Inbreng Verslag Wet Natuur­be­scherming


8 oktober 2014

Inbreng Verslag Regels ter bescherming van de natuur (Wet natuurbescherming)

Inleiding
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben kennisgenomen van de Wet natuurbescherming en de nota van wijziging die de regering de Kamer heeft gestuurd. Er is volgens deze leden geen reden om opgetogen te zijn: de Nederlandse natuur is de afgelopen decennia vergaand versnipperd en vervuild, en daardoor kwetsbaar en in slechte staat. Ten opzichte van 300 jaar geleden heeft Nederland nog maar 15% van haar biodiversiteit weten te bewaren, veel minder dan andere Europese landen. Ondanks wetten en beleid om de natuur beter te beschermen en –waar die bescherming daadwerkelijk is toegepast- voorzichtige tekenen van herstel hier en daar, is het Nederland nog steeds niet gelukt de totale afname plant- en diersoorten te stoppen. Dit terwijl dat volgens het Biodiversiteitsverdrag -dat Nederland heeft ondertekend- in 2010 al had moeten gebeuren. Ondanks internationale afspraken die zulks verbieden, worden veel natuurgebieden nog altijd bedreigd door vervuiling en verstoring. Vooral de vee-industrie heeft met haar stikstofdeposities een desastreus effect op veel kwetsbare natuurwaarden.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zouden verwachten dat de regering, op basis van een zelfstandige motivatie om natuur afdoende te beschermen en de afspraken die ons land daarover in internationaal verband heeft gemaakt, de noodzaak van natuurherstel en effectieve bescherming van natuur zou erkennen en centraal zou stellen in haar natuurbeleid. Deze leden zijn van mening dat reeds bestaande wettelijke kaders voor de bescherming van de natuur nauwlettender opgevolgd moeten worden door Rijk, provincies en gemeenten. Daarnaast moeten de bestaande kaders volgens deze leden worden aangescherpt waar nodig.
Deze leden moeten constateren dat de regering er in plaats daarvan voor kiest om te doen alsof de bestaande regels een goede bescherming van de natuur in de weg staan. Kan de regering verhelderen waar zij dat op baseert? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering de indruk probeert te wekken dat het stelsel van natuurbeschermingsregels ertoe heeft geleid dat de bescherming van natuur onvoldoende van de grond gekomen is, maar ziet geen enkele onderbouwing van die suggestie. Om te beginnen ontbreekt een heldere evaluatie van de effectiviteit van de huidige regels. Ook maakt de regering niet duidelijk in hoeverre de centrale en decentrale overheden überhaupt werk hebben gemaakt van het naleven en handhaven van de bestaande wetten en regels.
Kan de regering bijvoorbeeld een overzicht verschaffen van de handhaving van de Natuurbeschermingswet 1998 (Nb-wet) door het bevoegd gezag? De talloze verzoeken tot handhaving die door maatschappelijke organisaties zijn gedaan, wekken niet de indruk dat het Rijk en de provincies veel belang hebben gehecht aan de verplichting om zogenaamde verstorende activiteiten, zoals veefabrieken die de omliggende natuurgebieden overbelasten met stikstof, aan een natuurtoets te onderwerpen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie menen dat de Nb-wet zeer slecht is gehandhaafd door zowel het Rijk als provincies en hebben al vaker verzocht om duidelijkheid op dit punt. Is de regering bereid deze duidelijkheid alsnog te verschaffen? Omwille van een vermeende knel met de regels is de wet namelijk al vaker aangepast, terwijl een heldere analyse daarbij ontbrak. Zonder zicht op de mate waarin de vigerende regels zijn gehandhaafd, en de precieze problemen die zich daarbij al dan niet hebben voorgedaan, is het steeds weer aanpassen van de wet immers een schoolvoorbeeld van slecht bestuur.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden vereenvoudiging van wetgeving in beginsel een prima idee. Helaas moeten deze leden constateren dat ‘vereenvoudiging’ vaak niet veel meer is dan een ander woord voor ‘afvlakking’. ‘Vereenvoudiging’ blijkt een veelgebruikte vlag om mee te verhullen dat in feite de bescherming van kwetsbare waarden wordt verminderd. Helaas moeten de leden van de Partij voor de Dieren-fractie vaststellen dat dit ook het geval is bij de operatie om te komen tot een nieuwe Wet natuurbescherming. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat de regering de bescherming van natuur en dieren verder verslechtert en dat de noodzakelijke maatregelen om de natuur en de biodiversiteit te herstellen niet in de wet te vinden zijn. De regering specificeert in het wetsvoorstel de intrinsieke waarde van natuur als doelbepaling, maar die intrinsieke waarde van natuur ontbreekt vervolgens volledig in de tekst, de doelen en de geest van het wetsvoorstel. Graag een reactie. De regering pretendeert met deze wet een vereenvoudiging aan te brengen in de bescherming van natuur, bossen en dieren, maar slaagt daar niet in. Integendeel, deze leden constateren dat de complexiteit van de bescherming van de natuur alleen maar toeneemt ten koste van de bescherming van natuur en dieren.

Ten opzichte van één beschermingsregime in de Flora- en Faunawet (FFW), heeft de regering in dit voorstel verschillende beschermingsregimes uit de Habitatrichtlijn, de Vogelrichtlijn en de Verdragen van Bonn en Bern als uitgangspunt genomen en daarbij toegewerkt naar het absolute minimum dat deze internationale afspraken verplicht stellen. Deze leden constateren dat elk van deze internationale verdragen en richtlijnen verschillende specifieke afwijkingsgronden kent, wat de helderheid, de vereenvoudiging van wetgeving en de beschermingsgraad van de natuur, de planten en de dieren niet ten goede komt. Werkelijke bescherming wordt ingeruild door wat weliswaar wettelijke bescherming heet, maar waarvan geen bescherming uitgaat. De programmatische aanpak stikstof zal ook op lange termijn de kritische depositiewaarde niet in beeld brengen en de natuur opschepen met hoge stikstofdepositie en herstelmaatregelen. Daarnaast zullen bedrijven in onzekerheid blijven omdat de instandhoudingsdoelen niet duurzaam worden gehaald. De Natuurschoonwaarden stilte, weidsheid, ongereptheid en nachtelijk duister, zijn door dit wetsvoorstel niet langer beschermd.

