Bijdrage Ouwehand Spoed­debat Oost­vaar­ders­plassen


17 maart 2010

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De zorgen over de vraag of er genoeg menskracht van Staatsbosbeheer in het gebied aanwezig is om de dieren goed in de gaten te houden en de afspraken na te komen om ze tijdig uit hun lijden te verlossen worden gedeeld door de fractie van de Partij voor de Dieren.

Ik maak echter bezwaar tegen de stelling die de CDA-fractie hier poneert, dat er onvoldoende ruwvoer aanwezig zou zijn in het gebied. Dat is één.

Ten tweede gaat het in de aanbevelingen over het ICMO-advies ook over het vergroten van het gebied en het creëren van beschutting. Nu wil het geval dat het Hollandse Hout daarvoor heel goed in aanmerking kwam. In bebost gebied zouden de dieren beschutting kunnen vinden. Wie heeft dat tegengehouden in de gemeente Lelystad? Dat was de partij van de heer Ormel. Als hij hier een verhaal houdt over dieren die zo te lijden hebben en onderkoeld raken, vraag ik mij af waar het CDA was toen de mogelijkheid er was om de dieren meer beschutting te geven.

Ten derde pleit de heer Ormel namens het CDA voor preventief afschot. Kan hij uitleggen wat dit de dieren helpt, als de ervaring leert dat op de Veluwe, waar volgens dat model de helft van de edelherten en drie kwart van de zwijnen wordt afgeschoten, het aantal afgeschoten dieren ieder jaar groeit? Is dat dan diervriendelijk?

De heer Ormel (CDA):

Met alle respect, niet alleen grote herkauwers zakken van ellende door de hoeven. Als ik mevrouw Ouwehand zo hoor, zakt de Partij voor de Dieren ook door haar hoeven. Ik vind het onbegrijpelijk dat mevrouw Ouwehand voor het genadeschot is en er dus voor is om de dieren eerst te laten lijden en ze dan dood te schieten in plaats van het aantal te reguleren. Dat reguleren van het aantal kan ook op andere manieren dan alleen afschot. Ik ben niet voor schieten, ik ben er wel voor om het aantal te reguleren. Als dit moet met behulp van het geweer, dan moet dat. Er zijn echter ook andere methoden, zoals immunocontraceptie. Mevrouw Ouwehand wil aan dat alles niet denken. Ik vind dat onbegrijpelijk. Ik vind dat de Partij voor de Dieren hier haar ware gezicht laat zien.

Mevrouw Ouwehand zegt terecht dat de CDA-fractie tegenstander is van uitbreiding van het gebied. Wij leven in een overbevolkt land, het is een prachtig natuurgebied dat je moet beheren. Als wij dat uitbreiden met 500 hectare, 1000 hectare, 1500 hectare of noem maar op, wat denkt mevrouw Ouwehand dan wat er gebeurt met de dieren? Dan breidt het aantal zich uit en dan hebben wij over twee jaar hetzelfde probleem, alleen in nog grotere mate en met nog meer dierenleed.

En ten slotte, wij hebben te maken met een financiële crisis in dit land en een tekort van 29 mld. Denkt mevrouw Ouwehand echt dat het realistisch is nu nog te denken over massaal grond aankopen voor robuuste verbindingszones? Nee dus. Wat dat betreft zullen wij de tering naar de nering moeten zetten en zullen wij ook het beleid ten aanzien van het dierenleed hierop moeten aanpassen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik rond maar af met een opmerking, want ik krijg duidelijk geen antwoord op mijn vragen.

De heer Ormel (CDA):

