Bijdrage ouwehand AO Wadden


14 april 2011

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De Wadden vormen een uniek natuurgebied. Ik kan dan ook alvast verklappen dat ik met natuurbeschermingsogen de stukken heb doorgenomen die voor vandaag op de agenda staan. Allereerst de zoet-zoutovergangen. Het kabinet onderschrijft terecht het belang daarvan. Mijn fractie steunt dat ook, want estuaria zijn erg belangrijk. Ik vind het fijn dat hiernaar wordt gestreefd in de stroomgebiedbeheerplannen op basis van de Kaderrichtlijn Water. Ik heb er wel wat vragen over.
De minister van LNV schrijft dat draagvlak een voorwaarde is. Maar het kan niet allebei: in elk geval de zoet-zoutovergangen realiseren en daar ook per se draagvlak voor willen hebben. Dat kan botsen. Hoe gaat het dan lopen? Als het verkrijgen van draagvlak voorwaarde is, mogen wij dan rekenen op positieve informatiecampagnes en positieve berichten van de kant van het kabinet? Toen het ging om dat andere estuarium -- u weet wel, de Westerschelde -- was de houding van het kabinet niet heel erg gericht op het motiveren van burgers om het belang van het behoud van dat estuarium in te zien. Kunnen wij een andere benadering van het kabinet verwachten ten aanzien van de zoetzoutovergangen in het Waddengebied? Als het kabinet draagvlak zo belangrijk vindt, laat het dan ook draagvlak realiseren en ervoor zorgen dat er enthousiasme ontstaat voor de noodzakelijke maatregelen.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Mevrouw Ouwehand spreekt over het belang van draagvlak. Zij begint haar betoog echter met te zeggen dat zij de stukken vooral met natuurbeschermingsogen heeft bekeken. Is mevrouw Ouwehand dan niet een beetje eenzijdig en beperkt bezig? Wij hebben het inderdaad over mooie natuur, maar wij hebben het tegelijkertijd over een regio waar mensen wonen. Deze mensen maken zich zorgen over de leefbaarheid van het gebied, maar ook een gebied waar economische activiteiten nodig zijn, dan wel moeten worden versterkt. Als mevrouw Ouwehand graag draagvlak wil, zal zij zelf wat breder moeten kijken dan met alleen de beperkte blik van de natuurbescherming.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Misschien heeft mevrouw Wiegman mij verkeerd begrepen. De Partij voor de Dieren is niet tegen draagvlak, maar het zal niet de partij zijn die daar op voorhand mee begint waardoor de natuur op de tiende plaats terechtkomt, zoals dat bij het tot nu toe gevoerde beleid gebeurt. Als de natuur in Nederland volwaardige bescherming zou genieten, kun je met recht en reden over draagvlak en eerlijke polderprocessen praten. Dat is echter niet aan de hand en daardoor is de aandacht van de Partij voor de Dieren vooral gericht op het beschermen van de natuur. De partijen die de andere belangen inbrengen, zijn veel talrijker en veel krachtiger. Daarom kijkt de Partij voor de Dieren -- ik geef het meteen toe -- in het bijzonder naar de belangen van de natuur.

