Bijdrage Ouwehand AO Noordzee en Wadden


24 april 2013

Blok: Olielozingen op de Noordzee

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik houd mijn spreektijd in dit blokje kort om iets te sparen voor de andere onderwerpen straks. Ik hoef de minister vast niet te vertellen dat de ergste dingen in het kader van de illegale lozingen op zee gebeuren. Het is heel erg moeilijk te controleren wat daar gebeurt. Dus is de verleiding groot om daar te lozen wat je kwijt wilt, of het nu om vis gaat waarvoor je liever een andere vis had gevangen of olie waar je vanaf wilt. Het gebeurt in alle gevallen. De vraag is of het kabinet alle aanbevelingen overneemt uit het rapport van de Universiteit Tilburg. Ik heb de indruk dat het dat niet doet. Waarom niet? Aanvullend vraag ik de minister om nadrukkelijk te kijken naar een afleverplicht en de mogelijkheid om digitaal te registreren en dus ook te controleren op de schepen. Volgens mij moet dit technisch mogelijk zijn. Wil hij ook nadrukkelijk kijken naar de samenhang met het visserijdossier, want daar speelt hetzelfde? Ook daarin zijn afspraken gemaakt over wat wel en niet mag. Wij hebben laatst echter opnieuw aangetoond gezien dat die afspraken niet worden nageleefd. Er worden grote hoeveelheden vis gevangen, maar als de schipper denkt dat hij toch nog een kansje heeft om beter verkoopbare vis te vangen, zet hij de hele handel overboord en begint hij opnieuw. Dat mag ook niet. Het is hetzelfde probleem waarmee in dit geval de staatssecretaris van EZ worstelt. Het lijkt mij dat wij de handhaving van de regels en afspraken op zee in samenhang moeten bekijken. Ik ben erg benieuwd naar de voorstellen van de minister op dat punt.

De heer De Rouwe (CDA): Voorzitter. Ook ik heb met interesse vanochtend het rapport van de heer Vollaard gelezen en alle publicaties daarover. Het is goed dat opnieuw de vinger op de zere plek wordt gelegd. (...) Er is een aantal opmerkingen gemaakt over hoge boetes en het vergroten van de pakkans. In de literatuur lezen wij dat het vergroten van de pakkans vaak meer effect heeft dan het verhogen van de boetes. Laten wij daarin dus prioriteiten stellen. (...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De heer De Rouwe zegt dat het vergroten van de pakkans het beste is wat je kunt doen. Ik ben het daarmee eens. Ik hoor dit echter niet terug in zijn voorstellen. Natuurlijk moet je kijken naar een Europese aanpak, het liefste wel, maar ik hoor nog geen voorstellen voor het vergroten van de pakkans. Ik ben daar benieuwd naar. Neemt het CDA bijvoorbeeld alle aanbevelingen over van de Universiteit Tilburg? Hoe denkt het CDA over het idee van een afleverplicht en digitale registratie op de schepen?

De heer De Rouwe (CDA): Het gaat mij en mijn fractie om een effectieve aanpak. Ik weet niet of de verplichting tot registratie zal leiden tot een effectieve aanpak. Ik weet ook niet welke effecten dat nog meer heeft zoals bureaucratische rompslomp die ik niet wil. Het gaat mij dus om een effectieve aanpak. De aanvliegroute heb ik wel aangegeven. Ik zal geen concrete oplossingen voorstellen. Eerlijk gezegd ben ik van mening dat het ook niet mijn taak als Kamerlid is om op een papiertje de oplossing aan te dragen. Dat zou een motie van wantrouwen zijn voor het kabinet, want als ik het wel zou weten en het kabinet niet, zou ik hier toch een heel ander debat voeren. De richting heb ik dus wel gegeven. Eén: een ketenaanpak, doe het met de betrokken partijen. Dat lijkt mij effectiever dan hier in Den Haag te roepen dat de boetes moeten worden verhoogd. Twee: een Europese aanpak. Als je het doet, doe het dan langs die wegen. Ik heb in het rapport ook gelezen over de Zweedse aanpak met nieuwe technieken zoals een boei die 's nachts water opneemt. Dat vind ik allemaal prima, maar ik kan het niet beoordelen. Die suggesties kunnen wat mij betreft op tafel komen. Ik heb het kabinet gevraagd om met een hernieuwd plan van aanpak te komen en alles wat kan, op een rijtje te zetten. Dit zijn de kaders die ik namens het CDA meegeef.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik begrijp dat voor het CDA wel duidelijk geldt dat de pakkans aantoonbaar en ook reëel omhoog moet. Ik begrijp dat de heer Rouwe het kabinet vraagt uit te zoeken wat werkt en wat niet, maar ook dat het CDA het kabinet zal afrekenen op een reëel verhoogde pakkans, dus op een forse stap en niet op maar één procentje.