U wilt ze niet horen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Als er een partij is die haar ware gezicht laat zien, is het wel het CDA. Dat stuurt jagers naar het gebied om te kijken hoe slecht het gaat met de dieren. Het is het CDA dat pleit voor afschot van wolven, ganzen, herten, vossen en noem maar op. Het gaat de heer Ormel om een jagerslobby. Zeg dat dan gewoon eerlijk.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Bij het vorige debat heb ik al gezegd dat het mij altijd verheugt als er zorgen zijn over dierenwelzijn bij de VVD-fractie. De VVD-fractie heeft echter niet bepaald de beste papieren als het gaat om de oplossing. De VVD is toch vooral voor jagen, jagen, jagen. Dat is mijn vraag echter niet. Ik hoorde mevrouw Snijder-Hazelhoff zeggen dat de Partij voor de Dieren dit ook als een onwenselijk experiment heeft aangemerkt. Dat klopt; wij zouden niet voor dit experiment hebben gekozen. Wij vinden echter wel dat wij eerlijk moeten kijken hoe wij moeten omgaan met de dieren die er nu zijn. Ik hoorde mevrouw Snijder-Hazelhoff zeggen dat wij moeten stoppen met het experiment. Waar denkt de VVD-fractie dan aan? Alle dieren afschieten? Alle dieren in veewagens op transport naar de slacht? Hoe had mevrouw Snijder-Hazelhoff dit gezien?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):
Zoals bekend roepen wij al jaren dat moet worden gekeken naar aantalregulatie. Nu is er een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht om naar de draagkracht van het gebied te kijken. Als je dat goed beheert, hebben wij niet de problemen die wij nu krijgen. Wij hebben dan niet de zorg over het dierenwelzijn, waarvoor mevrouw Ouwehand in dit verband volledig haar ogen sluit.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik moet dus concluderen dat de VVD-fractie het experiment wil stoppen en het wil veranderen in een grote kermistent. Mevrouw Snijder-Hazelhoff pleit hier namelijk voor het Veluwemodel: preventief afschieten met ieder jaar meer dieren die het slachtoffer worden van de plezierjacht, die dan eufemistisch beheerjacht wordt genoemd. Zij pleit dus voor een kermistent.

(…)
Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Wij lopen tegen het eind van de winter. Veel mensen maken zich zorgen over de dieren in de Oostvaardersplassen. Dat is terecht en begrijpelijk. Het gaat om groepen konikpaarden, hekrunderen en edelherten in een natuurgebied. Zoals voor alle in het wild levende dieren geldt, is de winter ook voor hen een zware periode. Van deze dieren sterft 20 tot 30%. Dat is niet alleen een persoonlijk drama voor de dieren, maar ook voor de mensen die machteloos toekijken vanaf de zijlijn. Dat is ook de tragiek van dit project. Oernatuur is niet gemakkelijk uit te leggen in een geciviliseerd land, in een gebied dat zeer toegankelijk is en grote zichtbaarheid heeft. Wintersterfte is weliswaar een normaal verfschijnsel, maar in de Oostvaardersplassen komt dat normale verschijnsel pregnant in beeld, zeker als het ook nog wordt uitvergroot door media en sommige politici. De PvdD vindt dat onnodig lijden moet worden voorkomen waar en wanneer dat maar mogelijk is. Dat was en is ook de afspraak in het gebied. Dieren die zo verzwakt zijn dat ze geen kans hebben op herstel, worden afgeschoten zodat ze niet verhongeren.

Het is echter de vraag of het afgesproken beleid goed genoeg wordt uitgevoerd. Is er voldoende menskracht beschikbaar om de dieren en de voedselsituatie in deze periode voortdurend te monitoren? Worden de dieren die het niet gaan halen, tijdig ge-euthanaseerd? De PvdD wil van de minister weten hoe vaak de dieren worden gecontroleerd en door hoeveel medewerkers van Staatsbosbeheer.

Moet er niet vaker worden geïnspecteerd? Het lijkt er namelijk op dat de afgesproken percentages niet worden gehaald. Daar willen wij graag een antwoord op van de minister.

Het is bekend dat de Partij voor de Dieren tegen het uitzetten van wilde dieren is. Wij zouden dus nooit voor dit experiment hebben gekozen. Maar nu ze daar leven, zullen wij moeten beoordelen hoe wij het beste met deze dieren om kunnen gaan. Wie de verontwaardiging bij partijen als CDA, VVD en PVV over de dieren in de Oostvaardersplassen aanschouwt, zou bijna denken dat deze partijen zo kort voor de verkiezingen eindelijk diervriendelijk geworden zijn. Ze zijn geschokt over de sterfte van de dieren en doen allerlei voorstellen om daar een einde aan te maken: bijvoeren, preventief afschot voordat de winter intreedt en zelfs beëindiging van het experiment.

