Bijdrage Ouwehand Debat Oost­vaar­ders­plassen en Kemer­duinen


28 januari 2010

De heer Graus (PVV):
(…) Ik verzoek de minister om niet met verhalen van wetenschappers te komen, want ik heb voor iedere wetenschapper die de minister aandraagt, tien wetenschappers die het met mij eens zijn. Laten wij niet discussiëren op basis van wetenschappers. Het is ontoelaatbaar om dieren te laten creperen, een hongerdood te laten sterven of te laten sterven vanwege dorst. Dat kan niet.
Ten tweede vraag ik de minister dus -- dat is mijn grootste verzoek van vandaag -- waarom zij de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren heeft getekend. De Vogelbescherming vraagt in de krant om vogels bij te voeren. Vogels kunnen migreren. Zij kunnen zelfs klimatologisch migreren. De hoefdieren kunnen echter niet migreren. Dat is jammer. Zelfs de kuddes in China...

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Ik heb twee korte vragen aan de PVV. De heer Graus maakt zich zo druk over het feit dat deze dieren niet kunnen migreren. Ik vraag mij dan af waarom de fractie van de Partij voor de Vrijheid geen enkel voorstel steunt om de natuurgebieden in Nederland beter op elkaar te laten aansluiten. Dat is mijn eerste vraag.
Dan mijn tweede vraag. Ik probeer het een beetje voorzichtig te houden omdat ik gewend ben dat er anders een tirade volgt, maar laten wij ervan uit gaan dat de heer Graus zijn waarheid heeft en andere mensen een andere. Ik heb van de heer Graus gehoord, bijvoorbeeld in debatten over de zwijnenjacht, dat hij ervan overtuigd is dat bijvoeren op langere termijn heel grote nadelige gevolgen kan hebben voor die populaties en dat leidt dus ook weer tot meer plezierjacht. Hij was het op dat punt destijds eens met de fractie van de Partij voor de Dieren. Ik begrijp zijn standpunt in dezen dus niet.

De heer Graus (PVV):
Ik begin met het laatste punt. Ik was wel tegen het afschieten van zwijnen op de Veluwe. Ik heb de minister ook voorspeld dat hoe meer er afschoten wordt, hoe meer ongevallen er ontstaan. Het zijn namelijk vluchtdieren, paniekdieren. Ik heb er ook gelijk in gekregen dat zij meer jongen zijn gaan werpen. Daarin moest de minister mij zelfs gelijk geven. Maar ik kan me niet herinneren of voorstellen dat ik ooit tegen het bijvoeren in vorstperiodes ben geweest. Waar ik tegen ben, is het voeren van vosjes door fotografen, opdat zij mooie shots kunnen maken. Dat vind ik misdadig; het handtam proberen te maken van dieren. Ik ben voor het hands-offsysteem, maar ik ben nooit tegen het bijvoeren van dieren tijdens vorst. Sterker nog, ik heb hier de vorige keer ook gestaan en tijdens de behandeling van de begroting in december heb ik de minister ook gevraagd om die arme dieren bij te voeren.

(…)

De heer Graus (PVV):
Ik zal nu ingaan op de tweede vraag van Mevrouw Ouwehand. Wat mij van haar tegenvalt, is dat zij zich waarschijnlijk zal aansluiten bij de "Serengeti-theorie". Er zijn mensen van Staatsbosbeheer die denken dat wij in Nederland in de Serengeti zitten. Maar deze dieren zijn er niet mee geholpen als een bruggetje wordt gemaakt naar een ander natuurgebied. Zij kunnen namelijk niet klimatologisch migreren, zoals dieren in Afrika in de Serengeti dat kunnen of zoals vogels dat kunnen. Vogels vliegen naar een land waar zij wel kunnen overwinteren en voedsel kunnen vinden. Maar als wij één bruggetje slaan -- ik weet dat mevrouw Ouwehand voorstander is van kikkerbruggetjes en paddenpoelen -- zijn die grazers niet geholpen.

De voorzitter:
Mijnheer Graus, dank u wel.

