Bijdrage Ouwehand AO Natuur­beleid


2 oktober 2014

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik wil het vandaag vooral hebben over de natuurvisie die de staatssecretaris heeft gestuurd. Ik doe het niet graag, maar ik denk dat wij hier moeten vaststellen dat het CDA nog steeds een flinke vinger in de pap heeft bij het natuurbeleid van Nederland. De geest van Bleker waart nog altijd rond en wat je verder ook over de inhoud van zijn beleid zou kunnen zeggen, dat is een behoorlijke prestatie, waar ik natuurlijk niet zo blij mee ben.

Als ik lees wat de staatssecretaris schrijft, kan ik mij niet aan de indruk onttrekken dat zij veel te veel meegaat in de shockdoctrine die staatssecretaris Bleker heeft toegepast: een bezuiniging van 70% op natuur, verdedigd met de stelling dat natuur door de samenleving wel erg vervelend wordt gevonden. Dat was waar zijn pleidooi ongeveer op neerkwam: er is geen draagvlak voor natuur. Iedereen die het natuurdossier de afgelopen tien jaar een beetje heeft gevolgd, weet wel wat daarachter zat, namelijk: er is geen draagvlak voor de regels die wij met elkaar hebben afgesproken om de natuur in ons land niet nog verder achteruit te laten gaan. Dat betekent dat, als natuurgebieden al zwaar overbelast zijn door bijvoorbeeld de stikstof uit de vee-industrie, er dan niet nog meer veefabrieken bij mogen komen. Dat was waar dat draagvlak over ging. Natuurlijk zijn de boeren die dat treft, niet enthousiast over de natuurregels. Maar daar hield het zo ongeveer wel mee op. Het is niet zo dat wij hier in Den Haag de afgelopen tien jaar massaal petities in ontvangst hebben mogen nemen van mensen die zeiden: mag alsjeblieft de Veluwe weg, want die vind ik zó verschrikkelijk. Niemand vraagt om de opheffing van natuur. Dat is precies het sentiment waar staatssecretaris Bleker met groot succes gebruik van heeft gemaakt om een flinke kaalslag te plegen. Van een partij die staat voor natuur, verwacht ik dat zij daar korte metten mee maakt en het anders gaat doen. Daarom stelt het mij teleur dat in de natuurvisie wordt uitgegaan van en wordt voortgeborduurd op die premisse, die dus niet klopt.

In de Rijksnatuurvisie 2014 lezen wij: "De afgelopen decennia is de regie over het beschermen van natuur steeds meer in handen van de rijksoverheid gekomen. Daarbij lag een sterk accent op natuur als waarde in zichzelf." Echt waar? Deden we dat in De Peel? Was daar de natuur als waarde in zichzelf vanzelfsprekend? Of keken wij de andere kant op, hielden wij ons niet aan de Natuurbeschermingswet en hebben wij toegestaan dat de situatie door de overbelasting gierend uit de hand is gelopen? Stuitte niet uiteindelijk daardoor een extra aanvrage voor nog een vergunning voor nog meer uitbreiding een keer op de grenzen van onze eigen wet en ontstaat daardoor niet irritatie bij ondernemers? En terecht ook nog. Geen helderheid scheppen over waar je heen gaat met de bescherming van de natuur in je land, vraagt om polarisatie doordat wij het erop hebben laten aankomen dat er op een gegeven moment, zonder dat ondernemers daar door de overheid op zijn voorbereid, een grens is aan hetgeen wij onze natuur nog kunnen aandoen.

Ik had gehoopt dat de staatssecretaris in elk geval van die veronderstelling, die niet klopt, had gezegd: zo zit het niet in elkaar. We hebben niet goed genoeg ons best gedaan om onze natuur te vrijwaren van overbelasting en versnippering. Dat moeten we wel doen, juist omdat we weten dat, als we echt investeren in natuur, de juridische klem minder wordt. Hoe slechter de staat van onze natuur, hoe strenger de rechter zal zijn als hij bekijkt of de belasting nog groter kan worden. Dan hou je de polarisatie tussen ondernemers en natuurbeschermers dus in stand.

