Bijdrage Ouwehand Landbouw- en Visse­rijraad 20 april 2015


10 juni 2015

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik krijg vast warme steun van de VVD voor mijn verzoek om goede en duidelijke informatie van het kabinet, een compleet plaatje, te krijgen over de ontwikkelingen op het gebied van genetische manipulatie. Het trackrecord van het kabinet is niet zo best. De Kamer heeft al een paar keer achter de feiten aan moeten lopen. Toen we hier kennismaakten met onze eigen Eurocommissaris Timmermans, zei deze dat hij de huidige regels, waarbij de Raad nooit tot een gekwalificeerd besluit over aanvragen voor toelating van gentech in Europa komt en de Europese Commissie dus altijd, ondanks tegenstand van een groot aantal lidstaten, voor toelating stemt, niet erg democratisch vindt. Vandaag presenteert de Commissie regels om de import van gentechgewassen te wijzigen. Een en ander lijkt ook niet bepaald democratisch tot stand te komen. Bovendien lijkt het juridisch onhaalbaar te zijn. De Partij voor de Dieren heeft hier grote zorgen over. Nogmaals, we willen graag actiever door het kabinet worden geïnformeerd over de ontwikkelingen op dit vlak.

De Commissie zal vandaag de import van maar liefst zeventien nieuwe gentechgewassen toelaten op de Europese markt. Dat zijn stuk voor stuk gewassen die of zelf giftig zijn of resistent voor landbouwgif. Tegelijkertijd hebben we een Staatssecretaris – complimenten daarvoor! – die adequaat reageert op een nieuwe studie van de Europese Academie voor Weten-schappen en Kunsten. Daaruit blijkt – dat hadden we kunnen weten – dat neonicotinoïden veel meer schade aanrichten dan gedacht. Hoe kijkt de Staatssecretaris hier nu tegenaan? De Europese Commissie zegt: laten we het maar invoeren. Als ik het goed begrepen heb, komt zij met een voorstel op basis waarvan je per land een importverbod kunt instellen. Ik zou dat wel graag willen, maar niet als dat betekent dat de Europese Commissie maar alles toelaat in Europa en het vervolgens erg moeilijk wordt voor een lidstaat om een eigen importverbod af te spreken. Kan ik van de Staatssecretaris een appreciatie krijgen van dit voorstel en misschien ook van de koers van het kabinet met betrekking tot dit soort resistente of zelf gif producerende gentechgewassen? Kunnen we niet gewoon met elkaar afspreken dat we er standaard tegen zijn? Ik kom op de bossen. Iedereen is voor bossen, behalve de VVD misschien. Er is een VN-Bossenforum, de elfde zitting. De Staatssecretaris heeft op zich een goede inzet, dank daarvoor. Maar op het moment dat het pijnlijk wordt – dan gaat het over ons eigen aandeel in het verdwijnen van de bossen – horen we haar niet. Palmolieplantages, sojavelden en rundvee-houderijen komen in de plaats van tropische bossen. We weten best wat we moeten doen om die druk te verminderen: minder vlees eten, ophouden met biobrandstoffen, onze grenzen sluiten voor goederen uit illegaal gekapte bossen. Maar als het daarom gaat, is de Staatssecretaris wat stiller. Is zij bereid om hierover de discussie te openen, te erkennen wat onze rol hierin is en met strategieën te komen om die te veranderen? Aansluitend heb ik een punt over een betere handhaving van de Europese houtverordening. Het lijkt niet goed te gaan, want illegaal hout blijft op de markt komen. Lidstaten moeten, zo heb ik begrepen, uiterlijk 30 april in een verslag aan de Europese Commissie laten zien hoe de verordening is toegepast. Kan de Staatssecretaris het Nederlandse verslag ook naar de Kamer sturen, zodat wij kunnen meekijken? Is zij hiertoe bereid?

Ik kom op de vergroening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. De Partij voor de Dieren vindt dat het niet veel voorstelt. Die paar maatre-gelen die er zijn, lijken ook nog niet per se de vergroening vooruit te helpen. Wij hebben berichten gehoord dat er een strakke deadline is, namelijk 15 april. Dan moeten mengsels voor bloemrijke akkerranden ingezaaid worden. Die lijken onwerkbaar en bovendien ten koste te gaan van de effectiviteit van de bloemenranden. Ondernemers zouden daardoor eerder voor de gewone groenbemesters kiezen, die qua biodiversiteit helemaal niet veel opleveren. Is dat waar? Wat gaat de Staatssecretaris hieraan doen, vooropgesteld dat zij wel wil dat dit ook iets oplevert voor de vergroening?

Dan ga ik naar de biologische verordening, waarvan het CDA terecht heeft gezegd dat ik hierop nog zou terugkomen. We begrijpen dat er gisteren op hoog ambtelijk niveau is gesproken over het voorstel. Als dit voorstel wet zou worden, zou het de biologische sector zo’n beetje de nek omdraaien. De Staatssecretaris is samen met de Kamer tot nu toe zeer kritisch geweest; dank daarvoor. De druk om op de volgende Landbouwraad alsnog tot een akkoord te komen over dit omstreden voorstel, lijkt echter ongelooflijk hoog. Ondanks de oproepen van de Staatssecretaris en van haar collega’s uit andere landen ligt het voorstel nog steeds op tafel. We worden graag bijgepraat. Is de Staatsse-cretaris inmiddels bereid om aan te dringen op intrekking van dit voorstel?

.............................................

Staatssecretaris Dijksma: Dat klopt.

Voorzitter. Ik zal beginnen met het aantal blokjes. Dat is ook bescheiden, het zijn er drie: het GLB, de visserij en overig. Dat laatste blok bevat een heleboel onderwerpen.