De heer Graus (PVV):
als die grazers namelijk 50 kilometer verderop gaan, vinden zij nog geen voedsel met de vorst en de sneeuw. Stop met die Serengeti-verhalen.

De voorzitter:
Mijnheer Graus, als ik “dank u wel” zeg, heeft dit de bedoeling dat mevrouw Ouwehand nog een laatste vraag mag stellen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De heer Graus heeft zich wel degelijk verzet tegen het bijvoeren van zwijnenpopulaties op de Veluwe, maar dat terzijde.

Het gaat in de natuurgebieden niet om één bruggetje, maar dat gaat over het ene bruggetje van de Oostvaardersplassen naar de Veluwe en van de Veluwe weer verder. Dan heb je natuurgebieden waarin dieren iets kunnen. Ik meen uit de opmerkingen van de heer Graus in de media, waarin hij het steeds heeft over "een badkuip" en "tupperware-natuur", te kunnen opmaken dat hij vindt dat de natuurgebieden beter op elkaar moeten worden aangesloten. Is dat nou waar of niet?

De heer Graus (PVV):
Nee. Nu rennen de dieren een paar honderd meter en lopen zij tegen de treinrails aan, lopen zij tegen een moeras aan of lopen zij tegen een afzetting aan. Dat klopt. Maar zelfs als mevrouw Ouwehand een tunnel naar Engeland graaft, zijn die dieren daarmee toch niet geholpen? Daar vinden zij met de vorst ook geen voer en dat vinden zij ook niet in Duitsland. De migraties van enkele tientallen kilometers die mevrouw Ouwehand voorstelt, maken niet uit. In Afrika migreren dieren tussen de 50 en 110 kilometer per dag op zoek naar voedsel en water; klimatologisch migreren. Dat heeft dus helemaal geen enkele zin.
Ik wil nog één opmerking maken. Er werd gezegd dat ik voor bijvoeren ben. Ik ben voor bijvoeren tijdens aanhoudende vorstperiodes. Mevrouw Ouwehand doelt op het bijvoeren van dieren om ze te lokken: om ze te kunnen afschieten of om mooie foto's van ze te kunnen maken. Daar ben ik tegen, dus daarmee heeft mevrouw Ouwehand een heel goed punt gemaakt.

(….)

De heer Polderman (SP):
Voorzitter. De heer Graus zegt dat er een onderscheid is tussen natuurgebieden en natuurterreinen. In zijn beleving zijn de Oostvaardersplassen Tupperwarenatuur. Dat heeft hij meermalen gezegd. Ik ben dat niet met hem eens en ik merk dat heel veel mensen dat niet met de heer Graus eens zijn, maar dat kan, hij heeft recht op zijn eigen opvatting. Ik heb het idee dat dit een waardevol natuurgebied is. Het is vrij groot. Ik ben het absoluut eens met wat mevrouw Ouwehand zei, dat we wel moeten zorgen dat er uitwisseling bestaat met andere terreinen. Dat zou wel heel veel helpen, maar dit terrein is vrij groot. De heer Graus zegt zelf dat er duizenden dieren doodgaan. Dat alleen geeft al aan dat wij hier geen dierentuin hebben in zijn perceptie.

(….)