Mevrouw Wiegman-van Meppelen Scheppink (ChristenUnie): Mevrouw Ouwehand vindt het heel belangrijk om de natuurbeheerdoelstellingen te realiseren, doelstellingen die goed en mooi zijn. Daarvoor heeft ze echter wel de mensen nodig die daar wonen en werken. Ze kan de mensen en de natuur daar toch niet los van zien?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik denk dat mevrouw Wiegman mij niet goed begrijpt. De korte termijn belangen van de mensen worden al lang en breed en heel uitgebreid ingebracht door anderen. Daardoor helt in de optiek van de Partij voor de Dieren het scheepje veel te veel naar één kant over. Daarom gaat mijn partij aan de andere kant hangen en vraagt zij vooral aandacht voor de natuurbelangen. Gelooft u mij: de weging komt echt wel tot stand. Als ik de helft van mijn tijd ga verdoen aan de belangen waar alle anderen al voor opkomen, dan komt de natuur nog niet tot haar recht. Dat is de manier waarop mijn partij opereert. Ik had begrepen dat dat inmiddels wel duidelijk was, maar misschien is dat toch niet het geval en heeft mijn antwoord dit punt verhelderd. Wij gummen dus geen enkel belang uit van al die belangen die om aandacht vragen, maar wij leggen de nadruk heel sterk op de natuurbelangen omdat die nou eenmaal altijd het onderspit delven.
Ik kom terug op de zoet-zoutovergangen. In het kader van de trilaterale regeringsconferentie heeft het kabinet ons stukken toegestuurd. Daarin staat wat het standpunt van Nederland is ten aanzien van de implementatie van de Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Die zal volgens het kabinet alleen van kracht zijn in het offshore gedeelte van het trilaterale Waddensamenwerkingsgebied en niet in de Waddenzee zelf. Daar zou de Kaderrichtlijn Water van kracht zijn. Ik begrijp niet helemaal hoe het dan zit met de zoutovergang in het Waddengebied zelf. Kan het kabinet uitleggen waarom voor alleen het offshore gedeelte is gekozen? Hoe wordt daarbij de waterkwaliteit in de Waddenzee geborgd?
Het kabinet schrijft dat vanaf begin mei de effecten van het Convenant Vaarrecreatie worden gemonitord en dat het convenant begin 2010 zal worden herijkt aan de hand van voortschrijdende inzichten uit de beleidstrajecten Natura 2000 en de Kaderrichtlijn Water. Hoe moet ik dat herijken zien? Als uit de monitoringresultaten negatieve effecten op de beschermde natuurwaarden naar voren komen, mogen wij er dan van uitgaan dat daarop een passende beoordeling wordt uitgevoerd, zoals de richtlijnen ook voorschrijven? Mede op basis van adviezen zegt het kabinet dat het wel erg lastig is om de systematiek voor natuurgrenzen binnen handbereik te krijgen. Dat betekent dat de huidige praktijk van beoordeling van geval tot geval conform de Natuurbeschermingswet 1998 zal doorgaan. Hoe moet ik dat zien, gelet op de wijzigingen van de natuurbeschermingswet die er al zijn geweest en de wijziging die nu nog voorligt bij de Eerste Kamer in kader van de Crisis- en herstelwet? Gaan wij activiteiten in de beschermde gebieden toetsen, als het vermoeden van een significant effect bestaat? Daarbij vraag ik heel nadrukkelijk of er al vergunde activiteiten bestaan. Hoeveel natuurbeschermingswetvergunningen zijn sinds de conceptaanwijzing van dit gebied afgegeven? Zou het niet logischer zijn een flink deel van het gebied af te sluiten voor alle activiteiten die de natuurwaarden beïnvloeden? Ik hoor de CDA-fractie "boe" roepen.

Mevrouw Van Gent (GroenLinks): Dat doen ze altijd bij het CDA.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ja, dat doen ze altijd. Het is dan ook een boerenpartij. Ik kom aan de Eemsproblematiek. De Eems is een van de laatste getijdenrivieren van West-Europa. Het is een belangrijk gebied. De ecologische situatie is al jaren zorgwekkend. Het is niet gelukt om verbeteringen in de situatie aan te brengen. Er bestaan spanningen tussen Nederland en Duitsland. Dat begrijp ik wel, maar hoe gaan wij het probleem oplossen? Handhaven wij het verslechteringsverbod uit de Habitatrichtlijn wel? Worden er passende maatregelen genomen? Wat is eigenlijk de rol van Europa hierin? Twee landen, Nederland en Duitsland, zijn hiermee bezig. Kan dan bijvoorbeeld een scheidsrechter zeggen dat de Habitatrichtlijn in dat gebied moet worden opgevolgd? Worden er vergunningen afgegeven en, zo ja, hoeveel? Wie geeft de vergunningen af? Wie maakt het herstelplan?
De hele kwestie van de extra zoutwinning kan echt een blamage worden genoemd. Regeren is vooruitzien. Men heeft het er tot het laatste moment op laten aankomen: o ja, het is winter, wat een pech: we hebben geen zout meer. Als je van tevoren door de Kamer bent gewezen op de mogelijkheid van een dergelijke situatie en gevraagd bent om daarop te anticiperen, valt de gang van zaken niet uit te leggen. De milieuvergunning voor de afvalverbrandingsoven in Harlingen is geschorst. Mijn vraag is of daarbij ook een traject in het kader van de Natuurbeschermingswet wordt doorlopen. Ik kan mij voorstellen dat de bescherming van de landschappelijke waarden van de Waddenzee en het effect van deze installatie goed tegen elkaar moeten worden afgewogen. Wat kan het kabinet daarop zeggen?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Over de verbrandingsoven heb ik gevraagd of een traject in het kader van de Natuurbeschermingswet wordt doorlopen. Het is mij niet duidelijk of de minister van VROM of de minister van LNV daarop gaat antwoorden.