Dat lijkt op het eerste gezicht inderdaad diervriendelijk, maar laten wij eerlijk zijn: hier trapt natuurlijk niemand in. Bij wie vloeien de krokodillentranen namelijk het hardst? Inderdaad, bij de jagers, die zeer geëmotioneerd zijn en al klaarstaan om de dieren in de kracht van hun leven te euthanaseren. Dan heb je ten minste nog een mooie trofee voor boven de schoorsteen en een lekkere vette bout op je bord. Deze valse CDA- en VVD-sentimenten leiden ertoe dat 80% van alle zwijnen afgeknald wordt op de Veluwe en bijna de helft van alle edelherten, waarbij de populatiedynamiek letterlijk aan flarden wordt geschoten, complete familieverbanden uiteen worden gereten, dieren aangeschoten vluchten en schuw worden, vooral voor mensen. Dat is geen alternatief voor de Oostvaardersplassen.

Voorzitter, ik heb nog wel wat tekst, maar daar zal ik dan kort doorheen gaan.
De PvdD vindt dat wij eerlijk moeten zijn. Bijvoeren creëert onrust en juist de zwakste dieren zijn daar slecht bij af. Daarbij komt dat het de problemen voor volgend jaar alleen maar groter maakt omdat er meer dieren geboren zullen worden. Dat geldt dus ook voor het voorstel om de dieren al voor de winter af te schieten. Ik heb de cijfers zojuist genoemd. Wij zien wat daar op de Veluwe mee gebeurt; problemen worden alleen maar groter en het is barbaars.

En dan het beëindigen van het experiment, hoe hadden wij dat dan gezien? Alle dieren afschieten of in veewagens afvoeren naar de slacht?

Dieren hebben niets aan belangenbehartigers met dubbele agenda's. Wie alle voorstellen voor verbetering van de natuurlijke leefomgeving van de dieren in de Oostvaardersplassen, zoals uitbreiding van het gebied en het mogelijk maken van de terugkeer van de wolf, tegenhoudt en alleen maar met voorstellen komt die leiden tot meer jacht, is bijna letterlijk een wolf in schaapskleren, waarbij uiteraard de wolf in deze zegswijze tekort wordt gedaan.

De PvdD pleit voor een eerlijke kijk op de Oostvaardersplassen. Alle mogelijkheden overwegend is de conclusie dat in het wild levende dieren zo veel mogelijk met rust moeten worden gelaten, zodat natuurlijke processen hun beloop kunnen hebben. Alleen zo worden de meest diervriendelijke condities gecreëerd voor de dieren in het gebied, zowel op korte als lange termijn.

Preventief afschot en bijvoeren is het vergroten van het leed van de dieren. De Oostvaardersplassen is geen hertenkamp, geen dierentuin en zeker geen schietkraam voor jagers.

De heer Graus (PVV):
Nu komen de vragen. Allereerste vraag ik mij het volgende af over de Partij voor de Dieren. Nu de dieren er eenmaal zijn en in die kunststof badkuip zitten, moeten ze ook voedsel en drinken hebben. Ik heb in januari een motie ingediend om de dieren in afgesloten gebieden als de Oostvaardersplassen bij te voeren tijdens lang aanhoudende strenge vorstperiodes ter voorkoming van onnodig dierenleed. Die motie is alleen gesteund door de VVD-fractie. Voor de rest heeft niemand die motie gesteund, ook de PvdD-fractie niet. Hier staat het in de Handelingen: tegen Partij voor de Dieren. U steunt ons voorstel voor minimumgevangenisstraffen voor dierenbeulen niet. Levenslang houdverbod: u steunt ons niet. Alarmnummer: daarvoor heeft u ons wel gesteund bij hoge uitzondering. Maar u bent ook voor ritueel slachten en u durft hier te zeggen dat wij met electoraal gewin bezig zijn, terwijl wij ook tegen ritueel slachten zijn al jarenlang! Vanaf dat ik hier beëdigd ben, ben ik aan het vechten tegen dierenleed. Ik accepteer dat niet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik kan aan de heer Graus een aantal vragen stellen. Ten eerste, wat hebben de 500 miljoen dieren in de vee-industrie eigenlijk aan de Partij voor de Vrijheid? Het antwoord is: niks. Ten tweede, de heer Graus doet steeds alsof hij niet weet dat er een initiatiefwetsvoorstel ligt van de Partij voor de Dieren over het onverdoofd ritueel slachten. De heer Graus doet voortdurend alsof hij dat niet weet. De Partij voor de Dieren is helemaal niet voor de slacht, of het nou verdoofd of onverdoofd is. Wij hebben wel een wetsvoorstel tegen onverdoofd ritueel slachten. Dat klopt. Terug naar het debat. De heer Graus vraagt zich af waarom de Partij voor de Dieren het bijvoeren niet steunt. Het antwoord op die vraag is simpel. Wij hebben eerlijk en objectief gekeken naar wat dat betekent voor de dieren. De conclusie is dat het meer kwaad dan goed doet. Daarom steunen wij zo'n voorstel niet.