Ik begin bij de biologische richtlijn. Bijna iedereen heeft gevraagd: hoe staat het ervoor? Onder anderen de heer Geurts vroeg: kun je geen streep in het zand trekken en zeggen «we werken niet meer mee; this is it»? De streep heb ik al tijdens de vorige Landbouwraad getrokken en ook tijdens de BioVak. In een zaal vol biologische boeren heb ik de Commissie opgeroepen om met een nieuw voorstel te komen. Ik heb dat herhaald tijdens de Landbouwraad. Vervolgens ga je je vrienden tellen. Dat hoort erbij, want als je zo’n voorstel wilt doorzetten, heb je daar wel een zekere massa voor nodig in de Raad. Daar ligt het wat ingewikkelder. Zoals een aantal leden zei, is er druk van zowel de voorzitter van de Raad als de Commissie om toch voor de zomer tot een akkoord te komen. Mijn houding, die identiek aan de uwe is, is: beter geen akkoord dan een slecht akkoord. Dat is gewoon de baseline van waaruit wij opereren, maar dat betekent desalniettemin dat wij wel mee willen blijven onderhandelen. Dan kom ik uit bij wat de heer Smaling zegt: als er een voorstel onze kant op komt dat op wezenlijke punten veranderd is ten opzichte van wat er eerder lag, dan moet je op een gegeven moment je knopen tellen. Wil je je daartegen nog blijven verzetten omwille van het verzet, of heb je inhoudelijk dusdanig je gelijk gehaald dat het nu een voorstel is waarmee je goed uit de voeten kunt? In de vorige Raad heeft de Commissaris aangegeven dat Nederland tegemoetgekomen zal worden. Samen met een aantal collega’s heb ik ook schriftelijk voorstellen gedaan. U kent die. Ze komen overeen met een aantal dingen die de heer Smaling als voorbeeld gaf. Denk aan bedrijven met een parallelle bedrijfsvoering of de importkwestie van derde landen. Ik heb nog geen compromisvoorstel gezien, maar ik mag u wel verklappen dat ik een afspraak heb met de Commissaris om tijdens de komende Landbouwraad in Luxemburg hierover informeel te spreken op maandag. De druk die ik kan uitoefenen op de Commissie en op het voorzitterschap, is dus groot. Daarbij zet ik bij wijze van spreken alle middelen in die geoorloofd zijn. Daar hoort ook bij dat er een moment kan komen dat Nederland niet mee wil doen, dus nee zegt. Sterven in schoonheid – zo heet dat bij mij thuis – is in dit dossier echter niet de meest ideale optie. Je wilt er immers het beste uitslepen. Zolang ik de ruimte houd om mee te onderhandelen en er mijn stempel op te drukken, blijf ik wel meepraten. Ik neem aan dat dit ook in uw geest is. Als er een slecht voorstel op tafel ligt, zijn wij gewoon niet voor. Maar dan hebben wij het wel verloren. Dat wil ik ook even zeggen, en ik weet niet wie daar dan blij van wordt. Dat zijn wel de verhoudingen. Zo zit het dus. Ik heb u even meegenomen in onze strategie. We hebben maximaal druk uitgeoefend. We hebben ook helder gemaakt dat voor ons alle opties denkbaar zijn, ook een geheel nieuw voorstel. Binnen dat raamwerk ben ik bezig om het onze kant op te trekken. Als dat lukt, kan er een moment komen dat ik alsnog instem. Als het echter een slecht voorstel blijft, zijn wij niet akkoord, simpel. Ik heb echter niet een heleboel andere lidstaten naast mij staan die zeggen dat er een nieuw voorstel moet komen. Dan hadden we nu een andere discussie gehad en dat weet de Commissie natuurlijk ook. Maar er is haar veel aan gelegen, denk ik, om Nederland in dit geval aan boord te krijgen. Dat is goed, dat is belangrijk.

Ik kom op de superheffing en het voorstel om deze over meerdere jaren te laten betalen. Meerdere leden hebben hierover opmerkingen gemaakt. Naar ik meen de heer De Liefde vroeg: waarom niet voorgestemd? Het voorstel leidt tot zeer hoge uitvoeringslasten. Het gaat dan echt om tonnen. Stel dat de Commissie zegt «we zetten het door», dan zal Nederland dat uiteraard in overweging nemen. Ik heb alleen niet het idee dat dit een voorstel was waarmee we iedereen blij zouden maken. Waarom niet? Omdat een en ander natuurlijk bedoeld is om te voorkomen dat we nog gaan sleutelen aan de vetcorrectiefactor. Je krijgt dus wel een cadeau met misschien een mooie verpakking eromheen, maar als je het uitpakt, is het redelijk leeg. Daarom heb ik niet voorgestemd. Dit was namelijk niet het cadeau waarvan ik dacht dat ik ermee terug zou willen komen bij de Kamer. Soms zijn dat je overwegingen, omdat je liever iets anders wilt. Ik had het idee: ik geloof niet dat we ons hiermee moeten laten afschepen, om het zo te zeggen. Als het eenmaal een feit is, moeten we het uiteraard in overweging nemen, ook vanwege een gelijk speelveld, zeker. Maar het bedrijfsleven zal dan zelf ook een deel van de uitvoerings-lasten op zich moeten nemen en ik heb niet de indruk dat men van plan is om dat te gaan doen. Dat moeten we er wel bij zeggen. Het kost bij wijze van spreken bijna meer dan het oplevert. Ik vind het niet het beste voorstel dat ooit is voortgekomen uit de Commissie. Het is vooral bedoeld om een klein kluifje de arena in te gooien, met het idee «nou, dan is iedereen weer rustig». Maar dit is niet het kluifje dat wij willen. U hebt mij bovendien ook niet gevraagd om dit binnen te halen. Ik moest iets anders binnenhalen, toch? Daar was ik nog steeds mee bezig.