HOOFDSTUK 2. HOOFDLIJNEN WETSVOORSTEL EN SAMENHANG OVERIG BELEID
2.1. Hoofdlijnen wetsvoorstel
De leden van de Partij voor de Dieren fractie betreuren dat het Rijk veel verantwoordelijkheden omtrent natuurbescherming in verregaande mate decentraliseert. Deze leden zijn van mening dat een coherent natuurbeleid minder waarschijnlijk wordt door twaalf verschillende provincies twaalf verschillende beleidsrichtingen te laten kiezen. Deze leden constateren dat ook de regering stelt dat regie op nationaal niveau onmisbaar is indien nationale belangen of internationale verantwoordelijkheden dit vergen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen zich af of zaken waarbij het Rijk de regie uit handen geeft aan provincies niet van nationaal belang worden geacht door de regering, zoals totstandbrenging en instandhouding van de ecologische hoofdstructuur en bescherming van natuurgebieden niet behorende tot het Natura2000 regime. Acht de regering deze zaken niet van nationaal belang of van belang voor internationale verantwoordelijkheden?
De leden van de Partij voor de Dieren fractie constateren verder dat dit wetsvoorstel de Minister slechts verplicht toe te zien op de staat van instandhouding van de natuurlijke habitats, habitats van dier- en plantensoorten genoemd in de Habitatrichtlijn en habitats van vogelsoorten genoemd in de Vogelrichtlijn, evenals geregeld voorkomende trekvogelsoorten. Dat lijkt de leden van de Partij voor de Dieren-fractie nogal mager. Louter toezien op de staat van instandhouding geeft volgens deze leden geen enkele richting aan en geeft geen waarborg voor daadwerkelijke bescherming. De regering kan met de gekozen formulering toezien op verslechtering van de staat van instandhouding en dat was het dan. Deze leden kunnen zich niet voorstellen dat dit serieus de bedoeling van de regering is. Onderschrijft de regering dat de Vogel- en Habitatrichtlijn voorschrijven dat er sprake moet zijn van een goede staat van instandhouding? En onderschrijft de regering dat de Minister niet alleen moet toezien op die goede staat, maar daar ook zorg voor moet dragen? Zo nee, waarom niet?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen zich sowieso af hoe de regering dat toezicht voor zich zag en welke mogelijkheden de Minister heeft om de regie terug in handen te nemen indien internationale verplichtingen niet worden gehaald? Tijdens het Ronde Tafel Gesprek dat de Tweede Kamer over de voorliggende wet heeft georganiseerd maakte de woordvoerder van het IPO heel duidelijk dat de provincies, die de regering met de decentralisatie verantwoordelijk maakt voor het natuurbeleid, geen resultaatverplichting accepteren. Dat zou de regering bezorgd moeten stemmen. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien graag een uitgebreide reactie op dit punt en vragen de regering duidelijk te maken hoe zij denkt te kunnen waarborgen dat de natuurdoelen worden gehaald. Dat vraagt in elk geval om aanpassing van het wetsvoorstel op dit punt, maar zelfs als de Minister de wettelijke regie behoudt dringt de vraag zich op hoe het Rijk een provincie kan dwingen zich goed van de haar toegewezen taak te kwijten. Kan de regering schetsen welke mogelijkheden zij heeft en wil benutten om in te kunnen grijpen indien een of meer provincies de natuur in strijd met internationale verdragen verder laat (laten) verslechteren?
Deze leden constateren verder dat de Minister gehouden is zorg te dragen voor de verstrekking van gegevens aan de Europese Commissie, overeenkomstig de vereisten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Het wetsvoorstel formuleert echter geen concrete eisen aan provincies voor verslaglegging en monitoring. Hoe heeft de regering zeker gesteld dat zij door twaalf provincies op een eenduidige manier wordt voorzien van gegevens die zij moet verstrekken aan de Europese Commissie? Is de regering bereid om bepalingen op te nemen in het wetsvoorstel betreffende verslaglegging en monitoring door provincies?

2.2. Samenhang met overig beleid en andere wetgeving
Ecologische hoofdstructuur
De leden van de Partij voor de Dieren fractie constateren dat de verantwoordelijkheid voor de totstandbrenging en instandhouding van een ecologische hoofdstructuur een verantwoordelijkheid wordt van de provincies. Tegelijkertijd stelt de regering dat het Rijk over bevoegdheden blijft beschikken als nationale belangen of internationale verantwoordelijkheden dit vergen. Over welke bevoegdheden beschikt het Rijk als de twaalf verschillende beleidsstrategieën van de verschillende provincies niet leiden tot een ecologische hoofdstructuur die voldoet aan internationaal vastgelegde natuur- en biodiversiteitsdoelstellingen? Is de regering het met deze leden eens dat een goede staat van de ecologische hoofdstructuur een voorwaarde is om de doelstellingen voor Natura2000 gebieden te behalen? Zoja, betekent dit dan niet dat ook de ecologische hoofdstructuur automatisch een nationale bevoegdheid is, omdat deze een voorwaarde is om te voldoen aan internationale verplichtingen?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering claimt dat het College voor Toelating Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (CTGB) voor toelating toetst op onder meer de effecten op het milieu. Hoe toetst dit college op de effecten van toe te laten gif op de instandhoudingsdoelen van de vogel- of habitatrichtlijn (VHR)? En als zij dit niet doet, zoals deze leden vermoeden, kan de regering dan bevestigen dat het bevoegd gezag gehouden is om een passende beoordeling op te stellen voor landbouwactiviteiten waarbij er veelvuldig gebruik wordt gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen die nabij Natura2000 gebieden worden verricht of gepland? Hoe toetst het CTGB op de effecten van een toe te laten gif op de doelen van de Kaderrichtlijn Water (KRW)? Of indien zij dit niet doet, zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) in haar rapport ‘Water Governance in the Netherlands: Fit for the Future?’ constateert, op welke wijze worden dan kwetsbare natuurwaarden in casu beschermd? Hoe wordt voorkomen dat een middel dat al op de markt is toegelaten de doelen van deze richtlijnen onhaalbaar maakt?