De heer Cramer (ChristenUnie):
Is mevrouw Ouwehand het met mij eens dat uitbreiden van het gebied tot gevolg zal hebben dat er nog meer dieren komen, waardoor het Oostvaarderswold, of desnoods de Veluwe, onder druk zal komen te staan? Dat gaat namelijk wel door.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De heer Cramer heeft misschien niet helemaal goed begrepen hoe de Partij voor de Dieren hierin staat. Wij zien dat niet als dé oplossing. Wij denken dat wel de komst van de wolf zou moeten worden toegejuicht in Nederland en dat het gebied vergroot moet worden. Het is een worsteling voor iedereen. Die wintersterfte is akelig om te aanschouwen. Alles overwegende, denken dat wij het zo veel mogelijk met rust laten van de in het wild levende dieren en het creëren van ruime omstandigheden, zodat dieren die willen migreren dat ook kunnen doen, bijdraagt aan een groter dierenwelzijn. Wij waren geen voorstander van dat experiment, maar de dieren leven daar nu. Gezien die situatie is het gekozen model, waarbij de beheerders van Staatsbosbeheer de rol van wolf overnemen en de dieren tijdig uit hun lijden verlossen, de enige optie waarvoor wij zouden kunnen kiezen. Wij zeggen wel: het gebied moet vergroot worden, ook om andere redenen dan alleen deze dieren. Wij zetten in op realisatie van de ehs, dus ook op de terugkeer van de wolf, en op het creëren van zo natuurlijk mogelijke omstandigheden.

De heer Cramer (ChristenUnie):
Ik stel mevrouw Ouwehand nogmaals de vraag hoe zij dat voor zich ziet. Het is een te romantisch plaatje om te zeggen: weet je wat, laten wij Oostvaarderswold en de Veluwe er maar bij doen, want dan hebben deze 4000 dieren genoeg ruimte. Dan groeien de kuddes verder.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Het antwoord is: dat zeg ik ook niet. Dat neemt alleen niet weg dat wij zeggen dat wij vinden dat het gebied wel vergroot zou moeten worden. Ik ben het met de heer Cramer eens dat dit wel voordelen biedt, maar geen totaaloplossing voor deze problematiek. Als hij dat zo gehoord heeft, dan heeft hij dat verkeerd begrepen.

De heer Ormel (CDA):
Ik probeer mee te denken met het denkraam van mevrouw Ouwehand. Zij ziet afschot op dit moment als mogelijkheid om dierenleed te voorkomen op het eind. Zij is ook voor de wolf. Het lijkt mij echter niet wenselijk dat er één wolf komt, want de wolf leeft in roedels. Wil je een beetje dierenwelzijn voor de wolf hebben, dan moet je toch minstens over een roedel spreken. Kan de Partij voor de Dieren zeggen hoeveel wolven zij wenselijk vindt in Nederland?

Als het gebied wordt vergroot, wil mevrouw Ouwehand daar dan ook weer een hek omheen? Zo niet, wat doen wij dan met de dieren die over de snelwegen gaan? Moeten wij die ook gaan bejagen? Wat moeten wij daarmee? Dat is toch ook erg?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ben eigenlijk een beetje verbaasd over de vragen van de CDA-fractie, maar ik kan de antwoorden wel geven. De Partij voor de Dieren pleit onophoudelijk voor aaneenschakeling van natuurgebieden. Dat heeft allerlei voordelen. Het is ook onze morele plicht om de natuur weer in waarde te herstellen. Wij hebben nog maar 15% van de oorspronkelijke biodiversiteit over. Dat betekent dat je dieren de kans geeft om te migreren, inclusief wolven. Als de wolf op eigen kracht naar Nederland kan komen -- en dat kan alleen maar als wij natuurgebieden aaneenschakelen -- dan juicht de Partij voor de Dieren dat toe. Dan ontstaat een nieuwe natuurlijke dynamiek. Dan gaan wij niet de wolf afschieten, waarvoor de fractie van de heer Ormel heeft gepleit. Wij zijn er ook niet voor om de dieren hier uit te zetten. Wij zijn ervoor om een beetje goed te maken wat wij al die jaren verkeerd hebben gedaan. Wij zijn ervoor om de natuur iets meer ruimte te geven en gebieden op elkaar aan te sluiten, weg van de versnippering. Dat heeft allerlei voordelen, ook financieel trouwens.