Ik heb het vaker gezegd, maar ik hecht eraan het hier nog een keer te zeggen: ik vind echt dat de staatssecretaris hier vandaag moet zeggen dat het onterecht is dat de zwartepiet aan natuurbeschermers is toegespeeld. Ik weet niet of hier iemand weleens met een boswachter op pad is geweest. Je mag niet generaliseren en N=1, maar ik heb niet vaak zulke zachtaardige mensen meegemaakt. Ze zijn er helemaal niet op uit om ondernemers dwars te zitten. Zij komen op voor de kwetsbare waarden, voor de natuur, die van ons allemaal is. De suggestie die is gewekt dat de natuurbeschermers die het lef hadden om naar de rechter te stappen om te kijken of wij ons wel aan de Natuurbeschermingswet hielden, akelige mensen zouden zijn, vind ik nog steeds verwerpelijk. Ik zie dat daar in de natuurvisie geen afstand van wordt genomen. Ik wil de staatssecretaris vragen om dat vandaag alsnog te doen.

De voorzitter: U hebt nog 1 minuut en 10 seconden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De grote vraag is dus: wat betekent de natuurvisie, wat gaat hierdoor gebeuren? Dat we minder bezuinigen dan onder het vorige kabinet zou je winst kunnen noemen. Wat echter nodig was, was een investering in natuur. Het blijft dus nog steeds een bezuiniging. Het blijft een verslechtering van het natuurbeleid dat wij hadden moeten voeren. Is de staatssecretaris bereid om in het kabinet te pleiten voor meer budget daarvoor? Hoe gaat de decentralisatie werken nu wij de provincies horen zeggen "allemaal leuk en aardig, maar wij accepteren geen resultaatsverplichting"? Welke waarborgen ziet de staatssecretaris om dat natuurnetwerk alsnog te realiseren?

We gaan nog veel debatten voeren over natuur. De wet wordt veranderd en er lopen verschillende trajecten. Ik zou vandaag graag van deze staatssecretaris horen of zij de bezem door het oude natuurbeleid haalt of dat zij met een stoffer en blik een paar scherven blijft oprapen.

Ik heb nog een concrete vraag over de zoutwinning onder de Waddenzee. Die is naar mijn mening tekenend voor de richting die de staatssecretaris wil opgaan.

De voorzitter: Excuses, mevrouw Ouwehand, maar dat onderwerp staat niet geagendeerd. Hierover zal een apart algemeen overleg worden gehouden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Daarover wil ik een ordevoorstel doen. Ik weet dat het niet voor dit AO geagendeerd staat, maar het lijkt mij niet handig dat wij de staatssecretaris apart moeten uitnodigen voor een AO dat wij met de minister voeren. De staatssecretaris kan ervoor kiezen om wel op deze vraag in te gaan, anders moet de Kamer haar uitnodigen om aan te schuiven bij een ander overleg. Ik zou haar wel enige vrijheid willen geven om zelf te bepalen of zij hierop ingaat of niet.

De voorzitter: Dit verhaal wordt nog apart besproken op de komende procedurevergadering. Ik hoor de staatssecretaris echter fluisteren dat zij best bereid is om daar iets over te zeggen. Dat is sympathiek van de staatssecretaris. Bent u klaar met uw betoog, mevrouw Ouwehand?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb mijn vraag niet gesteld, maar de staatssecretaris kan hem wel vermoeden. Ik zou graag zien dat de desbetreffende vergunning wordt ingetrokken. De Partij voor de Dieren is er niet van overtuigd dat de natuureffecten voldoende zijn getoetst en dat dit in overeenstemming is met de wet. Graag hoor ik daarop een reactie van de staatssecretaris.

Interrupties bij andere partijen

De heer Rudmer Heerema (VVD): (…) De VVD vindt wel dat de overheid de afgelopen jaren is doorgeschoten met het compenseren van natuur. De verhouding was en is zoek. Dit is -- ik kan het niet anders zeggen; ik verwijs hierbij ook naar mijn collega Ton Elias -- toch wel groen smeergeld. Compenseren is een doel op zichzelf geworden. In plaats daarvan moet dit bij natuur een bewuste keuze zijn. De kwaliteit en niet de kwantiteit moet leidend zijn. De inspraak van milieu- en natuurclubs moet worden ingeperkt om de balans terug te brengen. Daar zullen wij bij de behandeling van de nieuwe Natuurwet dan ook een punt van maken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben nu al benieuwd hoe de VVD dat precies voor zich ziet. Hoorde ik hem zeggen dat de inspraakmogelijkheden voor natuurorganisaties moeten worden ingeperkt? Wat stelt de heer Heerema voor?