De heer De Rouwe (CDA): Ik heb al gezegd dat een grotere pakkans meer effect heeft dan hogere boetes. Toen ik zei dat de literatuur laat zien dat juist een verhoogde pakkans meer effect heeft, zag ik mevrouw Ouwehand terecht ja knikken.

Minister Opstelten: Voorzitter. Ik dank de leden voor de vragen die zij aan mij hebben gesteld. Ik zal met name ingaan op de punten met betrekking tot de boetes, de hoogte daarvan en de handhaving. (...) Een aantal woordvoerders, en dan met name de heer Dijkstra, heeft gevraagd naar een handhavingsplan Noordzee van de kustwacht. Mijn collega zal ingaan op het functioneren van de Kustwacht. Ik kan zeggen dat er jaarlijks een handhavingsplan wordt opgesteld. Ik ben verantwoordelijk voor de coördinatie van de voorbereiding van het handhavingsplan. De aansturing van de uitvoering daarvan geschiedt door de kustwacht. Het voorzitterschap van het landelijk handhavingsplan is belegd bij mijn mensen. De strafrechtelijke handhavingstaken hebben betrekking op de algemene politietaken en de handhaving van de nautische veiligheid, de milieuveiligheid en de grensveiligheid. Wij hebben een unit maritieme politie die nauw samenwerkt met de overige departementen. (...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Een soortgelijk probleem met de handhaving speelt in de visserij. Daarover heb ik de minister nog niet gehoord. Hoe beoordeelt het kabinet dat probleem? Ik heb de minister verder gevraagd naar digitale mogelijkheden voor controle aan boord. Welke mogelijkheden ziet de minister daartoe?

Minister Opstelten: Ik ben eerlijk en als ik iets niet weet, dan zeg ik dat ook. Ik moet dat nu ook zeggen, want ik heb geen antwoord paraat op de vraag van mevrouw Ouwehand. Bovendien zijn hierbij verschillende verantwoordelijkheden in het geding.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat kan ik me voorstellen. De Kamer gaat dan ook met de staatssecretaris van EZ overleggen over de handhavingsproblemen in de visserij. Is het misschien een idee dat de minister hierover zelf ook in overleg gaat met de staatssecretaris van EZ? Ik vraag dat, omdat de bewindslieden een vergelijkbaar probleem moeten tackelen en van elkaars ervaringen moeten kunnen leren.

Minister Opstelten: Als ik zeg dat ik het antwoord op de gestelde vraag niet weet, dan weerhoudt mij dat er niet van om dat antwoord later te geven. Ik zal dan ook zeker overleggen met de staatssecretaris. Ik doe dat zeer gaarne.

(...)