Mijn volgende punt betreft de gecombineerde opgave. Dat is inderdaad een complexer en ander verhaal dan we misschien ook wel hadden gehoopt. Ja, het nieuwe beleid moet simpeler zijn. We hebben ook niet voor niets – dat heeft volgens mij uw volledige instemming gekregen – heel veel voorstellen naar Commissaris Hogan gestuurd om dit voor elkaar te krijgen. Nederland heeft hieraan een mooie bijdrage geleverd, met dank ook aan de boeren zelf die via internet suggesties hebben gedaan. Het systeem is inderdaad niet alleen nieuw, maar ook complexer en anders. Ik vind dat je hierover open moet zijn. Je moet dat niet wegpoetsen, want dan hebben mensen helemaal het gevoel «ze snappen het niet». Dit heeft ook uitgebreid in de brieven van 30 maart en 10 april gestaan. Het probleem is dat die gecombineerde opgave «verantwoorde-lijkheid neemt» voor het kunnen uitbetalen van de directe betalingen en een aantal andere subsidies uit het gemeenschappelijk landbouwbeleid, bijvoorbeeld de opgave gebruik gewaspercelen op grond van het uitvoeringsbesluit meststoffen en de opgave landbouwstatistieken waarmee Nederland aan verschillende Europese rapportageverplichtingen moet voldoen; let even op het woordje «moet». Dit jaar vragen we inderdaad – die discussie hebben we eerder gehad in het kader van de stalregistratie – meer informatie. Volgens mij spreken wij hier wellicht nog verder over. Een en ander is van belang voor de PAS. In een eerder debat hebben we hierover ook van gedachten gewisseld met elkaar. Het was een aanbeveling, ook van de Commissie van Deskundigen Meststoffenwet. Die voeren wij vervolgens uit. In de gecombineerde opgave zit in 2015 subsidie voor de basisbetalings-regeling. Ook de betaling voor de vergroening zit erin, net als de jonge landbouwers en de vrijwillig gekoppelde steun inzake de graasdierhou-derij, de zogenaamde graasdierpremie. Een voorwaarde om aan die basisbetalingsregeling mee te kunnen doen, is het aanvragen van nieuwe betalingsrechten door een ondernemer. Dat gebeurt ook in die gecombi-neerde opgave. Als je het bij elkaar optelt, wordt er inderdaad meer informatie gevraagd, dat is zo. Ik ben daar ook niet altijd even gelukkig mee. We proberen het zo lean-and-mean mogelijk te doen, maar we moeten wel voldoen aan onze subsidieverplichtingen. We hebben immers eerder gezien wat er gebeurt als daarover vraagtekens beginnen te ontstaan: dan gaan we een traject met de Commissie in waar je echt helemaal niet blij van wordt. Dat wil ik onze boeren niet aandoen. Het is inderdaad vervelend. We helpen zo goed en zo kwaad als het kan. We zetten RVO full-fledged in, zoals u hebt kunnen lezen in de brief. De heer De Liefde vraagt of dat voldoende is. We gaan daar op dit moment wel van uit. Als we dit moeten bijsturen, zullen we dat gewoon moeten doen. Ik vind dat dit ook mijn houding moet zijn. Als er ergens een kink in de kabel komt, moeten we er nog meer effort op zetten. De heer Geurts vroeg om een voorschot. Dat kan na half oktober, maar dan moeten wel alle controles zijn afgerond. En die controles zijn natuurlijk de oorzaak van de latere betaling, dus feitelijk lost zo’n voorstel niks op en kun je beter gewoon direct betalen. Dat is eigenlijk de afweging. Verder heeft de heer Geurts gevraagd of je 2015 kunt zien als een proefjaar. Ben ik bereid om premies die worden uitbetaald in het kader van de vergroening, niet terug te vragen bij kleine fouten? We hebben gezegd – ik heb dit ook bepleit en dit is uiteindelijk ook onderdeel van het beleid geworden – dat we in het overgangsjaar 2015 niet meteen full-fledged alle sancties gaan toepassen. Het is een opbouw. Maar we moeten ons wel houden aan de regelgeving. Ik kan daarin niet gaan shoppen en zeggen: het ligt er nu wel, maar laten we het nog maar even door de vingers zien. Ik vind dat we oog moeten hebben voor het overgangsjaar, binnen de bestaande regelgeving. We kunnen mensen zo veel mogelijk helpen, ook om te voorkomen dat er fouten worden gemaakt. Maar als er evident fouten worden gemaakt, moeten we wel acteren. Het punt van de landschapselementen is een debat dat we bij de vaststelling van het gemeenschappelijk landbouwbeleid al uitgebreid hebben gevoerd. Ik snap wel dat er druk blijft, maar we zijn wel degelijk tot conclusies gekomen. Ik wil niet nu al met aanpassingen komen. Ik wil eerst ervaringen opdoen met de huidige invulling. Het is heel complex, die landschapselementen, juist ook administratief. Dat is uiteindelijk de belangrijkste reden geweest waarom we hebben gekozen voor een voorzichtig groeimodel. Het is echt niet te doen om het allemaal te gaan intekenen en opvragen. U hebt mij terecht gevraagd of die gecombi-neerde opgave niet wat pittig is, maar ik kan u verzekeren dat mijncollega’s in andere landen die een politiek compromis hebben gesloten – dit was een onderwerp waarover alle organisaties, van boeren tot natuurclubs, het in alle landen eens waren, ook in Nederland – te maken hebben met enorme uitvoeringsproblemen. Politiek gezien heb je een quick win als je zegt: weet je wat, we zetten hem er gewoon op; wat kan ons het schelen? Maar als je het moet gaan uitvoeren, krijg je daar ontzettend veel spijt van, omdat het gewoon niet te doen is. Daarom hebben we ook gezegd: laten we in Nederland voor een iets andere aanpak kiezen. Laten we dat even vasthouden, zou mijn oproep zijn. Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd naar de mengsels en de deadline. Ik weet nog niet wat de effecten zijn. Dat moet ik nog even afwachten. In het verslag van de Raad kunnen we u hierover informeren. Immers, wat wij nu nog niet zien, kan ik ook niet opschrijven. Ik kom op de vraag van de heer Geurts of voor een groep agrariërs de regeling met betrekking tot de tijdelijke gronden kan worden aangepast. Er kunnen ook private afspraken tussen huurders en verhuurders worden gemaakt over de vraag wie de betalingsrechten krijgt. Dat kan nu al geregeld worden. Je kunt dat onderling met elkaar afspreken. Last but not least in dit blokje de vraag over de landbouwfondsen en de reactie. De middelen liggen tot 2020 vast. Dat hebben we net gedaan. Er is nog geen nieuwe discussie gaande over een nieuwe hervorming van het GLB. Ik ben gekomen aan het einde van dit blok.