HOOFDSTUK 5. ALGEMENE VOORZIENINGEN
5.2. Bevoegdheden en verantwoordelijkheden
Provinciale taken
De leden van de Partij voor de Dieren fractie constateren dat de regering een centrale rol ziet weggelegd voor de provincies inzake natuurbeleid en de realisatie van gebiedsgericht beleid. De provincies moeten daarbij volgens de regering zorgen voor een gunstige staat van instandhouding van de van nature in Nederland voorkomende soorten dieren en planten, natuurlijke habitats en met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. Provincies kunnen daartoe gebieden in het kader van natuurnetwerk Nederland aanwijzen evenals bijzondere provinciale natuurgebieden. Hoe is gewaarborgd dat provincies voldoende provinciale natuurgebieden en gebieden in het kader van natuurnetwerk Nederland aanwijzen? Wat kan het Rijk doen op het moment dat de provincies tezamen niet zorgen voor een samenhangend ecologisch netwerk, zoals beoogd in artikel 1.10? Welke mogelijkheden schept deze wet voor provincies om gebieden die zij aanwijzen als Bijzonder Provinciaal Natuurgebied te beschermen en welke mogelijkheden voor de bescherming van deze gebieden zijn nieuw? Zouden provincies zonder artikel 1.10 lid 3 dezelfde mogelijkheden hebben om bepaalde natuurgebieden op eigen initiatief te beschermen? Zo ja, ziet de regering geen noodzaak om provincies extra beschermingsmogelijkheden aan te reiken voor bescherming van provinciale natuurgebieden? Zou het volgens de regering de coherentie van natuurbeleid ten goede komen om in het wetsvoorstel kaders te stellen voor provinciale natuurgebieden?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat Gedeputeerde Staten volgens artikel 1.10 van het wetsvoorstel zorg moeten dragen voor bescherming, instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden, en voor het behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de van nature in Nederland voorkomende soorten dieren en planten en hun habitats, genoemd in de Habitatrichtlijn. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de decentrale overheden hierbij geen resultaatsverplichting, maar een inspanningsverplichting hebben. Hoe verhoudt deze inspanningsverplichting zich tot de resultaten die Nederland moet boeken om aan internationale afspraken te voldoen? Aan de hand van welke criteria beoordeelt de regering of provincies voldoende inspanning hebben geleverd om soorten en hun habitats te beschermen? Hoe wordt beoordeeld of de inspanningen een bevredigend resultaat hebben opgeleverd? Wanneer de situatie van soorten of habitats verslechtert of niet voldoende herstelt, hoe is dan geborgd dat de inspanningen op het gebied van soortenbescherming worden verhoogd? Kan de regering inspanningen van provincies als voldoende beoordelen wanneer de behaalde resultaten onvoldoende zijn (wanneer de situatie van soorten of habitats bijvoorbeeld is verslechterd?) Wat kan het Rijk doen op het moment dat het decentrale beleid tekort schiet en het slecht gaat met bepaalde soorten of habitats? Waarom is niet gekozen voor een resultaatsverplichting, als er volgens internationale afspraken wel resultaten moeten worden geboekt?

5.4. Programmatische aanpak
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de mogelijkheden voor een programmatische aanpak vooral tot doel hebben om economische ontwikkelingsruimte te creëren. Hoewel artikel 1.8a de intrinsieke waarde als motief noemt voor natuurbescherming, is dit motief niet terug te vinden in artikel 1.11. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat een programmatische aanpak tevens gericht kan zijn op het beschermen of herstellen van natuur, vanwege de intrinsieke waarde. Is de regering bereid de intrinsieke waarde van natuur te noemen in artikel 1.11 van het wetsvoorstel? Hoe verhoudt een programmatische aanpak die niet leidt tot netto natuurherstel zich tot het erkennen van de intrinsieke van natuur? De regering heeft immers bevestigd dat de PAS in ieder geval de eerste zeven jaar niet zal leiden tot netto natuurherstel. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de Programmatische Aanpak Stikstof de belangrijke eis mist dat de doelen daadwerkelijk gehaald moeten worden. De leden van deze fractie blijven erop wijzen dat de PAS op deze manier geen waarde heeft als natuurbeschermingsinstrument. De Partij voor de Dieren dringt er bij de regering op aan het verslechteringsverbod dat voortvloeit uit de Vogel- en Habitatrichtlijn alsnog te verankeren in de PAS. Graag een reactie.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn tevens van mening dat er in de praktijk geen nieuwe economische ontwikkelingsruimte beschikbaar kan zijn, voordat een programmatische aanpak daadwerkelijk heeft geleid tot natuurherstel. Is de regering bereid om zeker te stellen dat er geen nieuwe ontwikkelingsruimte wordt weggegeven aan economische activiteiten, totdat de beoogde resultaten van een programma voor natuurherstel volledig behaald zijn? Zo nee, waarom niet en op welke wijze wil zij natuurherstel dan garanderen?