De heer Ormel (CDA):
Ik zie dus een Nederland voor mij waarin roedels wolven rondlopen en waarin snelwegen worden afgesloten omdat kuddes edelherten erover migreren. Dat is het Nederland dat de Partij voor de Dieren voor zich ziet in de toekomst.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De Partij voor de Dieren pleit voor goede maatregelen om de verkeersveiligheid te garanderen. Bij snelwegen houdt dat in het afrasteren van natuurgebieden. De CDA-fractie hanteert daar liever het jachtgeweer. Wij kiezen voor goede maatregelen. Voordat die roedels wolven hier leven, mag de CDA-fractie wel beter haar best doen om het natuurbeleid wat beter vorm te geven.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter, ik stel graag twee vragen aan de ChristenUnie-fractie. Ik maak allereerst een opmerking. Mijn fractie sluit zich aan bij de vragen naar de mogelijkheden van het snel evalueren. Mijn vraag gaat over het bijvoeren. Ik kan mij voorstellen dat wij de feiten op een rij zetten ten aanzien van de werking voor het beperken van de geboortes. Dat blijkt hopelijk uit de evaluatie, maar misschien kan de minister daar nu al iets over zeggen. De ChristenUnie-fractie vraagt de minister of het mogelijk is om nu nog bij te voeren. Ik maak daaruit op dat als de minister zegt dat het daarvoor niet te laat is, de heer Cramer een voorstander is van bijvoeren. Pleit de ChristenUnie-fractie dan alsnog voor bijvoeren, met alle nadelen van dien en met het mogelijke gevolg van hogere geboortes volgend jaar? Dat lijkt mij namelijk zeer onwenselijk.

(…)

Minister Verburg:
Ik wil niets afdoen aan het leed dat is getoond. Het is al gezegd in de Kamer: de natuur is immers niet alleen een verzameling mooie beelden. De natuur toont alle gezichten van het leven, ook die wij, mensen, als minder prettig ervaren of die wij zelfs aangrijpend vinden.
Dit gezegd hebbend, wil ik ook aangeven dat het beeld dat is getoond, eenzijdig is. Het overgrote deel van de dieren is in redelijke conditie en zal de winterperiode royaal overleven. Uit de bedoelde beelden blijkt dat het voor veel partijen heel bedreigend is dat in de Oostvaardersplassen blijkt dat de natuur zichzelf reguleert en dat de mens eigenlijk niet nodig is. De Oostvaardersplassen is een uniek en internationaal aansprekend natuurgebied in Nederland; het is een van de grootste aaneengesloten gebieden van West-Europa.
De dieren in de Oostvaardersplassen worden er geboren, ze groeien er op, ze vertonen in alle aspecten hun natuurlijke sociale gedrag en gaan aan het einde van hun leven ook dood in dit gebied. Dat is de cirkel van het leven. Nu wordt slechts een deel, emotioneel het moeilijkste van deze cirkel, eruit gelicht. Ik wijs er vandaag opnieuw op in de Kamer dat wij wel moeten bedenken dat de meeste dieren lang en in volle vrijheid in dit natuurgebied leven.

Wij hebben echter een voor Nederland strenge winter gehad; toch zien wij geen uitzonderlijk hoge sterftecijfers. Dit betekent dat wat nu gebeurt, past binnen de randvoorwaarden die wij hebben afgesproken in 2007. Sinds 2007 is het beheer van de Oostvaardersplassen immers gebaseerd op het advies van the International Committee on the Management of large herbivors in the Oostvaardersplassen, het ICMO.

