisis bestaat eigenlijk uit drie afzonderlijke crises, die echter nauw met elkaar verbonden zijn: de financieel-economische crisis die in 2008 uitbrak, de ecologische crisis die zich al enkele decennia meer en meer manifesteert en een cultureel-morele crisis. Alle drie de perspectieven, financieel-economisch, ecologisch en moreel zijn relevant. Samen vormen zijn de basis voor echte aanpak van de crisis. Vanuit het perspectief van de ecologische crisis is een herstel van het oude economische model onwenselijk. De kapitalistische economie is de laatste jaren duidelijk op de grenzen van het draagvermogen van onze planeet gestuit. De financieel-economische crisis is niet alléén ontstaan door misdragingen van bankiers maar ook door ecologische problemen. De conclusie is onvermijdelijk dat onze levensstijl niet vol te houden is in verband met het beperkte draagvermogen van de aarde. Er moet een einde komen aan onze huidige manier van leven, organiseren en werken. Het Westerse model, samen met de waarden die eraan ten grondslag liggen, moet op de helling. Vanuit ecologisch oogpunt moet het streven zijn naar een duurzame economie. Dat vergt een ingrijpende transformatie. De economie moet dienstbaar worden aan de mensen en aan de aarde. De huidige crisis is niet zomaar de zoveelste crisis in een rij. Het is een wake-up call voor een grondige heroriëntatie in de richting van harmonie met de aarde. De mogelijkheden zijn er. Maar we moeten het ook gaan doen.

Voorzitter. Dat vond ik een mooie, zinnige beschouwing. En dan nu het kabinet. Ons kabinet stelt in al zijn wijsheid voor om in een tijd waarin de crisis rond biodiversiteit en klimaat definitief onoplosbaar dreigt te worden, de regels voor natuur en milieu over boord te zetten omwille van het herstel van de economie. O ja, en voor duurzaamheid. Dat is nogal wat. Zeker als je daarbij optelt dat een dikke streep wordt gehaald door fundamentele beginselen van onze rechtsstaat, want ook de rechtsbescherming van burgers, maatschappelijke organisaties en zelfs die van decentrale overheden gaat eraan.

Wie dat voorstelt, moet wel heel goede redenen hebben. Het kabinet verdedigt zijn voorstel met verwijzing naar de economische crisis. Als uitgangspunt is dat op zichzelf legitiem. Er is inderdaad sprake van krimp van de economie. Wij kampen met stijgende werkloosheid en dan moet men maatregelen nemen, soms ingrijpende. Dus - ik geef direct toe: met enige argwaan - heeft de Partij voor de Dieren de crisiswet zorgvuldig bekeken. Mijn fractie heeft zich de vraag gesteld: als herstel van de economie het doel is, levert deze Crisis- en herstelwet - ik noem één keer het naampje - dan daadwerkelijk de bijdrage die nodig is? Levert het opzij schuiven of wijzigen van maar liefst 27 wetten tegelijk voor de economie wat op, zowel op de korte als op de middellange en lange termijn en levert dat wat op voor de duurzame economie die het kabinet zegt graag te willen?

Het kabinet stelt dat bij het bestrijden van de economische crisis een specifiek probleem wordt gevormd door de complexiteit en de stroperigheid van de besluitvorming. Die zorgen ervoor dat urgente projecten vertragen. Het stelt ook dat het wetsvoorstel is gericht op versnelling van infrastructurele projecten, op versnelling van andere grote bouwprojecten en op versnelling van projecten op het gebied van duurzaamheid, economie en innovatie. Het stelt dat het op de middellange termijn moet bijdragen aan de duurzaamheid en aan de versterking van de economische structuur. En: in de kern wordt aan zorgvuldige procedures gewerkt. Kort gezegd doet het kabinet dat met het aanwijzen van projecten en met het formuleren van categorieën die vanaf 2010 zonder rompslomp - lees: toetsing aan vigerende wetgeving, inspraak van burgers en parlement en beroep bij de rechter - zouden moeten worden uitgevoerd. Stel dat het kabinet met dit wetsvoorstel projecten inderdaad kan versnellen. Laten we dat dus eventjes stellen, want geloof me: daarop valt genoeg af te dingen, maar dat komt later.

Eerst maar even de volgende vraag: hoe is het kabinet aan de lijst met projecten en de formulering voor nieuwe projecten gekomen? Welke criteria zijn gehanteerd om te kunnen bepalen of potentiële projecten zullen opleveren wat ervan wordt verwacht: werk, verbeterde economische structuur, duurzaamheid? Wat bedoelt het kabinet in deze context eigenlijk met duurzaamheid; het meest misbruikte containerbegrip van onze tijd? Het kabinet had op die vragen in de schriftelijke voorbereiding geen antwoord. Ik vraag me af of we die antwoorden vandaag wel zullen krijgen. De vraag is natuurlijk wel relevant. Je kunt jezelf in een wetsvoorstel wel tot doel stellen dat alle huizen in Nederland voortaan blauw geschilderd worden, maar je zult je doel naar alle waarschijnlijkheid niet halen als je daarbij kiest voor het ondersteunen van de handel in rode verf. Nogmaals: hoe is de regering, in het licht van haar doelstellingen, gekomen tot de keuze voor bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe wegen, het creëren van nieuwe burgerluchthavens en het bouwen van woningen op nieuwe locaties? Op welke wijze is getoetst of die projecten bijdragen aan de doelstelling van duurzaamheid, werkgelegenheid en versterking van de economische structuur? Het is veelzeggend dat de regering daarover tot nu toe niets kon of wilde zeggen.

De voorstellen van het kabinet zijn wel besproken door de Raad van State en in uitgebreide rondetafelgesprekken met een keur aan deskundigen. Een van de belangrijkste vragen was: leveren de plannen van het kabinet de economische impulsen en structuurversterking op die ervan verwacht worden? Kortom: is er een kans dat het kabinet de doelen die in het wetsvoorstel worden gesteld, ook daadwerkelijk zal realiseren? Dat valt te betwijfelen. De Raad van State zegt in haar beoordeling van het wetsvoorstel: ''eigen aan conjuncturele maatregelen is, dat zij erop gericht zijn om de economie op korte termijn een impuls te geven en niet langer duren dan nodig is''. Het wetsvoorstel geeft daarvan een aantal voorbeelden. Dat ligt anders wat betreft maatregelen die gericht zijn op de bevordering van infrastructurele werken en andere grote bouwprojecten. Deze maatregelen komen te laat om op korte termijn een bijdrage te kunnen leveren aan de bestrijding van de economische crisis, omdat er jaren gemoeid zijn met de voorbereiding en uitvoering daarvan. Dat beeld werd ook tijdens rondetafelgesprekken bevestigd.

De Kamer heeft gevraagd naar een nadere onderbouwing van de effecten van de geselecteerde projecten op de werkgelegenheid en de structuurversterking. Ook is gevraagd of het kabinet bereid was om door het Centraal Planbureau een quickscan te laten uitvoeren naar de welvaarts- en werkgelegenheidseffecten. Dat zijn zinnige vragen van de fractie van de ChristenUnie zodat de Kamer als medewetgever kan oordelen over het wetsvoorstel van het kabinet. Maar dit kabinet kan of wil niks onderbouwen. Als je de stukken leest, is het mantra van deze crisiswet steeds de enige reactie die doorklinkt: de besluitvorming over projecten verloopt te traag en dat moet veranderen. Dat zal allemaal wel, maar we zullen natuurlijk geen 27 wetten wijzigen omdat de minister van Verkeer en Waterstaat zo graag een schop in de grond wil steken. Het kabinet verkoopt dit ingrijpende wetsvoorstel als absoluut noodzakelijk om de economische crisis te kunnen bezweren, maar als je vragen stelt over de onderbouwing van de keuzes of de effectiviteit van de maatregelen, krijg je geen antwoord. Je hoort alleen de haperende grammofoonplaat dat die verdraaide projecten maar niet kunnen worden opgestart. Dat is volstrekt beneden de maat. Het is op zichzelf al onverantwoord om in korte tijd te proberen om een zeer ingrijpend wetsvoorstel door te drukken, waarin nota bene fundamentele beginselen van onze rechtsstaat worden verlaten. Maar als de gemaakte keuzes ook nog eens niet onderbouwd blijken te kunnen worden, en de effecten waarmee het wetsvoorstel wordt verdedigd helemaal niet concreet kunnen worden gemaakt, is de conclusie helder: geen goede verdediging voor het wetsvoorstel om 27 wetten tegelijk opzij te zetten, dan geen crisiswet. Dat geldt voor de Partij voor de Dieren, maar ik hoop zeer dat dit ook voor andere Kamerfracties geldt.

Het is duidelijk dat de fundamentele keuzes die gemaakt hadden moeten worden, om een omslag naar een duurzame economie te bewerkstelligen, niet zijn gemaakt in de crisiswet. De economische effecten van de keuzes die wel zijn gemaakt, overtuigen niet. Dan blijft een grote brij van ellende over voor de natuur, het milieu, de duurzaamheid, de rechtsbescherming en de democratische rechtsstaat.

De belangrijkste motivatie voor het kabinet om deze crisiswet door te drukken is de ergernis over de stagnatie in de besluitvorming over projecten, zoals de uitbreiding van het vliegveld in Lelystad, het doortrekken van de A4 en, niet te vergeten, het hoofdpijndossier ammoniak. Ik beaam voluit dat we tot onze knieën in de blubber van stagnerende besluitvorming staan. Jarenlange processen. Dat is vervelend voor iedereen. Dus als je wilt bekijken hoe je die situatie wilt oplossen: prima, maar dan wel eerlijk. Hoe komt het eigenlijk dat projecten maar niet van de grond komen of vertraging oplopen vanwege procedures? Is dat de schuld van procederende milieuorganisaties, zoals door verschillende partijen -- zojuist nog door de VVD -- dik onderstreept hier bij iedere gelegenheid die zich voordoet wordt gesteld? Welnee, oorzaak nummer één is bestuurlijk en politiek onvermogen om tijdig tot kwalitatief goede besluiten te komen.

En een kwalitatief goed besluit, mijnheer Aptroot, is in elk geval niet strijdig met bestaande regels.
Omdat de overheid, het bevoegd gezag dat belast is met de uitvoeringspraktijk van onze democratisch tot stand gekomen wetgeving, keer op keer faalt om de eigen wetten te respecteren bij het nemen van beslissingen, moet in veel gevallen de rechter eraan te pas komen om ervoor te zorgen dat de overheid zich aan haar eigen regels houdt. De overheid zou dus de hand in eigen boezem moeten steken. Dat gebeurt echter niet. Natuurlijk niet. Stel je voor, dan zou zij zelf én moeten toegeven dat zij heeft geblunderd, én/of, afhankelijk van het dossier, zich alsnog moeten houden aan de wet die zij had geprobeerd te omzeilen. Want geloof me, van opzet is wel degelijk sprake. Nee, in plaats van stevig in te grijpen in de bestuurscultuur om de kwaliteit van besluiten drastisch te verbeteren, stelt het kabinet voor om de gang naar de rechter te bemoeilijken.