5.5. Zorgplicht
Inhoud zorgplicht
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de voorgestelde zorgplichtbepaling overeenkomt met de huidige zorgplichtbepaling in de FFW. Kan de regering duidelijk maken welke zaken in strijd zijn met de zorgplicht, maar niet door andere wetsartikelen worden bestreken? Betekent de zorgplicht dat een passant gehouden is zorg te verlenen aan een hulpbehoevend in het wild levend dier, of geldt dit vereiste alleen als de hulpbehoevende toestand van het dier veroorzaakt is door de mens? Of geldt de zorgplicht helemaal niet voor passanten? Valt het doden van een exoot (niet-zijnde invasief) eronder? Of mag dat alleen mits kundig uitgevoerd?

Handhaving zorgplicht
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn bezorgd over de handhaafbaarheid van de zorgplicht. De zorgplicht is in theorie zelfstandig handhaafbaar. Kan de regering inzichtelijk maken in hoeverre de zorgplicht ook in de praktijk handhaafbaar is? Zijn er gevallen bekend van (preventieve) handhaving op artikel 2 FFW, zowel door het ministerie als door gedeputeerde staten? Zo ja, kunt u daar inzicht in geven? Zo nee, is de regering tevreden met de werking van de zorgplicht? Is de regering bereid een deugdelijk onafhankelijk onderzoek te laten verrichten naar de handhaafbaarheid (inclusief strafrechtelijke toepassingen) van de zorgplicht?

HOOFDSTUK 6. BESCHERMING GEBIEDEN
6.1. Inleiding
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie wijzen erop dat er meer natuurgebieden van nationale waarde zijn dan alleen de Natura2000-gebieden. De regering erkent dat en introduceert in het wetsvoorstel het instrument van aanwijzing van bijzondere nationale natuurgebieden. Deze bevoegdheid zou in de ogen van de Partij voor de Dieren-fractie echter niet mogen worden beperkt tot de uitputtend opgesomde categorieën in artikel 2.11(1). Het ligt veel meer voor de hand om de bevoegdheid open te formuleren, ook om daarmee de mogelijkheid te bieden om de bestaande beschermde natuurmonumenten een landelijke bescherming op grond van de Nb-wet te blijven geven. Voorts ligt het voor de hand om voor de genoemde categorieën juist een plicht tot aanwijzing in de wet op te nemen (in plaats van te kiezen voor de huidige facultatieve formulering). Zo wijst de RvS in het advies bij het oorspronkelijke wetsvoorstel bijvoorbeeld terecht op een beschermingsplicht voor gebieden die als Natura 2000-gebied zijn aangemeld. Mede in het licht van dit advies zijn de leden van de Partij voor de Dieren van mening dat de regeling verdere uitwerking behoeft omdat nu de materiele bescherming van de gebieden niet is geregeld. Graag een reactie op dit punt.

6.6.1. Beschermde natuurmonumenten
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie nemen kennis van het feit dat de regering de bescherming van natuurmonumenten opheft. De regering geeft aan dat het overgrote deel van de 64 beschermde natuurmonumenten deel uitmaakt van de Ecologisch Hoofdstructuur. Deze leden zijn van mening dat de planologische bescherming waaronder de EHS - in het wetsvoorstel Natuurnetwerk Nederland – valt, onvoldoende bescherming biedt ten opzichte van het huidige beschermingsregime van natuurmonumenten. Natuurschoon (stilte, weidsheid, ongereptheid en nachtelijk duister) zal volgens deze leden onvoldoende gewaarborgd zijn met alleen planologische bescherming. Is de regering bereid om de huidige natuurmonumenten bij wet te (blijven) beschermen? In hoeverre acht de regering natuurschoonwaarden van belang? Erkent de regering dat het wetsvoorstel de bescherming van natuurschoon vermindert ten opzichte van de Natuurbeschermingswet 1998? Welke mogelijkheden hebben provincies door het nieuwe voorstel om natuurschoonwaarden te beschermen, zeker als het gaat om niet-plaatsgebonden handelingen? Is de regering bereid om natuurschoonwaarden in Natura 2000 gebieden en natuurmonumenten alsnog bij wet veilig te stellen?

HOOFDSTUK 7. BESCHERMING VAN DIER- EN PLANTEN-SOORTEN
7.1. Inleiding
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie verwerpen het doel van de regering om het minimale te doen waar de internationale verdragen haar toe verplichten. Het doel van dit hoofdstuk zou moeten zijn om in het wild levende planten en dieren te beschermen, de biodiversiteit zoveel mogelijk te herstellen en natuurlijke populaties te stimuleren. Nederland heeft een bijzondere taak om dier- en plantsoorten te beschermen aangezien ons land een zeer sterke teruggang naar 15% van de oorspronkelijke biodiversiteit kent volgens het Planbureau van de Leefomgeving. Deze leden wijzen erop dat het daarom noodzakelijk is om tot verdergaande doelstellingen en resultaatsverplichtingen te komen. Deze leden zien bovendien grote strijdigheid tussen de pogingen van de regering om de regelgeving eenvoudiger te maken en tegelijkertijd niet méér te doen dan internationaal verdragsrechtelijk noodzakelijk is. Door nauw aan te sluiten bij verschillende internationale verdragen wordt het aantal beschermingsregimes bepaald door het aantal internationale verdragen. De afwijkingsregimes zijn ook in de verschillende internationale verdragen net iets anders van karakter waardoor de complexiteit van de wetgeving is toegenomen. Waarom heeft de regering niet gekozen voor één beschermingsregime voor alle wilde planten en dieren en een eenduidig kader om daar onder specifieke, nauwkeurig beschreven gevallen vanaf te kunnen wijken?
Het gevolg van de verschillende beschermingsregimes is dat sommige dieren beter of anders beschermd zijn dan andere, hetgeen zelfs per provincie kan verschillen. Graag een appreciatie hiervan van de regering. De regimes verschillen omdat de verschillende internationale verdragen net een iets andere formulering hebben of een andere keuze hebben gemaakt. Wat waren de gevolgen geweest als de regering gekozen had voor één beschermingsregime, zodat alle planten en dieren even goed beschermd zouden zijn en de regering in één beweging aan haar internationale verplichtingen had voldaan en de wet eenvoudiger had gemaakt? Waarom is daar niet voor gekozen?