Staatsbosbeheer voert de dieren in de winter niet bij, omdat dit de natuurlijke dynamiek verstoort. Daarop is in dit debat opnieuw gewezen, en dat is al eerder gebeurd. Het natuurlijke kuddegedrag zorgt ervoor dat voer terechtkomt bij de sterke dieren en dat de zwakke dieren niet aan bod komen. Bij bijvoeren ontstaat er sociale onrust met stress, ruzies en gevechten in de kudde. Bovendien verstoort het bijvoeren het natuurlijke afweermechanisme tegen de kou. In periodes van laag voedselaanbod daalt de behoefte aan voedsel, evenals de activiteit van de dieren. Bijvoeren doorbreekt dat proces. De heer Waalkens en de heer Polderman hebben hierover een opmerking gemaakt.

Perioden van laag voedselaanbod hebben alles te maken met wanneer dieren drachtig worden en dus ook wanneer en hoeveel jongen er worden geboren. Hierover is een korte gedachtewisseling gevoerd tussen de heer Polderman en de heer Cramer. Door bij te voeren, worden jongen het hele jaar door geboren, ook als de omstandigheden niet gunstig zijn voor zowel het moederdier als het jong. Zo ontstaat er een vicieuze cirkel. Door nu bij te voeren groeit de kudde, waardoor er volgend jaar nog meer dieren moeten worden bijgevoerd. De kudde ontgroeit dan de draagkracht van het gebied, en dat leidt tot aantalregulatie en dus tot afschot van gezonde dieren.

Dit is ook het antwoord op de vraag die door de heer Cramer en de heer Ormel is gesteld. Moet preventieve aantalregulatie niet veel meer worden gehanteerd? Dit verstoort de verhouding tussen het aantal dieren en de feitelijke draagkracht van het gebied, met als gevolg een verhoogde aanwas van jonge dieren. Dit zou betekenen dat er jaarlijks meer dieren moeten worden geschoten. Dat kan volgens sommige inschattingen oplopen tot wel 50% van de populatie. Daar komt bij dat preventieve aantalregulatie wintersterfte niet zal voorkomen, want de dieren zullen minder weerstand hebben en minder sterk zijn. Een recente publicatie van Rory Putman, die ook lid was van het ICMO, laat zien dat preventieve aantalregulatie van de herten in Schotland juist leidt tot meer afschot dan het geval is bij terughoudend en reactief beheer, zoals nu wordt uitgevoerd in de Oostvaardersplassen. Ik heb al gewezen op de onrust en ik heb er ook op gewezen -- de heer Van der Vlies heeft er nog bij stilgestaan -- dat de preventieve aantalregulatie sterk is ontraden.

De heer Ormel heeft gevraagd of er niet bijgevoerd kan worden. Hij stelt dat het lijden van dieren, met name van herkauwers, kan worden verlicht door ze extra vezels in de vorm van stro of bermhooi te geven. Dat zou de pens- en darmfunctie ten goede komen. Ik heb die stelling gecheckt, want die is natuurlijk niet nieuw en vaker gehoord in deze emotionele discussie, of soms op basis van emotie gevoerde discussie. Daarom heb ik dat punt gecheckt bij de kliniek voor herkauwers van de faculteit Diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht.
Die deskundigen zeggen dat bijvoeren met stro geen effect heeft, omdat de dieren nu ook voldoende structuur binnen krijgen.

Dan is door velen van u de vraag gesteld over het populatiebeheer. Het ICMO heeft geadviseerd een reactief beleid te voeren voor de populatie, maar op het niveau van individuele dieren zo veel mogelijk onnodig lijden te voorkomen. Dieren die zo verzwakt zijn, omdat zij gewond, ziek of vermagerd zijn, dat zij geen kans meer hebben op herstel worden afgeschoten. Het afschotpercentage in de winter 2008/2009 lag rond de 85%. Deze winter ligt dat percentage rond de 80%. Daarvoor zijn twee redenen. Ten eerste gedragen de dieren zich deze winter anders. Zij zijn naar gebieden getrokken -- de heer Graus heeft daar nog eens op gewezen -- waar zij normaal niet komen, zoals moerassen en het Fluitbos. Met name in het moeras is het moeilijk om de dieren zo te naderen dat zij ook zorgvuldig onder schot kunnen worden genomen. Ten tweede waren er in bepaalde perioden veel bezoekers in de Oostvaardersplassen om te schaatsen. Dat kon deze winter gelukkig opnieuw. De veiligheid van het publiek staat echter te allen tijde voorop en daarom gelden in dit soort perioden, waarin kan worden geschaatst, beperkingen voor het gebruik van het geweer. Dat is echt nodig, omdat de gebruikte geweren 1,5 tot 2 kilometer ver kunnen dragen. Daar heb je dan rekening mee te houden. Inmiddels is er herstel op het management van het afschot van 90%. Daarop stuur ik en daarop zal ik blijven sturen.

