Bijdrage Ouwehand Perma­nente Crisis- en herstelwet Plenair Debat


3 juli 2012

Bekijk de bijdrage via debatgemist.nl

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Wie een kuil graaft voor een ander valt er zelf in, zo belooft het spreekwoord. Zo niet voor de eeuwige vervuilingscoalitie onder aanvoering van het CDA. In de kuil die zij graven duwen zij natuur, dier en mensen in het buitengebied, vier miljoen mensen die lid zijn van natuur- en milieuorganisaties, dierbeschermingsorganisaties en de mensen die het inderdaad, gewoon met een baan overdag, niet kunnen opbrengen om al die uithollingstrategieën van het CDA tegen te houden of op de publieke tribune te komen zitten. Alles van waarde is weerloos. De heer Koopmans onderstreepte dat zojuist nog maar even.
De vee-industrie ligt onder zwaar maatschappelijk vuur. Het valt mij trouwens op dat staatssecretaris Bleker het niet de moeite waard vond om vanavond naar dit debat te komen. Alsof hij de Natuurbeschermingswet prima heeft geïmplementeerd qua Vogel- en Habitatrichtlijn. Alsof de beloofde programmatische aanpak stikstof is uitgevoerd. Alsof er sluitende beheerplannen zijn. Hij is kennelijk niet geïnteresseerd.

De heer Koopmans (CDA):
Een punt van orde. Het verzoek van mevrouw Ouwehand om de staatssecretaris uit te nodigen is niet door een meerderheid van de Kamer gesteund.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Nee. Ik heb echter wel aangekondigd heel veel vragen te stellen over zijn dossier. Hij is immers de eindbaas van de natuur in Nederland. Ik had daar ook liever iemand anders gezien. Die taak is hem nu eenmaal toegeschreven en een ruime meerderheid van de Kamer wilde dat, zeer tot mijn verdriet, ook zo houden. Ik hoop dat de minister alle gedetailleerde vragen over de Natuurbeschermingswet vanavond beantwoordt. Wij zullen zien.

De vee-industrie ligt onder zwaar maatschappelijk vuur. De schadelijke gevolgen van de intensieve veehouderij worden steeds tastbaarder en dat wordt niet gepikt. Burgers ondertekenen massaal burgerinitiatieven tegen de komst van nog meer stallen, varkenflats, kippentorens en megastallen. Zij vinden geheel terecht dat dieren op een beschaafdere manier behandeld moeten worden en dat ons milieu effectief beschermd moet worden in plaats van op papier. Burgers zien immers dat de weinige natuur in ons land bijna bezwijkt onder de enorme ammoniakuitstoot van de stallen. Zij zitten in de stank, alleen maar omdat de politiek het, onder leiding van het CDA, veel belangrijker vindt om één megastallencowboy alle ruimte te geven dan gezinnen te beschermen tegen de stinkende en ziekmakende dampen van de veefabrieken.

Er lijkt zich een paradox af te tekenen. De protesten, het verzet en het groeiende maatschappelijk besef dat er een einde moet komen aan de bio-industrie lijken gelijk op te lopen met het versoepelen van de regels die de vee-industrie nog een beetje binnen de perken zouden kunnen houden. De schadelijke gevolgen die de intensieve veehouderij met zich brengt worden steeds manifester. Juist in deze tijden geeft dit demissionaire kabinet deze bedrijven alle ruimte. Dat is op zich niet nieuw. Het kabinet-Rutte heeft het ontmantelen van de wetten die burgers, natuur en milieu moeten beschermen in de vijfde versnelling gezet.

Voordat de als tijdelijk verkochte Crisis- en herstelwet onder valse voorwendselen door de Kamer werd gedrukt, was er al een lange route afgelegd onder aanvoering van het CDA en de eeuwige meelopers van de VVD. Ik herinner het mij nog goed, het was midden in de nacht en ook toen kreeg ik het verzoek om niet zo lang te spreken, maar er is veel te zeggen. De natuur- en milieuwetten, zo denken die partijen, zitten de industriële boeren lelijk in de weg en ze moeten daarom zo veel mogelijk worden uitgehold.

De vergaande aanpassing van de Natuurbeschermingswet die er door het CDA handig was ingefietst, werd met klem ontraden door de Raad van State. De raad merkte terecht op dat de Natuurbeschermingswet, doordat hij door de VVD en het CDA in de loop van de jaren is opgetuigd met alle bureaucratie, regels en gedoe van dien, al zo uit het lood lag dat deze ingreep daar nog eens bovenop, volstrekt onverantwoord moest worden geacht.

Dit heeft een lange geschiedenis. Bij de overheid berust de grondwettelijke zorgplicht voor de bescherming en verbetering van het leefmilieu. Hieruit volgt de verantwoordelijkheid om de effecten vanwege de veehouderij in evenwicht te brengen en te houden met de overige belangen, waaronder wonen en milieu. Zo hebben buren van een veehouderij het recht gevrijwaard te blijven van een onaanvaardbare stankhinder en dient onevenredige schade aan natuurwaarden vanwege te hoge ammoniakemissies te worden voorkomen. Beide genoemde zaken zijn al lange tijd onderwerp van actief beleid van met name de rijksoverheid. Volgens het nationaal geurbeleid wordt gestreefd naar terugdringing van het aantal geurgehinderden door verkeer, industrie en landbouw. In 2010 zou geen ernstige stankhinder meer mogen voorkomen. Kijkt u eens op het platteland in Brabant, zou ik zeggen.

Ook van de ammoniakemissies staat vast dat die in veel gevallen verregaand gereduceerd moeten worden om de bestaande natuurwaarden te behouden. Er geldt een Europeesrechtelijke verplichting. Hoe heeft die geurhinder- en ammoniakemissieregelgeving zich in de afgelopen decennia ontwikkeld waardoor keer op keer wordt gezegd dat het toch zo noodzakelijk is om die regels opnieuw aan te passen?

In de jaren zeventig van de vorige eeuw zijn met de brochure Veehouderij en Hinderwet geurnormen gesteld. Afhankelijk van stankvolume en stankgevoeligheid van omliggende gebouwen zijn daartoe minimum aan te houden afstanden gesteld tussen de veehouderij en stankhindergevoelige objecten waaronder woonhuizen. Het stankvolume wordt in de brochure uitgedrukt in aantallen mestvarkeneenheden: mve's. De stank van overige dieren wordt omgerekend naar mve's via vaste omrekenfactoren. Zodoende kan de stank worden opgeteld. Afhankelijk van het totale stankvolume kan een algemeen geldende afstandnorm worden gesteld.

De brochure onderscheidt hierbij vier geurhindercategorieën in afnemende bescherming van categorie 1, woningen in de bebouwde kom, tot categorie 4, agrarische bedrijfswoningen. Categorie 1 geniet de hoogste bescherming en hiervoor geldt, afhankelijk van de emissieomvang, de grootste stankcirkel rond het beoogde bedrijf ter voorkoming van hinder. Categorie 4 geniet de laagste bescherming, overeenkomend met de kleinst aan te houden stankcirkel. Op basis van de toen geldende rechtspraak diende de afstand gemeten te worden van de gevel van de stal tot de gevel van het stankgevoelige object. Ook als in de stal een hermetisch afgesloten ruimte zonder dieren was of als de stallucht geheel geventileerd werd via emissiepunten aan het ander uiteinde van de stal, diende de afstand vanaf de dichtst bijzijnde gevel te worden gemeten.

De brochure Veehouderij en Hinderwet toetste uitsluitend de stank veroorzaakt door een individueel veehouderijbedrijf. Om ook woningen bescherming te bieden die omringd zijn door meerdere veebedrijven en die juist door die optelsom van geuremissies ernstig belast worden, is in de jaren tachtig een aanvullende beoordelingsmethodiek ontwikkeld: de publicatiereeks Lucht 46.

De heer Koopmans (CDA):
Voorzitter. Ik heb een puntje van orde. Waar vindt het betoog van mevrouw Ouwehand over de geurproblematiek van de veehouderij zijn weerslag in deze wet? Haar betoog gaat over de Wet geurhinder en veehouderij. Die is al veel eerder behandeld en staat nu niet op de agenda. De Crisis- en herstelwet heeft wettelijk gezien geen enkele relatie met deze wet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Behalve dan dat in de wet de experimenteerruimtes voor het landelijk gebied gaan gelden waar de vorige Kamer dat er nog expliciet had uitgeamendeerd.
Zoals u weet, gaan er wetten aan de kant, om tien jaar lang mensen te kunnen laten doen wat ze willen.

De heer Koopmans (CDA):
De Wet geurhinder en veehouderij wordt niet buiten werking gesteld. Misschien kan de minister dat in één zinnetje zeggen. Ik vind het altijd fantastisch om naar mevrouw Ouwehand te luisteren, maar voor je het weet luisteren we een halfuur naar een betoog dat op geen enkele wijze verband houdt met de wet die nu aan de orde is.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De heer Koopmans zal nog aangenaam verrast worden over hoe mijn betoog verband houdt met deze wet. Ik zie hem inmiddels afdruipen.

De heer Koopmans (CDA):
Ik heb een oprecht punt van orde gemaakt. Misschien kunt u met het einde beginnen, zodat wij weten waar het zijn weerslag krijgt.

De voorzitter:
Dat vind ik een goed voorstel van de heer Koopmans. Graag wat meer to the point.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik vind dat we hier de tijd moeten nemen om stil te staan bij de uitholling van natuur- en milieuregels onder aanvoering van het CDA van de heer Koopmans, en bij de voortdurende druk, die nog steeds vanuit die partij komt en die wordt overgenomen door dit kabinet, om maar verder en verder te gaan, omdat -- zo zeggen diezelfde partijen -- de natuur- en milieuregels zo vervelend zouden zijn voor de ondernemers. Alle wijzigingen die ik ga bespreken, tonen aan dat de bureaucratie die onder de noemer van deze wet wordt doorgedrukt, door het CDA zelf is veroorzaakt. Ik vind het mijn plicht, voor de parlementaire geschiedenis, voor de mensen die hierdoor worden geraakt, voor de dieren, voor de natuur en het milieu, om deze verhandeling hier te houden. Eerlijk gezegd snap ik het punt van orde van de heer Koopmans niet zo goed. Vandaag is het dinsdag. Zat u niet gisteren gewoon integraal de pleitnota van de nertsenfokkers voor te lezen in het debat?