7.2. Algemene beschermingsregimes voor dieren en planten
Afwijkingen beschermingsregimes
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie wijzen erop dat volgens de verbodsbepalingen van de vogel- of habitatrichtlijn geen beschermde dieren gedood mogen worden. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk, maar alleen indien er, onder meer, 'geen andere bevredigende oplossing' is. Dit begrip gaat er aldus van uit dat er een probleem is dat moet worden opgelost. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de Europese Commissie (EC) hiermee niet alleen eist dat er aantoonbaar 'geen andere bevredigende oplossing' is, maar dat de EC tevens eist dat wordt aangetoond dat het probleem noodzakelijkerwijs en beoordeeld op objectieve gronden moet worden opgelost en laten voortbestaan van het vermeende probleem geen optie is. Het is dus niet voldoende om alleen aan te tonen dat er economische schade door vogels wordt veroorzaakt, maar er moet ook worden aangetoond dat deze economische schade onacceptabel groot is. Hoe zit deze eis in het wetsvoorstel verwerkt? Bovendien stelt de EC dat het doden van dieren een aantoonbaar effectief middel moet zijn om bijvoorbeeld die economische schade te voorkomen. Met andere woorden, als het doden van dieren niet aantoonbaar helpt om de schade te voorkomen, dan is er geen ontheffing, aanwijzing of vrijstelling mogelijk. Deelt de regering deze interpretatie? Zo nee, hoe legt de regering het begrip ‘geen andere bevredigende oplossing’ uit? Zo ja, hoe zit deze eis in het huidige wetsvoorstel?

Gronden voor afwijking
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren met de regering dat de afwijkingsgrond ’ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij en wateren’ uit de Vogel- en Habitatrichtlijn niet een ‘normaal bedrijfsrisico’ kan betreffen. Wat verstaat de regering onder normaal bedrijfsrisico? Kan zij het begrip ‘normaal bedrijfsrisico kwantificeren en kwalificeren? Zo nee, waarom niet en bemoeilijkt dit de toepasbaarheid en handhaafbaarheid van de wet niet in hoge mate?

7.2.3 Regeling in wetsvoorstel
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie betreuren de minimalistische wijze waarop de bescherming van planten en dieren door de regering wordt voorgesteld. Deze leden kunnen zich niet aan de indruk onttrekken dat de regering de urgentie om planten en dieren actief te beschermen onvoldoende onderkent. Zij lijkt de bescherming te regelen omdat zij gebonden is aan internationale verdragen. Ondanks dat de behandeling van deze wet controversieel werd verklaard, is er geen fundamentele wijziging in de nota van wijzigingen ten opzichte van het bescherming van dieren en planten. De basis van de wet is nog steeds, zo min mogelijk, zo slap mogelijk en zo complex mogelijk. Is de regering voldoende doordrongen van het belang van in het wild levende dieren en planten? Zo ja, waar blijkt dat uit?

Ontheffingen en vrijstellingen voor vangen, verstoren en doden van soorten Vogelrichtlijn
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie stellen vast dat het wetsvoorstel, in tegenstelling tot de Flora- en Faunawet, toestaat dat mensen via een ontheffing of vrijstelling vogels mogen vangen indien zij de vogels in kleine hoeveelheden willen houden (“onder zich hebben”) of op elke andere wijze verstandig willen gebruiken (Artikel 3.3, lid 4b sub 6) Het wetsvoorstel noemt in sub 1 tot en met 5 redenen voor het verstoren, vangen of doden van dieren, maar maakt het met sub 6 mogelijk om de dieren onder zich te houden voor “elk ander verstandig gebruik” zonder dat duidelijk wordt voor welk doel dit wordt toegestaan.
De leden van de PvdD-fractie vinden dit een volstrekt onwenselijke wettelijke uitzonderingsmogelijkheid. De leden willen weten waarom de regering daarvoor kiest mede in het licht van haar voornemen om de Positieflijst uit te breiden met vogelsoorten, haar uitgangspunt dat dieren niet gehouden kunnen worden indien de dieren in hun welzijn worden aangetast en in het licht van de erkende intrinsieke waarde van het dier en die van de natuur? Welk belang dient het om een ontheffing of vrijstelling te verlenen voor het vangen en het onder zich hebben of op elke andere wijze gebruiken van vogels uit het wild in kleine hoeveelheden? Met welk doel mogen mensen de dieren uit het wild onder zich hebben? Waarom staat dit niet in het wetsvoorstel genoemd? Hoe verhoudt deze toestemming zich tot de intrinsieke waarde van het dier en van de natuur? Wat wordt precies verstaan onder “verstandig gebruik”? Kan de regering preciseren wat wordt bedoeld met “elk andere wijze van gebruik”? Wat verstaat de regering precies onder “kleine hoeveelheden”? Wat wordt precies bedoeld met “onder strikt gecontroleerde omstandigheden”? Wie controleert dit gebruik? Is voldoende menskracht gereserveerd om deze specifieke controletaken uit te voeren? Zo ja, kan de regering deze handhavingscapaciteit kwantificeren en kwalificeren? Wat betekent “strikt gecontroleerd”? In hoeverre verschilt deze “strikte controle” met het algemene controletaken die genoemd worden in dit wetsvoorstel?