De heer Dibi en mevrouw Ouwehand hebben gevraagd of er voldoende capaciteit is bij Staatsbosbeheer. Het antwoord daarop is ja. Er zijn vier gekwalificeerde medewerkers die zeven dagen per week werken in wisseldiensten. Dat is voldoende. Daarbij is niet meer nodig. Dat kan zorgvuldig. Deze boswachters zijn dagelijks in het veld, zeven dagen per week. Zij kijken naar dieren die achterblijven bij de kudde. Zij letten op dieren die sterk vermagerd zijn en die niet meer alert reageren. Die worden bij die dagelijkse ronde afgeschoten.
Ik heb goed geluisterd naar de Kamer. Men apprecieert het experiment en wat wij nu aan het doen zijn verschillend. In verschillende toonsoorten is de vraag gesteld of de evaluatie naar voren te halen is. Ik heb daarover de heer Ormel horen spreken, maar ook de heer Dibi, de heer Van der Vlies en de heer Cramer. De heer Waalkens stelde voor om nog eens een deskundige te vragen en dus nog niet de evaluatie te doen. Alles overwegende denk ik dat het verstandig is om deze periode tot 1 mei af te wachten, om daarna een evaluatiecommissie de vraag te stellen of het mogelijk is om de naar ik meen drie afgeronde seizoenen te evalueren. De resultaten in deze seizoenen moeten worden getoetst aan de oorspronkelijke doelstellingen en criteria waarover indertijd met de Kamer is gesproken. Er moet daarbij ook een aantal vragen aan de orde komen. Is er sprake van een natuurlijk systeem? Wordt natuurlijk draagvlak ook door het huidige beleid in stand gehouden? Is uitname een wenselijke optie? Is uitname noodzakelijk? Kortom, hoe zit het met het draagvlak van het gebied? Ik leg de Kamer daarom het volgende voor. Ik neem mij voor om die evaluatie dit voorjaar te laten starten. Voor de evaluatiecommissie zullen wij deskundigen vragen. Het zal zeer waarschijnlijk weer een internationale commissie zijn met het ICMO. Ik neem mij voor om die commissie te vragen om vóór het komende najaar een advies uit te brengen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Eerst iets over de aanbeveling dat er beschutting zou moeten worden gerealiseerd in of rond het gebied. We weten dat het Hollandse Hout niet is doorgegaan, dankzij de fracties van het CDA en de VVD. Wat kan de minister daarover zeggen? Zijn daar nieuwe plannen voor, in het gebied of het betrekken van ruimte bij het gebied?
Dan nog een vraag over het afschotpercentage. De minister stelt dat er nu weer op 90% wordt gestuurd en dat er voldoende mankracht is. De Kamer hoort echter van omwonenden verontruste signalen dat er te laat wordt ge-euthanaseerd. Volgens mij moeten wij het zekere voor het onzekere nemen en de mankracht iets versterken.

Minister Verburg:
Er zijn geen nieuwe plannen voor de beschutting van nieuwe gebieden. Het aantal mensen dat nu op een zorgvuldige manier bezig is met het beheer, zeven dagen per week, is het optimale aantal. Veel meer moet je niet hebben, want een en ander moet ook zorgvuldig en strategisch gebeuren. De reikwijdte van een geweer is anderhalf tot twee kilometer. Het is dus duidelijk dat je niet zo maar kriskras door het gebied kunt opereren. Je moet voorkomen dat je in elkaars schootslijn komt met alle risico's van dien. Ik zeg toe dat ik op die 90% stuur. Laat het personeelsbeleid maar aan mij over.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Zoals gezegd was de Partij voor de Dieren geen voorstander van dit experiment. Zij houdt de vinger aan de pols als het gaat om het welzijn van dieren in dit gebied, waarbij alle aangedragen oplossingen kritisch en eerlijk moeten worden beoordeeld. We hebben gevraagd of er tijdig euthanasie plaatsvindt. Wij zijn niet gerustgesteld door het antwoord dat de minister heeft gegeven. Daarom dien ik een motie in.