De heer Rudmer Heerema (VVD): In de nieuwe Natuurwet staat heel duidelijk dat voor werkelijk iedereen een breed scala aan inspraakmogelijkheden wordt georganiseerd. Wij menen echter dat dit op lokaal niveau alleen voor de lokale belanghebbenden geregeld zou moeten zijn, opdat een milieuorganisatie uit Groningen geen mogelijkheid tot inspraak heeft over een natuurgebied in bijvoorbeeld Brabant.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ja, ja. Dit heeft het CDA al eerder geprobeerd. Dat maakte zich toen druk over een jurist ergens drie hoog achter in Amsterdam die zich dan opwierp voor een natuurgebied in Brabant. Het is dus eerder geprobeerd, en dat lukt niet erg. Wat ziet de VVD voor zich? Dat de rechter gaat toetsen of iemand wel of geen belang heeft bij een gezonde natuur in Nederland? Of is dit een beetje een praatje voor de bühne om tegenover de ondernemers de stoere jongen uit te kunnen hangen?

De heer Rudmer Heerema (VVD): Zoals ik zei, komen wij daar bij de behandeling van de nieuwe Natuurwet op terug. Die biedt volgens mij het juiste podium voor het voorstellen van wijzigingen, niet dit overleg. Ik doe een vooraankondiging. Mevrouw Ouwehand en ik zullen elkaar over een maand of twee in het debat daarover treffen.

Beantwoording door de staatssecretaris van Economische Zaken

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. Dat zal ik doen. Allereerst zal ik ingaan op de vragen over de natuurvisie. Het tweede blok gaat over de meer algemene lijn bij Natura 2000. Hoe gaan we daarmee om en wat staat ons te doen in de richting van Brussel? In dat blok zal ik ook ingaan op de vragen die zijn gesteld over bepaalde gebieden, te weten de Engbertsdijksvenen, Wierdense Veld en het Land van Rhoon. Het derde blok betreft natuur op zee. Dan zal ik het een en ander zeggen over de vragen die zijn gesteld over de Doggersbank. En dan heb ik nog een omvangrijk blok "overig", waarin om zo te zeggen rijp en groen door elkaar heen lopen. (…)

In de wereld zitten we ook niet stil, bijvoorbeeld als het gaat om wildlife crime. Ik weet dat een heleboel leden met mij vinden dat we daar nog veel meer aan moeten doen. Dat is ook sterk verbonden aan internationale criminaliteit. De opbrengst van de jacht op ivoor wordt steeds meer verbonden aan organisaties die terroristische gedragingen laten zien. Bij de walvissen trekken we ook samen op, waarbij ik kijk naar mevrouw Ouwehand. Natuurlijk is Nederland ook leidend als het gaat om climate smart-agriculture en blue oceans.

Waarom laat ik dit nu zien? Omdat ik hiermee wil aangeven wat de natuurvisie in de praktijk met zich brengt, ook voor mij. Aan de ene kant vraagt dit activisme van mensen in de samenleving, bedrijven en organisaties, en aan de andere kant van de overheid, zonder dat je altijd alles kunt vastleggen in wet- en regelgeving. Heel soms zul je ook wet- en regelgeving die eigenlijk niet effectief is, ter discussie moeten durven stellen. Ook dat doen we.