Ontheffingen en vrijstellingen voor vangen, verstoren en doden van diersoorten Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie stellen vast dat het wetsvoorstel, in tegenstelling tot de Flora- en Faunawet, tevens toestaat dat mensen via een ontheffing of vrijstelling een vastgesteld aantal dieren uit het wild mogen vangen en de dieren “onder zich te hebben” (Artikel 3.8, lid 5b, sub 5). Het wetsvoorstel noemt in artikel 3.8, lid 5b, sub 1 tot en met 4 redenen voor het verstoren, vangen of doden van dieren, maar maakt met artikel 3.8, lid 5b, sub 5 het mogelijk om de dieren onder zich te houden zonder dat duidelijk wordt voor welk doel dit wordt toegestaan. De leden van de PvdD-fractie vinden dit een volstrekt onwenselijke wettelijke mogelijkheid. Een rechtelijke toets is vrijwel onmogelijk omdat het aan de gedeputeerden of de minister is om te bepalen wat ‘verstandig’ is. De leden willen weten waarom de regering voor een dergelijke mogelijkheid kiest mede in het licht van de Positieflijst, het uitgangspunt dat dieren niet gehouden kunnen worden indiende dieren in hun welzijn worden aangetast en in het licht van de erkende intrinsieke waarde van het dier en die van de natuur? Welk belang dient het om een ontheffing of vrijstelling te verlenen voor het vangen en het onder zich hebben van dieren uit het wild? Met welk ander doel dan genoemd in artikel 3.3, lid 4b, sub 1 t/m 5 mogen mensen de dieren uit het wild onder zich hebben? Waarom staan deze gronden niet in het wetsvoorstel genoemd? Hoe verhoudt deze toestemming zich tot de intrinsieke waarde van het dier en van de natuur? Wat wordt precies verstaan met “binnen bepaalde grenzen? ”Kan de regering de grenzen nader specificeren? Wat verstaat de regering precies onder “beperkt aantal dieren”? Wat wordt precies bedoeld “onder strikt gecontroleerde omstandigheden”? Wie controleert dit gebruik? Is er fte gereserveerd om deze specifieke controletaken uit te voeren? Wat betekent “strikt gecontroleerd”? In hoeverre verschilt deze “strikte controle” met het algemene controletaken die genoemd worden in dit wetsvoorstel?

Omzetting Europees beschermingsregime
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich zorgen over de insteek van de regering om niet elke verstoring van vogels, maar enkel verstoringen van vogels die een wezenlijke invloed hebben op de staat van instandhouding van de desbetreffende soort te verbieden. De bescherming van dieren behorende tot een beschermde soort laat de regering hiermee los en daarmee creëert ze een onmogelijk handhaafbare eis. Hoe denkt de regering het verbod op verstoring te gaan handhaven? Hoe moeten handhavers onderscheid maken tussen verstoring en verstoringen die een wezenlijke invloed hebben op de staat van instandhouding? Is de regering het met de leden van de Partij voor de Dieren-fractie eens dat het voor de staat van instandhouding van een soort niet uitmaakt of verstoringen opzettelijk of onopzettelijk zijn toegebracht? Zo ja, hoe verhoudt zich dat tot het niet strafbaar willen stellen van onopzettelijk overtreden van de wet?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het ongemakkelijk dat de regering cultuur-historisch gebruik als rechtvaardigingsgrond gebruikt voor het schade toebrengen aan dieren en de natuur. Is de regering van mening dat het afslachten van grienden door de Faeröer eilanden gerechtvaardigd is, omdat het wordt uitgelegd als een cultuur-historisch gebruik? Zo niet, waarom is het rapen van kievitseieren wel gerechtvaardigd als cultuur-historisch gebruik? Deelt de regering de opvatting dat het aanvoeren van cultuur-historische rechtvaardigingsgronden het zicht op de werkelijke belangen wegneemt, zoals in dit geval de instandhouding van de kievit?
Deelt de regering de mening dat het Rijk verantwoordelijk is voor de biodiversiteit en de internationale verplichtingen, zoals ook opgenomen in het natuurakkoord en hoe verhoudt zich dat tot het zonder meer toestaan van natuurschadelijke cultuurhistorische gebruiken?

Aanvullend beschermingsregime
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben grote twijfels bij het invoeren van de meldingsplicht voor het overtreden van verboden uit artikel 3.10 eerste lid b en c per ministeriele regeling. Het gaat in dat artikel om het verbod op onder meer het vernielen van planten en rustplaatsen van dieren. Deze leden vragen de regering uiteen te zetten welke soorten en soorten handelingen zij voornemens is op te nemen in die regeling. De regeling zou volgens de regering de administratieve lasten kunnen verlagen. In de praktijk komt er weer een extra regel bij waardoor de complexiteit van de wet toeneemt. De meldingsplicht verhoudt zich bovendien slecht met de intrinsieke waarde omdat het ‘nee, tenzij’ principe wordt verlaten voor een ‘ja, mits’ regime. Heeft de regering een analyse gedaan naar de kosten en baten van de meldingsplicht? Zo ja, wat waren de uitkomsten? Hoe ziet de regering het invoeren van de meldingsplicht in het licht van de intrinsieke waarde?