De voorzitter:
Niet rechtstreeks, wij spreken via de voorzitter. En wij hebben een haakje gevonden in de memorie van toelichting, mijnheer Koopmans. We kunnen dus niet zeggen dat dit onderwerp helemaal niet aan de orde is, maar het is wel summier aan de orde. Mevrouw Ouwehand zet haar betoog nu voort..

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dank u, voorzitter.
Aangezien er geleidelijk nieuwe, met name op ammoniakemissiereductie gerichte staltechnieken beschikbaar kwamen, bestond het toen nog niet onderzochte vermoeden dat die stallen minder geuremissie zouden veroorzaken. Hierover heeft de minister van VROM in 1994 een voorlopig standpunt bekendgemaakt, waarin soepelere stank-omrekenfactoren voor deze emissiearme groenlabelstallen bekend werden gemaakt. Deze stank-omrekenfactoren -- de heer Koopmans kan nu misschien even opletten -- zijn in de jaren negentig door de Raad van State verworpen in beroepsprocedures, omdat niet kon worden aangetoond dat de emissiefactoren waren gebaseerd op deugdelijk onderzoek. In de herziene Nota Stankbeleid wordt gesteld dat afgerond onderzoek naar de relaties tussen geuremissies uit stallen en geurhinder aantoont dat de uitgangspunten van de afstandsgrafiek, kortom het niveau van stankhinderbescherming, juist zijn. Een aanpassing van de brochure Veehouderij en Hinderwet werd daarom niet overwogen. De herziene Nota Stankbeleid stelt ook een helder beleidsdoel, dat ik al noemde: in 2010 mag er niet langer sprake zijn van ernstige stankhinder. Heeft de minister op enigerlei wijze de indruk dat dit doel is gehaald? Hoe verklaart zij dan dat vele mensen in het buitengebied zeggen: ik woon hier al 30 jaar, maar nu kan ik niet meer buiten zitten, kan ik mijn raam niet meer opendoen, kan ik mijn was niet meer buiten hangen?

Er wordt een concrete norm voor stankgehinderden genoemd: bij een stankbelasting van meer dan 10 geureenheden, overeenkomend met de thans gangbare waarde van 5 odour units, dient volgens die rijksnota te worden gesproken van ernstige geurhinder. Onthoud dit. De nota stelt: ligt de concentratie boven de 10 geureenheden per kubieke meter, dan kan er zonder meer van worden uitgegaan dat de bevolking ernstige geurhinder ondervindt. Voor het realiseren van de beleidsdoelstelling blijft op dat moment niet veel tijd meer over.

Haaks op die doelstelling van de nota worden midden jaren negentig door de rijksoverheid een aantal wijzigingen doorgevoerd in het geurhinderbeleid vanwege veestallen, met overwegend een sterk verminderde bescherming tot gevolg. Dat gaat in drie stappen. De eerste is de richtlijn veehouderij en stankhinder. In 1996 is een nieuwe richtlijn bekendgemaakt ter vervanging van de brochure Veehouderij en Hinderwet en de publicatiereeks Lucht nr. 46; de richtlijn veehouderij en stankhinder 1996.

De stankbescherming zou op de volgende punten effectief verminderen. De categorie-indeling wordt zodanig gewijzigd, dat globaal gesproken de omwonenden een beschermingsniveau dalen. Dit lagere beschermingsniveau komt overeen met het toestaan van ongeveer twee tot drie maal zoveel stankemissies bij de buren van veebedrijven. De methodiek van berekening volgens de publicatiereeks voor de cumulatie van stank wordt sterk vereenvoudigd, met eveneens een sterk verminderde stankbescherming tot gevolg. Het aantal in de geurberekening te betrekken bedrijven wordt sterk beperkt. De door de Raad van State verworpen soepeler omrekenfactoren voor emissiearme stallen worden alsnog in de richtlijn opgenomen. Dit betekent dat de veehouder binnen een gegeven stankhinderafstandsnorm fors meer dieren kan gaan houden, zonder dat een daarvoor aangevraagde milieuvergunning zal worden geweigerd.

De heer Houwers (VVD):
Mevrouw Ouwehand houdt een enorm betoog over de onleefbaarheid, bijna de onbewoonbaarheid, van het platteland. Kan zij mij uitleggen hoe het mogelijk is dat wij van gemeenten en provincies het verzoek hebben gekregen om meer mogelijkheden te bieden voor het bewonen van het platteland, bijvoorbeeld door plattelandswoningen aan te wijzen? Hoe is dat te rijmen met haar complete betoog over al die verschrikkelijke stank?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik denk dat de heer Houwers niet zo bekend is met de grote bezwaren die de Partij voor de Dieren altijd heeft aangevoerd tegen het decentraliseren van het natuur- en milieubeleid. Plaatselijk, en met name in het buitengebied, zijn bestuurders relatief vaak -- laat ik het voorzichtig zeggen -- mensen die de buurman of de zwager zijn van mensen met belangen in de vee-industrie. Ik ben, anders dan de heer Houwers blijkbaar, helemaal niet gerustgesteld als de Kamer van een aantal gemeenten het verzoek krijgt om wonen in het buitengebied wat gemakkelijker te maken. Dat zegt op geen enkele wijze dat mensen die in het buitengebied wonen, geen last hebben van de stank van de vee-industrie.

De heer Houwers (VVD):
Ik constateer dat mevrouw Ouwehand in haar betoog de enkele signalen die zij krijgt, maar die wij allemaal niet krijgen, of in ieder geval niet in die mate, enorm overdrijft. Op het moment dat ik hier duidelijk maak dat gemeenten en provincies namens heel velen dit soort vragen stellen, bagatelliseert zij dat. Ik heb daar wat problemen mee.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dan is het des te beter dat ik deze analyse en deze geschiedenis van de uitholling van natuur- en milieuregels even voorlees voor de heer Houwers. Dan heeft hij dat signaal tenminste voor het eerst in zijn leven ook gekregen.

Ik kom op het vierde punt waarbij de stankbescherming werd verminderd. De afstand tot stankgevoelige objecten wordt niet langer gemeten vanuit de gevel van de stal, maar vanuit het emissiepunt. Dat betekent dat bij geforceerde ventilatie wordt gemeten vanaf de emissieventilator, hetgeen aan de andere kant van de stal kan zijn. Ook hiermee ontstaat binnen de gestelde stankhinderafstandsnormen extra ruimte voor uitbreidingen. Aldus aangevraagde milieuvergunningen zouden niet langer worden geweigerd. Deze richtlijn -- let u op! -- is in een reeks uitspraken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op belangrijke onderdelen buiten recht verklaard. De versoepelde categorie-indeling en de versoepelde cumulatiebeoordeling zijn verworpen, omdat er in de richtlijn een onvoldoende milieutechnische of milieuhygiënische onderbouwing wordt gegeven. Het gevolg hiervan is geweest dat in de milieuvergunningbesluitvorming werd teruggevallen op de brochure Veehouderij en Hinderwet en de Publicatiereeks Lucht 46. Hiermee was voorlopig een belangrijk deel van de verminderde stankbescherming door de rechter voorkomen. Op zulke scenario's kunnen wij opnieuw terugvallen, zeg ik tegen de heer Koopmans en de heer Houwers.

De soepeler stankomrekenfactoren voor emissiearme stallen werden ditmaal wel door de Raad van State geaccepteerd en ook de afstandsbepaling vanuit het emissiepunt passeert de rechterlijke toets. Maar dat heeft verstrekkende gevolgen gekregen voor de milieuvergunningpraktijk. Sindsdien hebben veehouders met gevelventilatoren op de achterzijde van de veestallen tot op veel kortere afstand van de buren kunnen uitbreiden. Mechanische ventilatie is, ondanks het hoge energieverbruik, inmiddels tot een vaste praktijk uitgegroeid en wordt dik gesubsidieerd.

Dan kom ik nu op de tweede stap: de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden. De minister van VROM wenst onverminderd vast te houden aan de versoepeling van zowel de categorie-indeling als de versoepelde cumulatieregeling. De kritiek van de bestuursrechter op het gebrek aan onderbouwing van de versoepelde categorie-indeling en de cumulatiebeoordeling wordt gepasseerd door de geurregeling voor veehouderijen geheel op te nemen in een rijkswet, als lex specialis van de Wet milieubeheer.

In 2004 werd aldus de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden van kracht. Hiermee is de door de Afdeling bestuursrechtspraak verworpen categorie-indeling uit de richtlijn van 1996 in de wetstekst gecodeerd, met als gevolg dat de normstelling tot recht is verheven. De cumulatiebescherming is in deze wet zelfs geheel afgeschaft. Beleidslijnen zoals de Richtlijn Veehouderij en Stankhinder kunnen vanwege hun status als beleidslijnen in de rechtszaal wel aan een juridische toets worden onderworpen, maar dat geldt niet voor rijkswetten zoals de Wet stankemissie, aangezien hiervan wordt verondersteld dat de betrokken belangen in het wetgevingsproces afdoende zijn afgewogen. Dat in dit wetgevingsproces de belangen van potentieel stankgehinderden nauwelijks een woordvoerder hebben gehad, is een publiek geheim. Een lobbyclub voor bewoners in het buitengebied bestond niet en ook nu nog hebben burgers grote moeite om hun stem en hun belang te laten horen in de beslissingen die genomen worden. De belangen van de veehouders lieten en laten zich daarentegen robuust horen, met vaak onevenwichtige wetgeving als gevolg, zoals ook vandaag weer. De werking van de genoemde wet is vooralsnog beperkt tot de gebieden waarvoor een reconstructieplan bekend is gemaakt en ook zijn in de Wet stankemissie nieuwe, beter onderbouwde stankomrekenfactoren toegevoegd, ditmaal wel op basis van wetenschappelijk onderzoek. Van bepaalde diercategorieën was vastgesteld dat deze meer stinken dan eerder werd aangenomen. Met name de stank vanwege biggen en fokvarkens bleek eerder te zijn onderschat. Voor deze diercategorieën waren de nieuwe omrekenfactoren strenger, waardoor de effecten van de versoepelde categorie-indeling gedeeltelijk werden gecompenseerd.