.....................................

Mevrouw Ouwehand (PvdD): We hebben inderdaad de discussie met de Staatssecretaris al gehad. Het is een van de weinige dossiers waarop we Kamerbreed heel kritisch zijn, samen met de Staatssecretaris. Ik zie ook dat de Staatssecretaris alle mogelijkheden benut om voor elkaar te krijgen wat we met zijn allen willen; veel dank daarvoor. De discussie ging over «zien we het goed dat je beter kunt vragen om intrekking van het voorstel, of is de route van de Staatssecretaris effectiever?» Ik wil de Staatssecre-taris het vertrouwen geven. Ik zie dat zij er zelf ook in gelooft dat het anders moet. Ik vind het wel een enorme domper om te horen dat zo weinig lidstaten aan haar zijde staan. Wel kritiek hebben, maar niet bereid zijn om even door te pakken. Het zou echt verschrikkelijk zijn als dit de reden was dat het er toch door komt.

De voorzitter: Wat is uw vraag?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik maak me grote zorgen over het voorstel. Kan de Staatssecretaris in ieder geval komen met een uitgebreide appreciatie van de voorstellen zoals opgenomen in de geannoteerde agenda voor de volgende Landbouw- en Visserijraad? Zet «m op, zou ik zeggen!

Staatssecretaris Dijksma: Ja, en dank.

.................................................

Staatssecretaris Dijksma: Dat is altijd rijp en groen door elkaar. Ik kom allereerst op Pro Dromi. Gevraagd is hoe wij dit kunnen steunen en of dit niet een gangbare standaard in de Europese Unie moet worden. Al eerder zijn we vanuit het ministerie betrokken geweest bij het hele ontwikkelverhaal. Op zichzelf juichen we die kraamhokken toe. Ik ga niet deze week maar volgende week naar Denemarken, naar een internationale conferentie over het welzijn van varkens. Dat doe ik op uitnodiging van mijn Deense collega. Mijn Duitse collega is daar ook bij. Dat zijn, zeg maar, de vrienden van de welzijnsconferentie. Ik wil daar best dit systeem als voorbeeld aan de orde stellen. Dat lijkt me goed. Maar, zoals mevrouw Dikkers terecht al aangaf, het zou wel onderdeel moeten zijn van het verdienmodel. Zodra je iets tot standaard verheft, vervalt feitelijk de prikkel om het onderdeel van je verdienmodel te maken. Mijn voorstel is dus om dit niet nu tot dé norm te verheffen. Er zijn misschien ook nog andere innovaties waaraan je een plek zou willen gunnen. Daar moet je geen rem op zetten door één systeem heilig te verklaren, waardoor je alle innovatie op dit onderwerp stopt. Ik wil dus van harte een goed woordje doen voor dit soort type innovaties, maar het is wel wijs om ervoor te zorgen dat het ook iets is wat zich gaat uitbetalen. Zeker de varkenshou-derij staat zwaar onder druk. Als je elke verbetering die men in de bedrijfsvoering doorvoert, als het ware uiteindelijk voor rekening van de boer laat komen, dan is dat geen goede ontwikkeling. Volgens mij staat dat het recept voor een duurzame varkensvleeshouderij een beetje in de weg. Dan krijg je de verkeerde spiraal. Dat is mijn afweging op dit punt.

De heer Smaling vroeg of het verslag van de timber-verordening naar de Kamer kan worden gestuurd. Uiteraard. Mevrouw Ouwehand vroeg dat volgens mij ook. Dat doen we gewoon.

De heer Smaling zei dat het heel belangrijk is dat we het belang van de bossen voor de wereld scherp op ons netvlies hebben. Mevrouw Ouwehand sprak daar ook over. Het gebruiken van bomen voor palmolie en het planten van sojastruiken schuurt daar soms mee. Ja, dat is zo. Nederland zet zich actief in tegen onnodige ontbossing. We hebben bijvoorbeeld in EU-verband heel sterk ingezet op adequate handhaving op het punt van illegale import. Dat is een heel belangrijk punt. We doen dat ook via het «vlechttraject». Verder zijn we samen met de keten bezig om op verdere verduurzaming in te zetten. Nederland doet dat op een aantal terreinen, waaronder palmolie, soja en thee. Dat is soms een proces van vallen en opstaan. We hebben er in de keten soms ook heel spannende gesprekken over. De druk is er echter, en die voel ik net zoals de commissie die voelt. Dit is heel belangrijk. Dat geldt ook, zo zeg ik tegen mevrouw Ouwehand, voor onze eigen wijze van produceren. Daar moeten we niet stil over zijn. We moeten gewoon gaan handelen.

Ik kom op de Natura 2000-refit. Die komt er inderdaad. Dat is ook heel goed. Daarover hebben we helemaal geen verschil van mening. Ik denk dat er heel veel winst te boeken is met een leaner and meaner systeem. Bij het Grevelingenmeer is dat bij uitstek het geval. Daarbij werken Minister Schultz en ik samen om de verzilting tot stand te brengen. Dat mag eigenlijk strikt genomen niet volgens de Habitatrichtlijn, want – ik zeg het nu expres even heel plat – er is in de afgelopen decennia één mooi bloemetje gekomen en dat zouden we dan als soort verliezen. Maar de grote natuurwinst van het terugbrengen naar de oude staat, met getijden en al, is natuurlijk de echte winst. Dat is een mooi voorbeeld van hoe je op een positieve manier toch veel meer ruimte kunt creëren binnen de Natura 2000-regelgeving. We hebben daar eerder ook afspraken over gemaakt. Ik dacht – ik check dit even bij mijn ambtenaren – dat we ergens