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):
(…) Maar nee, bijvoeren mag niet, want -- zegt de minister -- ze zijn eigenlijk in heel goede conditie en ze hebben voldoende voedsel, want dat is aanwezig. Mijn fractie begrijpt helemaal niets van deze antwoorden, die haaks op elkaar staan. Of je zegt dat er voldoende voedsel is, dan kunnen de beesten binnen de hekken blijven en hoeven ze niet op zoek naar voedsel; of je constateert dat we het hier over een afgesloten gebied hebben waar veel te veel beesten lopen. Dan gaan we daarop ingrijpen, of in ieder geval eventueel bijvoeren. Dat deed deze ene oud-boswachter, maar hij werd helaas beboet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik ben altijd heel erg blij als er vanuit de VVD-fractie bezorgdheid klinkt over het welzijn van dieren. Bij nadere beschouwing blijkt dat toch altijd een grote teleurstelling. Ik vraag mij af waar de VVD-fractie nu voor pleit. Bijvoederen? Dat hebben we uitgebreid in de media mogen vernemen. De PVV-fractie, die dit debat heeft aangevraagd, lijkt dan te willen dat wij uit de Oostvaardersplassen een soort dierentuin maken. Ik weet niet helemaal hoe het zit met haar standpunt over de jacht, maar van de VVD-fractie weet ik dat zij de plezierjacht niet als moreel verwerpelijk afschrijft. Dus wat wilt u nou met dit gebied, mevrouw Snijder-Hazelhoff? Wilt u er een kermistent van maken met prijsschieten van een te grote populatie?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):
Als u mij goed beluisterd hebt en als u goed naar de draagkracht van het gebied kijkt, dan weet u ongeveer hoeveel beesten daar kunnen lopen en hoeveel beesten daar voldoende voedsel kunnen vinden. Dan gaan ze niet dood en dan hoef je ze voorlopig niet te bejagen. Als je een goede draagkracht hebt, dan moet je ook goed beheren. Dat hoort u mij zeggen. Dan hoef je niet bij te voeren en dan gaan ze niet een verschrikkelijke dood tegemoet. Wat u doet en wat u misschien wel wilt, is bijvoeren met alle risico's van te grote populaties van dien, en anders wachten tot ze bijna dood zijn en ze dan doodschieten. Wat is dan beter?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Helemaal tot slot: ik zal in mijn bijdrage uiteenzetten dat wij niet voor bijvoeren zijn, maar wij zijn ook zeker niet voor het afschieten van dieren in de bloei van hun leven. Dat is het geluid wat wij in de VVD-fractie kennen, dus ik begrijp uw verhaal hier gewoon niet.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):
Ja, maar wat wilt u dan? U zult wel moeten kiezen. Je moet óf de populatie wat kleiner maken, zodat er voldoende voedsel is, óf je zult moeten bijvoeren want anders gaan ze dood. Wij zullen het straks horen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Hartverwarmend, al die bezorgdheid over dierenwelzijn in deze Kamer. Laten we hopen dat die zich doorzet naar dossiers waarin miljoenen dieren het jaar rond staan te lijden. Ik noem maar even de bio-industrie, die door de heer Graus met zijn PVV-fractie geen strobreed in de weg wordt gelegd.
De bezorgdheid over wilde dieren in natuurgebieden is goed te begrijpen in deze winterse tijden. Zoals bekend maakt de PvdD zich voortdurend zorgen over de wilde fauna in Nederland, omdat die dieren aan alle kanten worden bedreigd door menselijk ingrijpen. Ik noem maar even de jachtgeweren, zoals zo vaak door de fracties van de VVD en het CDA bepleit onder de eufemistische noemer "beheer". Dat is gewoon plezierjacht, beste mensen.

Mijn fractie vindt dat je in het wild levende dieren zo veel mogelijk met rust moet laten. Als er situaties zijn waarin je je moet afvragen of je moet ingrijpen, moet je, zo vindt mijn fractie, heel scherp en eerlijk beoordelen of je bemoeienis, in dit geval bijvoeren, de dieren wel echt helpt. Ook goedbedoelde inmenging kan meer kwaad doen dan goed. Politici die gillen dat paarden, runderen en herten staan te creperen in een badkuip, hebben het gewoon niet begrepen.