Stap drie, de Wet geurhinder en veehouderij. In 2007 treedt de Wet geurhinder en veehouderij in werking en met die wet komt er een geheel gewijzigde beoordelingssystematiek van stankhinder te gelden. In plaats van de mestvarkeneenheden wordt er een nieuwe geureenheid geïntroduceerd, de odour unit per kubieke meter. De veehouderij moet onveranderd binnen een bepaalde geurbelastingsnorm voor omliggende woningen blijven. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een digitaal verspreidingsmodel dat meer recht doet aan de werkelijkheid van de overheersende zuidwestenwind dan de stankcirkels uit de oude systematiek. De normstelling is daarbij zo genomen dat die toch zoveel mogelijk aansluit bij de voorheen geldende bescherming. Op basis van de inzichten van de herziene Nota stankbeleid blijkt bij alle woningen buiten de bebouwde kom een norm te worden gesteld die ernstige stankhinder toelaat. Bij alle woningen in het buitengebied wordt namelijk een stankhinderniveau toegelaten van ruim meer dan vijf odour units. Eerder is dus opgemerkt dat de herziene Nota stankbeleid omgerekend naar de units een hoger criterium noemt voor ernstige stankhinder. Deze wet betekent dus ook een verdere versoepeling.

De wet geldt, in tegenstelling tot de Wet stankemissie, nu voor heel Nederland en met deze wet wordt de bescherming tegen cumulatie van stank nu voor heel Nederland afgeschaft. Ook vormt de Wet geurhinder een versoepeling, omdat er minder objecten als geurgevoelig object beschermd worden. Alleen gebouwen worden nog beschermd. Campings bijvoorbeeld die zonder enige twijfel een groot belang hebben om van overmatige stankhinder verschoond te blijven, verliezen elke bescherming. Welke ondernemer gaat er dan voor? Dat wil ik aan de VVD-fractie vragen, maar ik vraag het aan de minister. Dit is het gevolg van de definiëring van het begrip "geurgevoelig object" in artikel 1 van de wet. Ook is de categorie-indeling verdwenen en vervangen door het enkele onderscheid binnen en buiten de bebouwde kom. Dit is vooral nadelig voor kleine buurtschappen of lintbebouwing buiten de bebouwde kom.

Verder geldt de zeer minimale bescherming die de Wet stankemissie bood voor woningen bij andere intensieve veehouderijen nu voor alle veehouderijen, waardoor met name melkveehouders en hobbyboeren nog slechts een zeer geringe bescherming kennen tegen stankhinder vanwege een intensieve veestal. Ten slotte biedt de wet de mogelijkheid om via gemeentelijke verordeningen de geurnorm te wijzigen. Daarmee is dus nogmaals een verdere versoepeling mogelijk. Op basis van deze wet worden in heel Nederland vergunningen verleend voor de intensieve veehouderij.

De conclusie van dat alles is dat in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw een voor iedereen transparant geurhinderbeleid gold dat voldoende ruimtelijke spreiding bood tussen veehouderijbedrijven en omwonenden. Dat moest echter anders. Vanaf midden jaren negentig is er haaks op de eigen beleidsdoelstellingen een nieuwe beleidstrend ingezet, als gevolg waarvan de omgeving van veehouderijbedrijven aanzienlijk minder bescherming komt te genieten tegen stankhinder vanwege stalemissies.

Dat verhoudt zich dus niet tot de beleidsdoelstelling om het aantal geurgehinderden te verminderen. Dat zegt iets over de goede voornemens waarmee dit wetsvoorstel ook weer ingrijpt in de natuurbescherming. Mooie beloftes, ze worden niet waargemaakt. Keiharde wettelijke bescherming moeten we hebben, want anders druist het CDA er wel doorheen. Het geurbeleid bindt de sector niet aan extra eisen. Veehouderijbedrijven hebben door de gewijzigde geurnormen veel extra uitbreidingsmogelijkheden gekregen, onder meer doordat lagere milieunormen werden gesteld of milieunormen zelfs werden opgeheven.

Het laat zich raden: een soortgelijke beleidsontwikkeling heeft zich voorgedaan in het ammoniakbeleid. Sinds de jaren tachtig is de conclusie onontkoombaar dat overmatige ammoniakemissies veel natuurwaarde potentieel ernstig aantasten. Vanaf 1987 wordt beleid ontwikkeld om de ammoniakemissie veroorzaakt door de veehouderij te reguleren. De voorlopige uitkomst van twintig jaar beleid is dat momenteel op twee derde van de oppervlakte voor natuur de ammoniakdepositieniveaus tot in 2020 nog fors te hoog zullen blijven. Onze natuur wordt te zwaar belast door ammoniak, hoewel wij al sinds 1987 proberen om, al dan niet met goede wil of goede bedoelingen, daar beleid op te zetten.

De regering weet dat, want zij schrijft dat in de memories van toelichting van de Interimwet ammoniak en veehouderij en de Wet ammoniak en veehouderij. Onder de interimwet en als gevolg van jurisprudentie ook onder de voorloper, de richtlijn Ammoniak en Veehouderij, kunnen de stalemissies van de individuele bedrijven in de meest veedichte provincies in de meeste gevallen niet zonder compensatie toenemen. Compensatie vindt dan plaats door aankoop van ammoniakemmissierechten, dus saldering. De interimwet regelde op welke wijze ammoniakemissies en -deposities beoordeeld dienden te worden, als onderdeel van een milieuvergunningprocedure. In de milieuvergunningbeoordeling van de bedrijfsplannen conform de interimwet is de ligging van de voor verzuring gevoelige gebieden een beslissende factor. Naarmate wettelijk beschermde gebieden verder weg liggen, kan gemakkelijker met aankoop van emissierechten worden uitgebreid. Het is een depositiespoor, een depositiebeoordelingsbeleid.

Op basis van de richtlijn Ammoniak en Veehouderij golden als voor verzuring gevoelig gebied alle bos- en natuurgebieden op voor verzuring gevoelige grond groter dan twee hectare, of gebieden die onder de Natuurbeschermingswet vielen, die onder beheer waren bij een natuurbeschermende organisatie of die in het bestemmingsplan waren beschermd. Overige gebieden konden in een aparte verordening worden aangewezen. De bedrijven in een straal van 3000 m rondom deze natuurgebieden werden, afhankelijk van de depositiegrootte, aan beperkingen gebonden. In de praktijk zagen de meeste bedrijven in de mestoverschotgebieden zich hierdoor geconfronteerd met een depositieplafond. Zij konden alleen uitbreiden middels toepassing van emissie- en/of depositiereducerende technieken.

Wat is er sindsdien in het natuurbeschermingsbeleid gebeurd en hoe komt het dat wij hier vandaag staan, zonder de Programmatische Aanpak Stikstof en beschermde natuur? Het eerste is de Interimwet ammoniak en veehouderij. De te beschermen voor verzuring gevoelige natuurgebieden worden in de interimwet vastgelegd in een uitvoerigsregeling. Met de wet wordt de minimumomvang waarboven het gebied bescherming geniet verhoogd van 2 naar 5 ha. Daarnaast blijven alleen de kleinere gebieden beschermd die onder de Natuurbeschermingswet vallen, in beheer zijn bij een natuurbeschermde organisatie of in het bestemmingsplan worden beschermd. Weliswaar wordt de mogelijkheid in de wet opgenomen om via een verordening kleinere natuurgebieden en landschapselementen aan te wijzen, maar daar wordt slechts spaarzaam gebruik van gemaakt. Conclusie: de omvang van beschermde gebieden neemt af.

En dan de tweede wijziging van de Uitvoeringsregeling ammoniak en veehouderij. Daarmee wordt het aantal beschermde voor verzuring gevoelige gebieden nagenoeg beperkt tot gebieden groter dan 5 ha doordat de uitzonderingen waaronder kleine gebieden worden beschermd, komen te vervallen. Als uitzondering geldt alleen nog de spaarzaam gebruikte mogelijkheid om deze gebieden onder een gemeentelijke verordening aan te wijzen. Met het verminderen van het aantal voor verzuring gevoelige gebieden verminderde andermaal het aantal veehouderijen dat zich met beperkingen geconfronteerd zag vanwege ligging in een zone van 3 km rond die gebieden.

In 2002 wordt de Interimwet ammoniak en veehouderij vervangen door de Wet ammoniak en veehouderij. Dat was een grote klap. Balkenende was aangetreden. Waar onder de interimwet bedrijven tot 3 km rondom natuurgebieden werden gebonden aan emissiebeperkingen, wordt dat beperkt tot 250 m.

De emissie van bedrijven buiten een straal van 250 meter rondom de beschermde natuurgebieden kan over het algemeen toenemen, voor zover het geen bedrijven zijn die vallen onder de IPCC-richtlijn en een belangrijke verontreiniging veroorzaken. Ook wordt het aantal te beschermen gebieden fors beperkt. Alleen de gebieden die binnen de ecologische hoofdstructuur vallen, komen nog bescherming toe als kwetsbaar gebied. Hiermee worden natuurgebieden alleen nog beschermd als ze én voor verzuring gevoelig waren volgens de interimwet, én binnen de ehs vallen. In de zone van 250 meter wordt het regime wel strenger dan onder de interimwet, maar het effect daarvan blijft zeer beperkt omdat het aantal betrokken bedrijven nog slechts een fractie is van het aantal dat zich voorheen aan emissiebeperkingen gebonden zag. Er blijven niet heel veel veehouderijbedrijven over die echt binnen een straal van 250 meter van beschermde natuur liggen.