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: De heer Van Gerven stelt dat een op de drie zeekoeten overlijdt als gevolg van de smurrie, maar ik heb aangegeven dat dit jaar 85 vogels zijn aangespoeld die besmeurd waren, terwijl sprake is van een zeer grote populatie. (...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vind ook dat er met groter enthousiasme en meer ambitie moet worden gekeken naar de mogelijkheden om dit te registreren en controleren op de schepen zelf. De minister spreekt er veel te gemakkelijk over. Dat geldt ook voor het aantal besmeurde vogels dat wordt gevonden. Dat is niet voor niets een belangrijke indicator van de vervuiling op zee. We zien nog steeds dat van de aangespoelde dieren de helft is besmeurd met olie. Het bevalt mij niet dat de minister dat in haar woorden in perspectief wil plaatsen. Eigenlijk bagatelliseert zij dit.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Dat komt, omdat wij het aantal besmeurde vogels juist enorm zien afnemen. Elke besmeurde dode vogel is er een te veel, maar wij zien een positieve tendens. Dat probeerde ik te benadrukken aan het begin van mijn betoog en ik benadruk het nu weer. Mevrouw Ouwehand zegt dat ik er te gemakkelijk over spreek, maar een scheepsjournaal is een vastgestelde administratieve handeling waar schippers aan moeten voldoen als zij zich verantwoorden voor hun gedrag en hun handelen. Daarom was ik het eens met wat mevrouw Jacobi aangaf, namelijk dat het belangrijk is om dat inzicht te hebben. Het is iets waar men ook op wordt aangesproken en waar men verantwoordelijkheid voor draagt. Ik weet niet precies hoe het zit met het boetedeel, maar daar wordt nog op teruggekomen.

Blok 2: Noordzee en Wadden

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Gelukkig hebben mijn collega's al heel veel vragen gesteld, dus ik hoop dat ik het kort kan houden. Ik sluit mij aan bij de vragen en de kritische opstelling van de ChristenUnie over de zoutwinning. Wij moeten dat niet doen, want als de platen wel degelijk zijn gezakt, zijn de gevolgen niet terug te draaien. Dat kunnen wij dan niet meer oplossen. Ik hoef de staatssecretaris vast niet te wijzen op het feit dat de Waddenzee een uniek natuurgebied is en geen exploitatieruimte voor wie dat maar wil. De bescherming van de natuurwaarden moet voorop staan. Binnen die bescherming kan dan bekeken worden wat verantwoord mogelijk is. Dat is de route. Dit geldt ook voor de Noordzee. Ik krijg daarom graag een bevestiging van het kabinet dat de ecosysteembenadering leidend is. Daarin staat de bescherming van de kwetsbare natuurwaarden voorop. Daarna kan bekeken worden wat er met behoud van die waarden mogelijk is en niet andersom. Helaas is dit laatste in de afgelopen jaren en zelfs decennia te vaak voorgekomen.
Voor wind op zee geldt hetzelfde. Het kan een goede mogelijkheid zijn voor duurzame energieproductie, maar die moet dan wel goed aangepakt en ingepast worden, want de natuurwaarden mogen niet in gevaar komen. Gebieden die aantrekkelijk zijn voor vogels, komen niet in aanmerking. De Waddenzee komt dus zeker niet in aanmerking evenals de gebieden binnen de 12 mijlszone. Het heien van windmolens is daar niet mogelijk. Wij weten bovendien dat het een desastreus effect heeft op het zeeleven, dus dat doen wij niet. Dit alles komt ook aan de orde in het AO Energie, maar omdat de staatssecretaris die verantwoordelijk is voor de natuur, in dit algemeen overleg zit, hoor ik graag van haar hoe zij dat ziet en welke mogelijkheden zij ziet om verantwoord aan wind op zee te doen in het kader van de bescherming van natuurwaarden.
Het beheer van de Wadden blijft een zorgenkind. Ik merk dit ook aan de brieven die wij krijgen. Het moet beter worden geregeld. Tot nu toe lijken de verschillende gesprekspartners hier niet tevreden over. Ik kan mij dat goed voorstellen. Hoe verlopen de stappen naar een zorgvuldiger beheer? Kan de staatssecretaris dit verder toelichten?
De fractie van D66 heeft opnieuw haar zorgen uitgesproken over microplastics. Ik sluit mijdaarbij aan. Met name het zwerfafval is een grote zorg van de Partij voor de Dieren, omdat dit voor secundaire microplastics in het water kan zorgen. Ik zie dat het kabinet geen stappen zet op dat terrein. Ik moedig het kabinet dus aan op dat punt.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Mijn collega Fokke heeft, volgens mij via een motie, bij de staatssecretaris voor Milieu bedongen dat dit in Europees verband zal worden aangepakt. Ik leid hieruit af dat de Partij voor de Dieren dat niet goed genoeg vindt. Wat wil de fractie van de Partij voor de Dieren op Nederlands niveau doen? Er is onder andere gevraagd, een etiket te plakken op producten die microplastics bevatten, maar daar was geen meerderheid voor. Ik vraag mij af wat mevrouw Ouwehand wil. Misschien kunnen wij elkaar daarin vinden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Om te beginnen lijkt het me handig om het statiegeldsysteem te handhaven en uit te breiden naar kleinere verpakkingen. Het gaat namelijk niet alleen om primaire microplastics die in producten zitten, maar ook om plastic dat rondzwerft op straat en uiteindelijk in water terechtkomt en afbreekt tot heel kleine bolletjes plastic in ons zeeleven. Het afschaffen van statiegeld zal niet helpen om dat probleem te verminderen. Als mevrouw Jacobi zich, net zoals ik, zorgen maakt over de toestand van onze Noordzee, de Wadden en al het andere water, moet zij zich in het statiegeldkamp scharen.