Laten wij ons even realiseren waar dit vandaan komt. Niks crisismaatregelen, niks nood breekt wet. Het inperken van inspraakmogelijkheden van bezorgde burgers is een traject dat al jaren geleden in gang is gezet. Milieuclubs de mond snoeren staat al langer hoog op de verlanglijstjes van bepaalde personen die met dit wetsvoorstel op hun wenken worden bediend. Ik noem minister Eurlings, die sprak van een juridisch moeras waarin zijn goede daden verzanden. Ik noem de heer Rutte, die sprak over beroepsmatige probleemmakers. Hij wist zich hierbij gesteund door de SGP en de PVV. Een ander voorbeeld is CDA-gedeputeerde Onno Hoes, die vorig jaar trots stelde dat bezwaarmakers van steeds betere huize moeten komen om democratisch genomen besluiten bij de rechter te kunnen aanvechten. Met bezwaarmakers doelde hij natuurlijk op mensen die volgens hem van procedures hun hobby maken. Ik noem de heer Koopmans, die zich zorgen maakt over iemand die drie hoog achter in Amsterdam een Brabantse boer een vergunning voor uitbreiding van zijn veehouderij kan ontzeggen. Tot slot noem ik Bernard Wientjes, die spreekt over misbruik van democratisch bepaalde procedures. Allemaal lariekoek.

Tot 2005 mocht iedereen een beroepschrift indienen als een milieuvergunning verleend werd. Het milieu is immers in het belang van iedereen. Die wetgeving werd op initiatief van het CDA aangescherpt. Nu is dat recht voorbehouden aan belanghebbenden en sindsdien is met man en macht gewerkt aan het verder inkaderen en beperken van dit begrip. Na het schrappen van de actio popularis in 2005, werd de rechtsbijstand voor milieuorganisaties geschrapt en werden vergoedingen voor gesubsidieerde rechtshulp beperkt. VVD en CDA vroegen vervolgens met grote steun van de Kamer om voorstellen voor invoering van een relativiteitsvereiste waarvan wij vandaag het droeve resultaat kunnen zien.

De beroepsmogelijkheden bij de rechter worden met de Crisis- en herstelwet fors ingeperkt en de Partij voor de Dieren is daar fel tegenstander van. Ik zal daar verderop in mijn betoog nog het nodige over zeggen. Het kabinet hoopt daarmee de ruimte voor zichzelf te creëren om zonder lastige milieuprocedures en andere procedures snel aan de slag te kunnen met zijn verlanglijstje: asfalt, agroparken, een vliegveld en vooruit, om de fractie van de Partij van de Arbeid te paaien: een paar windmolens. De vraag is: gaat het helpen? Zullen die inperkingen van de rechtsgang nou echt gaan zorgen voor die vurig gewenste versnelling? Helemaal niet. Dat is de grote grap. Sterker nog, de deskundigen zijn unaniem van mening dat het huidige wetsvoorstel een enorme juridische onzekerheid met zich brengt, dat het wetsvoorstel de grenzen van de Europese regelgeving opzoekt, zelfs overschrijdt, en dat rechtszaken die hieruit voort zullen komen, juist een vertraging zullen opleveren. Een nieuw juridisch moeras. Helemaal zelf aangelegd. Van harte gefeliciteerd, minister Eurlings!

Ik wil een concreet antwoord op de vraag op basis van welke criteria het kabinet de bijlagen heeft samengesteld. Ik zie vooral een verlanglijstje van de economische lobby en van de boerenlobby en een aantal zeer omstreden projecten die er nu onder het mom van crisisbestrijding doorheen worden geduwd. Ik mis een weloverwogen economisch kader en ik zie geen duidelijke effecten op werkgelegenheid en duurzaamheid. Dat zou toch het doel zijn? Graag hoor ik een concrete reactie.

Dit wetsvoorstel bevat een aantal belangrijke wijzigingen van het bestuurs- en procesrecht. Het gaat grotendeels om de oude wens van het CDA om het voor belanghebbenden onmogelijk te maken om hun gelijk bij de rechter te halen.

Ik maak mij grote zorgen over het feit dat het Rijk in zijn eentje ontwikkelingsgebieden kan aanwijzen waar de wetgeving even niet hoeft te gelden. Hier staat geen beroep tegenover, ook niet van decentrale overheden, en ook het parlement wordt hier niet bij betrokken. Volgens mij gaat het hier om een ondermijning van de trias politica. De waarborgen van een mogelijke gang naar de rechter en de bemoeienis van volksvertegenwoordigers -- daar horen ook de lokale en regionale volksvertegenwoordigers bij -- hebben wij niet voor niets. Ook, en misschien wel juist, in een crisis zijn deze waarborgen belangrijk. Dat zijn dé kenmerken van een democratische rechtsstaat.

Ik heb met verbazing gekeken naar de ernstig bemoeilijkte gang naar de rechter, vooral met in mijn achterhoofd de antwoorden van minister Verburg op Kamervragen van mijn fractie. Daarin gaf zij aan dat het voor de overheid een basisbeginsel is dat zij handelt in overeenstemming met de vigerende wet- en regelgeving, ook op het gebied van natuur en milieu. Crisis of geen crisis, zegt ze. Juist om dat rechtmatig handelen te waarborgen, staan bij de bestuursrechter beroepsmogelijkheden open tegen besluiten van de overheid. Daarmee wordt de gewenste bescherming van natuur en milieu dus verzekerd. Zij voegde eraan toe dat voor zover de juridische implicaties van deze wet- en regelgeving op de betrokken beleidsterreinen nog niet helemaal zijn uitgekristalliseerd, de jurisprudentie van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State of het Hof van Justitie van de Europese gemeenschappen van geval tot geval meer duidelijkheid verschaft.

Aan het grote aantal gewonnen rechtszaken door milieu-, natuur- en lokale belangenorganisaties is af te lezen dat het bevoegd gezag zo af en toe duidelijk moeite heeft om de natuur- en milieubelangen goed te borgen. Dat is niet zelden ook het gevolg van een veel te beperkte kennis van de regelgeving bij de ambtenaren en bestuurders die het besluit voorbereiden en nemen. Dat moet je niet rechtzetten door de gang naar de rechter te bemoeilijken, dat moet je rechtzetten door het nemen van correcte besluiten en te investeren in die kennis als er een lacune is. Blijkbaar is het nodig dat de Raad van State de milieu- en natuurregels regelmatig aan het kabinet of andere overheden voorlegt en blijkbaar vindt het kabinet die uitleg ook waardevol. Dan wil ik het kabinet vragen, ook de opmerkingen van de raad over het voorliggende wetsvoorstel serieus te nemen. De Raad van State heeft geadviseerd om een aantal van de wijzigingen van het bestuur- en procesrecht uit het wetsvoorstel te halen. Dit om onduidelijkheden, problemen met strijdigheid met EU-regelgeving en onnodige vertraging in de rechtszaal te voorkomen.

Ik begin met het relativiteitsvereiste. In de crisiswet wordt dat vereiste ingevoerd. Wanneer iemand beroep aantekent tegen een besluit, doet hij dat met een beroep op bepaalde normen die naar zijn mening geschonden zijn. Het relativiteitsvereiste houdt dan in dat de rechter moet gaan toetsen of de normen waar de klager zich op beroept, wel bedoeld zijn om zijn belang te beschermen. Zoals gezegd, een plannetje van de VVD en het CDA. Ik kan u verzekeren dat daarmee niet wordt gegarandeerd dat natuur- en milieuorganisaties buiten de deur worden gehouden. Dankzij het Verdrag van Arhus. In dit internationale verdrag, waar Nederland ja tegen heeft gezegd, wordt toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter bij milieuaangelegenheden gewaarborgd voor een ieder die belang heeft bij een goede milieukwaliteit.

De heer Samsom (PvdA):
U zegt: een plannetje van het CDA en de VVD. Nee hoor, het is ook een plannetje van ons. Ik noemde het voorbeeld al van het bedrijf JVC dat een beroep doet op de Wet luchtkwaliteit omdat zijn logo onzichtbaar wordt door de hoge geluidschermen. Het relativiteitsvereiste zorgt ervoor dat zoiets niet meer kan. Ik zal nog een voorbeeld geven: villawijkbewoners die een wijkje voor hun prachtige uitzicht willen tegenhouden met het beroep op de geluidsoverlast die de bewoners van de nieuwe wijk zouden ondervinden. Dat is niet hun belang, dat kan dus niet doorgaan. Dat zijn nu typisch van die verstorende beroepsprocedures waar wij met dit relativiteitsvereiste een eind aan maken. Een natuurbeweging die opkomt voor een natuurbelang en dus een natuurwaarde in bescherming wil nemen via een beroepsprocedure, gaat rechtdoor naar de rechter. Daar komt geen relativiteit aan te pas, want dat is hun belang. Op die manier regelen we het, op die manier scheiden wij hier het kaf van het koren

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat is zeer de vraag. Ik ben er erg voor dat iedereen die ook maar denkt dat een besluit op onrechtmatige gronden is genomen, dat voor kan leggen aan de rechter. Het gaat om overheidsbeslissingen die mogelijk effecten kunnen hebben op je eigen leven, dat van de buren of een villabewoner. Dat kan me niet zo heel erg veel schelen. Wij hebben hier lang naar gekeken en ook de toevoeging van het woordje "kennelijk" nog even voorgelegd aan een jurist. Onze stellige indruk is dat er met de crisiswet toch wel degelijk een oneigenlijke beperking wordt ingevoerd, die het beroep op de wijdere Europese bescherming in de hand zal werken. Ik kan natuurlijk zeggen: prima, voer deze wet maar in, want uiteindelijk gaat de boel nog meer vertraging oplopen, en dat zou uiteindelijk mijn doel op de korte termijn wel even dienen, maar nee, principieel tegen.

De heer Samsom (PvdA):
U meent het niet echt hè, als u zegt dat vertraging uw doel is. Uw doel is dat slechte plannen verdwijnen en dat goede plannen doorgaan. Ik neem aan dat u dat bedoelde.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Het was een beetje een grapje.

De heer Samsom (PvdA):
Dat snap ik. Heel goed! Maar het relativiteitsvereiste zorgt er nu juist voor dat beroepen relevanter zijn en dus ook meer hout snijden. Ik ken de belangen die u verdedigt. Ik verdedig die vaak zelf ook. Wij hoeven ons geen zorgen te maken over het relativiteitsvereiste. Die villabewoners moeten dat doen. En die grote bedrijven, die moeten dat doen. En als u zegt "dat kan me geen moer schelen", dan vraag ik me af of u wel de juiste strijd strijdt, want volgens mij moeten wij juist voor die natuurorganisaties opkomen, en niet voor die villabewoners.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ben geen voorstander van het inperken van de rechtsgang, of het nu gaat om een villabewoner of een milieuorganisatie. Ik deel de conclusie van de heer Samsom dat er wel degelijk omwegen zijn met betrekking tot het relativiteitsvereiste, maar het gaat ook om het principe en de manier waarop Nederland de Europese regelgeving en het Verdrag van Aarhus implementeert in zijn eigen wetten. Ik vind dat daarmee zorgvuldig moet worden omgegaan. Als er af en toe eens iemand tussen zit die vanuit zijn villa een proces wil voeren, is dat prima. Daartegen heb ik geen bezwaar. Als de rechter oordeelt dat het besluit al dan niet terecht is, is dat hetgeen waaraan wij ons moeten vasthouden. Ik kan hierover nog wel het een en ander zeggen, maar gezien het interruptiedebatje met de heer Samsom kan ik dit wel skippen. Ik heb aangegeven dat wij voorstander zijn van het onverkort handhaven van de toegang tot de rechter en wij steunen dus het amendement van de heer Vendrik op dit punt.