Minister Verburg: Dank voor de inbreng in eerste termijn van de zijde van de Kamer. Onder de bezielende coördinatie van de minister van VROM beleef ik ook mijn eigen verantwoordelijkheid in dit mooie dossier over het prachtige Waddengebied. Ik zal de mij gestelde vragen dan ook graag beantwoorden.
De zoet-zoutovergang wordt uitgewerkt als onderdeel van het maatregelenpakket van het eerste stroomgebiedbeheerplan op grond van de Kaderrichtlijn Water. Zowel de heer Atsma als mevrouw Ouwehand vragen naar het draagvlak. Ik beaam dat draagvlak belangrijk is, maar tegelijkertijd is het realiseren van de doelstellingen heel belangrijk. Voor het Lauwersmeer wordt gewerkt aan een intentieverklaring van provincies, waterschappen en het Rijk over de verdere uitwerking en de financiering van de plannen voor een gemaal in combinatie met meer natuurlijk beheer. Het is noodzakelijk dat daar draagvlak voor is, zowel bij de sector als bij andere partijen. Dit draagvlak is verkend. Een en ander vindt plaats binnen de contouren van de PKB. Dit in reactie op de heer Atsma, die stelde dat er alleen iets kan gebeuren binnen de condities van de PKB. Daar heeft hij gelijk in. Mevrouw Ouwehand benaderde de zaak van de andere zijde: draagvlak is mooi, maar er moeten wel doelen gerealiseerd worden. Ook dat is waar. Binnen het programma Naar een rijke zee is sprake van een gezamenlijke enthousiaste aanpak van de partijen die aan tafel
zitten: de ngo's, waaronder de natuurbeschermings- en milieuorganisaties, de vertegenwoordigers van de landbouw en de regionale bestuurders. Draagvlak en daadkracht zijn allebei van belang.
Hoe gaat het kabinet de impasse rond de uitvoering van plannen voor natuurbescherming en natuurherstel doorbreken, zeker als het gaat om grensoverschrijdende zaken? Het heeft mij zorgen gebaard dat de uitvoering van de plannen stil lag vanwege een Duitse klacht bij het Europese Hof van Justitie. Inmiddels heeft het Hof uitspraak gedaan en pakken wij de draad weer op om in goed overleg en goede samenwerking de ecologische achteruitgang van de Eems-Dollard te stoppen. De samenwerking met Duitsland gaat over Natura 2000. De Eems ligt in Duitsland en Duitsland is dus in eerste instantie verantwoordelijk voor het opstellen van plannen. De Nederlandse kant van de Eems is daar op regionaal niveau bij betrokken. In de regio wordt het herstelplan samen met bedrijven en ngo's opgesteld. Dat vindt plaats onder de bezielende coördinatie van de provincie Groningen. De afspraak is om samen met Duitsland een integraal managementplan op te stellen voor het totale gebied. Dan hebben wij het over de Kaderrichtlijn Water en Natura 2000, want waar je die in elkaar
kunt schuiven, moet je dat zeker niet laten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Weet de minister of het gebied al definitief is aangewezen in Europa? Ik neem aan dat Duitsland daarover gaat. Als het gebied nog niet is aangewezen, weet de minister dan wat de planning daarvoor is?

Minister Verburg: Het gebied is nog niet aangemeld. Dat zal op de kortst mogelijke termijn gebeuren. Wij zullen het daarover eens moeten zijn met Duitsland. Tegelijkertijd zijn wij bezig met de vraag hoe wij tot integraal management kunnen komen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben nu wat in verwarring. Ik dacht dat de minister zojuist zei dat Duitsland eerstverantwoordelijke is. Heeft Nederland ook een rol in het aanwijzingsbesluit?