Mevrouw Jacobi (PvdA): Dat zou ik met liefde doen, maar daarover moeten wij op een ander moment verder discussiëren. Het is een interessante discussie, indachtig alle voorwaarden die daarbij zijn gesteld. Wat zijn nu de concrete maatregelen? Hoe kunnen wij op dit vlak kordaat handelen bij de Waddenzee en de Noordzee? Als aan alle voorwaarden wordt voldaan om het statiegeld af te schaffen, zijn de microplastics toch nog niet uitgebannen? Daar zijn gewoon goede maatregelen voor nodig. Dus ik had eigenlijk een nog intelligenter antwoord, een nog een intelligentere reactie van mevrouw Ouwehand verwacht, om samen het schone water te dienen.

De voorzitter: Ik vond het ad rem, maar goed, mevrouw Ouwehand krijgt een herkansing.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Als mevrouw Jacobi die graag wil horen, dan heb ik nog een hele lijst met voorstellen waar ze alleen maar ja tegen hoeft te zeggen, zoals het belasten van plastic tasjes in de winkels. Dat zouden we meteen kunnen regelen. Het is mooi dat mevrouw Jacobi zich zorgen maakt over de Wadden. Het afschaffen van een bestaand systeem dat in elk geval ervoor zorgt dat de hoeveelheid zwerfafval niet groter wordt -- laat ik het voorzichtig zeggen -- is gewoon geen goed idee. Misschien kan mevrouw Jacobi met haar waddenhart, dat ik ken en waardeer, binnen haar fractie die statiegelddiscussie nog voeren. Als zij behoefte heeft aan nog meer voorstellen, dan kan zij altijd bij de Partij voor de Dieren terecht.
Het laatste punt waar ik bezorgd over ben, betreft de mosselteelt op de Waddenzee. De Partij voor de Dieren heeft daar altijd kritische vragen over gesteld, ook in relatie tot het zogenaamde "duurzame alternatief". Nu is echter een persbericht uitgegaan waarin de suggestie doorklinkt dat het wel meevalt met de schade die de mosselzaadinvanginstallaties veroorzaken in de natuur. Dat is een nare zaak want dat persbericht is in overleg met het ministerie uitgegaan. Door alerte, onafhankelijke collega- wetenschappers weten wij nu dat het rapport zelf heel wat kritischer is. Daaruit blijkt helemaal niet dat het wel meevalt met de schade aan de natuur. De vraag is hoe nauw de banden zijn tussen de sector, de wetenschap en het ministerie, de zogenaamde gouden driehoek: Wageningen -- IMARES -- de sector zelf en het ministerie. Zorgt die voor goede, onafhankelijke rapporten, berichten en duidingen? Aan de hand van dit geval kunnen wij constateren dat dat niet altijd goed gaat. Ik ben benieuwd hoe de staatssecretaris daarop reageert.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. (...) De Waddenzee heeft een heel bijzondere en unieke status. Mevrouw Ouwehand heeft dat terecht gezegd. Het is UNESCO-werelderfgoed. Die status is niet voor niets verleend. Die is verleend vanwege universele kenmerken van het gebied. Daarmee is het overigens geen afgesloten gebied. De werelderfgoedstatus is verkregen omdat de wet- en regelgeving op orde is. Economische activiteiten werden en worden getoetst op hun effecten op de natuur. (...) Frisia
Zout heeft een winningplan ingediend voor de zoutwinning. Het zal op grond van de Natuurbeschermingswet een vergunning moeten aanvragen. Naar verwachting zal die aanvraagprocedure binnenkort van start gaan. Frisia zal dan moeten aangeven welke bodemdaling kan optreden, wat de ecologische effecten daarvan zijn en welke mitigatie mogelijk is. Dan zal ook moeten worden bekeken wat de cumulatieve effecten zijn. Tegen mevrouw Ouwehand zeg ik dat ook de effecten van klimaatverandering moeten worden betrokken bij de afweging. Zij heeft daar gelijk in. Dat punt moet een rol spelen. Indien een vergunning verleend wordt, zal het hand-aan-de-kraanprincipe moeten gelden. Die discussie is bekend. Dat principe geldt sowieso. Dat is de stand van zaken.(...)
Mevrouw Ouwehand heeft mij gevraagd om vanuit mijn verantwoordelijkheid te kijken naar mogelijk verstorende effecten van windmolens op zee. Ja, dat doe ik. Ik doe dat echter niet alleen, maar met het hele kabinet. Dat moet ook. Daarbij zijn ook de geldende regels voor flora- en faunabescherming aan de orde. Er worden geen uitzonderingen op de natuurbeschermingswetgeving gemaakt voor windmolens op zee. (...)
Last but not least: mevrouw Ouwehand, de mosselen en het persbericht over het onderzoek van PRODUS. Ik heb ook de Volkskrant gelezen. Daarin stond dat artikel. Ik kan mij goed voorstellen dat dat leidde tot gefronste wenkbrauwen; die had ik ook. Het persbericht is niet afkomstig van mijn ministerie. Het rapport heb ik net pas gekregen. Het is een heel complex rapport, dus daar zijn geen eenduidige conclusies uit te trekken. Ik wil het graag zelf goed bekijken voordat het door iemand geduid wordt. Vervolgens wil ik het bespreken met de convenantpartners. Mijn reactie krijgt de Kamer keurig op het moment dat die aan de orde is. Wij gaan er gewoon nu naar kijken. Ik vind het niet handig om alvast de sfeer te bepalen door mee te doen aan het spel "duiden van het rapport". Dat doet namelijk geen recht aan het rapport. Er is niet één conclusie te trekken. Met andere woorden: dat was niet zo handig.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De staatssecretaris heeft in elk geval rechtgezet dat het persbericht in overleg met haar ministerie zou zijn uitgegaan. Dat klopt dus niet, begrijp ik hieruit. Ik heb nog wel een vraag. Ik heb het vermoeden dat de staatssecretaris zal zeggen dat zij er pas antwoord op geeft als zij met haar reactie op het rapport komt. Ik heb er echter behoefte aan om van de staatssecretaris te horen hoe zij aankijkt tegen de wijze waarop IMARES hiermee is omgegaan. Het is niet voor het eerst dat de discussie oplaait over de vraag hoe onafhankelijk Wageningen opereert. De indruk bestaat dat er keuzes zijn gemaakt -- hoe brengen wij dit rapport naar buiten, welk persbericht brengen wij daarover uit? -- die een wat rooskleuriger beeld geven van de schade. Natuurlijk, als je het rapport zelf helemaal leest, kun je alles zelf weten. Maar niet iedereen leest het rapport en dan wordt er op basis van de duiding een debat gevoerd. Ik wil graag weten hoe de staatssecretaris dat ziet, omdat het niet de eerste keer is dat er kritische vragen te stellen zijn over de onafhankelijke positie van de wetenschappers die daarnaar hebben gekeken.