7.3 Schadebestrijding, beheer en jacht
7.3.1. Inleiding
Het wetsvoorstel focust zich primair op faunabeheer met het geweer. Immers, de faunabeheereenheden bestaan louter uit jagers die afschotplannen opstellen ten behoeve van “schadeveroorzakende dieren”, “populaties” en “de jacht”. (artikel 3.12 lid 2). Waarom neemt de regering hiermee afstand van het verbod op het doden van dieren (het nee, tenzij principe) van de FFW?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie concluderen dat er op geforceerde wijze verschillen worden aangebracht tussen de jachtpraktijken in de natuur van 28000 hobbyisten. Deze leden zullen achtereenvolgens stil staan bij schadebestrijding, beheer en jacht.

7.3.4.1 Planmatige, gebiedsgerichte aanpak
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie betreuren het dat het wetsvoorstel zich primair focust op faunabeheer met het geweer. De effectiviteit van afschot als middel om schade te bestrijden is nihil. Zo concludeerde Alterra (rapport 2307) dat afschot geen effect heeft gehad op de populatie ganzen op Texel en “dat opviel dat de vangactie van ruiende Grauwe ganzen op geen enkele manier terug te zien is in een reductie van de getaxeerde schade in de zomerperiode”. Graag een reactie van de regering. Als de natuurlijke omstandigheden voor dieren goed zijn, groeit de populatie tot de natuurlijke draagkracht. Indien deze kunstmatig laag wordt gehouden treden er natuurlijk terugkoppelingsmechanismen in werking die de groei van de populatie versnellen. Zo worden er meer dieren geboren, of worden er meer eieren gelegd. De dichtheidsafhankelijke sterfte neemt af en al deze natuurlijke processen brengen een gezonde populatie snel weer naar de ecologische draagkracht. Het effect van dit afschot op de populatie is tijdelijk en klein, het effect op de schade kan zelfs negatief uitpakken. Afschot verstoort de populatiedieren, ze vluchten en verbruiken meer energie, hebben meer voedsel nodig. De schadecijfers zullen hierdoor stijgen. Is de regering bereid om bij wet te regelen dat een ontheffing, vrijstelling of aanwijzingsbesluit alleen verleend of genomen kan worden als is aangetoond dat deze ontheffing, vrijstelling of het betreffende aanwijzingsbesluit effectief is? Zo nee, waarom niet?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie missen een integrale afweging bij ontheffingen, vrijstellingen of aanwijzingen in het wetsvoorstel. Sluit de regering uit dat het opjagen en doden van dieren in bepaalde gevallen zoveel verstoring met zich meebrengt dat de eventuele schadereductie niet opweegt tegen de nadelen van de jacht in termen van verstoring van andere soorten, verlies aan recreatieve waarden (zichtbaarheid dieren), (gevoel van) onveiligheid van wandelaars en geluidsoverlast? Indien de regering dit uitsluit, waar baseert de regering dat dan op? Zo nee, is de regering bereid bij wet te regelen dat een ontheffing niet gegeven wordt als eventuele schadereductie objectief gezien niet opweegt tegen verstoring van de bovengenoemde waarden?

Faunabeheereenheden en faunabeheerplannen
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat de beslissing tot, en het uitvoeren van het doden van dieren niet in handen van hobbyisten kan worden gelegd. Het bevreemdt de leden dat de regering het doden van dieren in dit wetsvoorstel niet alleen mogelijk maakt voor hobbyisten, maar het nagenoeg exclusief bij hobbyisten neerlegt. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de huidige faunabeheereenheden conform artikel 29 FFW bestaan uit jachthouders en dat dit niet verandert met het nieuwe wetsvoorstel. Het is aan de jachthouders om eventueel anderen uit te nodigen om deel te nemen aan de faunabeheereenheid Kan de regering een overzicht geven van de niet-jachthouders die in het bestuur zitten van een faunabeheereenheden (FBE)?
Terwijl de regering met de mond belijdt dat het faunabeleid wordt gedecentraliseerd, naait ze de provincies nolens volens in het jagerspak door provincies op te leggen het beleid te laten maken door FBE’s en de uitvoering bij wildbeheereenheden neer te leggen. Dat de provincies daar geen bezwaar tegen lijken te hebben doet niets af aan het feit dat provincies geen vrije keuze hebben over de inzet van faunabeheereenheden of wildbeheereenheden. Heeft Provinciale Staten met dit wetvoorstel de mogelijkheid om faunabeleid in te richten zonder wildbeheereenheden of faunabeheereenheden? Zo nee, waarom dwingt de regering de inzet van fauna- en wildbeheereenheden af? Kan de provincie haar beleid zelf formuleren, of moet dit aan de faunabeheereenheden worden uitbesteed? In de FFW hadden Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om een faunabeheereenheid te erkennen, die formulering is gewijzigd zodat faunabeheereenheden verplicht zijn. Waarom kiest de regering voor dit keurslijf voor de provincie en hoe verhoudt zich dit tot de decentralisatie van bevoegdheden?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren naar aanleiding van het, op 25 september 2014 in de Tweede Kamer gehouden, Ronde Tafelgesprek Natuur, dat de opvatting dat in het wild levende dieren aan niemand toebehoren een zeer breed gedragen opvatting is. Deelt de regering deze opvatting? Hoe verhoudt zich deze opvatting tot het uitbesteden van wildbeheer aan fauna- en wildbeheereenheden die bestaan uit jagers die geen ander doel hebben dan het met gebruikmaking van het geweer bemachtigen van dieren?
Het wetsvoorstel maakt mogelijk dat op uitnodiging van de faunabeheereenheid niet-jachthouders een vergadering van de faunabeheereenheid mogen bijwonen en mogen adviseren. Deze organisaties mogen volgens de Memorie van Toelichting echter geen doelstellingen hanteren die haaks staan op de uitgangspunten van het faunabeheerplan. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de regering wat de uitgangspunten van een faunabeheerplan zijn en nader te duiden wat zij verstaat onder doelstellingen die haaks staan op de uitgangspunten van het faunabeheerplan? Is een doelstelling van een organisatie om te voorkomen dat dieren in het wild worden gedood er één die haaks staat op de uitgangspunten van het faunabeheerplan? Heeft de regering bedoeld om faunabeheereenheden te verbieden bepaalde organisaties tot hun vergadering toe te laten, dan wel hen te adviseren? Zo nee, waarom staat het dan in de Memorie van Toelichting? Zo ja, wat is het doel van dit verbod? Vreest de regering dat bijvoorbeeld een organisatie als de Faunabescherming of de Dierenbescherming de faunabeheereenheid zou kunnen overtuigen van de zinloosheid van jacht? Waarom mogen provincies niet zelf kiezen welke organisatie vertegenwoordigd moet zijn in de faunabeheereenheid? En waarom worden bepaalde maatschappelijke organisaties op grond van hun doelstellingen of standpunten uitgesloten van invloed op het faunabeleid, dat betrekking heeft op dieren die aan niemand toebehoren en dus onze gezamenlijke verantwoordelijkheid vormen? Hoe verhoudt het advies- en inspraakverbod voor bepaalde organisaties zich tot het maatschappelijk draagvlak voor het faunabeleid en zelfs tot de grondwettelijk vastgelegde vrijheid van vergadering?