voor het meireces of ergens voor het zomerreces onze inzet zouden geven. Ik zie dat niemand het nu even weet, maar het is een van die twee. Ik vraag dat nog even na. De heer De Liefde zegt dat er al heel lang gesprekken gaande zijn. Er zijn technische vragen gesteld en we zitten nu nog in de fase van het opstarten van de inhoudelijke gesprekken over waar iedereen staat. Zoals iedereen weet, ben ik met de voorganger van de huidige Eurocommissaris voor Milieu in gesprek geweest over de wens van Nederland om tijdens zijn voorzitterschap een conferentie over dit onderwerp te organiseren. Dat soort dingen hebben we allemaal gedaan. Uiteraard gaan we samen met de Kamer bepalen wat onze inhoudelijke inzet zal zijn. Dat wordt vast een heel spannend en mooi debat. Ik heb dus niet ergens allemaal kaarten omgekeerd op tafel liggen die ik niet wil tonen. Ik ben nu gewoon bezig met het zelf formuleren van wat onze inzet moet zijn. Als we daarmee klaar zijn, dan krijgt de Kamer die inzet en gaat zij met mij bepalen of die goed genoeg is. Zo stel ik het me voor. Ah, ik krijg nu ingefluisterd dat het voor het meireces is. Dat dacht ik al. Ik zeg tegen de heer De Liefde: dat is nog maar een paar weken, dat gaat heel snel. Dat moet dus goed komen.

Mevrouw Ouwehand vroeg aan mij om het Nederlandse verslag over duurzaam hout naar de Kamer te sturen. Dat zal ik doen.

Het is, denk ik, goed om het even over agorabont te hebben. Ik heb het de afgelopen keer in de Landbouwraad aangekaart en toen van mijn hart geen moordkuil gemaakt. Dat heeft volgens mij heus wel indruk gemaakt. Het is echter niet zo, zoals mevrouw Dikkers suggereert, dat we eenzijdig een soort importverbod in WTO-verband kunnen regelen. Om te beginnen is er gewoon al Europese consensus nodig om op zo’n onderwerp met elkaar te acteren. Het bereiken daarvan is al niet eenvoudig. Dat is een feit. Morgen ben ik bij de ARD, Das Erste/Erstes Deutsches Fernsehen, om daar het Nederlandse standpunt te vertellen. Ik ben dus echt wel bezig, zelfs behoorlijk activistisch, met het op de agenda zetten van dit onderwerp, ook buiten Nederland. Er waren ook heel veel lidstaten die Nederland steunden toen ik dit onderwerp de afgelopen keer op de agenda zette. Die lidstaten hebben gezegd dat we niet alleen in Europees verband hierover moeten spreken. Dat vind ik heel goed. De Commissaris heeft al gezegd: ja, dat moeten we doen, we gaan dat samen verder verkennen. Die lidstaten willen ondertussen, zoals ook wij gedaan hebben, met de kledingbranche om tafel om te vragen wat die alvast kan doen. Ik duid het dus heel anders en gebruik een heel andere toon dan mevrouw Dikkers. Ik denk dat wat we nu aan het doen zijn het maximaal haalbare is. We doen dat met veel lawaai, en met mediaoptredens in andere landen om mee te helpen het maatschappelijk draagvlak nog verder te vergroten. Ik zal dus in mijn beste Duits gaan vertellen waarom dit onderwerp op de agenda behoort te staan en waarom we een einde moeten maken aan het martelen van de dieren die hiervoor misbruikt worden. Zo staan we erin. We zullen dat echter wel met een gezamenlijk EU-standpunt moeten doen. Een beetje in je eentje roepen dat iets moet, is mooi maar je schiet er geen snars mee op, zzo denk ik dan. Dat is de inzet. Ik hoop dat de Kamer zich daarin herkent.

De heer De Liefde zei ten aanzien van de plantenziekte waarvan ik de naam niet zal uitspreken: blijven jullie wel bepleiten dat er geen gesloten systeem komt? Ja, zeker. We zullen dat heel hard doen. We zien echter precies het door hem geconstateerde fenomeen dat er landen zijn die dit aangrijpen om als het ware toch meer hun eigen markten te beschermen. Dat zou voor Nederland heel slecht zijn. Volgens mij zitten we hier dus exact hetzelfde in. We zullen ons op dat punt niet laten vermurwen. Dan de ggo’s en de wijzigingen. Het lastige is, zo zeg ik tegen mevrouw Ouwehand, dat het in twee departementen zit maar ook in meerdere Raden. Ik krijg er zelf niet altijd de vinger achter, omdat ik niet in de Milieuraad zit. Ik begrijp de zorg van mevrouw Ouwehand daarover. Ik zal met mijn collega van I en M overleggen. We moeten ook gaan nadenken over hoe we nog meer stroomlijning in dit dossier krijgen. Voor de Kamer is dit ook lastig, want die moet op dit dossier van de ene naar de andere bewindspersoon fietsen. Dat is niet altijd makkelijk. Ik heb absoluut groot belang bij de gewassen. Het zijn ook mijn mensen die daarmee bezig zijn. Tegelijkertijd zit de hele toelatingsdiscussie elders. Ik ken het voorstel nog niet. Ik heb dat nog niet gekregen. Daarom kan ik de Kamer nu geen appreciatie geven. Ik denk wel dat we er wijs aan doen om met elkaar gewoon eens even na te denken over hoe we het zo kunnen organiseren dat de discussie voor de Kamer op een wat eenduidiger manier kan worden gevoerd, minimaal met het kabinet. Dat moeten we gewoon even doen. Verder dan dit kom ik echter even niet, vandaag.

De heer Smaling vroeg om een update op het terrein van het kwekers-recht. Hij vroeg: hoe staat het ervoor? Dat lijkt me heel goed. We zijn daar achter de schermen al mee aan de slag. Die update komt dus binnenkort naar de Kamer.