Nummer vier is de wijziging van de Wet ammoniak en veehouderij. Daarin wordt het aantal te beschermen gebieden opnieuw verkleind tot in principe de zogenoemde "zeer kwetsbare gebieden groter dan 50 ha". Gebieden kleiner dan 50 ha komen alleen nog bescherming toe indien het gebieden zijn met zeer grote natuurwaarde. De strekking van de wetswijziging is andermaal een forse beperking van het oppervlak wettelijk beschermde natuur. Provinciale Staten in Limburg heeft bijvoorbeeld 40% van de nog resterende wettelijk beschermde Limburgse natuur de beschermde status ontnomen. Hiermee zijn andermaal voor veel veehouderijbedrijven emissiebeperkingen op bedrijfsniveau weggenomen. Uit diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State weten wij dat er met name in de gebieden met mestoverschot en met een hoge achtergronddepositie van ammoniak, veelal sprake is van belangrijke verontreinigingen in de zin van artikel 4 en 6, lid 2 van de Wet ammoniak en veehouderij. Ook deze weigeringsgrond voor toenames van ammoniakemissies wordt in deze wetgevingsgrond verwijderd. Er komt een soepeler toets voor in de plaats, namelijk de zogenoemde Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing. Deze toets houdt in dat aan de meer omvangrijke bedrijven bij grootschalige uitbreidingen extra eisen inzake emissiereducerende technieken dienen te worden gesteld. Er wordt echter geen plafond gesteld aan de totale ammoniakemissie per bedrijf.

Ik kom op het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij. Daarbij gaan we van het depositiespoor naar het emissiespoor. Er is kennelijk weinig politieke discussie over het feit dat er nog weinig beperkingen aan de sector worden opgelegd. Het politieke credo bij de inwerkingtreding van die wet was ook juist, om het depositiebeleid, waarin gebiedsbescherming het leidend beginsel is, -- mind you, dat geldt dus vanwege de Vogel- en Habitatrichtlijn -- te vervangen door een emissiebeleid, omdat het depositiebeleid op weerstand stuitte bij het landbouwbedrijfsleven. Er zouden strengere emissienormen komen per dierplaats. Ten behoeven van bescherming van natuurwaarden zou kunnen worden volstaan met het aanvullend zoneringsbeleid uit de Wet ammoniak en veehouderij. Overigens is pas na jarenlange vertraging de Wet milieubeheer in genoemde zin aangepast en is pas in 2008 het Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderij in werking getreden. Daarmee is alleen nog emissiearmere stalbouw toegestaan. Daarmee worden weliswaar beperkingen gesteld aan de ammoniakemissie per dierplaats, maar worden geen wezenlijke beperkingen gesteld aan de emissie op bedrijfsniveau. Juist dat is belangrijk om de Europeesrechtelijke natuurverplichtingen te halen. De emissiearme stalbouw vloeide echter voor een belangrijk deel ook nog voort uit Europeesrechtelijke verplichtingen, de IPPC. Als gevolg van de wets- en beleidswijzigingen gelden nog nauwelijks emissiebeperkingen op bedrijfsniveau. Er vinden, zelfs met subsidie voor de realisatie van luchtwassers, ingrijpende bedrijfsontwikkelingen plaats. Die vinden ook onverminderd plaats op minder geschikte locaties op korte afstand van natuurgebieden in regio's die door een hoge achtergrond van ammoniakdepositie al heel lang zijn overbelast.

Ik kom op de Natuurbeschermingswet. Daarmee zou een goede implementatie van de Vogel- en Habitatrichtlijn moeten worden geregeld en daarmee zou een einde moeten worden gemaakt aan alle trucjes die ik zojuist noemde. Want de bovengenoemde stappen hebben het milieubeleid inzake de stalammoniakemissies beschreven en min of meer gelijktijdig heeft de wijziging van de Natuurbeschermingswet plaatsgevonden. Die is per 2005 in werking getreden. Met deze wet wordt een kleine selectie bijzondere natuur een Europeesrechtelijke beschermingsstatus toegekend. Het gaat om Natura 2000-gebieden of gebieden die vallen onder de Vogel- en Habitatrichtlijn. Daar zien wij natuurlijk dezelfde ammoniakproblematiek. Daar zien wij dat het verlaten van het depositiespoor voor grote problemen zorgt. Dat is precies nog steeds wat met de voorliggende Crisis- en herstelwet wordt getracht.

De ammoniakemissie is onverminderd actueel en problematisch. Feit is dat buiten het verbod op traditionele stalbouw, anders dan in de jaren negentig, de veehouderij nog slechts in beperkte mate gebonden wordt door emissiebeperkingen op bedrijfsniveau. En nog is het niet genoeg. De eerder geldende beperkingen krachtens de Wet milieubeheer en bijbehorende wetgeving zijn tot een minimum teruggebracht. Het politieke debat over de overmatige ammoniakdeposities heeft zich nagenoeg geheel verplaatst van de Wet milieubeheer naar de uitvoering van de Natuurbeschermingswet. De conclusie is dat het overgrote deel van onze natuurgebieden nog altijd veel te zwaar wordt belast door ammoniak uit de stallen van de vee-industrie.

Voorzitter. Ik doe u een plezier en sla een deel over. Ik constateer dat ondanks de toepassing van luchtwassers, de beoogde bedrijfsuitbreiding steeds weer tot een structurele belasting van de natuurgebieden zal leiden. De minister van VROM is op zeker moment van mening dat er nog verder gesneden dient te worden in de milieuregulering van veehouderij. De minister wil alle veebedrijven die niet onder de IPPC-richtlijn vallen -- bedrijven kleiner dan 2000 mestvarkens en 40.000 kippen, in totaal 7500 van de 10.000 intensieve veehouderijbedrijven -- onder de werkingsfeer brengen van het Besluit landbouw. Dat betekent dat voor deze categorie bedrijven niet langer een vergunningplicht zal gelden. Zolang het bedrijf niet groter is dan de zojuist genoemde omvang, geldt niet langer preventief een ambtelijke milieubeoordelingsplicht van beoogde bedrijfswijzigingen. Voldoen aan de algemeen geldende regels wordt dan primair de verantwoordelijkheid van de ondernemer, en die toetst dat. Aldus wordt kennelijk het risico genomen terug te keren naar de situatie van de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, toen illegale bedrijfsuitbreidingen zo dikwijls voorkwamen dat er een wettelijke legalisatieregeling aan te pas moest komen om de feitelijke situatie weer in overeenstemming te krijgen met de wet. Ik wil van de minister weten of zij een dergelijke situatie voorziet en of zij, als zij negatief antwoordt, kan onderbouwen waarom zij denkt dat het zover niet zal komen. Als wij weer rechtstreeks aan de Vogel- en Habitatrichtlijn moeten toetsen, gaat daar veel belastinggeld in zitten.

In de laatste jaren is er ook meer aandacht gekomen voor de fijnstofemissies. Veehouderij blijkt de bron van circa 20% van de nationale fijnstofemissies. Vooral grondhuisvesting van pluimvee neemt een flink deel voor haar rekening. De bijdrage van het individuele veehouderijbedrijf is meestal beperkt en leidt niet tot overschrijding van de normstelling voor fijnstof. Maar dat neemt niet weg dat de optelsom van de emissies van duizenden bedrijven een flinke bijdrage levert aan fijnstofemissies. Hoewel in de grote bijdrage aan de fijnstofemissies vanwege de veehouderijsector aanleiding kan worden gezien om op bedrijfsniveau meer specifieke reductiemaatregelen voor te schrijven, is daar tot nu toe van afgezien. Fijnstofemissiereductiebeleid lift mee met het ammoniakemissiebeleid en de vraag is of dat terecht is. Met de toepassing van ammoniakluchtwassers hoopt de overheid ook de fijnstofemissies te beperken. Een strengere inpassingsverplichting voor emissies, met name voor ammoniak, is echter niet afkomstig van de Nederlandse overheid, maar van Brussel: de IPPC-richtlijn. In de praktijk beperkt de invloed van de IPPC-richtlijn zich meestal tot de eis dat de stallen voldoen aan de best beschikbare techniek. Deze norm komt overwegend overeen met de eisen zoals neergelegd in het Besluit huisvesting en bindt de sector in de praktijk dan ook niet aan verdergaande eisen. De bescherming is zeer twijfelachtig.

De stelling dat de natuurregels zo verschrikkelijk zouden zijn voor de ondernemers, houdt geen stand, zoals men heeft kunnen opmaken uit mijn betoog. Het zijn het CDA en de VVD met afwisselend D66 en de PvdA geweest die ervoor hebben gezorgd dat wij staan waar wij nu staan. Als het kennelijk vervelend uitpakt voor de ondernemers, dan is het aan de wetgever te danken, de wetgevers die er toen zaten en die best verantwoording mogen afleggen dat wij staan waar wij nu staan. Op z'n minst moet je de natuurbeschermingsregels herstellen en niet vragen om nog verdere versoepeling. Maar de Crisis- en herstelwet van Balkenende deed dat toch. Het moest allemaal gaan om economische groei. Regels die in de weg van welke schop dan ook stonden, moesten aan de kant, want die schop moest in de grond.

Onder het mom dat deze crisiswet ook goed zou zijn voor duurzame ontwikkeling en dat er erg veel windmolens gebouwd zouden kunnen worden, ging de Partij van de Arbeid maar akkoord met deze draconische wet. Ik weet niet wat de motieven van de ChristenUnie waren, maar zij ging ook akkoord. Deze wet schuift niet alleen milieu- en natuurwetten in ons land nog verder aan de kant, maar maakt het burgers ook bijna onmogelijk om daartegen te protesteren en om naar de rechter te stappen om hun belang te verdedigen. Dit is een trend die jaren geleden al is ingezet en die in de Crisis- en herstelwet zijn voorlopige hoogtepunt kent. Je zou het ook een dieptepunt kunnen noemen. Het inperken van inspraakmogelijkheden van bezorgde burgers is een traject dat al jaren loopt. Milieuclubs de mond snoeren staat al langer hoog op de verlanglijstjes van een aantal personen die met dit wetsvoorstel op hun wenken worden bediend. Tot 2005 mocht iedereen een beroepsschrift indienen als een milieuvergunning werd verleend, want het milieu is in het belang van iedereen. Die wetgeving werd op initiatief van het CDA aangescherpt. Nu is het recht voorbehouden aan belanghebbenden en sindsdien is met man en macht gewerkt aan het verder inkaderen en beperken van dit begrip. Na het schrappen van de actio popularis in 2005 werd de rechtsbijstand voor milieuorganisaties geschrapt en werden vergoedingen voor gesubsidieerde rechtshulp beperkt. VVD en CDA vroegen vervolgens met grote steun van de Kamer om voorstellen voor invoering van een relativiteitsvereiste. Deze hebben hun beslag gekregen in de Crisis- en herstelwet, die tijdelijk zou zijn, maar helaas al permanent is.