Ik denk dat we moeten vaststellen dat ik een visie presenteer waar het kabinet en ik voor staan, dit in antwoord op de opmerking van mevrouw Ouwehand. Er waait een nieuwe wind, om de woorden van mevrouw Jacobi te gebruiken. Laten we de discussies uit het verleden niet blijven herhalen en elke keer weer op tafel leggen. Het lijkt erop dat mevrouw Ouwehand daar wat meer mee bezig is dan ondergetekende, zeg ik maar even plagerig terug. Je kunt vaststellen dat het draagvlak voor natuur in de Nederlandse samenleving enorm groot is, bijvoorbeeld als je kijkt naar het grote aantal leden bij een organisatie als Natuurmonumenten, waar ik zelf ook veel sympathie voor heb, maar er is niet altijd draagvlak voor natuurbeleid. Dat hebben we vanmiddag ook gezien. Daar zou ik graag een verstandig antwoord op geven, in de woorden van de heer Smaling, want dat is dan wel nodig. (…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is goed om te horen dat de staatssecretaris onderschrijft dat er wel degelijk draagvlak is voor natuur in Nederland, maar ik vind het zorgwekkend dat zij dan zegt: maar niet altijd voor natuurbeleid, en dat zij het daarbij laat. Daar ging mijn inbreng over. De hand moet in eigen boezem. We moeten hier iets doen. De Hedwigepolder is het belangrijkste voorbeeld van de polarisatie in de samenleving die je krijgt als er een politiek besluit is genomen dat niet wordt verdedigd, als we daar niet voor gaan staan. Als we dan in het natuurbeleid van de staatssecretaris geen verplichting zien bij de programmatische aanpak om de doelen te halen, als we het beleid decentraliseren en accepteren dat de provincies zeggen dat er geen resultaatsverplichting is, dan kunnen we er donder op zeggen dat er juridische procedures komen bij vergunningaanvragen.

De voorzitter: Wat is uw vraag, mevrouw Ouwehand? U moet echt concreter zijn.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Aan de staatssecretaris stel ik de vraag, die ik ook zo uit het tijdschrift van de boeren kan halen: waar gaat het nu heen? We hebben niets aan retoriek en mooie woorden over natuur. We willen helderheid. De keuzes die daarbij horen, kunnen we verdedigen en uitleggen in het land. Dat gebeurt nu niet.

Staatssecretaris Dijksma: Dat vind ik toch een karikatuur van de werkelijkheid, want volgens mij gebeurt dat wel degelijk. Ik heb net opgesomd waar ik mee aan de slag ben gegaan. Er is een gewijzigd voorstel voor de Wet natuurbescherming. Er is het Natuurpact, waarbij we wel degelijk afspraken hebben gemaakt met de provincies. We hebben ook afgesproken dat we elkaar daaraan gaan houden. We hebben heel veel Natura 2000-gebieden aangewezen. Daar is niet iedereen aan deze tafel blij mee, dat erken ik en daar zal ik nog iets over zeggen. Ik wil wel vaststellen dat het in de afgelopen maanden meer is geweest dan in de jaren ervoor. We zijn aan de slag met de PAS. We hebben een nieuw stelsel voor agrarisch natuurbeheer, dat gaat sturen op inhoudelijke doelen op het gebied van biodiversiteit. Ik begrijp best dat er in het perspectief van mevrouw Ouwehand nog een heleboel dingen zijn die zij wil realiseren of waar zij het niet mee eens is, maar die toch gebeuren, maar het is niet fair en ook niet waar om te suggereren dat op dit dossier de tijd stilstaat of de klok achteruitgaat. Als je naar het lijstje met feiten kijkt, denk ik dat dit kan worden weersproken en dat doe ik ook. Mevrouw Ouwehand weet dat ik er ook voor sta als het om moeilijke besluiten gaat, zoals over de Doggersbank, waar ik nog op inga.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat klopt, dat heeft de staatssecretaris ook laten zien bij de Hedwigepolder en bij de aanwijzing van Natura 2000-gebieden. We hadden daar in 2010 al mee klaar moeten zijn. Dan staat de staatssecretaris daar en zegt dat wij daartoe verplicht zijn, dat niemand gebaat is bij langere onzekerheid en dat we het zo gaan doen. Ik vraag haar om die lijn door te zetten in de rest van haar natuurbeleid. Als we het met z'n allen vervelend vinden dat er sprake is van spanning en polarisatie, kunnen we het er niet op aan laten komen dat we door een aantal doelen in de lucht te laten hangen en niet scherp te stellen waar we uit moeten komen. Als natuurbeschermers dan met recht en reden naar de rechter stappen, met de mededeling dat het zo niet kan, omdat dat gebied al in slechte staat is, dus dat er niet nog een vergunning of een beheerplan kan worden afgegeven, …