Over glyfosaat stuurt Staatssecretaris Mansveld een brief, want dat onderwerp zit echt bij I en M. We hebben binnenkort ook een discussie met elkaar over verschillende onderwerpen. En dan last but nog least de neonics, de neonicotinoïden. Dat is trouwens ook weer zo’n woord waarbij je op een gegeven moment schrikt als je dat goed kunt uitspreken. Het nieuwste onderzoek van de academie van wetenschappen op Europees niveau is voor mij inderdaad aanleiding geweest om een paar dingen te doen. Ik heb om te beginnen opnieuw aan het CTBG gevraagd of dit niet aanleiding geeft tot een herbeoordeling van de toelating. Daarnaast heb ik Commissaris Andriukaitis een brief gestuurd waarin ik vroeg: betekent dit niet dat jullie sneller dan jullie van plan waren tot een herbeoordeling moeten komen? En dat geldt dan ook voor imidacloprid, het middel waarover we al eerder met de Europese Commissie een discussie hadden, waarbij zij toen zei: dat komt nog. Ik denk dat dit onderzoek aanleiding moet zijn om die zaak toch in een versnelling te brengen. Ik heb alle lidstaten, alle collega-ministers een afschrift van die brief gestuurd – ik denk dat het goed is om dit te zeggen – zodat alle ministers in de Raad weten welk initiatief Nederland richting de Commissie heeft ontwikkeld. Ik spreek komende maandag natuurlijk nog met de Commissarissen. Afhankelijk van hun reactie beoordeel ik of ik het ook nog apart ga agenderen op een volgende Landbouwraad. Ik ben daar zeker toe bereid, zo zeg ik tegen de heer Smaling. Ik heb ook overwogen om dat meteen al te doen, maar dacht: laat ik eerst een brief aan de Commissie en aan alle lidstaten sturen, zodat iedereen het weet, en als ik het gevoel heb dat het nodig is, agendeer ik het ook nog als een «any other business»-punt. Dat is dan misschien niet in april, maar in mei. Dan kunnen we het er in de Raad over hebben. Ik verwacht en hoop eigenlijk dat de Commissaris nu zelf het initiatief neemtom dit debat op de agenda te zetten. Eigenlijk wil ik dus nog even de mogelijkheid creëren voor de Commissie om hierop te acteren. Dat lijkt mij het meest wijs.

....................................................

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik begrijp de Staatssecretaris als ze zegt dat het dossier met die gentechgewassen ook bij I en M ligt. Ik vraag haar daarom om een schriftelijke appreciatie van de laatste ontwikkelingen aan de Kamer toe te sturen. Ik vraag om daarbij wel extra nadruk te leggen op de zeventien gewassen die, als we pech hebben, vandaag worden toegelaten: gewassen die resistent zijn of die zelf gif produceren. Is dat voor het kabinet geen aanleiding om zijn beginselpositie ten aanzien van dit soort gewassen te veranderen, dus dat Nederland daar «standaard tegen» is in plaats van «standaard voor als de beoordeling maar in orde is»? Ik krijg graag die toezegging. Verder heeft de Kamer een werkbezoek in voorbereiding naar onder andere de EFSA. We gaan het daar straks eventjes over hebben. Als de Staatssecretaris zegt «Jullie moeten hier eventjes aandacht voor vragen», dan zijn we zeer bereid om dat te doen vanuit de wens om een versnelling van een Europees verbod op die landbouwgiffen voor elkaar te krijgen. Staatssecretaris Dijksma: Volgens mij moet ik niet uw werk gaan doen. U kunt dat veel beter dan ik. Over het eerste punt zijn twee dingen te zeggen. Ja, we zullen schriftelijk een en ander toesturen. Dat lijkt me volkomen fair. Verder wordt tussen neus en lippen door gezegd: als de EFSA iets beoordeelt, dan is dat niet per se belangrijk. Althans, zo voel ik het een beetje. Ik denk daar echter wel een slag genuanceerder over, en dan druk ik me nog voorzichtig uit. Zij beoordelen namelijk juist op de aspecten die mevrouw Ouwehand net noemde, namelijk wat het betekent voor het milieu en wat het betekent voor de veiligheid. Daarnaast kun je nog een maatschappelijke opvatting hebben over de vraag of je desalniettemin vindt dat iets wel of niet moet worden toegelaten. Het is echter niet zo dat de EFSA niet toetst op gevolgen voor bijvoorbeeld ecologie of gezondheid. Dat moet hier wel worden vastgesteld. Mevrouw Ouwehand (PvdD): Nu gaat de Staatssecretaris net iets te ver in haar interpretatie van hoe ik het heb bedoeld. De positie van het kabinet is tot nu toe: als de EFSA de beoordeling heeft gedaan en als daaruit niet is te zien of het nadelen zou hebben, dan zijn we in beginsel voor. Je kunt daarin echter ook een andere positie kiezen. Ik vraag het kabinet om daar eens over na te denken. Het blijft namelijk een politieke keuze met de EFSA-beoordelingen in de hand. Ook als je je fundamenteel wat kritisch opstelt, blijft bij iedere toelating nog steeds de vraag: wat doen we dan? Ik zou graag willen dat het een tikkie verschuift ten aanzien van de resistente gewassen en de gewassen die zelf gif produceren.

Staatssecretaris Dijksma: Nogmaals, het lijkt me echt veel beter, ook gelet op de verantwoordelijkheden in dit dossier, om niet nu dit debat op deze wijze met mevrouw Ouwehand te voeren. Zij heeft haar politieke punt luid en duidelijk gemaakt. Dat begrijp ik. Voor ons is het echter van belang om heel precies te blijven in onze reacties. Het is van belang om onderscheid te maken tussen de EFSA-beoordeling en het nationale afwegingskader, waarover we eerder ook al met de Kamer hebben gesproken. En hoe ziet het er dan uit? Het lijkt mij niet goed om in dit debat daarop vooruit te gaan lopen. Mevrouw Ouwehand moet ons dus even de ruimte geven om daarover op een ander moment verstandig met haar te debatteren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ter verduidelijking: mijn vraag was om in de brief terug te komen op dit punt, dus inderdaad niet vandaag. We zouden graag zien hoe het kabinet er al dan niet anders over is gaan denken.

........................................