Het kabinet heeft nog een ander trucje verzonnen om het mensen moeilijker te maken om besluiten vernietigd te laten krijgen door de rechter: het passeren van gebreken. Dat wil zeggen: ook al zit een besluit niet goed in elkaar, dan nog hoeft de rechter het besluit niet te vernietigen indien aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Dat wordt wel heel ingewikkeld, want wie bepaalt dan dat belanghebbenden niet zijn benadeeld? Hoe moet ik dat zien? Ik heb het gevoel dat op dit punt onzorgvuldigheid in de hand wordt gewerkt. Immers, als het niet uitmaakt dat je fouten maakt, hoef je dat ook niet te voorkomen. Ik heb ook het gevoel dat het de rechtsonzekerheid zal vergroten. Ook kan de toepassing van het passeren van gebreken leiden tot de noodzaak van het stellen van prejudiciële vragen en dus uiteindelijk tot vertragingen. Ik vraag het kabinet om een reactie hierop, maar ik weet al dat ik op dit punt een amendement zal indienen.

Het volgende trucje is dat indienen van het pro-forma beroepschrift en het aanvullen van de beroepsgronden na afloop van de beroepstermijn wordt afgeschaft. Normaal gaat het als volgt: na publicatie van een besluit is er een termijn van zes weken waarin belanghebbenden bezwaar of beroep kunnen aantekenen tegen dat besluit. Zeker voor kleine organisaties of voor individuen, zoals de omwonenden van een nieuw te plannen industrieterrein of vliegveld, is zes weken erg kort om hun bezwaar- of beroepschrift helemaal te motiveren en te onderbouwen met wetenschappelijke feiten, omdat het vaak over heel grote projecten gaat waaraan veel onderzoek ten grondslag ligt en omdat het recht tot nu toe de gelegenheid biedt om pro-forma beroep aan te tekenen voor degenen die beroep wil aantekenen om extra onderzoek te doen. Ook bestaat nu nog de mogelijkheid om tijdens de rechtszaak, bijvoorbeeld op grond van nieuwe onderzoeken, de al genoemde beroepsgronden aan te vullen. Daarmee is bijvoorbeeld nog beter aan te tonen dat de belangenafweging die ten grondslag ligt aan het besluit, niet zorgvuldig is uitgevoerd. Dat is heel vaak het geval.

Die beide mogelijkheden, het pro-forma beroep en het aanvullen van de beroepsgronden, worden door het kabinet met de Crisis- en herstelwet afgeschaft. Dat is niet zoals het hoort in een democratische rechtsstaat die als doel heeft haar burgers te beschermen. Het is ook niet eerlijk. Overheden kunnen vaak gebruik maken van eigen of ingehuurde deskundigheid, desnoods fulltime. Soms duurt het zelfs jaren om een besluit voor te bereiden. Van burgers of milieuorganisaties wordt straks verwacht dat zij binnen zes weken na publicatie van besluiten al die gegevens en ordners met berekeningen begrijpen en controleren en hun tegenargumentatie, vaak in hun vrije tijd, in elkaar zetten. Lukt dat niet, dan zijn zij hun rechten voor eens en altijd kwijt. Zeker in combinatie met het passeren van gebreken en het invoeren van het relativiteitsvereiste, dat zojuist is genoemd, is de balans tussen versnelling ten behoeve van de economie en de rechtstatelijk noodzakelijke waarborgen voor de rechten van particulieren en milieuorganisaties compleet zoek. Milieuorganisaties zijn niet tegen de economie, zeg ik tegen de heer Aptroot. Zij zijn er niet op uit om alle besluiten die genomen worden te verwerpen. Zij komen op voor een deel van het algemeen belang, dat veel te gemakkelijk wordt gepasseerd. De ervaring heeft dat maar al te vaak geleerd.

Voor een zorgvuldige afweging tussen verschillende belangen zijn zorgvuldig genomen besluiten essentieel. Dat wordt nu juist ook aangegeven in de verdediging van de Crisis- en herstelwet. Een belangrijke rol van milieu- en natuurorganisaties is die van waakhond in dit verband. Dit is nodig in een samenleving als de onze. Ik dien dan ook een amendement in om het pro-formaberoep en het aanvullen van de beroepsgronden mogelijk te laten blijven.

Zorgvuldige besluitvorming komt pas tot stand als er daadwerkelijk een besluit wordt genomen en er een afweging heeft plaatsgevonden. Het volgende zorgwekkende punt in de Crisis- en herstelwet is dan ook de lex selencio positivo. Die regeling bepaalt dat, wanneer het bestuur niet binnen de daarvoor geldende termijn een beslissing heeft genomen, bijvoorbeeld over de vergunning voor het aanleggen van een weg, die vergunning na afloop van de termijn automatisch wordt verleend. Dan krijg je de situatie dat er een nieuwe weg kan worden aangelegd, zonder dat er is gekeken naar de effecten op milieu en natuur en op de leefomgeving van de omwonenden. Die belangen spelen kennelijk geen enkele rol meer en hoeven niet meer worden afgewogen. Dat is onacceptabel in een democratische rechtsstaat. Ook hiervoor komt er een amendement.

De Onteigeningswet wordt drastisch veranderd. Alles moet sneller, de eigenaar heeft minder rechten en moet meer moeite doen om zijn recht te halen. Ik vind dat raar, want de provincies die aangeven het instrument van de onteigening wat vaker te willen inzetten om hun deel van de ecologische hoofdstructuur aan te leggen, worden juist tegengehouden door het kabinet. Als er echter een plannetje van minister Eurlings is om een weg aan te leggen, is ineens alles mogelijk. Ik denk dat onteigening af en toe zeker toegepast moet en kan worden, maar dan wel voor de juiste doelen en op een zorgvuldige manier. Bovendien wijst de Raad van State op de geringe versnelling die op grond van deze wijziging te verwachten is en adviseert hij om een structurele wijziging niet in de Crisis- en herstelwet op te nemen. Het kabinet heeft echter ook deze opmerking van de Raad van State genegeerd. Waarom?

Ook met de onderzoeken die ten grondslag liggen aan besluiten wordt in de Crisis- en herstelwet makkelijker omgegaan. In het rondetafelgesprek is kritisch gesproken over het betrokken artikel. Aangegeven werd dat het goed mogelijk is dat de bepaling strijdig is met de EU-regelgeving. In de MER- en Habitatrichtlijnen staat namelijk dat er inzicht moet zijn in alle effecten voordat een vergunning wordt verleend. Ook een nieuw besluit, na de bestuurlijke lus, kan een dergelijke vergunning zijn. Het lijkt dus eigenlijk onmogelijk dat in het licht van die richtlijnen een soort standaardregel wordt gehanteerd dat altijd op eerder onderzoek mag worden teruggevallen. Als zich een belangrijke wijziging in de feitelijke situatie heeft voorgedaan, moet die in het nieuwe besluit worden meegenomen, anders is er al gauw sprake van strijdigheid met het Europees recht. Is dit ook de mening van het kabinet?

Het beroepsrecht van decentrale overheden is niet van toepassing op de projecten onder de Crisis- en herstelwet. Ik moet hierbij opmerken dat in de memorie van toelichting staat dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Interprovinciaal Overleg hebben gezegd dat zij het wel prima vinden dat de rechten van individuele burgers, milieuorganisaties en andere organisaties worden ingeperkt, maar dat zij dit ineens niet meer zo grappig vonden toen het over hun eigen gang naar de rechter ging. Ik dacht heel eventjes dat wij beide organisaties aan hun droeve lot zouden moeten overlaten, maar dat kan natuurlijk niet. Principieel gezien is de Partij voor de Dieren van mening dat provincies en gemeenten het recht moeten hebben om in beroep te gaan tegen besluiten die op grond van de Crisis- en herstelwet door het Rijk genomen worden.

Daarmee is naast het buitenspel zetten van het parlement, het maatschappelijk middenveld en de individuele burger het kringetje rond. Het kabinet heeft vrij spel om te doen wat het wil. De volksvertegenwoordiging van de lokale en regionale bevolking heeft niets meer te vertellen. Het kabinet kan bij wijze van spreken het Groene Hart volbouwen met megastallen en niemand die er iets aan kan doen. Lokale en regionale bestuurders hebben vaak veel meer kennis van het gebied waarover besloten wordt. Zij weten waar de problemen en de kansen liggen, weten welke belangen er zijn en proberen de belangen van hun kiezers zo goed mogelijk te borgen. Daartoe moeten zij de mogelijkheden behouden, ook bij de bestuursrechter.

Vervolgens een opmerking over de 70%-norm bij energiebesparende renovaties van huurcomplexen. De Partij voor de Dieren kan zich niet vinden in het verplichtende karakter dat nu in de Crisis- en herstelwet wordt voorgesteld. Eerlijk gezegd moest ik een beetje glimlachen. Immers, op ieder willekeurig moment dat de Partij voor de Dieren pleit voor beleid dat gericht is op vermindering van de consumptie van vlees, is de automatische spastische reactie dat wij zeker niet moeten voorschrijven wat de mensen op hun bord mogen hebben. Kennelijk kunnen wij echter wel bepalen dat mensen drie weken uit hun huis moeten omdat er een isolatieklus geklaard moet worden of stadsverwarming moet worden aangelegd. De doelen zijn belangrijk, maar verplichtend opleggen zal alleen maar contraproductief werken. Zoals de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit weet, zijn wij erg tegen verplichtingen op dit punt. Wij zullen dan ook het door de GroenLinks-fractie ingediende amendement steunen.

De zojuist besproken vergaande veranderingen in het bestuursprocesrecht zullen uiteindelijk niet leiden tot een versnelling van de uitvoering van projecten. De kans is veel groter dat zij juist zullen leiden tot vertragingen. De kern is hier het bestaan van jurisprudentie. Bij de nieuwe regelingen bestaat er voor de rechter niet een eerdere uitspraak waar hij een voorbeeld aan kan nemen. Alles zal opnieuw moeten uitkristalliseren, zoals minister Verburg het zo mooi kan zeggen. De rechter zal zich in veel gevallen genoodzaakt zien prejudiciële vragen te stellen. Dit houdt in dat een rechter aan rechters van het Europees Hof in Luxemburg zal vragen hoe hij bepaalde normen moet interpreteren, opdat die niet strijdig zijn met de EU-regelgeving. Dit betekent voor veel van de in de bijlage genoemde projecten geen versnelling, maar juist een vertraging in de uitvoering, want een ronde van prejudiciële vragen aan Luxemburg kan al gauw anderhalf jaar in beslag nemen.

Tevens zijn de termijnen voor de rechter drastisch ingekort. Ook dat zou versnelling moeten opleveren. Bij de tweede nota van wijziging heeft het kabinet de meest onhaalbare termijn, die van vier maanden, gelukkig opgeschroefd naar zes maanden, na de overdonderende kritiek van deelnemers aan de rondetafelgesprekken en vragen ter zake van onder meer mijn fractie.

Maar dan nog, er staan heel wat projecten op de beide bijlagen en bovendien kan het kabinet door middel van AMvB's nog meer projecten toevoegen. Wanneer deze projecten aan de rechter worden voorgelegd, is bepaald dat de rechtszaken over de Crisis- en herstelwet voorrang krijgen op andere zaken. Deskundigen en ook de Raad van State noemen in dit verband de reeds bestaande enorme werklast van de rechtbanken. Deze zal dus onder de Crisis- en herstelwet alleen maar toenemen. Dat betekent dat alle andere rechtszaken stil komen te liggen. Ik denk dat dit voor grote problemen zou kunnen gaan zorgen.