Minister Verburg:
In eerste termijn heb ik de Kamer toegezegd dat ik de evaluatie zal vervroegen. Uit de reacties heb ik opgemaakt dat de Kamer dat toejuicht. Voor deze evaluatie zal in internationale deskundigen uitnodigen. Het zal in de woorden van de heer Van der Vlies dan ook een IKMO-achtige evaluatiecommissie worden. Deze commissie krijgt een zorgvuldig geformuleerde opdracht, die voortvloeit uit het oorspronkelijke experiment. Wat hebben wij in 2006 met elkaar afgesproken en wat is daar de afgelopen drie jaar uit voortgekomen? Dat zijn de vragen waarop de commissie antwoord zal moeten geven.

In de motie van mevrouw Ouwehand wordt de regering verzocht om ervoor te zorgen dat de gebieden waar afschot moeilijk is in strenge winters worden gesloten voor bezoekers zodat het afschot gerealiseerd kan worden. In de motie wordt de regering verder verzocht om het bevoegd gezag in de Oostvaardersplassen uit te breiden zodat de benodigde inspecties worden uitgevoerd en er tijdig wordt geëuthanaseerd. Ik heb net in de richting van de heer Waalkens aangegeven dat wij zonodig delen van het gebied sluiten om het zorgvuldig beheer naar 90% te kunnen realiseren. Het zou echter zonde zijn om de gebieden in strenge winters te sluiten. In dat prachtige natuurgebied willen mensen namelijk ook graag schaatsen. Ik herinner eraan dat vorig jaar in de Oostvaardersplassen het Nederlands kampioenschap schaatsen op natuurijs is gehouden. Ik voorkom graag dat door het uitvoeren van dit soort moties dat niet meer mogelijk is. Sociale activiteiten en natuur kunnen immers heel mooi hand in hand gaan. Het tweede punt is het uitbreiden van het bevoegd personeel. Ik heb aangegeven dat dat niet nodig is en dat ik stuur op die 90%. Ik denk dat er voldoende mensen zijn die daarvoor kunnen worden ingezet. De Kamer kan mij daarop afrekenen. Ik verzoek de Kamer voorts om zich niet met het personeelsbeleid bij Staatsbosbeheer bezig te houden. Ik ontraad het aannemen van deze motie.

Mevrouw Ouwehand heeft een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht, ervoor te zorgen dat het advies van IKMO over de beschutting wordt opgevolgd. Dat is werk in uitvoering. Ik heb net al aangegeven, ook bij de heer Polderman, die daarover ook in tweede termijn een opmerking maakte en mij vroeg waarom ik dat deel van het advies niet uitvoer, dat het werk in uitvoering is. Het is bekend hoe het kan gaan met grote projecten. Ik heb tot diep in de nacht met een aantal collega's in het kabinet de Crisis- en Herstelwet in de Eerste Kamer mogen bespreken. Mij is daarbij gebleken dat de partij van mevrouw Ouwehand in die Kamer geen groot voorstander is van het versnellen en integreren van procedures, hoe belangrijk de doelen ook zijn, zodat in grote projecten een beetje tempo kan worden gemaakt in dit land. De stroperigheid van procedures is namelijk heel groot.
De gemeente en de provincie zijn aan zet. Er wordt dus aan gewerkt. Ik ontraad daarom het aannemen van deze motie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. De korte vraag luidt: wanneer is de deadline voor dat werk in uitvoering van de beschutting? Ik maak overigens bezwaar tegen het feit dat de minister de Crisis- en Herstelwet erbij haalt en doet alsof het om vertraagde procedures gaat. Dat is hier niet aan de orde en dat vind ik niet gepast.

Minister Verburg:
Dat weet ik niet. Dat hangt van een heleboel anderen af. Het hangt inderdaad ook af van procedures en van stroperigheid van procedures. Ik houd dus overeind wat ik daarover heb gezegd.