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ook van mijn kant dank voor de beantwoording door de Staatssecretaris. Het punt van de verordening inzake de biologische landbouw hebben we al gehad. Ik vraag haar tot slot nog het volgende. De gengewassen zijn inderdaad een gecombineerde verantwoordelijkheid van deze Staatssecretaris en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu. Kan deze Staatssecretaris iets zeggen over de datum waarop de brief binnenkomt? Ik vraag haar om dat echt een kabinetsbrief te laten zijn. Het moet niet een punt zijn dat ergens in de geannoteerde agenda terugkomt, want anders blijven we heen-en-weer schipperen. Afhankelijk van het moment waarop de brief komt, zal ik eventueel een VAO aanvragen. Dat hoeft niet nu, voor de komende Landbouwraad. Maar de bespreking van de voorstellen die nu door de Europese Commissie worden gedaan en de eventueel op dat punt
gewijzigde positie van het kabinet zullen we, als die brief komt, wellicht willen afsluiten met een VAO. Dat wil ik alvast doorgeven.

De voorzitter: Ik dank de Kamerleden voor hun inbreng in tweede termijn. Mevrouw de Staatssecretaris, gaat uw gang.

Staatssecretaris Dijksma: Mijnheer de voorzitter. Mevrouw Dikkers heeft volgens mij geen directe vraag gesteld, maar wel een opmerking gemaakt over waar zij voor gaat voor de lange termijn. Dat kan ik me heel goed voorstellen. De discussie gaat echter over de weg daarnaartoe. Het is belangrijk dat we juist ook die innovatie ruimte bieden, maar eveneens dat we steeds een stip op de horizon zetten. Dat doen we bijvoorbeeld ook ten aanzien van ingrepen. In de Verklaring van Dalfsen is uitgesproken dat men de staart van het varkentje steeds langer laat, dat men die eraan laat zitten. Dat is een heel mooi voorbeeld van een samenwerking tussen de sector en de Dierenbescherming, die samen zeggen: daar gaan wij voor. Dat is onze stip op de horizon. Dat willen we gaan bereiken. Dat zal nog heel veel aanpassingen op managementniveau vragen. Dan gaan wij niet zeggen hóé het moet. Maar dát men dat gaat doen, vind ik echt heel goed. Dat soort bewegingen zie je dus. De heer Geurts vroeg waar de grens bij de onderhandelingen ligt. Dat kan ik ook zelf nu niet voorspellen, want ik weet nog niet precies hoe het hele spel eruit gaat zien. Het zal een kwestie zijn van «frappez toujours» en «toeslaan op het moment dat het nodig is». Dat moeten we dus gewoon bekijken. Als er op een heel aantal grote onderwerpen echt problemen gaan ontstaan voor Nederland, dan ligt daar de grens. Dat is tamelijk overzichtelijk. Die onderwerpen zijn ook al heel vaak inhoudelijk langsge-komen. Die delen we ook met elkaar, denk ik. Gevraagd is hoe andere landen omgaan met die langzamere betaling van de superheffing aan Brussel. En hoe zit het met de kosten? Ik wil dat voor de Kamer navragen. Dat moet ook geen geheim zijn. We zullen bekijken of we daarvan iets in beeld kunnen brengen. Dan zullen we ook in beeld brengen waarom de uitvoeringskosten zo hoog zijn. Het lijkt me fair om dat in het kader van «open governance» met de Kamer te delen. Dat kweekt ongetwijfeld ook wat meer begrip voor onze positie. Dus dank daarvoor. Ik kom op de vergroeningspremies. We moeten mensen goed helpen om geen fouten te maken. Dat is volgens mij de beste houding. Tegelijkertijd geldt dat de sancties al zijn aangepast: die lopen op. We kunnen nu niet tegen Brussel zeggen: sorry, we hebben er nog eens over nagedacht, maar we doen het toch anders. Dan komen we in de problemen en dan moeten we terugvorderen, met alle ellende van dien. Dat pad wil ik niet opgaan. Daar ligt voor mij wel een grens. Dat pad leidt alleen maar tot verliezers, aan alle kanten. Ik kom op de opmerkingen van de heer Smaling. Volgens mij is zijn redenering terecht: er moet helderheid komen en er moet ruimte blijven voor het doen van investeringen, ook in de overgang naar een biologische markt. Die overgang is voor Nederland heel kansrijk. Er is een enorm capaciteitsvraagstuk, alleen al over de grens: er is daar in de eigen regio een veel hogere vraag naar biologische producten dan dat men zelf kan produceren. Daar zit voor Nederlandse boeren echt een gat in de markt. Dat willen we graag vullen. Als er in de richtlijnen echter onduidelijkheid blijft over de toekomst van deze sector, dan stokt alles. Dat is voor iedereen een uitstekend argument en ook ik zal dat gebruiken. Subsidiariteit is een boeiend onderwerp. Daarover heb ik ook wel mijn opvattingen, maar terecht is aangegeven dat dit nu niet hier kan worden uitgediscussieerd. Er moet wel goed naar gekeken worden nu we toch zo in de weer zijn met ons «better regulations»-verhaal. Daar waar Nederland en de overige lidstaten hun eigen zaken kunnen bepalen, moet dat ook de insteek zijn. «Nationaal wat kan, Europees wat moet» zou mijn adagium zijn. Alleen is het grappige bij de landbouw dat we als land waanzinnig veel voordeel hebben van het feit dat we in dat Europese stelsel zitten. Als er één argument is tegen het cynisme dat soms over Europa bestaat, een cynisme dat ik ook nog wel begrijp, dan is het dat met name het gemeen-schappelijk landbouwbeleid voor exportland Nederland enorm veel voordeel, echt gigantisch veel voordeel heeft opgeleverd. Het ligt dus allemaal wat minder zwart-wit dan het soms lijkt. Dat is ook de schoonheid van de discussie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Tegen de voorzitter zeg ik dat ik ook nog niet zeker weet of het met een VAO naar aanleiding van de brief moet. Maar stel dat de Kamer zomaar besluit dat ze niet over die brief wil spreken – zoiets gebeurt namelijk weleens – dan heb ik in ieder geval dat VAO achter de hand. Als we er wel over debatteren, dan laat ik het VAO vallen.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter, dit was mijn bijdrage in tweede termijn.