Staatssecretaris Dijksma: Mevrouw Ouwehand begon met een wijs woord. Zij verwachtte zelf al dat ik daarop antwoord zou geven bij de evaluatie. Dat klopt. Ik kan er twee dingen over zeggen. Het is voor mij echt van belang om goed te lezen wat er precies in dat rapport staat. Ik heb al gezegd dat het een complexe zaak is en dat eenduidige of gemakkelijke conclusies niet te trekken zijn. Daarmee zeg ik natuurlijk ook iets. Vervolgens lijkt het mij belangrijk dat wij vaststellen dat, als mijn departement opdrachtgever is, de duiding ook van mij komt.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Daarop heb ik al geanticipeerd, want ik ken de staatssecretaris wel. Zij heeft ook gelijk. Zij kan die duiding in dat persbericht pas goed beoordelen, als zij dat rapport zelf heeft gelezen. Ik vind het ook fair dat zij er later op terugkomt. Ik zou echter graag van haar horen dat zij de druk om het in een korte samenvatting van zo'n rapport van een wetenschappelijk instituut rooskleuriger voor te stellen dan het misschien is, niet gewenst vindt. Dan zien wij later wel of zij ook vindt dat dit hier daadwerkelijk is gebeurd. Het gaat erom dat zij zegt dat het niet gewenst is dat er vanwege welke belangen dan ook keuzes worden gemaakt om de boel minder erg voor te stellen dan die daadwerkelijk is.

Staatssecretaris Dijksma: Ik kom hierop terug bij de evaluatie. Ik vind het fair om, zo ik er iets van zou vinden -- dat doe ik misschien wel -- dat eerst met betrokkenen te bespreken en niet via de Kamer. Dat moet de Kamer respecteren, vind ik. (...)