Ik ga door naar het milieu. Wij hebben in de Milieubalans allemaal kunnen lezen dat het niet goed gaat. De doelen die het kabinet zichzelf heeft gesteld, worden bij lange na niet gehaald. De noodzaak van een omslag naar een duurzame economie wordt steeds meer gevoeld in de samenleving. Het kabinet gooit daarentegen met de Crisis- en herstelwet alle ambities en mogelijkheden om deze te verwezenlijken weg. Zowel nationale milieuregels en -normen als internationale afspraken hierover worden door dit kabinet niet als een kans gezien om de economie naar een hoger en duurzamer niveau te tillen, maar worden als knellend ervaren. Nederland zit op slot, wordt er dan gezegd. Bedrijven kunnen niet meer groeien en dat is onwenselijk. Dat deuntje, u kent het wel.

Dus gaat het kabinet de komende tien, vijftien of misschien zelfs twintig jaar niets meer doen tegen milieuvervuiling. Dat wordt geregeld onder de noemers "ontwikkelingsgebieden" en "experimenten", afdelingen 1 en 2 van hoofdstuk 2. De nationale milieunormen hoeven even niet meer te worden gehaald en er worden trucjes bedacht om de Europese normen te omzeilen. Tegelijkertijd wordt gesteld dat het wetsvoorstel is gericht op duurzaamheid. Ik vraag mij af waarom. In mijn beleving hoeven voor duurzame activiteiten en duurzame innovaties geen milieuregels aan de kant te worden geschoven. Ik denk dat duurzame bedrijvigheid helemaal geen behoefte heeft aan trucjes als saldering, maar dat zal dan wel aan mijn definitie van duurzaamheid liggen. Daarom ben ik benieuwd naar de definitie van duurzaamheid die het kabinet hanteert in het wetsvoorstel. Ik wil graag dat die hanteerbaar en toetsbaar is. Ik kon daar niets over vinden, dus hoor ik graag een reactie.
Ook de praktische consequenties van het voorgestelde in hoofdstuk 2 en 3 van de wet vind ik moeilijk te duiden. Kan het kabinet ingaan op de precieze invulling van de aan te wijzen ontwikkelingsgebieden? Wat voor bedrijvigheid moet ik mij voorstellen bij duurzame ontwikkelingen, als het blijkbaar nodig is om de geluids- of stanknormen te overschrijden?Het kabinet heeft tot nu toe geweigerd duidelijk te maken wat nu precies wordt bedoeld en wat de toegevoegde waarde van deze gebieden moet zijn. De Raad van State adviseerde dit duidelijker toe te lichten in de memorie van toelichting. De reactie van het kabinet was: "Naar onze mening wordt in de memorie van toelichting afdoende gemotiveerd dat de ontwikkelingsgebieden een toegevoegde waarde hebben."

Ik denk dat wij gewoon op voorhand niet mogen weten wat daarmee wordt bedoeld en ik denk ook dat ik wel weet waarom. Als je kijkt naar de wetten die even tijdelijk buiten spel wordt gezet, vallen mij vooral de Wet ammoniak en veehouderij en de Wet geurhinder en veehouderij op. Deze mysterieuze ontwikkelingsgebieden die bij AMvB worden aangewezen en waartegen geen beroep mogelijk is, worden agroparken met megastallen. Handig wel van het kabinet om het zo te regelen, want er worden steeds meer burgerinitiatieven gestart om megastallen tegen te houden en steeds meer gemeenten zijn geneigd om daarnaar te luisteren. Ook willen steeds meer provincies, zoals Groningen, vestiging van megastallen verbieden. Megastallen zijn echter een wens van minister Verburg en van de sector en de economische crisis is een mooi excuus om ze van rijkswege maar even op te leggen. Ik hoor graag een reactie op dit punt.

Er blijven nog vele andere vragen mogelijk over de ontwikkelings- en experimenteergebieden, maar ik wil eerst graag duidelijkheid van de regering op dit punt. Ik wil ook graag dat de minister van LNV ingaat op de vraag hoe deze ontwikkelingsgebieden, die blijkbaar de milieugebruiksruimte vijftien jaar lang mogen opvullen, nog binnen de EU-normen blijven voor luchtkwaliteit. Hoe worden de gevolgen voor bijvoorbeeld fijnstof ingeschat en hoe worden die gemonitord?

In de Crisis- en herstelwet worden ook de regels voor milieueffectrapportages veranderd. Bij de uitvoering van een MER is er geen verplichting meer voor een advies van de Commissie voor de m.e.r. en voor een alternatievenonderzoek. De heer Ketting, voorzitter van de Commissie voor de m.e.r., heeft tijdens de rondetafelgesprekken overtuigend betoogd dat de adviezen en alternatievenonderzoeken leiden tot betere besluiten en dat was toch het streven? Ik snap het niet. Dit wetsvoorstel haalt er juist van alles af, volgens hem. Ik vraag het kabinet op deze kritiek in te gaan.

Ik ben bang dat wij allemaal de consequenties van dit wetsvoorstel voor het milieu niet kunnen overzien. De mogelijkheden voor duurzame energie ten spijt -- ik wil best tegen de PvdA-fractie zeggen dat ik dat onderdeel wel goed vind -- de mogelijkheden voor onduurzame activiteiten lijken eindeloos. De duurzame balans van de Crisis- en herstelwet is niet te vinden. Ik wil graag meer toelichting van het kabinet op dit punt.

Is het waar dat ook de bouw van elektriciteitscentrales die bijvoorbeeld op kolen of gas draaien, gemakkelijker wordt? Is het ook de bedoeling van de ontwikkelingsgebieden om dit soort installaties mogelijk te maken? Graag wil ik een antwoord op die vragen.

Ik kom op het meest heikele punt, voor zover je daarin een selectie zou kunnen maken. Als een duveltje uit een doosje is de Natuurbeschermingswet toegevoegd aan de crisis- en herstelwet. Dat gebeurde niet omdat dit zo veel te maken heeft met het versnellen van projecten, maar gewoon omdat we dat al heel lang wilden. Met "we" bedoel ik het CDA en de VVD. Er zijn veel beloften gedaan en mooie woorden gesproken over de bescherming van Natura 2000-gebieden in Nederland, maar desondanks beschermen we de gebieden nauwelijks: Europese topnatuur en jarenlang een veel te hoge stikstofdepositie. Doelbewust creëert het kabinet een mist waardoor het lijkt alsof de uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn heel ingewikkeld is. Daarmee kan de aanpak van het probleem steeds vooruit worden geschoven met als gevolg dat wij nu inderdaad in een situatie zitten die nauwelijks meer hanteerbaar is. Er is nog steeds sprake van veel te hoge stikstofdeposities. Die worden veroorzaakt door de steeds ongestoord gelaten intensieve veehouderij rondom de Natura 2000-gebieden. Dat zal mogelijk rechtsgevolgen hebben. Wij hebben het zelf zo ver laten komen. Eerst hebben we de Europese richtlijnen ondertekend. Vervolgens hebben wij een trukendoos opengezet om deze richtlijn maar niet te hoeven uitvoeren. Natura 2000 stelt inderdaad beperkingen aan de intensieve veehouderij en dat willen we natuurlijk niet. Heel duidelijk is dat het de inzet van dit kabinet en ook die van eerdere kabinetten is om de intensieve veehouderij te beschermen tegen de natuurbeschermingswetgeving in plaats van andersom: de natuur beschermen tegen de intensieve veehouderij. Nu is de uitvoering van de Habitatrichtlijn niet zo ingewikkeld, maar we maken die ingewikkeld. Iedereen vindt het moeilijk en dat blijft zo, maar het is heel simpel: een verslechtering of een verstoring die in verhouding tot de doelen van een dermate grote orde is dat de instandhoudingsdoelstelling in gevaar komt, kan niet plaatsvinden in de buurt van het gebied. Verslechtering van de kwaliteit van de habitat treedt op wanneer in een bepaald gebied de oppervlakte afneemt of wanneer de specifieke structuur en de functies die noodzakelijk zijn voor de instandhouding, op de lange termijn dalen. Als dit in een gebied de instandhouding in gevaar brengt, is er sprake van een significant negatief effect.

De stikstofdepositie is een gevoelig punt. Ik vraag mij af op basis waarvan de minister de conclusie trekt dat er een dalende lijn te zien is. Ik meen dat zij in de memorie van toelichting schrijft dat de stikstofdepositie sinds de jaren '90 is gedaald tot 2200 mol en sinds 2002 is dat ongeveer hetzelfde. Dat is zes, zeven, bijna acht jaar geleden. Ik zie de dalende lijn niet. We weten dus allemaal, en de minister weet dat ook heel goed, dat de stikstofdepositie al jaren veel te hoog is. 2200 mol is immers meer dan we kunnen hebben. Een constructieve aanpak ontbreekt. Als wij vanaf het begin de habitatrichtlijn hadden gevolgd, hadden wij moeten zorgen voor die dalende lijn van stikstofdepositie in gebieden waar sprake is van een kritische depositiewaarde. Dat moest gebeuren met passende maatregelen en door projecten en plannen aan een passende beoordeling te onderwerpen. Voor nieuwe activiteiten en uitbreiding was het nodig geweest om deze toetsing preventief te doen. In gebieden waar al sprake was van een overschrijding van de kritische depositiewaarde, mocht zeker niet meer overschrijding worden toegestaan.

Ik heb de minister gevraagd, inzicht te verschaffen in de manier waarop de Natuurbeschermingswet is uitgevoerd, de uitvoeringspraktijk dus. Ze heeft de Kamer daarover een beschamend briefje gestuurd. Ik had dat wel verwacht, want ik heb haar die vraag al eerder gesteld. De Raad van State heeft de afgelopen jaren verschillende uitspraken gedaan. De heer Koopmans sprak over het ammoniakdossier dat twintig jaar bestaat. Hij sprak van een hoofdpijndossier. Dat klopt. Elke keer zegt de Raad van State dat de minister, het bevoegd gezag, het huiswerk niet goed heeft gedaan. Het lijkt mij dan ook legitiem om te verzoeken de Kamer zicht te geven op de uitvoeringspraktijk van de Natuurbeschermingswet in relatie tot de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijn. Ik vraag de minister alsnog om daarover duidelijkheid te verschaffen.

Een standaard antwoord op de stikstofproblematiek is dat de kritische depositie vooral als richtlijn gebruikt moet worden, maar deze waarden zijn op internationaal onderzoek gefundeerd. Internationale milieuwetenschappers hebben daarnaar gekeken en ze zijn goedgekeurd. Met andere woorden, die waardes moeten wij halen als wij naar een goede staat van instandhouding willen. Dat betekent dat we daarover dus niet kunnen polderen. Ik kijk even naar de heer Samsom die daarvoor met zijn amendement wel ruimte laat. Vergunning mocht alleen worden verleend in het geval dat de stikstofbelasting onder de grens van de kritische depositiewaarde was gekomen. Daar kun je honderd rapporten tegenover stellen van mensen die daar anders over denken, maar de Habitatrichtlijn stelt van niet.