Tijdens het wetgevingsoverleg vorige week maandag heb ik al uitvoerig gesproken over de consequenties van het afschaffen van het pro-formaberoep en het aanvullen van de beroepsgronden. Ik zal dit nu niet allemaal herhalen, maar uit de evaluatie blijkt ook dat dit de rechtsbescherming van burgers fors aantast. Ik kom daar nog op terug bij mijn opmerkingen over de nota van wijziging, die er op het laatste moment nog aan toegevoegd is.

In de Crisis- en herstelwet worden ook de regels voor milieueffectrapportages veranderd. Bij de uitvoering van een m.e.r. is er geen verplichting meer voor een advies van de Commissie voor de m.e.r. en voor een alternatievenonderzoek. De Commissie voor de m.e.r. is daar ongelukkig mee. En geloof me, zij kan het weten. Het is van groot belang dat alternatieven voor plannen en projecten in kaart worden gebracht. Dat gebeurt nu simpelweg niet meer. Bij de ontwikkelingsgebieden mag tien jaar lang afgeweken worden van de geldende milieu- en geluidsnormen, met alle gevolgen van dien voor de omwonende burgers.

De grootste klap die de Crisis- en herstelwet maakte, was die tegen de natuur. Als een duveltje uit een doosje is de Natuurbeschermingswet toegevoegd. Dat gebeurde niet omdat deze zoveel te maken heeft met het versnellen van projecten, maar gewoon omdat een aantal partijen dat heel lang en graag wilde. Dat zijn uiteraard het CDA, de meelopers van de VVD en de mee-meelopers van de PVV. Er zijn veel beloften gedaan en mooie woorden gesproken over de bescherming van Natura 2000-gebieden in Nederland. Ondanks dat worden de gebieden nauwelijks beschermd. Het is Europese topnatuur, met de handtekening van het CDA en de VVD eronder, en we beschermen deze natuur nauwelijks. Het lijkt wel alsof de regering, welk kabinet er ook zit, doelbewust een mist creëert waardoor het lijkt alsof de uitvoering van de Vogel- en Habitatrichtlijn heel ingewikkeld is. Daarmee kan de echte aanpak van het probleem steeds worden vooruitgeschoven, met als gevolg dat we inderdaad in een situatie zitten die nauwelijks meer hanteerbaar is. Nog steeds zijn er veel te hoge stikstofdeposities, veroorzaakt doordat de intensieve veehouderij rondom de Natura 2000-gebieden ongestoord is gelaten en alle ruimte heeft gekregen. Dit zal mogelijk rechtsgevolgen hebben. Het zal niet de eerste keer zijn dat we weer rechtstreeks moeten toetsen aan de Vogel- en Habitatrichtlijn. Hoe schat de minister dit in? Natura 2000 stelt inderdaad beperkingen aan de intensieve veehouderij en dat moeten we accepteren. Ondernemers moeten dit ook doen. Zij moeten zich netjes voorbereiden op de natuurbescherming die we zelf gewild hebben. Waar is het plan en waar blijft de afbouw van de intensieve veehouderij, die een echte depositiedaling zal bewerkstelligen?

Tijdens de behandeling van de oorspronkelijke crisiswet werd via een amendement van de heer Koopmans, hierbij geholpen door nota bene de Partij van de Arbeid, de Programmatische Aanpak Stikstof tot leven gebracht. Nou ja, tot leven - we zijn nu twee jaar verder en die PAS is er nog steeds niet. Er is dus al twee jaar niets gedaan aan de veel te hoge uitstoot van stikstof door de veehouderij in ons land. Het enige wat gebeurt, is dat de natuur achteruitholt en er steeds duurdere beheermaatregelen genomen moeten worden om de vele voedingsstoffen uit onze waardevolle natuur te plaggen. Ik vraag de minister nog een keer hoe het is gegaan met de naleving van de Natuurbeschermingswet en de verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn door het bevoegd gezag, dat destijds nog de rijksoverheid was en dat daarna, na de overdracht in 2005, de provincies waren.

Waarom krijgt de Kamer daar geen inzicht in? Hoe moet de Kamer steeds verdere wijzigingen van de Natuurbeschermingswet beoordelen als zij niet kan zien hoe deze wet eerder is nageleefd en gehandhaafd? Wat ik weet is dat organisaties, dappere burgers die wonen in de buurt van veehouderijgebieden die kwetsbare natuur bedreigen, voorturend handhavingverzoeken hebben moeten doen. Met andere woorden: het beeld bestaat dat de overheid niet handhaafde en dat alleen als een groep gemobiliseerde en gemotiveerde burgers in het verweer kwam men aan de gang ging met de verplichte vergunningprocedure, via dwang van de rechter.

We zijn meer dan twee jaar en vijf tranches verder met de Crisis- en herstelwet. Van herstel bleek geen sprake en de crisis voor natuur en milieu is niet te overzien. Gedurende die twee jaar is aan de lange rij wetten die werd uitgeschakeld door deze tijdelijke wet ook de Waterwet toegevoegd. We hebben gezien waarvoor deze wet was bedoeld: het doorduwen van controversiële projecten, projecten die burgers niet willen en waar natuur en milieu van kapotgaan, zoals de omstreden en gevaarlijke gasopslag in Bergen, Vliegveld Twente en de Rotterdamsebaan. Ook het Stortbesluit bodembescherming werd gewijzigd. Industriële mestvergisters werden toegevoegd. Alleen dankzij een motie van collega Koopmans en mij -- hoe kan het bij deze wet, maar het is toch echt gebeurd -- is nog net voorkomen dat de IJzeren Rijn ook onder het schrikbewind van de Crisis- en herstelwet zou vallen. Ik zou dit rijtje geen duurzame ontwikkeling willen noemen.

Toen de Crisis- en herstelwet als tijdelijk werd gepresenteerd, waren wij al bang dat het natuurlijk de bedoeling was dat deze wet permanent zou worden. Een vernietigend advies van de Raad van State, de val van het kabinet, een ongemeen kritische evaluatie van de eerste twee jaar van deze wet, niets zal de machtspolitici ervan weerhouden om nog over haar graf heen te regeren en de natuur- milieu- en inspraakregels van ons land permanent terzijde te schuiven.

Dit gevallen kabinet had nog ambitieuzere plannen dan het vorige voor het uitkleden van de wetten die de natuur, ons milieu en onszelf beschermen tegen de meest vernietigende bedrijfstak, de vee-industrie. Met de laatste wijziging van het Activiteitenbesluit stelde de staatssecretaris van milieu nota bene de intensieve veehouderij vrij van de vergunningsplicht. 6400 intensieve veehouderijen hoeven geen vergunning meer aan te vragen voor een stal. Een bedrijf met 1999 vleesvarkens of 39.999 kippen is niet weg te badineren door het "klein" te noemen.

Het punt is hier natuurlijk ook dat er geen actief besluit meer genomen hoeft te worden in de vorm van het afgeven van een vergunning. Dan is er dus ook geen "nee" meer mogelijk. Het laten vervallen van de vergunningplicht heeft ook als gevolg dat burgers geen bezwaar meer kunnen aantekenen tegen de komst of de uitbreiding van bijvoorbeeld een varkensstal in hun buurt. Dat is onacceptabel. Het is een schending van de rechten van de burgers in ons land en druist in tegen artikel 21 van de Grondwet. Tegen een bedrijfstak die zo veel negatieve effecten voor de directe leefomgeving met zich meebrengt, moet een burger zijn zienswijze kenbaar kunnen maken. Maar niets van dat alles. Het kabinet veegde een set regels die de intensieve veehouderij een doorn in het oog was van tafel.

De VVD, het CDA en de PVV hadden moeten weten, of hadden in ieder geval op zijn minst kúnnen weten, dat zij een onverstandige weg zijn ingeslagen met hun continue veranderingen van de wetten die onze natuur beschermen, zelfs als het je niet om de natuur te doen is. Kees Bastmeijer, hoogleraar natuurbeschermings- en waterrecht aan de Universiteit van Tilburg, heeft dit prachtig en doeltreffend samengevat in een presentatie bij groene organisaties laatst. De genoemde partijen waren er, geloof ik, niet. Ik zal uiteenzetten waar de presentatie op neerkomt. Er wordt continu gezocht naar rek en ruimte. De vele wijzigingen leiden op hun beurt tot onduidelijkheden in de wet. Het gevolg is dat er meer rechtszaken komen en dat decentrale overheden de stroom aan wijzigingen niet aankunnen, de wet niet begrijpen en vergunningen verlenen die geen stand houden. We zien dat er in Brabant vergunningen zijn verleend voor een mestvergister waar de provincie maar aan vast wilde blijven houden, ondanks kritiek van de Raad van State en nog een tweede ronde. Er wordt nu €240.000 van de belastingbetaler uitgegeven aan schadevergoedingen voor de ondernemer, die ten onrechte een vergunning heeft gekregen.

Zou je dat als bestuur niet beter moeten doen? Zou je de zaken niet echt moeten versimpelen? Dat kan door de natuur echt te beschermen. Dat is de echte paradox.

Als de natuurkwaliteit achteruitgaat, gaan de regels strenger knellen en wordt het lastiger om vergunningen te verlenen. Dat is waar de genoemde partijen voortdurend over klagen, maar wat ze zelf hebben veroorzaakt. Wanneer gaan we van het kabinet horen dat het zo in elkaar zit? Wanneer gaan we van het kabinet horen dat het de afgelopen vijftien, twintig jaar een en ander niet zo verstandig heeft aangepakt? Wanneer komt er een eerlijk verhaal naar ondernemers dat de situatie niet sluitend te krijgen is als we niet met een saneringsplan komen om de natuur te beschermen? Wanneer krijgen ondernemers ook eens te horen dat het voortdurend een worst is geweest die hen voor de neus is gehouden en dat het onhoudbaar is om met zo veel vee-industrieën de natuur nog proberen te redden? Dat gaat niet lukken en het zal niet lukken, ook met deze wijziging niet. Wie draait er uiteindelijk voor op? Wie heeft uiteindelijk al deze kosten betaald? Hoeveel werk is er vanuit de ministeries in de uitholling van de natuur- en milieubescherming gaan zitten? Hoeveel ambtenaren zijn daar al die jaren mee bezig geweest, terwijl het zo simpel had gekund? Ik wil graag een kostenoverzicht.