Wat is hier nu aan de hand? Wij hebben wat van de winter mogen proeven de afgelopen weken, waardoor de dieren in de natuurgebieden in de sneeuw kwamen te staan. Veel mensen, en kennelijk ook een aantal van mijn collega's hier, denken dan dat die dieren geen eten meer hebben. Het tegendeel is waar. Door de sneeuwlaag blijft het gras mooi groen en de dieren kunnen daar prachtig bij als zij wat graven. Daarnaast blijkt uit monitoring door de terreinbeheerders dat er volop voedsel voor de dieren beschikbaar is in zowel de Oostvaardersplassen als de Kennemerduinen. De dieren verkeren in beide gebieden in een prima conditie.
Bijvoeren is dus niet nodig. Sterker nog, het is zelfs zeer onwenselijk. Aangezien deze kennis blijkbaar bij een aantal fracties ontbreekt, zal ik de nadelen even kort noemen. De dieren leven in kuddes met een rangorde. Daarin ontstaat een concurrentiestrijd als er wordt bijgevoerd. Het gevolg daarvan zal zijn dat de sterkere dieren nog meer eten krijgen en de zwakkere dieren vrijwel niets. Door de grote verstoring verspillen deze dieren wel extra energie, waardoor zij nog kwetsbaarder worden. Daarnaast wordt het natuurlijke mechanisme tussen vet en vruchtbaarheid verstoord, dat essentieel is voor de populatieomvang. Door het bijvoeren komen er meer jongen dan het gebied aankan, waardoor het probleem nog groter wordt.

De beheerders in beide gebieden, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten, controleren met een dierenarts de populatie zeer regelmatig waarbij ernstig verzwakte dieren na een oordeel van de dierenarts worden afgeschoten. In dat opzicht wordt de rol van de wolf vervuld, die de PvdD overigens graag zou zien terugkeren in Nederland. Hoe denkt de minister over dat vooruitzicht? Ik zie dat zij heel hard moet lachen.

Minister Verburg:
Ik wist dat dit zou komen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De wolf, wij zijn er erg voor.

In het wild levende dieren moeten dus zo veel mogelijk met rust worden gelaten zodat natuurlijke processen hun beloop kunnen hebben.
Alleen zo worden de meest diervriendelijke condities gecreëerd voor de dieren in het gebied. Wij zijn niet de enigen die deze mening zijn toegedaan; vele deskundigen hebben wij hierover geraadpleegd. Dit staat voor ons als een paal boven water.

Uiteraard moeten natuurgebieden snel op elkaar worden aangesloten. Wat kan de minister zeggen over de verbinding van de Oostvaardersplassen met de Veluwe en de voortgang die daarmee wordt geboekt?
Ik zie dat mijn spreektijd bijna om is. Ik had nog het een en ander willen zeggen over andere punten. Laat ik in elk geval nog iets zeggen over de Kennemerduinen. Wij hebben begrepen dat dieren zich niet kunnen verwonden aan de hekken van Natuurmonumenten rondom dat gebied. Er is echter ook nog een particulier landgoed, een rijksmonument. De hekken daarvan bevatten spiesen waaraan de dieren zich wel kunnen verwonden. Wij hebben begrepen dat er tot nu toe geen mogelijkheden zijn voor ontheffing, om daarmee de hekken met spiesen aan te passen. Ik hoor graag van de minister wat zij daarbij kan betekenen. Op gespieste herten zit immers niemand te wachten.

Minister Verburg:
Verschillenden hebben het al gezegd: sinds 2007 is het beheer van de Oostvaardersplassen gebaseerd op het advies van het International Committee on the Management of large herbivores in the Oostvaardersplassen (ICMO).

(…)

Onder anderen de heren Waalkens en Van der Vlies refereerden daaraan. De kern van het advies en dus ook van de huidige beheerpraktijk is het voeren van een reactief beleid. Dat betekent dat alleen wordt ingegrepen om onnodig lijden te voorkomen. Dieren die zo verzwakt zijn dat ze geen kans meer hebben op herstel, omdat ze gewond, ziek of vermagerd zijn, worden afgeschoten zodat ze niet verhongeren. Dat gebeurt zorgvuldig, volgens een protocol. Zo wordt het lijden van dieren zo veel mogelijk voorkomen en het dierenwelzijn geborgd.