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Er zijn twee verschillende discussies over wind op zee. Aan de ene kant is er de aangekondigde structuurvisie over wind op zee buiten de 12 mijlszone. Die is al veel eerder ingezet. Het gaat bijvoorbeeld om het gebied ten noorden van de waddeneilanden. Dat ligt op zo'n 34 mijl, dus zo'n 60 kilometer boven Schiermonnikoog. Daarmee hebt u er een beeld van hoe dicht dat op de toeristische activiteiten zit. Zoals ik net al zei, ben ik nu bezig met een haalbaarheidsstudie naar de mogelijkheid van wind op zee binnen de 12 mijlszone. De reden is dat het toch goedkoper zal zijn dan die verre varianten. Het is een haalbaarheidsstudie, dus het is nog niet in de vorm van een structuurvisie. Wij kijken op dit moment naar alle belangen en ik zal natuurlijk ook de toeristisch-recreatieve belangen daarin meewegen. Ik verwacht de Kamer eind dit jaar, uiterlijk begin volgend jaar te kunnen informeren over de uitkomsten van de haalbaarheidsstudie.(...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik maak mij zorgen over de plannen voor windmolens binnen de 12 mijlszone of in ieder geval de haalbaarheidsstudie waarover de minister spreekt. Ik hoor haar nu twee keer zeggen dat er natuurlijk ook rekening wordt gehouden met de toeristische en recreatieve belangen. Wij zitten hier om de natuur te beschermen. Met name wind op zee heeft nog wel een aantal open eindjes. Van heien kennen wij op een aantal punten de effecten wel, maar over de effecten van het draaien van een windpark op zee is nog niet alles bekend. Kan de minister er inzicht in geven hoe die onzekerheden worden meegewogen en wat de principes zijn waaraan de haalbaarheid straks wordt afgemeten?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Ik gaf in mijn antwoord aan dat ik alle belangen erbij zou betrekken, dus ook de toeristisch-recreatieve belangen, waarnaar specifiek is gevraagd. Bij zo'n haalbaarheidsstudie komen natuurlijk ook allerlei ecologische belangen aan de orde. Op het moment dat je het voornemen hebt om te bekijken wat de mogelijkheden zijn binnen de 12 mijlszone, moet je vanzelfsprekend alle beleidsrelevante sectoren bekijken, al je wet- en regelgeving bekijken en bezien wat je wel en niet kunt op dat vlak. Dat lijkt mij meer dan helder. Daarbij spelen diverse dingen een rol voor zover wij het weten. Er is gesproken over de effecten van windmolens op zee. Dan gaat het uiteindelijk om de dingen die ons bekend zijn en waarvan wij weten dat ze negatieve effecten hebben. Wij kijken naar de ecologische stand, naar de toeristische belemmeringen en ook naar draagvlak en draagkracht. Je kunt het niet zomaar op elke plek doen en alles heeft daarmee te maken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Een aantal dingen is nog onzeker over de effecten van windmolens op het leven in de zee. Hoe gaat de minister om met die onzekerheden? Worden de aanvullende onderzoeken meegenomen in de haalbaarheidsstudie? Of baseert zij zich op hetgeen nu bekend is? In dat geval is de vraag nog steeds hoe je dan omgaat met een aantal terreinen waarop de effecten straks onzeker zullen zijn.