Ondernemers ondervinden dat er steeds minder ruimte komt voor hun plannen. Zoals VVD en CDA vele malen hebben aangehaald is het gevolg dat de Natuurbeschermingswet meer en meer ontwikkelingen op slot moet zetten om de natuur te kunnen beschermen. Tegelijkertijd groeit het verzet onder de bevolking, krijgt de natuur de schuld en met name de natuurorganisaties die het in hun hoofd halen om naar de rechter te stappen om te vragen of wij of de provincies het werk wel goed hebben gedaan. Daar maken CDA en VVD, en ook de PVV, dankbaar gebruik van om de natuur verder te ridiculiseren en de natuurbeschermingsorganisaties zwart te maken. Ze maken misbruik van de door hen zelf gecreëerde situatie om de Natuurbeschermingswet nog weer verder te kunnen versoepelen, te ontduiken en te roepen: het kan toch niet zo zijn dat de natuur alles op slot zet?

De regering zit gevangen in dit cirkeltje, maar zij lijkt het daar wel prima te vinden, omdat zij denkt dat burgers en ondernemers daar in blijven trappen. Maar dat zal een keer ophouden. Waarom neemt zij de adviezen van hoogleraar Bastmeijer niet ter hand? Wanneer natuurwaarden teruglopen -- dat is al veel te lang het geval -- wordt het recht strikter en het verzet groter. Dan zou er juist extra inzet moeten zijn op het vergroten van de effectiviteit van het huidige natuurbeleid en de natuurwetgeving. Niet verder op de doodlopende weg, die zo lang geleden al is ingeslagen. Waarom negeert de minister belangrijke adviezen van mensen die er wel verstand van hebben? Er moet meer en betere inzet komen voor het behoud en herstel van natuurwaarden, want anders blijft het knellen. Onderschrijft de minister die analyse? De huidige situatie moet doorbroken worden. Alleen dan voorkom je dat het keer op keer alleen maar erger wordt. Bastmeijer zet de huidige knelpunten op een rij. Ik wil de minister die best toesturen, maar het komt op het volgende neer. Er is sprake van versmalling tot het bedreigde; er wordt steeds smaller gekeken wat echt moet worden beschermd en wat niet meer hoeft. Toezicht en handhaving zijn zwak als gevolg van het afschaffen van de veldpolitie. Er is weinig capaciteit en kennis bij de gewone burger, die in het bestuursrecht toch al niet ontvankelijk is. Door deze zaken ontstaat de neiging tot het acceptabel achten van gevolgen, waardoor het aantonen van nut en noodzaak van economische activiteiten helemaal niet gebeurt en er continu uitwijkmogelijkheden worden ingebouwd. Bestaande activiteiten en normale groei worden uitgeroepen tot heilige huisjes, waardoor de druk op het toestaan van activiteiten toeneemt. Dat zijn belangrijke knelpunten die weggenomen hadden moeten worden door een kabinet zegt de natuurbescherming te willen versimpelen. Maar niets van dat alles. Ik heb amendementen ingediend om de PAS, die bewezen niet van de grond komt, uit de wet te halen en om bestaand gebruik, een verzinsel van Nederland, te schrappen.

De nota van wijziging heeft als belangrijkste crux de combinatie met de quick wins van permanentmaking van de Crisis- en herstelwet. In het wetsvoorstel om de wet permanent te maken kwam als een duveltje uit een doosje het ontwikkelingsgebied op het platteland weer terug. De wet breidt dus de mogelijkheid uit om te experimenteren op het platteland. Hierdoor kan in het landelijk gebied een groot aantal wetten opzij worden geschoven, namelijk de Flora- en Faunawet, de Natuurbeschermingswet, de Wet ammoniak en veehouderij, de Wet bodembescherming, de Wet inzake geurhinder en veehouderij -- de heer Koopmans was daarin geïnteresseerd -- en de wetten inzake luchtverontreiniging en milieubeheer.

Dat stond ook in het oorspronkelijke wetsvoorstel dat is ingediend ten tijde van het kabinet-Balkenende, maar de ChristenUnie en de Partij van de Arbeid hebben dat met ruime steun eruit geamendeerd. Zij beargumenteerden terecht dat die experimenteergebieden in het landelijk gebied veel problemen zouden opleveren, omdat de regelgeving daar nu al onoverzichtelijke kluwen oplevert. In het debat van vorige week heb ik net als mijn collega's van de ChristenUnie en de SP daar veel vragen over gesteld. Ik heb mijn zorgen geuit dat de gemeenten en de provincies met deze bepalingen de intensieve veehouderij nog meer ruimte zullen geven dan zij nu al doen of in elk geval kunnen doen. Zij kunnen hiermee ook nieuwe landbouwontwikkelingsgebieden aanwijzen waar ongelimiteerd megastallen kunnen worden gebouwd, zonder rekening te houden met de geluids- en geuroverlast voor omwonenden en met de gevolgen voor natuur en milieu.

In antwoord op voortdurende vragen van de Partij voor de Dieren bleef de minister lang volhouden dat zij die vrees niet deelde. Ze maakte echter niet duidelijk welke ontwikkelingen zij dan wel voor zich zag in die gebieden en waarom het dus nodig zou zijn om de experimenteerruimte uit te breiden naar het landelijk gebied. Uiteindelijk antwoordde de minister dat de reden voor de opheffing van de beperking van de ontwikkelingsgebieden tot stedelijke gebieden, het creëren van mogelijkheden voor duurzame energie zou zijn. De minister ging er maar even niet op in dat je daarvoor de Wet geurhinder en veehouderij niet opzij hoeft te schuiven. De minister beloofde een briefje te sturen aan de Kamer waarin zij enkele voorbeelden zou uitwerken.

Er heeft een uitvoerige schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel plaatsgevonden. Na lang aandringen kwam inderdaad de aap uit de mouw. Het gaat natuurlijk om het sjoemelen met onze natuurgebieden en om het sjoemelen met rechten van bewoners. De minister heeft het over patstellingen tussen agrarische bedrijven en bewoners van steden en dorpen. Dit instrument zal wel even helpen om deze patstellingen te beslechten; in het voordeel van de boer, laat dat duidelijk zijn. De wetten die de burger beschermen tegen stankoverlast worden tien jaar buiten werking gesteld. Wij hebben zojuist al kunnen horen dat die wetten toch al niet zoveel voorstellen, maar nu worden ze nog helemaal aan de kant geschoven ook. De burger zoekt het verder maar uit! Datzelfde geldt voor de wetten die de natuur beschermen tegen ammoniakuitstoot van de stallen, voor zover die nog enige bescherming bieden.

De nota van wijziging, die wij vijf minuten voor aanvang van het debat vorige week maandag ontvingen, komt daar nog eens bovenop. Middels deze nota van wijziging worden nog meer nieuwe stallen en uitbreidende veeboeren -- in de nota eufemistisch "projecten" genoemd -- vrijgesteld van vergunningplicht. Opnieuw wordt de Natuurbeschermingswet uitgekleed. In plaats van een individuele vergunning voor deze projecten te verlenen, worden ze meegenomen in het bestemmingsplan van het landbouwontwikkelingsgebied -- dat is het namelijk -- en voilà, weg is het probleem! Dit lijkt het CDA te denken, want de heer Koopmans dacht tijdens het debat kennelijk dat ik hierin zou trappen. Alsof er überhaupt zoiets zou zijn als een dubbele natuurtoets die af te schaffen zou zijn. In het bestemmingsplan zouden de projecten zo gedetailleerd beschreven moeten kunnen worden dat een eventuele passende beoordeling van het bestemmingsplan moet voorkomen dat projecten individueel moeten worden getoetst en eventueel passend beoordeeld.

Ik leg de minister een casus voor. Ik had deze ook graag aan de staatssecretaris voorgelegd. Ik verwacht in elk geval antwoord van de minister op mijn vragen in dezen, nu de staatssecretaris er niet is. Stel dat de gemeente Nederweert een landbouwontwikkelingsgebied nieuwe stijl aanwijst op haar grondgebied en dat ze volgens het nieuwe uitgebreide artikel 2.3 een bestemmingsplan opstelt. Dit plan omvat onder andere de uitbreiding van een aantal veehouderijen. Die worden opgenomen in het plan en daarmee zijn ze dus vergunningvrij, volgens de plannen van de minister. Wat is precies de juridische status van deze bedrijven?

Ik noem deze gemeente natuurlijk niet zomaar. Nederweert ligt aan de rand van het unieke natuurgebied de Groote Peel. De ambtenaren zeggen het volgende over dit prachtige gebied: "De Groote Peel is een hoogveengebied in Zuidoost-Nederland. Het ligt op de grens van de provincies Noord-Brabant en Limburg. Het is aangewezen als Natura 2000 gebied, omdat het bijzondere en zeldzame natuurwaarden herbergt. Uniek zijn de restanten hoogveen. Ook is het een waardevol terrein voor grond- en oppervlaktewater. Daarnaast is de Groote Peel een waardevol voedselzoekgebied voor vogels, amfibieën, reptielen, libellen en vlinders." Verder schrijven de ambtenaren: "De maatregelen in het beheerplan zijn met bestaande plannen en regelgeving afgestemd." Juist. In deze casus maakt Nederweert dus een landbouwontwikkelingsgebied nieuwe stijl, en dan? Hoe worden de cumulatieve effecten van deze beide plannen en de gevolgen daarvan voor het stikstofgevoelige gebied in kaart gebracht en door wie?

Welk plan heeft eigenlijk voorrang, het beheerplan of het bestemmingsplan van het ontwikkelingsgebied? Hoe wordt de Raad van State geacht ermee om te gaan? Stel dat beide plannen in beroepsprocedures bij de Raad van State op het bord komen. Hoe moet zo'n bestemmingsplan worden opgesteld als het beheerplan nog niet is opgesteld, maar wel in de maak is? En andersom: hoe wordt het beheerplan vastgesteld en de effecten van de daarin opgenomen projecten getoetst als er in een naburige gemeente tegelijkertijd een bestemmingsplan voor een landbouwontwikkelingsgebied in de maak is? Wat moet waarin worden opgenomen, wie bepaalt dat en wie heeft het totale overzicht?