(…)

Het committee heeft zich ook nadrukkelijk uitgelaten over bijvoeren. Ik ben het zeer eens met wat de leden Waalkens, Ouwehand, Dibi en Van der Vlies daarover hebben opgemerkt. Het committee zegt inderdaad dat bijvoeren in extreme situaties, zoals in een periode van extreme kou of wanneer de omstandigheden voor de dieren al slecht zijn, nauwelijks een positief effect heeft op het welzijn van dieren. Sterker, zoals is gememoreerd door dezelfde sprekers verstoort het de natuurlijke dynamiek.

Ten eerste geldt voor dieren die in kuddes leven, dat het natuurlijke kuddegedrag ervoor zorgt dat de sterke dieren het eten wegkapen en de zwakkere dieren, die oud of ziek zijn, niet aan bod komen. Bovendien ontstaat er dan sociale onrust, met stress, ruzies en gevechten in de kudde. Ten tweede verstoort het bijvoeren het natuurlijke afweermechanisme tegen kou. In periodes van laag voedselaanbod daalt de behoefte aan voedsel en de activiteit van dieren. Door bij te voeren doorbreken wij precies dat natuurlijke proces. Ook de heer Polderman wees daarop. Een ander natuurlijk afweermechanisme is dat jongen in de natuur in het voorjaar worden geboren. Dat is gunstig voor het jong en de moeder omdat er dan veel voedsel is. Een van de consequenties van bijvoeren is dat dieren het hele jaar door jongen werpen ook terwijl de omstandigheden dat eigenlijk niet toelaten. De heer Van der Vlies maakte daar een opmerking over. Ten derde leidt bijvoeren inderdaad tot een vicieuze cirkel. Door nu meer dieren in leven te houden worden volgend jaar meer jongen geboren die op hun beurt ook weer moeten worden bijgevoerd. Zo ontstaan kuddes die de draagkracht van het gebied ver overstijgen. Dat leidt onvermijdelijk tot aantalsregulatie, dus het afschot van gezonde dieren.

Voorzitter.
De heren Graus en Dibi en mevrouw Ouwehand hebben vragen gesteld over een gewond hert waarbij de verwondingen veroorzaakt zouden zijn door hekken. Feit is dat rond de Kennemerduinen hekken zijn geplaatst. Die hekken zijn goed aangepast, maar er is één uitzondering: een hek dat eigendom is van een particulier. Met die particulier wordt nu gesproken over de aanpassing daarvan. Ik wacht dat eventjes af. Ik kan mij zomaar voorstellen dat een eigenaar van zo'n particulier bezit, als het enigszins mogelijk is, er ook best een bijdrage aan wil leveren om het betreffende hek dierveilig te maken.

(…)

Mevrouw Ouwehand spreekt over de hekken van Natuurmomenten. Daarop heb ik een antwoord gegeven. Overigens kan ik mij voor een goed deel vinden in de lijn van haar betoog. Dat geldt ook voor het betoog van de heer Dibi.
De heer Dibi en mevrouw Ouwehand vragen hoe het staat met de robuuste verbinding van het Oostvaarderswold naar de Veluwe. Dat proces loopt, maar het is bekend dat in ons mooie land procedures soms wel eens erg lang kunnen duren. In september 2009 is de structuurvisie vastgesteld door provinciale staten. De grondverwerving ligt op stoom en de provincie maakt de inschatting dat medio 2010 ongeveer de helft van de benodigde grond in handen zal zijn van de overheden. Zodra de verbinding er is, wordt die op termijn ook opengesteld voor de konikpaarden, de hekrunderen en de edelherten. Dan is de verbinding er dus.

(…)

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):
Voorzitter. Dank aan de minister voor haar beantwoording in eerste termijn. Ik lees allereerst de motie voor over de draagkracht van afgebakende grote natuurgebieden.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik heb de tekst van de motie nog niet voor mij, maar ik hoorde het argument van de draagkracht en het verzoek aan de regering om ervoor te zorgen dat de populatie niet groter is dan het gebied aan kan. Dat spreekt de Partij voor de Dieren aan, maar ik wil graag weten of de VVD-fractie met deze motie de beheersjacht uitsluit.