Minister Verburg: De Eems ligt in Duitsland, maar daar ligt gebied omheen. Een deel van dat gebied ligt in Nederland. Dan begrijpt mevrouw Ouwehand het weer. Ik moet overigens iets rechtzetten: het gebied is al wel aangemeld in Brussel, maar het is nog niet voorlopig aangewezen.
De evaluatie van het Convenant Vaarrecreatie Waddenzee zal niet al in 2010 maar in 2012 plaatsvinden. Op de uitkomsten daarvan wil ik niet vooruitlopen. Wij hebben niet voor niets gezegd dat wij in 2012 gaan evalueren en het is onverstandig om daarop vooruit te lopen, laat staan daarover te speculeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De minister van LNV is op een aantal punten niet ingegaan. Dat waren steeds mijn vragen over de toetsing aan de Natuurbeschermingswet. Nu is dat niet de favoriete vraag van de minister, maar inmiddels is het wel mijn favoriete vraag. Ik heb daarnaar gevraagd bij het Convenant Vaarrecreatie Waddenzee en bij de afvalverbrandingsoven. Ook toen ik het had over de natuurgrenzen en de toetsing van de huidige praktijk, heb ik gevraagd om te bekijken hoeveel vergunningen er in het kader van de Natuurbeschermingswet zijn afgegeven sinds de conceptaanwijzing van het gebied. Ik ben benieuwd om te kunnen zien hoe wij de toekomstige activiteiten beoordelen, totdat wij er helemaal uit zijn, al dan niet met de Crisis- en herstelwet.

Minister Verburg: Het Convenant Vaarrecreatie Waddenzee is getoetst aan de Natuurbeschermingswet. Afvalverwerking is ook getoetst aan de Natuurbeschermingswet. Het aantal verleende vergunningen heb ik niet bij de hand. Ik ga dat ook niet opzoeken. De provincie is vaak verlener van dit soort vergunningen. Verder zie ik de meerwaarde daarvan voor het beleid niet in. Ik moet dus het antwoord op deze vraag schuldig blijven.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik kom nog even terug op het draagvlak. De CDAfractie en mijn fractie hebben daar vragen over gesteld. In de pauze had ik met mevrouw Wiegman van de ChristenUnie-fractie een discussietje over de vraag hoe het zat met het evenwicht. Daarbij heb ik gegrapt dat, als het CDA niet zou bestaan, de Partij voor de Dieren niet nodig zou zijn geweest. In elk geval zou het wat makkelijker worden en zou het evenwicht in het scheepje wat beter verdeeld zijn. De minister komt natuurlijk altijd goed weg met iets als draagvlak. Zij zegt dat de doelen in elk geval gehaald worden, maar dat het draagvlak belangrijk is. Daar stel ik nu vragen over. Als er gedoe is over mensen die met sportvliegtuigjes in het Waddengebied willen vliegen en zij worden daarbij een beetje tegengezeten door de natuur, dan worden daar Kamervragen over gesteld. Dat mag natuurlijk, maar wij horen de minister dan meteen roepen dat die activiteiten natuurlijk moeten kunnen doorgaan. Daar zit onze zorg. Als de minister draagvlak zo belangrijk vindt, zou ik graag horen dat zij ook uitdraagt hoe waardevol het Waddengebied voor ons allemaal
is. Dan gaat het niet om de kortetermijnbelangen van de mensen die er nu wonen, maar om de lange termijn van de natuurbelangen voor iedereen. Er zitten natuurbeschermingsorganisaties in het draagvlakoverleg, maar wij kennen deze minister. Als een natuurclub zegt een bepaald plan niet te kunnen dragen omdat het onvoldoende recht doet aan de natuur, dan is onze ervaring dat deze minister dat niet serieus neemt en zegt dat die club zich buiten de bestuurlijke realiteit plaatst, of dergelijke bewoordingen. Ik wil dus een duidelijke keuze voor de natuur. Ik wil graag dat de minister de uitspraak doet dat wij de natuurdoelen moeten halen. Bovendien zie ik graag dat zij bij iedereen wat enthousiasme voor die doelen kweekt.