Je gaat toch ook geen pretpark toestaan pal naast een stiltegebied! Dat doe je al helemaal niet wanneer de geluidsbelasting in dat gebied toch al hoog is. Daarmee zou je een nieuwe saneringssituatie creëren, waarvan het oplossen veel geld en moeite gaat kosten.

De vraag kan worden gesteld vanaf welk moment Nederland verplicht was om passende maatregelen te nemen en passende beoordelingen uit te voeren. In een uitspraak van de Raad van State uit 2001 wordt de redenering gevolgd dat deze verplichtingen op basis van het beginsel van gemeenschapstrouw van kracht waren geworden op het moment dat de potentiële Natura 2000-gebieden waren aangemeld bij de Europese Unie. Nederland heeft pas in 2003 de complete lijst van deze gebieden aan de Europese Commissie gestuurd. Maar volgens de bepalingen van de Habitatrichtlijn had dit al in 1995 moeten gebeuren.

Op grond van het beginsel van gemeenschapstrouw konden ook toen al wezenlijke beschadigingen van de potentiële beschermingszones niet meer worden vergund. Deze redenering leidt ertoe dat de beoordelingsplicht vanaf 1995 gold voor nieuwe activiteiten. Onderschrijft de minister dit tijdstip? Kan zij laten zien hoe haar ministerie met deze verplichting is omgegaan? Het ministerie was toentertijd immers het bevoegd gezag. Is actief gehandhaafd? Er had al jaren serieus werk gemaakt moeten worden van de Habitatrichtlijn maar de lijn is steeds: we doen alsof de richtlijn niet bestaat en op het moment dat de Raad van State het bevoegd gezag op de vingers tikt, zoeken wij naar nieuwe uitwegen in de wetgeving. Het is nooit zo geweest dat de wet goed werd gehandhaafd.

Ik heb de minister zojuist gevraagd om ons hierin inzicht te verschaffen. Ik kan wel zeggen waarom ik vermoed dat zij de Kamer niet wil informeren. Wij hebben gegevens aangereikt gekregen. Volgens deze gegevens is de afgelopen tien tot vijftien jaar op basis van de Milieubeschermingswet in een handjevol gevallen -- zeg een paar honderd -- een toets uitgevoerd. In tachtig tot een paar honderd gevallen is een vergunning afgegeven.
De minister weet, net zo goed als ik, dat het om duizenden bedrijven gaat. Waarom zijn die niet aan de vergunningtoets onderworpen? Klopt dat wel? Klopt de strategie van de minister om de toets achterwege te laten en het gebruik vervolgens bestaand gebruik te noemen en via het riedeltje van de beheerplannen tot bestaand recht te verklaren?

Ik stel de vraag die ik aan de heer Koopmans heb gesteld ook aan de minister. Hoe zit het met de beheerplannen en de constructie die de minister voorstelt? Gaat het om keiharde rechtszekerheid van de ondernemers? Als dat het geval is en wij blijken de doelstellingen van de Habitatrichtlijn niet te halen -- en die kans is heel reëel aanwezig -- voor wie zijn dan de kosten als Europa zegt dat dit zo niet kan? De minister kijkt de andere kant op, maar dat begrijp ik wel. Het is ook een pijnlijke vraag. Ik wil hierop graag een antwoord van de minister horen. De minister moet niet doen alsof het zo ingewikkeld is. Zij moet gewoon uitleggen waar het op staat. Zij moet inzicht geven in de manier waarop haar ministerie de afgelopen jaren de boel heeft gehandhaafd.

Ik wil dat trouwens ook weten van de provincies die dit sinds 2005 hebben moeten doen. Ik begrijp niet dat de minister ons daarvan geen overzicht kan sturen, want ik kan mij niet voorstellen dat zij, toen het bevoegd gezag van haar ministerie aan de provincies is overgedragen, geen overzicht heeft gegeven van wat er in de jaren daaraan voorafgaand in de desbetreffende provincies aan handhaving is gedaan. Het is het een of het ander. Of zij heeft de provincies aan hun lot overgelaten, wat haar grote ondeskundigheid op dit gebied zou verklaren, of zij weet het wel, maar wil de Kamer niet informeren omdat zij niet heeft gehandhaafd.

Wij hadden al serieus werk moeten maken van de Habitatrichtlijn en wij hadden al jaren geleden vergunningen moeten verlenen, of in elk geval moeten toetsen. Bij zo'n toets moet bezien worden of je de vergunning kunt verlenen of moet weigeren. Ook had bestaand gebruik al moeten worden aangepakt, daar deze schadelijk is voor de te beschermen natuur. Ik wijs op het verslechteringsverbod in de Habitatrichtlijn. Keer op keer heeft de CDA-fractie de uitvoering vertraagd en gefrustreerd, regelmatig gesteun door de fractie van de PvdA en overige partijen. Het spijt mij zeer dat de fractie van de PvdA ook nu weer hierin meegaat.

Het stikstofbeleid is al jaren falend, maar de laatste twee jaar heeft de regering er alles aan gedaan om de stikstoftoename toe te staan. Voor de goede orde noem ik de feiten. De minister spreekt over een dalende lijn, maar dat is eigenlijk jokken, want sinds 2002 gaat er niets meer naar beneden. De depositie is 2200 mol en is sinds 2002 op dat niveau. Daarmee wordt de doelstelling van het Nationaal Milieubeleidsplan 4, namelijk 1650 mol, waarschijnlijk niet gehaald. Bij een depositie van 1900 mol is ongeveer 20% van de natuur beschermd. Reken het dus maar uit. Men verwacht dat in 2010 de depositie in 88% van de Natura 2000-gebieden fors hoger is dan de kritische depositiewaarde. Ik zeg het nogmaals; over die waarde kun je niet polderen in een beheerplannenclubje.

Een voorbeeld van dit falende beleid is het Toetsingskader ammoniak en Natura 2000. Het doel hiervan was om meer ruimte te bieden voor intensieve veehouderij en grondgebonden melkveehouderij. Dit toetsingskader werd met haast ingevoerd, zonder te kijken naar de relatie met de instandhoudingsdoelen. De coalitiepartijen CDA, PvdA en ChristenUnie stemden tegen een motie waarin de regering werd verzocht om nog even te wachten met het toetsingskader tot de relatie met de instandhoudingsdoelen duidelijk was. Dan wil je gewoon niet. Vervolgens klaagt men -- na alle adviezen daarover die erop wezen dat dit geen stand zou houden bij de rechter -- over de natuurorganisatie die inderdaad een vergunning geschorst wist te krijgen. Op zo'n moment daarover klagen, is beneden de maat.

Het was dan ook weer wachten tot de Raad van State het toetsingskader zou terugroepen. Dat is inderdaad gebeurd. Het werd ingetrokken. De minister heeft daarop niet gekeken op welke manier ze dan wel met deze vergunningen moest omgaan, maar in plaats daarvan heeft ze weer eens een taskforce in het leven geroepen om nieuwe oplossingsrichtingen te bedenken. Die oplossing bleek te liggen in het verschuiven van het probleem naar de provincies. Een hele trukendoos aan maatregelen werd uit de kast gehaald om vooral maar niet te komen tot een constructieve aanpak van de hoge stikstofdepositie. Voorbeelden hiervan zijn depositie- en effectgerichte maatregelen. Die klinken mooi, maar depositiegerichte maatregelen, bijvoorbeeld een hogere schoorsteen, zullen het probleem alleen maar verplaatsen. Effectgerichte maatregelen werken bovendien niet overal. De effectiviteit is vaak tijdelijk; het kan maar een paar keer, het leidt tot schade aan de fauna en het kost een hoop geld. Kunnen wij er eens inzicht in krijgen wat dit de belastingbetaler kost? Al deze maatregelen zijn slechts een doekje voor het bloeden als de veestapel in zijn huidige omvang mag worden gehandhaafd of wellicht zelfs mag groeien.

Een handreiking van de minister werd aan de provincies gegeven, in de hoop dat alle problemen dan vanzelf opgelost zouden worden. Maar helaas, zo gemakkelijk gaat dat niet zonder duidelijke doelen. In april 2009 blijkt ook nog eens dat de legaliseringsslag in 2005, waarbij amoniakvergunde rechten in het kader van de wet Milieubeheer werden beschouwd als rechten voor de Natuurbeschermingswet, geen stand hield bij de Raad van State. Dit is wederom een bewijs dat de Natuurbeschermingswet niet is gehandhaafd. De toets aan de Wet milieubeheer is geen toets aan de Natuurbeschermingswet. Dat wist de minister uiteraard heel goed. Een rijbewijs voor een personenauto is ook geen rijbewijs voor een vrachtauto. Ze hoeft niet te doen alsof de regels zo moeilijk zijn, maar ze had gewoon haar eigen wet moeten handhaven.

Ze steekt niet de hand in eigen boezem, maar zoekt naar mogelijkheden om de bestaande praktijk te legaliseren. Er komt wederom een commissie, dit keer de commissie-Huys. Ditmaal krijgt de commissie de duidelijke opdracht om binnen de natuurwetgeving de maximale rek en ruimte te vinden voor … bescherming van natuur? Nee. Er moet maximale rek en ruimte worden gezocht voor bescherming van de veehouderij. Deze commissie concludeert dat het antwoord op alle problemen een ontwikkelingsplan is dat ecologisch en economisch herstel wil bereiken. De commissie heeft mooie ideeën, maar als er dan weer moties komen die het geheel werkbaar moeten houden, zoals een tijdfasering en het niet op voorhand verlenen van vergunningen, dan wordt er weer vrolijk tegen die moties gestemd door de coalitiepartijen, inclusief de Partij van de Arbeid.

Op deze manier komen wij er niet. Laten wij het simpel houden. Stel duidelijke doelen vast, kijk naar datgene wat die doelen in de weg staat en neem dan passende maatregelen of voer een passende beoordeling uit. In plaats daarvan stelt de minister van Landbouw voor om de wetgeving uit te hollen. Dit hebben wij al eerder gedaan met de milieuwetgeving: stapsgewijze uitholling van de Interimwet ammoniak en veehouderij, daarna van de Wet ammoniak en veehouderij, en vervolgens klagen dat je het als een boemerang terugkrijgt via de Natuurbeschermingswet. Wij beperken het beschermingsregime tot alleen gebieden binnen de ehs.

Beschermingszones zijn drastisch beperkt van drie kilometer tot slechts 250 meter. Zelfs dat voorstel bleek de natuur nog te veel te beschermen. In 2007 werd de wet dus gewijzigd en tot de wassen neus gemaakt die hij nu is. In deze wijziging kregen alleen gebieden groter dan 50 ha. nog bescherming. Als klap op de vuurpijl werd voor melkveehouderijen de mogelijkheid gecreëerd om binnen de beschermde zones bijna twee keer zoveel uit te breiden. De strategie van het wegnemen van bescherming herhaalt zich bij de voorgestelde wijziging van de Natuurbeschermingswet. Zoals gezegd, heeft de Raad van State geadviseerd om deze weg te laten uit de crisiswet.