De voorzitter: En uw vraag is?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik voorspel dat het draagvlak hier wordt geëxploiteerd om te zeggen dat het natuurbeleid wel heel vervelend is. Dat kunnen we voorkomen als we gaan staan voor wat we willen realiseren. Ik daag de staatssecretaris uit om dat op alle punten te doen, niet alleen bij wat zij tot nu toe heeft laten zien, bij de aanwijzing van Natura 2000-gebieden en de Hedwigepolder, complimenten daarvoor, maar ook bij de Programmatische Aanpak Stikstof, het halen van de biodiversiteitsdoelen en het echt realiseren van het natuurnetwerk.

Staatssecretaris Dijksma: Volgens mij is mevrouw Ouwehand nu bezig met preaching to the converted, zoals ze dat in Amerika zo mooi noemen, en dat vindt ook de heer Dijkgraaf best goed. Zij maakt een algemene opmerking. Ik vind het lastig om te herhalen wat ik net heb gezegd of om iets anders te zeggen. Ik begrijp het signaal wel, maar volgens mij is het in dit geval niet helemaal terecht om het zo neer te zetten. (…)

Nu de vragen over de zoutwinning. Ik heb gezegd dat ik de vragen graag zal beantwoorden. Mevrouw Jacobi heeft een aantal specifieke vragen gesteld. Mevrouw Ouwehand begon met de vraag of de vergunning niet gewoon niet kan worden verleend. Welnu, dat kan niet. Ik heb de Kamer in een brief uitgebreid uitgelegd waarom dat niet kan. Het heeft er gewoon mee te maken dat wij moeten beoordelen of er schade is. Dat hebben wij gedaan. Wij hebben dat vanwege de motie van mevrouw Jacobi nogmaals gedaan, en om geen risico te nemen, hebben we het vervolgens ook nog onafhankelijk laten beoordelen. De uitkomst is zoals hij is: die vergunning kan worden verleend. Ik ben het zeer met mevrouw Jacobi eens dat er uitgebreid moet worden gemonitord. Dat is ook een voorwaarde in de vergunning. Het gaat daarbij inderdaad over de hoogteligging van de Ballastplaat, en om de wadvogels en de schelpdieren, maar ook om hun voedsel en de samenstelling van het slib. We hebben ook in dit geval de Commissie voor de m.e.r. gevraagd om het monitoringsprogramma te toetsen. Ook hiervoor is dus specifiek aan onafhankelijken gevraagd om daarnaar te kijken. Een verzekering voor schade is niet nodig, want schade wordt in beginsel voorkomen door het hand-aan-de-kraanprincipe, maar ook doordat Frisia verantwoordelijk is voor het herstellen van eventuele schade. Dat is als voorschrift in de vergunning geregeld. Dat is wel van belang. In feite gebeurt daarmee wat wordt gevraagd. (…)

Mevrouw Ouwehand zei dat de vrijgemaakte middelen neerkomen op: minder minder. Ik wijs erop dat er in de periode tot 2017 ten opzichte van de vorige kabinetsperiode 1 miljard extra is vrijgemaakt. Ook daar is draagvlak voor, bij vele partijen in dit huis. Ik heb niet in alle tegenbegrotingen voorstellen gezien voor nog veel meer; die van mevrouw Ouwehand daargelaten, want daar zou dit vast wel in hebben gestaan. Men begrijpt dat we dit dus doen met het geld dat ervoor is. Daarmee hebben we ook een groot deel van de geplande bezuinigingen kunnen terugdraaien. De provincies dragen er natuurlijk ook aan bij. We willen dat de in de tweede pijler beschikbare middelen worden ingezet op het boerenerf, maar vooral ook voor maatregelen die ten goede komen aan de natuur en die de agrarische ondernemers ook weer helpen. Ik begrijp de vraag van mevrouw Ouwehand dus wel, maar toen zij de vraag stelde, wist zij wat mijn antwoord zou zijn. Wel wil ik vaststellen dat het mooi is dat het is gelukt om het op deze manier te doen, in deze tijd, waarin vele van mijn collega's het moeilijk hebben met heel grote bedragen die zij minder krijgen. Niet iedereen zal dat vinden, maar ik ben daar best trots op.