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus: Volgens mij zei ik dat net al. Ik moet kunnen varen op de dingen die nu bekend zijn en waar wij nu iets mee kunnen. Ik moet kijken naar de huidige wet- en regelgeving. Daarbinnen doe ik de haalbaarheidsstudie. Naar aanleiding daarvan kom je op een eerste conclusie of je het wel of niet wenselijk vindt om überhaupt verder te gaan met wind op zee binnen de 12 mijlszone. Afhankelijk van die resultaten kunnen wij er altijd een discussie over hebben of je nader onderzoek moet doen. Ik zou eerst bekijken wat binnen de reguliere mogelijkheden wel en niet kan. (...) Ik kom bij het heien van de windmolens. Er zijn door diverse fracties vragen over gesteld, allereerst of wij bereid zijn in overleg te treden met de andere Noordzeelanden om te kijken naar een gelijk speelveld. Dat doen wij al. Op dit moment zijn wij gebonden aan onze eigen juridische kaders, dus het heeft wel wat tijd nodig om te komen tot een Europees speelveld. Wij zijn wel in gesprek met andere landen over de vraag hoe zij dat doen en hoe wij eventueel daarop kunnen aansluiten. Er zijn op dit moment ook marktpartijen mee bezig. Rijkswaterstaat organiseert dit jaar een internationale workshop over harmonisatie van de
vergunningen voor onderwatergeluid. Er is gevraagd of wij het heien niet kunnen verbieden. Bij de vergunningverlening is bepaald dat in de periode van 1 januari tot 1 juli niet mag worden geheid. Daarmee borgen wij dat zich geen significante effecten op gevoelige soorten voordoen. Ook dragen wij bij aan internationaal onderzoek naar kosteneffectieve manieren om schadelijke effecten te voorkomen of te verminderen. Verder kijken marktpartijen zelf naar andere mogelijkheden dan heien. Die zullen eveneens op hun effecten moeten worden beoordeeld. Ik probeer mij er van alles bij voor te stellen. Op land heb je de "silent pilers", heimachines die vaak in stedelijk gebied worden gebruikt en die je nauwelijks hoort. Ik heb geen idee of je die ook onder water kunt gebruiken. Ik weet dat er bijvoorbeeld wordt gekeken naar gravity-based technieken die minder effect hebben wat betreft geluid, maar wel een ander effect op ecologie. Je moet dus goed blijven kijken wat je gaat toepassen. (...)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. In mijn eerste termijn kwam ik niet toe aan de Eems-Dollardverdieping. Ik hoor graag van de staatssecretaris wat haar inschatting is als die wordt uitgevoerd. Het is een gebied waar de biodiversiteit nu al zwaar onder druk staat. Het kan eigenlijk alleen maar herstel hebben. We kunnen geen verdere schade aanrichten. Anders krijgt de staatssecretaris misschien wel weer nieuwe "Hedwigepolderdrama's". Misschien is het beter om gewoon helemaal niet te verdiepen. Ik houd het kort. Ik maak me echt zorgen over de 12 mijlszone. Ik snap dat we de resultaten van de haalbaarheidsstudie nog even moeten afwachten en op basis daarvan verder kunnen discussiëren, maar mij lijkt het geen goed idee.

Staatssecretaris Dijksma:(...) Ik ga eerst in op de vragen over Eems Dollard. Daarbij is inderdaad sprake van een samenhang. Mevrouw Ouwehand zegt dat een verdieping complex is, en dat is waar. Die levert namelijk een nieuwe discussie op over natuurherstel. Een en ander moet samenkomen in het beheerplan. Het klopt: er is samenhang en die moet in het beheerplan worden opgepakt. (...)