Een tweede poging van de minister is om bestaand gebruik dat opgenomen wordt in het beheerplan, vrij te stellen van vergunningplicht onder de Nb-wet. In plaats van de wet te handhaven is dit gebeurd in de wijziging van de Nb-wet van januari van dit jaar. Zoals gezegd,valt de laatste klap tot uitholling van deze wet nu, onder de crisiswet. Onbestaanbaar! Wij kleden ten eerste onze natuurbescherming uit tot het strikt noodzakelijke. Dan bedoel ik niet het noodzakelijke voor het bereiken van de ambities van het kabinet over bijvoorbeeld biodiversiteit; nee, die doelen zijn wij allang uit het oog verloren. Wij gaan terug naar wat echt absoluut moet van Europa en zelfs daarvan is niet zeker of wij ons daar wel zo netjes aan houden. De "nationale koppen", zoals het kabinet het zo mooi noemt, schrappen wij. Nederland als achterblijver binnen Europa: een compleet ambitieloze zesjesmentaliteit, terwijl onze natuur werkelijk uniek en dus ook heel waardevol is.

Wat zal dit gaan betekenen voor de ecologische hoofdstructuur? Ik vroeg de minister vanmorgen ook al even naar het te verwachten lot van het Kastanjedal in de buurt van Nijmegen. D66 heeft een amendement ingediend om de ehs-projecten te kunnen versnellen, maar vanmorgen stelde ik ook de vraag: gaat de crisiswet niet betekenen dat ehs-projecten juist kunnen worden geschrapt als het kabinet besluit dat er ergens woningen moeten komen en als daar toevallig zo'n lastig ehs-gebiedje ligt? Ik krijg daarop graag een reactie. Ik vraag specifiek aandacht voor het Kastanjedal, een waardevol natuurgebied in de buurt van Nijmegen. Verontruste omwonenden van dit gebied zijn geschrokken van het besluit van de provincie om vanwege woningbouw dit gebied uit de ehs te halen. Ik krijg hierop graag een antwoord.

Ook de veranderingen in de Tracéwet en de Spoedwet wegverbreding zijn niet te begrijpen. Ik lees dat mijnheer Balkenende straks gaat beslissen of een weg wel of geen onaanvaardbare schade gaat opleveren voor de natuur. Hoe gaat hij dat doen? Ik geloof niet dat hij dat kan. Er komt dus een amendement op dit punt.
De minister denkt het ammoniakprobleem te kunnen oplossen in een beheerplan. Het beheerplan als wonderredmiddel! In theorie klinkt het prachtig: je kijkt naar een gebied in het geheel, je bekijkt welke depositie er is en waardoor die wordt veroorzaakt, en je gaat werken aan een reductie van de depositie. De praktijk is echter weerbarstiger. Clubjes stappen eruit. Dat zijn soms milieuclubs en soms is het LTO. Ik schrok daar een beetje van. Ik schrok niet van het feit dat LTO eruit stapt, maar ik schrok ervan dat het opstellen van een beheerplan blijkbaar een machtsspelletje is waar je uitstapt als je je zin niet krijgt of, in het geval van milieuorganisaties, zo stel ik mij voor, als er wordt gepolderd over harde milieudoelen. Die kun je namelijk niet wegstrepen tegen een economisch doel. De minister denkt dat je op deze manier inderdaad je ecologische doelen kunt halen, en ik snap dat niet. Op andere terreinen weet de overheid best wat zij moet opleggen omdat het nu eenmaal geen kwestie van keuze van de burger is maar gewoon bestaand beleid dat zij moet uitvoeren.

De heer Aptroot (VVD):
Ik zit nu al meer dan een paar minuten te luisteren. Het verbaast mij een beetje dat er volgens uw verhaal in ons land eigenlijk geen ruimte is voor mensen die gewoon de kost verdienen. Er is iets wat ik eigenlijk schokkend vind, en daar stel ik een concrete vraag over. Als je aan een overleg kunt deelnemen, moet je daar ook uit kunnen stappen, vind ik. Daarover zijn wij het op zich met elkaar eens. Als milieuclubs uit het overleg over beheerplannen stappen, vindt u dat dan ook prima, maar als LTO eruit stapt, vindt u dat verwerpelijk. Waarom hebben een ondernemer, een boer of iemand die bijvoorbeeld door Natura 2000 zijn pannenkoekenboerderij niet tot zeven uur 's avonds mag openhouden omdat hij dat tot nu toe maar tot zes uur 's avonds deed, niet ook bepaalde rechten?

Waarom vergeet u dat er mensen zijn die in dit land gewoon willen wonen, recreëren en werken? Ik vind het erg eenzijdig. Ik vind het eigenlijk schokkend dat u mensen van natuurorganisaties rechten toebedeelt die een gewone ondernemer of agrariër niet zou hebben.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De kern is dat we natuurbeschermingsdoelstellingen hebben. Mijn mening is dat je daarover niet kunt polderen. Ik ben ook helemaal geen fan van het beheerplannentraject. Ik denk dat je niet kunt polderen over doelstellingen die je Europeesrechtelijk gewoon moet zien te handhaven. Dat een milieuorganisatie eruit stapt omdat zij ziet dat de verplichtingen niet gehaald worden en dat dit vervolgens wordt afgestraft door de minister die zegt dat zo'n club zich buiten de bestuurlijke werkelijkheid plaats, vind ik beschamend. Ik kan mij er wel wat bij voorstellen dat LTO zegt niet genoeg van haar economische belangen gefundeerd te krijgen in dit beheerplan, want daar is zo'n beheerplan namelijk niet voor bedoeld. De suggestie die u doet, dat ik geen ruimte zou bieden aan mensen die in ons land willen werken, recreëren en wat al niet, klopt dus niet. Ik zeg wel dat we natuurbeschermingsdoelen hebben en dat je daar niet omheen kunt draaien. Ik zal u nog eens wat zeggen, mijnheer Aptroot. Het is zeker niet in het belang van agrarisch ondernemers om daar maar een beetje omheen te blijven draaien. U probeert de rechtszekerheid op allerlei manieren te garanderen, maar ik voorspel u dat Europese richtlijnen gehandhaafd moeten worden. Als er rechten worden verleend aan ondernemers op gronden die eigenlijk niet kunnen omdat de natuurkwaliteit te zeer verslechterd, zit of de staat met een groot probleem of de ondernemer die we al die tijd hebben voorgespiegeld dat zijn activiteiten daar wel konden. Dat lijkt me allebei zeer, zeer onwenselijk.

De heer Aptroot (VVD):
De essentie van mijn vraag was dat ik het gek vind dat u zegt dat een milieulobby die voor het milieu opkomt prima is, maar dat u een agrariër die opkomt voor zijn bedrijf, dat misschien ook al honderden jaren, generatie op generatie, bestaat, verwerpelijk vindt, omdat u eigenlijk van mening bent dat een agrariër alleen aan natuur en milieu moet denken en niet mag opkomen voor het belang van de voortzetting van het bedrijf. Ik vind dat eigenlijk schokkend hoewel het aangeeft hoe eenzijdig u aankijkt tegen Nederland. Voor de werkende mensen hebt u geen enkel begrip.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat is de situatie niet. Ik ben niet voor die beheerplannen en wel als volgt. De natuurdoelen moeten worden gehaald. Dan kun je wel zeggen tegen agrarisch ondernemers dat er nog wat te onderhandelen valt, maar wat moet je dan? Als er te veel varkenshouders in dat gebied zitten, moet dan de ene varkenshouder de andere de hersens inslaan, omdat ze niet allebei kunnen blijven? Ik denk dat het juist de solidariteit binnen de agrarische wereld onder druk zet. Ik denk dat het veel beter is als er, jaren geleden al, vanuit de overheid duidelijkheid was geschapen over het feit dat dit de natuurdoelen zijn en dat we hier de belastingen van de natuur zien. Ik noem de Peel. Dat gebied kan 400 mol ammoniak hebben. We doen daar 4000 mol op. Je kunt wel doen alsof je dat in onderling overleg kunt realiseren, maar de overheid had moeten zeggen: zo werkt het niet, we gaan een saneringsplan opstellen en daar nemen we tien jaar de tijd voor. Prima, daar zou ik voor zijn geweest. Polderen over die doelen gaat gewoon niet. Je doet er de agrariërs mee tekort, maar bovenal de natuur. Dat heb ik bedoeld. U zegt ook dat wij geen ruimte zouden bieden aan mensen die een boterham willen verdienen. Zoals u weet, zijn wij erg voor de landbouw, maar dan vooral de biologische. Dat zou beteken dat er werkgelegenheid is, want daar moet je zelf wieden.

Voorzitter. Ik spreek over de beheerplannen. Ik vraag de minister naar de juridische implicaties van haar voorstel op dit moment. Ik heb al gevraagd hoe het zit met de rechtszekerheid. Ik ben er erg voor dat agrariërs weten waar zij aan toe zijn. Maar dan moet het ook echt zijn. Als agrariërs te horen krijgen van de minister dat het zo kan, maar uiteindelijk blijkt het in strijd met Europese regelgeving, ligt de vraag voor wie we hier het meest mee tekortdoen, de staat of de agrariër. Het lijkt mij allebei ongewenst. Bovenal moet de natuurbeleving eens worden gehandhaafd. Graag een reactie hierop.

Over het amendement van de heren Koopmans en Samsom kan ik alvast zeggen dat het niet zal gaan werken. Ik heb er zojuist even goed naar gekeken. Het gaat erom dat de kritische depositiewaarde wordt overschreden. In de Habitatrichtlijn wordt gesteld, mijnheer Samsom, dat er een verslechteringverbod moet worden nageleefd. Dat betekent dat je niet meer troep op zo'n gebied mag gooien dan het gebied kan hebben. Je kunt wel termijnen afspreken waarbinnen je dat langzaam naar beneden brengt, maar als het gebied er al die tijd toch slechter van wordt, zegt de Habitatrichtlijn dat het niet mag. Ik vraag dus ook aan u om de implicaties voor de rechtszekerheid in uw termijn duidelijk te maken. Wat gaat ermee gebeuren? Ik kan er geen chocola van maken.

De heer Koopmans (CDA):
Begrijpt u niet dat de kern van het amendement meer rechtszekerheid is en -- om in uw woorden te spreken -- minder troep op het nabijgelegen natuurgebied?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat wordt met dat amendement niet gerealiseerd. Er zit een aanschrijvingsbevoegdheid in de wet. Ik neem aan dat u daar ook op doelt, mocht een beheerplan onvoldoende resultaat opleveren. Maar wij hebben toch de Nb-wet gezien? Mocht er ergens in een gebied een te zware belasting van ammoniak zijn, dan had de minister ook in kunnen grijpen. Er is helemaal geen garantie dat dit gaat gebeuren. Ik denk dat de kans heel groot is dat Europa op ons de vingers tikt. De vraag is dan wel of het om vaste rechten van de ondernemer gaat. U heeft mij horen zeggen dat ik er erg voor ben dat agrariërs weten waar zij aan toe zijn, maar de vraag is wel of je dat op deze manier goed doet. Voor wiens rekening komen de kosten als het toch geen goed foefje blijkt te zijn?

De heer Koopmans (CDA):
Ik vraag u om het amendement nog eens goed te bekijken, want het levert meer rechtszekerheid op, minder uitstoot, minder depositie op het natuurgebied en op langere termijn, daarbovenop, voor het hele land, minder uitstoot van stikstof. Dat zijn toch dingen die niet elke dag aan de orde zijn en waar u en ik elkaar op zouden moeten kunnen vinden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Zoiets kan wel in een situatie waarin er geen sprake is van overbelasting, maar die is er nu juist wel. Rustig aan naar beneden, betekent dus dat er nog altijd te veel op zit. Als er in de Peel meer dan 400 mol wordt gedeponeerd, dan gaat dat natuurgebied er in kwaliteit op achteruit. In de Habitatrichtlijn staat heel duidelijk: je mag niet toestaan dat een gebied verslechtert. Als de heer Koopmans overtuigd is van wat hij een feit noemt, dat dit de Europees-rechterlijke toets kan doorstaan, dan hoor ik graag een nadere motivering. Mij is het niet duidelijk.