Hoe verhoudt het nieuwe instrument zich tot de Programmatische Aanpak Stikstof? Met wacht voor bestemmingplannen op de PAS omdat de staatssecretaris geen paal en perk wil stellen aan de hoeveelheid vee, waardoor de stikstofparagraaf dus een probleem blijft. Hoe hangen deze ontwikkelingsgebieden samen met de PAS? Wat gebeurt er als het bestemmingsplan passend beoordeeld is, maar daarbij niet goed is ingeschat of beschreven projecten significante effecten zouden hebben? Wat gebeurt er als het project vijf jaar later precies volgens de beschrijvingen in het bestemmingsplan wordt uitgevoerd, maar dat intussen is gebleken dat de natuur achteruit is gegaan en dat er sprake is van veranderingen in de overige activiteiten? Wie staat er dan op om te zeggen dat de zekerheid die toen over het niet-optreden van significante effecten is verkregen, niet langer bestaat? Wat doet dat met de positie van de ondernemer, die vergunningvrij is gesteld?

Een vergunning heeft een harde juridische status. Ik heb er al vaker op gewezen: een beheerplan heeft dat dus niet. Een beheerplan wordt voor zes jaar opgesteld, waarna er onvermijdelijk nieuwe investeringen nodig zijn, als het het bevoegd gezag al niet duidelijk is geworden dat er simpelweg minder dieren in het gebied kunnen worden gehouden. Hier komt dus nog een planfiguur naast waarvoor hetzelfde zal gelden. Ondernemers kunnen hier geen enkele juridische zekerheid aan ontlenen. Kan de minister dat bevestigen? Worden ondernemers wel naar de bank gestuurd omdat zij investeringen moeten betalen, terwijl zij geen zekerheid krijgen? Dan zegt de bank: ik wil best geld lenen, maar dan moet je ook uitbreiden; ik wil dat je aantoont dat je het kunt terugbetalen. Dan doen ondernemers dus investeringen waardoor hun financiële verslechtert en komen er meer dieren in een gebied dat dit niet aankan, terwijl er geen juridisch eind aan zit.

Ook wordt de lijn van het aantasten van het recht van de burger om op te komen voor zijn eigen belang vergaand aangetast. Een burger kan alleen nog maar bezwaar en beroep aantekenen tegen het bestemmingsplan, maar niet meer tegen het individuele project zelf. Bevestigt de minister die lezing? Als een burger bezwaar wil maken tegen zo'n plan, gelden ook de moeilijkheden die ik al eerder heb genoemd. Hij mag namelijk geen pro forma beroep aantekenen en hij mag geen beroepsgronden aanvullen. Is het volgens de minister reëel om van een burger te verwachten dat hij alles kan overzien wat in zo'n plan staat, wat de gevolgen ervan zijn en dat hij in een paar weken een allesomvattend beroepschrift kan opstellen? Ik denk van niet, niet omdat die burger zo achterlijk zou zijn, maar omdat burgers druk zijn, geen specialisten op het gebied van de geldende milieu- en natuurwetten zijn en alle andere wetten die van toepassing zijn op zijn bescherming en de bescherming van zijn woonomgeving.

Het buitengebied wordt vogelvrij. De veehouderij krijgt het voor het zeggen en de burger heeft het nakijken. Het bestemmingsplan voor landbouwontwikkelingsgebieden is net als het beheerplan tijdelijk, bedoeld om nog meer rek en ruimte te vinden terwijl wij nu al weten dat geen enkele rek mogelijk is. Wees daar eerlijk over. De Vogel- en Habitatrichtlijn biedt geen ruimte, maar belangrijker: de ernstig slechte staat van onze natuur biedt geen ruimte meer. En dat is de klem waar wij dus zelf om hebben gevraagd.

Een waardevol en uniek hoogveengebied als De Peel kan maar 400 mol aan ammoniakdepositie verdragen, maar de huidige belasting is 3500 mol. Je hoeft geen wiskunde te hebben gestudeerd om in te zien dat de situatie simpelweg onhoudbaar is. Binnenkort is juridisch moeras de enige natuur die wij nog overhebben in Zuid-Nederland. Wij worden erin geduwd door het CDA, de VVD, de PVV en de SGP.

Wie voert de natuurtoets uit voor de projecten die in het bestemmingsplan voor het landbouwontwikkelingsgebied "nieuwe stijl" worden opgenomen? Welke rol spelen de gemeenten en de provincies hierbij. Wat gebeurt er als een provincie op een gegeven moment concludeert dat de ammoniakdepositie in Natura 2000-gebied niet daalt en zij besluit om haar aanschrijvingsbevoegdheid te gebruiken? Welke rechten kunnen projectondernemers dan aan het bestemmingsplan ontlenen? Welke garanties kan de minister of de staatssecretaris geven?

Kan de provincie haar aanschrijvingsbevoegdheid gebruiken om de stikstofemissie te doen dalen? Hoe verhoudt dit zich tot het vastgestelde bestemmingsplan?

Het lijkt lastig in te schatten hoe de verschillende regelingen samenhangen en wat de juridische status is, laat staan dat decentrale overheden dat wel even kunnen. We zien nu al dat het heel vaak fout gaat. Bovendien interpreteren decentrale overheden de wet vaak op geheel eigen wijze. Je kunt ze dat niet kwalijk nemen, want het is ingewikkeld gemaakt, maar we hebben ook sterk de indruk dat ze op zoek zijn naar de mazen in de wet. We kunnen dat zien in de Eilandspolder. Ondanks twee uitspraken van de Raad van State is de provincie Noord-Holland nog steeds van mening dat het uitrijden van drijfmest niet vergunningplichtig is, nota bene in een beschermd Natura 2000-gebied! Zij zou dat laten vallen onder bestaand gebruik. Terwijl de kritische depositiewaarde daar allang wordt overschreden, denkt de provincie dat er geen enkele kans is op een significant verslechterend effect als gevolg van het uitrijden van drijfmest.

Dat zullen we hier nu weer gaan zien. In de wet is een mogelijkheid ingebakken om onder de vergunningplicht uit te komen. Wie gaat daarop controleren? Wie gaat controleren of de projecten voldoende in het bestemmingsplan zijn omschreven, de passende beoordeling van het bestemmingsplan wel kan worden gebruikt en het project vergunningvrij kan worden verklaard? In de Eilandspolder zit een goede stichting. Die houdt zich druk bezig met de natuur, maakt zich daar zorgen om, zorgt ervoor dat zij op de hoogte is en procedeert, maar hoeveel activiteiten gaan straks stilletjes gedoogd worden terwijl ze schade aanrichten aan natuur en terwijl ze helemaal niet hadden mogen plaatsvinden? We hebben niet overal clubjes mensen die al hun vrije tijd inzetten om naar de rechter te stappen. Dat zouden we ook niet van onze burgers moeten vragen. Wij, het bevoegd gezag, provincies en wetgevers moeten zelf zorgen dan we ons huiswerk goed doen. Je schaamt je toch de ogen uit je hoofd, iedere keer dat de Raad van State een streep zet door weer een onterecht verleende vergunning?

Dan zijn er nog de artikelen 19g en 19h in de Natuurbeschermingswet. Voor projecten met significante effecten kan toch vergunning verleend worden om dwingende reden van groot openbaar belang. Dat is nu niet zo snel het geval, maar met de nota van wijziging worden projecten voor ontwikkelingsgebieden ondergebracht in het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan wordt in zijn geheel getoetst, passend beoordeeld. Vanwege de ruime omvang van het bestemmingsplan is het veel waarschijnlijker dat het noodzakelijk wordt geacht om een bestemmingsplan uit te voeren en veel sneller zal bij zo'n bestemmingsplan genoemd worden dat het van groot openbaar belang is. Zijn de projecten die onder het bestemmingsplan vallen hiermee ook ineens van groot openbaar belang worden, hoewel ze grote significante effecten hebben? Is de situatie denkbaar dat een megastal met 300.000 kippen ineens van groot openbaar belang is omdat deze in een groter bestemmingsplan is opgenomen? Is dit een nieuw trucje van de regering om individuele gevallen, die anders nooit een vergunning zouden krijgen, ineens vergunningvrij te verklaren? Ik kan mij niet aan die indruk onttrekken.

Ik wil opheldering over de vraag hoe deze artikelen straks moeten worden gezien in het licht van het bestemmingsplan voor landbouwontwikkelingsgebieden. Hoe kan deze nieuwe regeling überhaupt bijdragen aan het verlagen van de regeldruk? Het is helemaal niet realistisch om te denken dat het bestemmingsplan in voldoende detail projecten of handelingen die deel uitmaken van een project, zo zou kunnen beschrijven om in de toekomst projecten vergunningvrij te verklaren. De passende beoordeling voor het plan laten gelden voor projecten binnen zo'n gebied kan alleen als je een plan zo gedetailleerd en concreet maakt dat alle mogelijke effecten op Natura 2000-gebieden te kwantificeren zijn. Het is niet realistisch om te denken dat je dit voor elkaar krijgt; denk aan geluid en uitstoot. Vanwege de looptijd van het bestemmingsplan kan het gaan over projecten die pas over enkele jaren zijn voorzien. Kan de minister dat bevestigen? Kan zij bevestigen dat het in de lijn der verwachting ligt dat alle effecten op de natuur vooraf niet goed in beeld te krijgen zijn?

De passende beoordeling van het bestemmingsplan zal in de praktijk helemaal niet gebruikt worden om projecten vergunningvrij te verklaren, want de passende beoordeling kan tenslotte geen rekening houden met beheerplannen die er nog niet zijn, omdat zij wachten op de PAS. Ze kan ook geen rekening houden met ontwikkelingen die zich in de toekomst nog gaan voordoen. Hoe kan een passende beoordeling van het bestemmingsplan rekening houden met de situatie in de toekomst? Het bestemmingsplan wordt namelijk vastgesteld voor de komende tien jaar. Of moeten er zo veel mogelijk handelingen van een zo groot mogelijke omvang worden beschreven? Dan ondervang je dat er zo veel mogelijk projecten onder het bestemmingsplan kunnen worden geschaard, maar zal het nooit lukken om met zekerheid vast te stellen dat al deze handelingen van een zo groot mogelijke omvang geen significante effecten tot gevolg hebben.