Minister Verburg: Ook ik dank de Kamer voor de inbreng in tweede termijn. Ik heb vragen gekregen van twee woordvoerders die gaan over hetzelfde onderwerp, de zoetzoutovergangen. Tot de heer Atsma kan ik zeggen dat bij de ontwikkeling van zoet-zoutovergangen de doelen centraal staan en dat draagvlak noodzakelijk is. Daar wordt hard aan gewerkt. Hetzelfde geldt voor de 60 mln. voor een gemaal, zij het dat het draagvlak er is en naar die 60 mln. wordt gezocht. De 60 mln. wordt vanavond dus niet toegezegd.
Mevrouw Ouwehand had een gesprekje met mevrouw Wiegman in de trant van: als het CDA er niet was geweest, zou de Partij voor de Dieren er wellicht ook niet geweest zijn. Ik zou willen zeggen: tel uw zegeningen. Het kan nog erger. Stel dat alle vertegenwoordigers van
partijen dezelfde opvatting zouden hebben. Dan zouden wij sneller de algemene overleggen en debatten kunnen voeren, want iedereen zou namens iedereen kunnen spreken. Dan hadden wij wellicht een eenpartijstelsel. Ik vraag mij af of dat goed zou zijn voor de democratie. Ook in dat opzicht zou ik haar enige stof tot overdenking willen meegeven. Ten aanzien van de ngo's het volgende. Ik weet wel waar mijn voorkeur ligt: die ligt bij de parlementaire democratie. Daarvoor heb ik graag een paar uurtjes extra overleg met de Kamer over.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik dacht dat de minister zou zeggen dat haar voorkeur bij de Partij voor de Dieren lag!

Minister Verburg: Daar ligt mijn aandacht heel vaak. In tegenstelling tot wat mevrouw Ouwehand maar blijft herhalen, gaan mijn enthousiasme en grote aandacht ook uit naar de kwaliteit van de Wadden. De natuurlijke kwaliteit van de Wadden is heel groot en verdient onze volle inzet als het gaat om de bescherming daarvan. Daarop zal mevrouw Ouwehand wel zeggen dat het allemaal niet genoeg is en dat het alleen maar mooie woorden zijn. Laat ik haar zeggen dat ik het Waddengebied prachtig vind, dat ik daar van jongs af aan kom en dat ik daar familie heb wonen. Het is een schitterend gebied en wij hebben deze schatten niet voor niets tot werelderfgoed laten verklaren. Wij zijn daar allemaal buitengewoon trots op. Ons erfgoed zullen wij dan ook goed moeten beschermen.
Tot slot wil ik mevrouw Ouwehand een laatste punt ter overdenking meegeven. Mij valt op dat zij veel vertrouwen heeft in de betrokkenheid en de inspraak van bestuurders en ondernemers, maar heel weinig vertrouwen heeft in de inzet, inbreng en invloed van de ngo's die in het hele traject ook om tafel zitten. Mag ik het voorbeeld van het Waddenconvenant geven? De verschillende organisaties, de mosselsector en de natuurbeschermingsorganisaties, stonden vooraf ontzettend hard tegenover elkaar. Ze zijn toch met elkaar om tafel gaan zitten. Het was een kwestie van geven en ontvangen en op die manier hebben zij met elkaar een prachtig convenant kunnen ondertekenen. Iets dergelijks gebeurt nu in de garnalensector. Ik zou dus zeggen: laat mevrouw Ouwehand toch een beetje vertrouwen in de ngo's hebben. Ikzelf heb daar veel vertrouwen in.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Mevrouw Verburg legt de suggestie neer dat ik geen vertrouwen zou hebben in de ngo's. Die wil ik van tafel hebben, want dat is niet het geval. Wat ik zie gebeuren, op andere plekken misschien steviger dan bij de Wadden, is dat natuurbeschermingsorganisaties in allerlei overleggen wel erg snel in het nauw worden gedreven en dat de andere partijen wel heel erg veel invloed hebben. Als het erop aankomt en de natuurbeschermingsorganisaties zeggen dat zij het plan niet kunnen dragen omdat het onvoldoende recht doet aan de natuur, neemt de minister die zorgen niet serieus maar zegt: nou, nou, nou, u plaatst zich buiten de bestuurlijke realiteit. Dat zijn de ervaringen die ik de afgelopen drie jaar heb opgedaan en daarop heb ik mijn opmerkingen gebaseerd. Ik heb deze opmerking willen maken omdat het niet zo kan zijn dat hier de suggestie ligt dat ik geen vertrouwen heb in de natuurbeschermingsorganisaties.


De voorzitter: Waarvan akte.