Ik heb de aanschrijvingsbevoegdheid al even aangestipt in het interruptiedebatje van zojuist. Wij hebben enige gesprekken met de provincies gevoerd. De aanschrijvingsbevoegdheid waar de minister het over heeft, komt bij de provincies te liggen. Ik heb aan de provincie Gelderland gevraagd hoe zij dat gaat doen. Zij had geen idee. Dat wekt bij mij niet veel vertrouwen. Welke concrete maatregelen gaat de minister nemen? Nogmaals, de Raad van State heeft op verschillende hiaten gewezen in relatie tot Europese wetgeving.

Bij bestaand gebruik gaat het ook mis. Ik heb eerder aangegeven dat bij bestaand gebruik nooit een passende beoordeling is uitgevoerd. Graag hoor ik of de bedrijven waarvoor dat geldt, inderdaad voor het Europese Hof moeten verschijnen, of gaat de minister er zelf een toets op loslaten? Wat er nu gebeurt, kan volgens mij niet. Ik dien een amendement hierop in.

Voorzitter, het zal u verheugen dat ik bijna aan het einde van mijn stapeltje papieren toe ben. Ik werd nieuwsgierig van het artikel waarin staat dat de minister meettechnieken wil voorschrijven. Kan zij daarover meer uitleg geven? Aan welke technieken denkt zij en, belangrijke vraag, zijn ze gevalideerd? Zo ja, hoe dan? Waarom moet er een bepaalde techniek worden voorgeschreven? Kiest iedereen nu maar zelf welke techniek de meest handige resultaten oplevert of ..., zeg het maar.

Het is niet duidelijk wanneer wij eindelijk wel een gunstige staat van instandhouding bereiken. Er wordt gesproken over enkele tientallen jaren en dat wij er wel komen. Punt is dat de Habitatrichtlijn garanties eist, een dalende lijn in depositie wil zien. Bovendien stelt de richtlijn dat verslechtering niet mag. Ik heb daar al over gesproken. Jarenlang een constante depositie is ook een verslechtering, ook al heb je een constante en zelfs ook een iets dalende depositie. Vraag het maar aan de ecologen. Ik denk dus dat dit niet houdbaar is en dat wij een heel duidelijke deadline voor onszelf moeten stellen. Het zal u niet verbazen dat wij een amendement zullen indienen om de hele Nb-wet uit de Crisis- en herstelwet te fietsen.

Ik rond af. Bij het lezen van het wetsvoorstel waande ik mij in de jaren tachtig; een eenzijdige focus op grijze economie en onduurzame groei en het wegsnoeien van regels die ons milieu en ecologisch kapitaal beschermen. Een grote grijze taart, versierd met een paar windmolens om de Partij van de Arbeid aan boord te krijgen en om de groene oppositie de mond te snoeren over duurzaamheid. Ik hoop ten zeerste dat het kabinet daar niet mee weg komt, en is het niet hier, dan wel heel graag in de Eerste Kamer.

--

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):
(…)
Ik kom nu op de voorstellen zelf. Met name de regeling rondom stikstof vindt de fractie van de ChristenUnie van groot belang. De voorstellen in het wetsvoorstel, aangevuld bij nota van wijziging, kunnen op steun van mijn fractie rekenen, met name omdat deze voorstellen een basis bieden om bedrijfsontwikkeling en natuurontwikkeling hand in hand te laten gaan. Provincies hebben nu een handvat om passende maatregelen op te leggen, waarmee de provinciale plannen voor stikstofreductie een wettelijke basis hebben.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik hoor de woordvoerder van de fractie van de ChristenUnie zeggen dat haar fractie wil inzetten op investeren in kennis, zodat de vergunningverlening en de besluiten die daarvoor moeten worden genomen goede grond hebben en zodat je weet waarover je het hebt. Steunt de fractie van de ChristenUnie mij als ik voorstel om eens te kijken naar de uitvoeringspraktijk in de afgelopen jaren van deze regelingen, om te kunnen beoordelen en om te kunnen leren van wat er in de afgelopen jaren rond de vergunningverlening is gebeurd?

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):
Ik vraag mij af of wij op zo'n onderzoek echt zitten te wachten. Mijns inziens heeft de praktijk erg veel duidelijk gemaakt. Er zijn erg veel voorbeelden te noemen van zaken waarop het vastloopt. Het is ontzettend belangrijk om op informatie en kennis in te zetten, maar ook de voorgestelde wetgeving is belangrijk. Ik kom straks nader te spreken over de uiteindelijke complete herziening van de wet. Daarin zullen wij dingen heel goed moeten regelen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ben erg teleurgesteld. De fractie van de ChristenUnie doet alsof ze heel redelijk naar de Natuurbeschermingswet wil kijken. Dezelfde fractie heeft er echter doelbewust aan meegewerkt dat er situaties zijn ontstaan waarin er vergunningen zijn afgegeven terwijl die niet afgegeven hadden mogen worden. Mevrouw Wiegman wist ook dat een milieuvergunning geen vergunning volgens de Natuurbeschermingswet was. Ik vind het niet sieren dat zij hier staat te doen alsof wij dit niet hadden kunnen zien aankomen. De fractie van de ChristenUnie heeft ook een toetsingskader gesteund waarbij van tevoren in dikke stapels juridisch advies te lezen was: doe het niet, doe het niet, want dit haalt het niet bij de Raad van State! Nu staat mevrouw Wiegman hier een beetje blijmoedig voor te stellen: laten wij investeren in kennis. Ik vind dat wij de plicht hebben om te bezien wat er de afgelopen twintig jaar op dit dossier is gebeurd. De fractie van de ChristenUnie heeft daarin ook een eigen verantwoordelijkheid gehad.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie):
Ik vind het op mijn beurt mevrouw Ouwehand niet sieren dat zij op deze manier de positie van de ChristenUnie afschildert. Dat doet geen recht aan de waarheid. Keer op keer heeft mijn collega Cramer op dit punt doorgevraagd en aangedrongen op duidelijkheid om de patstelling te doorbreken. Dat deed hij juist om natuur en agrariër hand in hand te laten gaan. Dat is volgens mij een heel goede inzet. Die inzet is mijns inziens door de minister nu opgepakt. Daarmee kunnen wij verder gaan. Het beeld dat mevrouw Ouwehand schetst, is niet terecht. Ik herken me daarin absoluut niet en ook mijn fractie herkent zich daarin niet.

De heer Samsom (PvdA):
(…)
Waarom is er dan toch zo veel chagrijn over deze wet? Misschien omdat het beeld is ontstaan dat deze wet louter bedoeld is om vooral omstreden projecten er even door te drukken. Ik kan mij iets voorstellen bij die angst, maar van het doordrukken van omstreden plannen kan geen sprake zijn. En daarvan is ook geen sprake. Mevrouw Ouwehand, neemt u dat nu maar van deze oud-beroepsbezwaarmaker aan. Er waren weken dat ik in het gebouw van de Raad van State mijn tent kon opzetten. Ik zou zo'n poging onmiddellijk doorzien. Ik ken die trucs, maar deze wet doet dat niet. Deze wet zorgt ervoor dat besluiten over plannen sneller worden genomen, niets meer en niets minder. We moeten af van dat merkwaardige circus waarin we eindeloos met elkaar dezelfde dans opvoeren. Dezelfde partijen, dezelfde argumenten maar iedere keer een andere aanleiding: het bestemmingsplan, dan de m.e.r., dan de kapvergunning, dan de lozingsvergunning, dan de milieuvergunning, dan de bouwvergunning. Elke keer dezelfde dans.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Als de heer Samsom zijn tent heeft opgeslagen bij de Raad van State vraag ik me af waarom zijn fractie in het verleden wel eens plannen heeft gesteund waarbij op voorhand al kon worden uitgetekend dat de Raad van State die onderuit zou halen. Dan heb ik het over het hoofdpijndossier ammoniak. Ik zou daarover graag eens een verklaring horen van de fractie van de PvdA, want daar gaat zij wel heel gemakkelijk mee om. Ik heb een vraag over het sneller uitvoeren van projecten. De heer Samsom schetst een prachtig beeld van bezwaarmakers, dat het allemaal niet gaat gebeuren, enzovoorts. Ik wil echter het bestuurlijke en vooral het politieke onvermogen aansnijden. Ik zag dat de PvdA-fractie in de voorbereiding de schriftelijke vragen heeft gesteld of ehs-projecten wellicht kunnen worden versneld en of de Hedwigepolder wat sneller onder water kan komen. Toen dacht ik: meent de PvdA dat echt? Politiek onvermogen wordt als een van de grootste veroorzakers van vertraging van projecten genoemd. De PvdA heeft zitten vertragen bij de Hedwigepolder en dan vraagt zij bij de behandeling van de Crisis- en herstelwet: kan dat ding misschien wat sneller onder water?

De heer Samsom (PvdA):
Ik weet niet waarom u vragen stelt, maar wij stellen vragen in een verslag omdat wij antwoorden willen hebben. Zo simpel is het. We hebben heel veel gevraagd. Dat kunt u weten als u ons verslag goed gelezen hebt. We hebben een nogal dik verslag ingeleverd. Dat hoort bij een zorgvuldige voorbereiding. We hebben nogal wat vragen gesteld, alle kanten op, eerlijk gezegd, omdat we de randen van deze wet wilden testen. Wat kan deze wet wel en wat kan deze wet niet? Ik kan nu nog veel meer interessante vragen noemen die we gesteld hebben. Veel interessanter is het dat we, nadat we de antwoorden hebben gekregen, eens goed hebben nagedacht. Nu leveren we deze inbreng. Dat is de inzet van mijn fractie nadat we de hele schriftelijke voorbereiding hebben gedaan. Dus als u goed luistert, zult u horen dat ik nu precies toe ben aan dat bestuurlijke onvermogen. Dat wilde ik aantonen aan de hand van die leraar Nederlands die wel goed nakijkt, maar niet goed leert spellen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dank u wel. Dan ben ik heel erg benieuwd hoe de PvdA haar eigen politieke onvermogen in dit licht beoordeelt. Graag een beetje eerlijk.

De heer Samsom (PvdA):
Dat ga ik u nu allemaal vertellen. Ik had het over die leraar Nederlands.
(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ken de heer Samsom als iemand die opkomt voor de belangen van milieuorganisaties, omdat hij net zoals ik ziet dat dit een belangrijke tegenkracht is in onze samenleving. Dat heeft hij letterlijk gezegd. Hij zei dat dit essentieel is in onze democratie. Nu zegt hij terecht dat mensen beter moeten opletten, dat zij beter hun huiswerk moeten doen, dat zij sneller in actie moeten komen. Het is natuurlijk niet zo dat milieuorganisaties 100 mensen in dienst hebben en een pand van driehoog. Dat weet hij net zo goed als ik. Het zijn zwakke waarden. Ik hoor de VVD hier achter me brommen. Zij denken allemaal dat het om een bv Wakker Dier gaat. Echt, daar werken drie mensen! Ziet de heer Samsom daar dan geen pijnpunten?