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):
Ik zie hoe Natuurmonumenten met één gebied omgaat, de Veluwezoom. De organisatie zorgt ervoor dat de populatie daar niet groeit en haalt er af en toe beesten uit die worden verplaatst. Ik sluit het helemaal niet uit, maar ik ga echt niet bij voorbaat zeggen dat er beheersjacht moet plaatsvinden. Dat hoort de Kamer mij zeker niet zeggen. Mevrouw Ouwehand moet zich wel één ding realiseren. Wat is beter: de kogel geven aan een dier dat heeft geleden en op sterven na dood is, of van tevoren de kogel geven aan een ouder beest dat het eigenlijk niet zo goed doet en er wel tussenuit zou kunnen? Dat is dus heel selectief het beheer toepassen en dieren in ieder geval niet onnodig te laten lijden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik wil het wel scherp hebben. Mevrouw Snijder heeft in mijn bijdrage gehoord dat de Partij voor de Dieren het afschieten van dieren waarvan is vastgesteld dat zij hebben te lijden en zullen sterven, niet afwijst. Laat mevrouw Snijder met deze motie ruimte voor preventieve jacht, zoals zojuist door de CDA-fractie is bepleit? Laat ik het dan maar zo stellen: houdt mevrouw Snijder met deze motie ruimte voor beheersjacht en preventieve aantallenregulatie onder gezonde dieren?

Mevrouw Snijder-Hazelhoff (VVD):
Ik vind dat mevrouw Ouwehand te veel van het gebruik van de jacht uitgaat. Ik heb volgens mij heel nauwkeurig geantwoord. Mevrouw Ouwehand moet zich realiseren dat er ergens beheer plaats moet vinden en dat dit op een heel selectieve wijze kan. De keuze hoe wij dit doen is aan de Kamer: of aan het einde, of in een traject waarbij je een heel selectieve keuze kunt maken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Nu ik het antwoord van mevrouw Snijder hoor, kan ik haar motie toch niet steunen. Ik heb heel duidelijk van de CDA-fractie en iets minder duidelijk van de VVD-fractie het omgekeerde Bambi-denken gehoord. Het waren emotionele verhalen over creperende dieren die voor dat lot behoed zouden moeten worden; dus mogen jagers gezonde dieren in de bloei van hun leven afschieten om erger te voorkomen. Daar geloof ik dus niet in.

De heer Ormel (CDA):
Wat jammer nou! Ik had gehoopt dat wij elkaar zouden kunnen vinden. Denkt mevrouw Ouwehand echt dat er op dit moment niet geschoten wordt in de Oostvaardersplassen? Op dit moment wordt er ook geschoten, en wel op verhongerde dieren die bijna omvallen, aan het einde van hun lijdensweg. Mevrouw Snijder zei net: laten wij dat nou eerder doen. Daar kan mevrouw Ouwehand toch niet tegen zijn?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Mijn fractie heeft zich goed op de hoogte laten brengen van de manier waarop de terreinbeherende instanties daar nu met de dieren omgaan die het einde van de winter niet gaan halen. Ik ben ervan overtuigd dat daar met een deskundig en onafhankelijk oog goed wordt gekeken welke dieren het niet gaan halen. Die worden dan uit hun lijden verlost. Schieten gebeurt dus niet voor de lol. Daar staan wij achter.

De CDA-fractie laat voortdurend Afrika voorbij komen. Het lijkt wel of de CDA-fractie helemaal niet in de gaten heeft dat er ook dieren in winterse regionen rondlopen. Kijk naar Noorwegen, kijk naar Zweden! In Scandinavië leven dieren in winterse omstandigheden. Dat zijn zware perioden, waar natuurlijke processen voor zijn: er worden vetreserves aangelegd, het metabolisme gaat omlaag. Het hoort erbij. Dat is de natuur, mijnheer Ormel.