De voorzitter:
Mevrouw Ouwehand, uw tijd is om.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik zie het.
Ik heb het goed ingeschat. Ik heb nog twee alinea's.

De voorzitter:
U wilt toch niet dat ik u ga prijzen?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Nee hoor, voorzitter, ik wil eigenlijk maar één ding, namelijk dat wij deze wet van tafel vegen en dat de natuur nu eens echt beschermd wordt. Eigenlijk wil ik best veel dingen, maar het komt allemaal op hetzelfde neer: zorgvuldiger omgaan met onze leefomgeving en artikel 21 van de Grondwet respecteren.

Voorzitter, ik kan u in elk geval gelukkig maken, want ik ga afronden. Op geen enkele manier is aan te tonen dat deze regeling ook maar enig lastenverlichtend effect zal hebben. Je zou het tegenovergestelde kunnen voorzien: de Raad van State zal het drukker krijgen. Zoals ik al eerder heb gezegd, is dit nu al het geval na de wijzigingen als gevolg van de Crisis- en herstelwet. Dit zal alleen maar erger worden.

Ik heb sterk de indruk dat een groot deel van de Nederlandse burgers maar ook van de ondernemers er niet langer in trapt. Het heeft lang genoeg geduurd; 25 jaar CDA op natuurbeleid en landbouw, en ondernemers hebben het moeilijk. Dank je de koekoek! Goed gedaan!

De heer Koopmans (CDA):
Mag ik mevrouw Ouwehand bedanken voor de feitelijke opsomming die zij in het afgelopen uur heeft gegeven van de regelgeving? Ik zie dat als een soort verzamelde goede werken van het Kamerlid Koopmans, geschreven en gemaakt door E. Ouwehand. Ik zal het nog weleens teruglezen. Ik dank mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik hoopte al dat de heer Koopmans er blij mee zou zijn dat ik er in het laatste grote debat dat wij samen voeren, voor heb gezorgd dat de verzamelde werken en de resultaten van de inzet van de heer Koopmans uitvoerig in de Handelingen terechtkomen. Het is zeer de vraag of Nederland daarmee is gediend, maar het staat in elk geval zwart op wit.

Beantwoording door de Minister van Infrastructuur & Milieu:

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:
Met dank aan alle twitterende Kamerleden.

Er zijn veel vragen gesteld over betekenis en doel van de wijziging van de Natuurbeschermingswet, door onder anderen mevrouw Kuiken en mevrouw Wiegman. Dit is heel belangrijk. De voorgestelde wijziging van de Natuurbeschermingswet maakt de voorziening met betrekking tot de milieugebruiksruimte in de ontwikkelingsgebieden compleet. Deze wijziging maakt het mogelijk dat bij de invulling van het plan voor de optimalisering van de milieugebruiksruimte meteen de eventuele negatieve gevolgen voor een nabijgelegen Natura 2000-gebied worden getoetst, en niet pas achteraf. Dat is in de geest van Elverding; daar werd mij naar gevraagd. Ik denk zelfs dat deze voorziening een schoolvoorbeeld is van de verbinding tussen economie en ecologie. De overheid toetst het plan aan de eisen van de Vogel- en Habitatrichtlijn, met inbegrip van het voorzorgsbeginsel. Het belang van de natuur is daarmee gewaarborgd. De ondernemer heeft snel duidelijkheid en wordt niet geconfronteerd met een lange en dure vergunningsprocedure. De voorgestelde voorziening voorziet ook in een actualiteitstoets. Voordat het bevoegd gezag groen licht geeft aan een project, beziet het eerst of de eerder gemaakte passende beoordeling nog steeds actueel is: wat is de situatie van de betrokken natuurwaarde op dat moment?

De voorziening regelt dat wanneer in een plan de projecten zijn beschreven, de toetsing van die projecten plaatsvindt via de plantoetsing. Er is dan dus geen aparte projecttoetsing meer nodig. Het doel is voorkomen dat een onnodig dubbele toetsing van een project voor de natuur plaatsvindt, eerst op planniveau en daarna nog eens op projectniveau. Alles gebeurt nu in één keer. Er werd gezegd dat dit nu ook kan, maar dat is niet het geval. Dat zagen we ook bij de Rotterdamse haven. Wij moesten eerst op planniveau een toets doen en vervolgens per terminal, op projectniveau, dezelfde toets met ongeveer dezelfde gegevens. Dat leidt uiteindelijk tot veel lasten voor bedrijven terwijl het niveau van de bescherming van de natuurwaarde niet verandert omdat beide toetsen op dezelfde manier zijn vormgegeven.

Belangrijk is dat nog steeds een passende beoordeling van de betrokken projecten moet plaatsvinden. Er moet zekerheid zijn verkregen dat de natuurwaarden niet worden aangetast, conform artikel 6, lid 3 van de Habitatrichtlijn. Er is dus ook geen omzeiling van de Habitatrichtlijn, zoals sommigen wel veronderstelden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De minister presenteert alsof het nieuw is dat het bevoegd gezag van tevoren kan kijken wat de natuureffecten zullen zijn, maar dat is al verplicht. Juist daarom heb ik gevraagd hoe is omgegaan met de verplichtingen vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Hoe zijn die gehandhaafd? Hoe is het verlopen met de vergunningverlening, met name op het gebied van veehouderij? Zolang de regering daarin geen inzicht wil geven, blijft de indruk ontstaan dat hier een heel nieuw circus wordt opgetuigd terwijl de verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn niet worden nagekomen. Het kan al! Het moet al!

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:
Naar aanleiding van het vorige debat heb ik gezegd dat ik die vraag zou doorgeven aan mijn collega, de staatssecretaris van EL&I. Mevrouw Ouwehand zal daar dan ook antwoord op krijgen vanuit EL&I.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dat antwoord hebben wij gekregen. Het antwoord luidde: dat vertellen wij u niet. Vindt deze minister werkelijk dat zij de Kamer in een goede positie brengt om te oordelen over wat zij hier zegt? We kunnen straks gaan toetsen wat de effecten van een plan op de natuur zijn, maar dat moet nu al. Wij moeten weten hoe het bevoegd gezag hiermee is omgegaan tijdens de afgelopen tien jaar om te kunnen beoordelen of dit enig hout snijdt, of wij hier enig vertrouwen in kunnen hebben, of wij geen heel ingewikkelde constructies maken met de juridische positie van de betrokken ondernemers.

Als de minister met de staatssecretaris van EL&I afspreekt dat zij dit debat doet en dat hij niet hoeft te komen, snap ik niet waarom zij zich er dan niet van op de hoogte stelt of de Kamer de juiste informatie heeft ontvangen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:
We behandelen hier wetgeving en die moet ook voortbouwen op reeds bestaande wetgeving. Wat moet, dat moet; wat wij van tevoren moeten toetsen, moeten wij toetsen en wat wij moeten handhaven, moeten wij handhaven. Mevrouw Ouwehand vraagt hoe de handhaving in het verleden is gegaan. Ik heb die vraag doorgespeeld naar EL&I. De Kamer heeft zelf beoordeeld wie hier wel of niet bij zou moeten zitten. Nogmaals: in de wet staat gewoon wat er getoetst moet worden en dat er gehandhaafd moet worden. Daar houd ik mij gewoon aan.

[...]

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:
Hoe je daartegen aan kijkt, hangt natuurlijk ook af van je politieke kleur en voorkeur. Volgens mij voeren de heer Koopmans en mevrouw Ouwehand die debatten onderling wel voldoende. Het gaat mij erom dat ik mij richt op wat nu op de agenda staat.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Ik vind de antwoorden van de minister niet correct; op verschillende punten schat ik ze niet in als correct en treffend voor hoe de situatie nu is. De minister zegt dat de inbreng van mevrouw Ouwehand steeds terugkomt. Er zijn meer debatten geweest, de geschiedenis speelt hier een belangrijke rol. Ik kan me voorstellen dat het verstandiger is om aan de staatssecretaris van EL&I te vragen om al mijn specifieke vragen over hoe de nieuwe ontwikkelingsgebieden en bestemmingsplannen zich verhouden tot de beheerplannen en de PAS, die er nog niet is, schriftelijk te beantwoorden vóór de stemmingen.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:
Ik heb ook genoteerd welke specifieke vragen in het betoog over de wetsontwikkeling in de afgelopen jaren zaten. Het was een heel lang betoog, af en toe kwamen er specifieke vragen. Een deel daarvan was van toepassing op deze wetgeving, een deel ging echt over andere zaken. Hoe ik denk over de geurhinder in 2010 hoort bijvoorbeeld echt thuis op een andere plek. Ik wil mijn collega dat dan ook niet schriftelijk laten beantwoorden voor deze stemming, omdat daarvoor andere momenten en plekken zijn. Hetzelfde geldt voor de vraag wie er voorgaat qua ondernemerschap bij de Wet geurhinder, en zo zaten er nog een aantal vragen tussen. Ik wil heel graag antwoord geven op de vragen die echt betrekking hebben op dit wetsvoorstel en reageren op de zaken waarover u zich zorgen maakt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik kan tellen. Die wet gaat er komen, hoe weinig de minister ook ingaat op de feitelijke vragen en hoe weinig serieus de meerderheid in de Kamer al deze vragen ook neemt. Maar al is het maar voor de geschiedschrijving, voor de Handelingen, om te knokken voor de parlementaire democratie, waarin je antwoord krijgt als je een vraag stelt, ik zou toch graag antwoorden op die vragen willen. Als is afgesproken dat in 2010 die geurniveaus worden gehaald, wil ik weten of die zijn gehaald en hoe dit zich verhoudt tot het opzijschuiven van geurwetten in nieuwe gebieden en de andere mogelijkheden die deze Crisis- en herstelwet biedt. Wees daar gewoon eerlijk over. Ik vind dat die vraag door de minister of door de staatssecretaris van EL&I moet worden beantwoord. En als dat laatste het geval is, wil ik de antwoorden schriftelijk hebben, voor de stemmingen. Je kunt doordrukken wat je wilt, maar je moet in ieder geval mans of vrouws genoeg zijn om toe te geven wat je aan het doen bent.