De heer Samsom (PvdA):
Nee, want beter opletten en scherper formuleren maakt het niet onmogelijk, ook voor een club met drie mensen, om inderdaad haar bezwaren te formuleren. Ik ken Wakker Dier als een club die heel goed weet wat zij wil en ook wat zij niet wil. Die club slaagt er goed in om dat scherp onder woorden te brengen en heeft daar af en toe heel weinig tijd voor nodig. Dat gaat die club lukken. Ik ken ook milieuorganisaties die wel 100 mensen in dienst hebben en een pand van zes verdiepingen hoog -- ik heb er zelf gewerkt -- en die hebben alle mogelijkheden om dit tot een goed einde te brengen. Wij stellen geen onmogelijke eisen. Sterker nog, wij spitsen deze eisen toe op individuen, want die moeten er ook toe in staat zijn. Niet gesponsord door Wakker Dier of iemand anders, maar gewoon iemand in de samenleving die een plan een slecht plan vindt en daar goede redenen voor heeft. Die moet in staat zijn om bezwaar te maken. Dat honoreren we. Wij honoreren het alleen niet 24 keer. En dat lijkt me iets waar iedereen inmiddels wel achter kan staan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik zie hier toch de groene jas van de heer Samsom afglijden. Die zorg bij de milieuclubs is terecht. Ik doel met name op de Natuurbeschermingswet. U hebt een amendement ingediend om het vooral via de beheerplannen te doen. Die mensen daar moeten met bij elkaar gecollecteerde euro's de belangen van de natuur bij wijze van spreken voor de poorten van de hel wegslepen. Hoe denkt u dat dat gaat? Het gaat om het waarborgen van die belangen, in dat soort voorbereiding van de besluiten waarvan u juist zegt: wij moeten alleen maar goede plannen hebben en wij gaan daar in investeren. Aan de ene kant hebben de milieuclubs dus geen geld en aan de andere kant, als het op procederen aankomt, moeten ze heel goed opletten.
U weet net zo goed als ik dat dit avonduren zijn. Het is heel hard werken, maar u maakt het hun alleen maar moeilijker.

De heer Samsom (PvdA):
Ik weet niet wie zich bij u heeft gemeld, maar bij mij heeft zich geen milieuclub met dat bezwaar gemeld. Zij zouden ook niet durven, want ze zijn trots op wat ze kunnen en ze zijn er trots op hoe snel ze kunnen handelen en hoe slim ze zijn. Dat hebben zij in het verleden overigens ook vaak bewezen. Zij hebben zich misschien bij u gemeld, maar niet bij mij. Zij hebben zich bij mij gemeld met terechte inhoudelijke vragen en zorgen. Daarop hebben wij inhoudelijk gereageerd, bijvoorbeeld in het deel van de Natuurbeschermingswet waarover wij straks vast nog komen te spreken. Maar geen van de milieuorganisaties heeft tegen mij gezegd niet te kunnen voldoen aan die zes weken. Zij zouden zich echt schamen als zij dat zouden doen. Zij hebben dat gelukkig ook niet gedaan, want zij kunnen het heel goed.

(…)

Zoiets kan niet helemaal 100% met Natura 2000, maar ongeveer dezelfde aanpak kan hier ook worden gekozen. Logischerwijs gaan wij dat ook doen. De wet geeft zelf al een mooie aanzet, vooral na de nota's van wijziging, via de beheerplannen en de verplichte aanwijzingsbevoegdheid voor overheden om maatregelen af te dwingen. Wij hebben er dus in eendrachtige samenwerking met het CDA en van harte ondersteund door en met medewerking van de ChristenUnie nog wat extra juridische verankering aan gegeven om zo heel zeker te weten dat wij met het toestaan van economische activiteiten ook tegelijkertijd de natuurkwaliteit verbeteren. Dit is een van de weinige gelegenheden waarin van economie en milieu een echte win-wincombinatie te maken is. Want u weet, mevrouw Ouwehand, dat dit heel vaak loze kretologie is, win-win. Heel vaak klopt dat gewoon niet. Deze keer klopt het wel. Laten wij die zeldzame kans grijpen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Met alle respect mijnheer Samsom, u hebt of geen idee waarover u het hebt of u kunt heel heel goed toneelspelen.

De heer Samsom (PvdA):
Ik weet precies waarover ik het heb en ik kan niet toneelspelen, dus u zult een derde keuze moeten voorleggen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
U weet niet waar het over gaat. Waar ik mij behoorlijk aan stoor, is dat nu zelfs de PvdA-fractie meedoet in het circus alsof de uitspraken van de Raad van State -- dat is keer op keer gebeurd in het ammoniakdossier -- als een donderslag bij heldere hemel komen: "oh help, de sector zit op slot". Toen u in 2005 medeverantwoordelijk was voor de overdracht van de bevoegdheid naar de provincies, had u kunnen weten dat er toen een heel kleine rare regel in die beleidskaders terecht is gekomen, namelijk doen alsof een vergunning op basis van de Wet milieubeheer hetzelfde is als een vergunning op basis van de Natuurbeschermingswet. Dat is niet het geval. Daar draagt u zelf verantwoordelijkheid voor. Dan schorst op zeker moment de Raad van State zo'n vergunning of zegt dat het niet kan en dan gebruikt u dat als legitimering voor het opnemen van een maatregel in een Crisis- en herstelwet. De Raad van State heeft geadviseerd om de Natuurbeschermingswet niet te wijzigen, omdat er hiaten zijn met de Vogel- en Habitatrichtlijn. En nu staat u daar met droge ogen te beweren dat dit een crisis is die een plaats in deze wet verdient. Ik vind het werkelijk onbestaanbaar.

De heer Samsom (PvdA):
Ik sta hier niet met droge ogen zomaar iets te beweren. Ik dien een amendement van elf pagina's in dat, na zorgvuldige lezing van het advies van de Raad van State, volgens ons het hiaat kan vullen.
Zekerheid heb ik daarover niet. Wij doen een ultieme poging. Ik moet mevrouw Ouwehand toegeven dat ik inderdaad niet helemaal precies weet hoe het zit met het college over de milieubescherming. Wat ik wel weet, is dat mijn fractie en die van het CDA op dit terrein van geheel andere richtingen kwamen aanvliegen. Daarover hoeven wij elkaar niet voor de gek te houden. Dat is absoluut het geval. Daarin hebben wij een lange geschiedenis. Mevrouw Ouwehand kan de fractie van de Partij van de Arbeid niet beschuldigen van het feit dat wij de ammoniakisering van de natuurgebieden zomaar hebben laten gebeuren. Dat is absoluut niet het geval.
Maar terwijl wij van totaal verschillende punten zijn komen aanvliegen, zijn wij beiden op precies hetzelfde punt aanbeland. Dat is een punt waarop zowel de natuur ongelukkig is -- ik doel vanzelfsprekend op degenen die de natuur vertegenwoordigen; afgezien van de treurwilg kunnen bomen nog niet huilen -- maar ook LTO ongelukkig is. Als iedereen ongelukkig is, moet er iets veranderen. Dat kan dan ook vaak. Precies eenzelfde situatie zagen wij optreden ten aanzien van de luchtkwaliteit. Daarvan weet ik dan toevallig weer wel veel. Die kennis hebben wij gebruikt om ook in dit geval uit de impasse te komen.

Laten wij het een kans geven. Als mevrouw Ouwehand gelijk heeft, kan zij heel rustig weer in haar bankje gaan zitten. Dan zal de Raad van State elke ontwikkeling weer gaan tegenhouden. Dat is precies wat haar doel is. Ik gun het haar. Het is niet helemaal mijn doel, maar als het haar doel is, kan zij rustig achterover leunen. Aangezien zij er zo stellig van overtuigd is dat hetgeen wij proberen voor elkaar te bakken absoluut niet gaat werken, zal zij haar doel gaan bereiken. Waarom is zij dan zo ongerust?

De voorzitter:
Neen, mevrouw Ouwehand. U hebt al twee vragen gesteld. Wij moeten verder.

(…)

De voorzitter:
Dank u wel. Volgens mij is het ook de intentie van het kabinet om maandag een zo'n goed mogelijk vervolg aan dit debat te geven.

Ik geef het woord aan de minister-president in de eerste termijn van het kabinet.

Minister Balkenende:

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De minister-president zegt dat je ook naar jezelf moet kijken als bestuurlijk onvermogen en politiek onvermogen belangrijke belemmerende factoren zijn bij de totstandkoming van projecten. Dat is dan toch wel een beetje te vrijblijvend. Daarmee sluit ik mij aan bij de zorgen van mevrouw Wiegman. Het kabinet spreekt over zorgvuldige besluitvorming. Maar dat is een van de grootste bottlenecks. Als dat bestuurlijk onvermogen niet wordt opgelost, vraag ik mij af of de besluiten inderdaad wel Europeesrechterlijkproof zullen blijken te zijn. Wij hebben gezien dat de besluiten onvoldoende waren ten aanzien van de kwaliteit. Het is daarom de vraag wat het actieplan is om het bestuurlijk onvermogen en het politiek onvermogen aan te pakken. Wat zijn de deadlines? Welke stappen mogen wij verwachten? Hoe beoordeelt de minister-president het feit dat wij dit nog niet hebben opgelost maar wel op een andere manier met de besluitvorming omgaan in het kader van de zorgen die bestaan over onze Europeesrechtelijke verplichtingen?

Minister Balkenende:
Er spelen hier twee dingen. In de eerste plaats praten wij over de crisis. Ik zal niet herhalen wat ik daarover heb gezegd. Ik heb uitgelegd hoe het kabinet de crisis te lijf gaat, vorig jaar en dit jaar. Er is sprake van stimuleringspakketten. Dit is een onderdeel van de acties om de zaken in beweging te krijgen. Dat is een deel van de discussie. Die heb ik zojuist geschetst.

In de tweede plaats speelt de discussie rond het rapport van de commissie-Elverding. Ik meen dat het wellicht goed is wanneer wij daarop in onze schriftelijke reactie nader zullen ingaan. Ik heb gezegd dat wij natuurlijk oog moeten hebben voor de bestuurlijke processen in dit land. Wij hebben al gereageerd op het rapport van de commissie-Elverding. Ik herinner mij de discussie die wij erover in het kabinet hebben gehad. Daarover hebben wij met de Kamer gecommuniceerd. Mevrouw Ouwehand moet dus niet doen alsof wij er niets over hebben gezegd. Ik heb wel gezegd dat wij ons ook dit ter harte moeten nemen. Dat geldt niet alleen voor ons. Het geldt ook voor andere bestuurlijke niveaus. Wij willen dat zaken goed worden voorbereid. Daar doe ik niets aan af. Die algemene notie is er. Als de discussie over dergelijke zaken nog loopt in het kader van het rapport van de commissie-Elverding, is dat geen vrijbrief om dit niet te doen. Ik stel voor dat wij in de schriftelijke beantwoording terugkomen op het rapport van de commissie-Elverding zelf.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat lijkt mij een goede zaak. Dan kunnen wij daarover nog verder debatteren. Ik vraag wel aan het kabinet om het niet opgeloste probleem van het bestuurlijk onvermogen te koppelen aan de zorgvuldigheid waarover het kabinet in de memorie van toelichting voortdurend spreekt. Het wordt nergens onderbouwd hoe de zorgvuldigheid wordt geborgd. Naar mijn mening is dit een groot knelpunt.