De heer Ormel (CDA):
Erkent mevrouw Ouwehand dat er dieren worden doodgeschoten, maar dat zij dat pas steunt als zij een lange periode van ellende achter de rug hebben? Erkent zij dat zij dat prefereert boven het voorkomen van die lange periode van ellende?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Nee. De heer Ormel schijnt er genoegen in te scheppen om het zo uit te leggen. Er zijn dieren die het niet zullen redden. Er zijn onafhankelijke dierenartsen die -- anders dan wat ik van de heer Ormel weet, maar dat even terzijde -- zijn gespecialiseerd in deze groepen dieren en zij beoordelen dat nauwkeurig. De Partij voor de Dieren is natuurlijk niet voor het lijden van dieren, maar wij miskennen ook niet dat in de natuur dieren zwakker worden en uiteindelijk zullen sterven. Wij zijn voor een zo natuurlijk mogelijke populatie. De heer Ormel weet ook dat wij erg voor de terugkeer van grote predatoren zijn, zoals de wolf. Wij hopen dat hij ons daarin kan steunen, want pas dan zouden de zorgen van de CDA-fractie over dieren die te lijden hebben echt een beetje inhoud hebben. Nu zijn het loze praatjes en lijkt de CDA-fractie hier vooral een jagerslobby voor te staan.

Voorzitter.
Zoals ik net al samenvatte, is dit debat vooral gebaseerd op sensatieverhalen in de pers. Onze fractie betreurt het zeer dat de grote nadelen van bijvoeren, die met name voor de zwakste dieren heel nadelig uitpakken, niet worden erkend door fracties zoals die van de Partij voor de Vrijheid en de VVD. Ik denk dat het belangrijk is om de gehele realiteit onder ogen te zien en dan te concluderen dat bijvoeren meer kwaad dan goed doet.

De heer Graus (PVV):
Het gaat erom hoe er wordt bijgevoerd. Als je tussen 600 paarden één baal hooi gooit, heb je inderdaad problemen. Mevrouw Ouwehand wil dus zeggen dat alles daar natuurlijk is, ook de hekken die daar staan, maar dat bijvoeren niet natuurlijk is. Als het aantal onder de 50 komt te liggen, is het opeens wel natuurlijk. Er mag opeens wel worden bijgevoerd als er nog maar 50 paarden rondlopen. Waar is de dierenliefde van mevrouw Ouwehand gebleven? Inzake het ritueel slachten steunt zij mij niet, inzake zware gevangenisstraffen steunt zij mij niet, en nu steunt zij mij niet met het bijvoeren van hongerige dieren. Waar is de Partij voor de Dieren gebleven? Waar staat die laatste D voor? Ik weet het niet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De gestelde vragen en de opgeworpen suggesties zijn zo zinloos dat ik er beter niet op kan ingaan. Ik wil nog wel gebruikmaken van de laatste seconde van mijn spreektijd om de minister te danken dat zij in gesprek gaat met de eigenaar van de hekken. Wij wachten dat af en hopen dat er een oplossing voor komt.

(…)

Minister Verburg
(…) Mevrouw Ouwehand heeft aangegeven dat zij het een goede zaak vindt dat ik in gesprek ga over de hekken. Dat doe ik niet, dat doet Natuurmonumenten. Natuurmonumenten overlegt met de particuliere eigenaar van de hekken en ik heb er vertrouwen in dat dat ook zal lukken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik heb nog een laatste vraag over de gesprekken over de hekken. Ik heb begrepen dat het een probleem is dat het een Rijksmonument betreft. Kan de minister de Kamer informeren over de uitkomst van de gesprekken? Wij kunnen dan vaststellen of haar eigen bemoeienis nog noodzakelijk is, mocht Natuurmonumenten er niet uitkomen. Ik heb begrepen dat die eigenaar dat zelf ook wil, maar dat er problemen zijn met het verkrijgen van een ontheffing. Dan zou de minister weer in beeld komen.

Minister Verburg:
Ik wil de Kamer daar wel over informeren, maar als ik nog een kleine bijdrage zou kunnen leveren om het wel gerealiseerd te krijgen, beschouw ik dit als een uitnodiging van de Kamer. Ik zal het voor die tijd doen en niet wachten totdat de Kamer daar nog eens een spoeddebat of een algemeen overleg aan heeft gewijd.