De voorzitter: Het aantal toezeggingen loopt in de dubbele cijfers. Het lijkt me goed om die even met u door te lopen. −De Staatssecretaris zal de Kamer in het verslag van de Landbouwraad informeren over het inzaaien van de mengels voor de bloemrijke akkerranden. −De Staatssecretaris zal in de volgende geannoteerde agenda van de Landbouwraad een uitgebreide appreciatie geven van de voorstellen die er nu liggen ten aanzien van de biologische productie. De Staatssecretaris zal de Kamer een overzicht sturen met de inzet van Nederland en met een indicatie van hoe andere landen het doen met het EFMZV. Welke termijn kan ik hieraan koppelen? Staatssecretaris Dijksma: Dat gaat over het Europees Visserijfonds. We proberen het bij de volgende geannoteerde agenda te doen, maar dat is wel even «ijs en weder dienende», want mijn mensen moeten ook heel blijven. De voorzitter: Daar hebt u helemaal gelijk in. −De Staatssecretaris zal een stand-van-zakenbrief over illegaal gevan-gen vis voor het AO Visserij aan de Kamer sturen. −De Staatssecretaris zal een brief over het operationeel plan van Nederland voor de visserij aan de Kamer sturen. Op welke termijn? Ook voor het AO Visserij? Staatssecretaris Dijksma: Ja. De voorzitter: Ik ga verder met de toezeggingen. −De Staatssecretaris zal het Nederlandse verslag inzake de Europese timber-verordening aan de Kamer sturen. Op welke termijn kunnen we dat verwachten? Staatssecretaris Dijksma: Als het geweest is. De voorzitter: Wanneer is dat? Staatssecretaris Dijksma: Dat moeten we even opzoeken. De voorzitter: Oké, dat komt nog. Staatssecretaris Dijksma: Het is voor de zomer. De voorzitter: Voor de zomer. Van 2015. Gesproken woorden gelden. −Ook het Nederlandse verslag over duurzaam hout zal de Staatssecreta-ris aan de Kamer sturen. Ik denk dat dat samen kan. Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat kan volgens mij al eerder, want het moet voor 30 april bij de Europese Commissie zijn. Dan kan het, denk ik, ook in kopie naar de Kamer. De voorzitter: Dat kan eerder en het komt eerder, zo begrijp ik uit de reactie aan mijn rechterzijde. −De Staatssecretaris stuurt een update over het kwekersrecht binnen-kort naar de Kamer. «Binnenkort» is altijd rekbaar. Wat is «binnen-kort»? Staatssecretaris Dijksma: Voor het AO. De voorzitter: Voor het AO Biotechnologie. −In de inzetbrief ten aanzien van de gezondheidscheck van de Vogel- en Habitatrichtlijn gaat de Staatssecretaris ook in op de knellende gevallen. Deze brief was toegezegd vóór het meireces. Staatssecretaris Dijksma: Die brief was ook al eerder toegezegd. De voorzitter: Dat klopt. −De Staatssecretaris zal een appreciatie van de laatste ontwikkelingen ten aanzien van de gentechgewassen aan de Kamer sturen. Daaronder vallen de zeventien nieuwe toelatingen.

Staatssecretaris Dijksma: Ja. Even een kleine correctie: dit zal de Staatssecretaris van I en M samen met mij doen. Ik ben namelijk niet de penvoerder, zoals ik al zei.

De voorzitter: Als u het maar samen doet. Dat is dan goed voor deze toezegging.

Staatssecretaris Dijksma: Dank voor het vertrouwen!

De voorzitter: We gaan verder met de toezeggingen. −De Staatssecretaris zal de Kamer informeren over de uitvoeringskosten van een mogelijk gespreide betaling van de superheffingen en zal daarbij ook ingaan op de wijze waarop andere lidstaten daarmee omgaan. −De Staatssecretaris zal de Kamer een brief sturen over de administra-tieve lasten van het huidige GLB ten opzichte van die van het vorige GLB. −Bij de laatste twee toezeggingen is de vraag: welke termijnen kunnen eraan worden gekoppeld?

Staatssecretaris Dijksma: Voor de zomer, want dat hebben we niet zomaar voor elkaar.

De voorzitter: Allebei voor de zomer. Dank daarvoor. Er is een VAO onder voorbehoud aangevraagd. Misschien zal de aanvraag ook wel weer worden ingetrokken. Ik vind dat altijd lastig. Ik zou zeggen: vraagt u het aan op het moment dat het nodig is. Er is een verzoek van de heer Geurts.

De heer Geurts (CDA): Ik heb een vraag over het voor de zomer infor-meren van de Kamer over de administratieve lasten van de superheffing. Als duidelijk is wat de Europese Commissie gaat doen, dan is ook duidelijk wat de landen gaan doen. Als dat laatste voor de zomer het geval is, dan hoor ik dat graag. Staatssecretaris Dijksma: Dat is niet zo. Als de Commissie iets heeft besloten, doen landen er daarna vaak heel lang over om zo’n besluit uit te voeren. Die een-op-eenconclusie klopt dus niet. Dat zie je zelfs bij het GLB. Laten we ook even onze zegeningen tellen. In andere landen zijn nu bijna ruzies uitgebroken over de vraag hoe men überhaupt dit beleid gaat inzetten. Wij praten nu al over de uitvoeringsproblematiek, maar zover zijn heel veel lidstaten helemaal nog niet. Ook op dit punt zal dit dus vermoe-delijk gelden. Ik bekijk wat ik kan doen. Ik snap dat «hoe sneller, hoe beter». Ik kan wel zeggen dat ik weet hoe ze het in Duitsland doen – dat is misschien al heel wat – maar ik weet niet of dat dan de vergelijking is die de heer Geurts wil horen. We moeten dus wel iets aan materiaal hebben.

De voorzitter: Dank u wel. Het signaal van de heer Geurts is, denk ik, wel helder. Ik dank allen voor hun inbreng in eerste en tweede termijn. Ik dank de Staatssecretaris voor haar beantwoording.