Mogen Provinciale Staten per verordening regelen dat de jacht op de wildsoorten niet wordt toegestaan en dat afschot te allen tijde via het spoor van beheer een schadebestrijding dient te verlopen? Zo ja, hoe dan? Zo nee, waarom wil de regering dat niet mogelijk maken? Hoe verhoudt zich zo’n provinciale regel tegen plezierjacht (het zonder noodzaak doden van dieren) tot artikel 3.18? Welke regels kunnen Provinciale Staten stellen die de plezierjacht zouden beperken?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering voorstelt om het handelen in strijd met het faunabeheerplan een strafbaar feit te maken. Het faunabeheerplan wordt niet gemaakt door een democratisch gecontroleerd orgaan, maar door de faunabeheereenheid. Waarom is de regering van mening dat een plan waar de volksvertegenwoordiging zo ver van af staat en zo weinig invloed op kan uitoefenen een strafbaar feit genereert? Zeker in het licht van het feit dat een faunabeheerplan geen besluit is in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht? Kan de regering vergelijkbare juridische figuren in onze wetgeving aanwijzen? Kan de regering aangeven hoe openbaarheid van en en inspraak en beroep op faunabeheerplannen gewaarborgd is, nu deze geen besluit vormen in de zin van de Algemene wet Bestuursrecht? In hoeverre is de Wet Openbaarheid Bestuur van toepassing op openbaarmaking van (onderdelen van) faunabeheerplannen, en wanneer deze onverhoopt niet van toepassing is, hoe verloopt dan het democratisch controleproces?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie wijzen erop dat terreinbeheerders als Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en organisaties als de Faunabescherming en de Dierenbescherming tijdens een Bijzondere Procedure van de Tweede Kamer over de Groot wild enquête van Natuurmonumenten (d.d. 9 april 2014) hebben benadrukt dat het tellen van dieren in feite onmogelijk is en ook een zeer achterhaalde methode vormt om te komen tot een effectief natuurbeheer. Het wetsvoorstel gaat desondanks nog steeds uit van deze tellingen door faunabeheereenheden en deze gegevens zijn bovendien niet openbaar. Waarom wordt er in het wetsvoorstel voor gekozen om de jachthouders, die er belang bij hebben dat zij kunnen jagen, zelf de gegevens te laten aandragen die als grondslag dienen voor een afschotplan? Hoe verdraagt zich dit met het behoorlijkheidsvereiste dat belangenverstrengeling dient te worden voorkomen? Welke garanties zijn in het voorstel ingebouwd dat Provinciale Staten bij hun beoordeling van het faunabeheerplan en het daarin opgenomen afschotplan, over gegevens kunnen beschikken die niet door personen zijn aangedragen die belang hebben bij het uitvoeren van de (plezier)jacht? Nu dit wetsvoorstel uitgaat van tellingen door jagers, moeten alle verzamelende gegevens tenminste openbaar zijn, naar mening van de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren. Volgens de website van de Faunabeheereenheid Groningen bijvoorbeeld, is hun register (zoals het faunaregistratiesysteem en de FaunaSchadeRegistratie) alleen toegankelijk voor wildbeheereenheden, grondgebruikers en jagers. Om faunabeleid te formuleren, bij te sturen en te controleren, hebben de overheid en de volksvertegenwoordiging deze gegevens nodig. Is de regering bereid om dit verplichtend te maken? Zo nee, waarom niet? Welk belang verzet zich daartegen? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de regering of ambtenaren van de provincie en Statenleden permanent inzicht zullen hebben in het registratiesysteem voor alle gegevens over in het wild levende dieren? Hebben de provincies dat onder de huidige vigerende wet- en regelgeving en hoe zal een permanent inzicht in de gegevens gewaarborgd worden onder het regime van onderhavig wetsvoorstel?

Wildbeheereenheden
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering geen andere motivering heeft gegeven voor het vastleggen van wildbeheereenheden in de wet, dan dat de praktijk geformaliseerd wordt. Kan de regering uitleggen waarom zij een extra wetsartikel heeft opgenomen om een bestaande praktijk vast te leggen in het licht van haar zogenaamde streven naar decentralisatie enerzijds en eenvoud en deregulering anderzijds?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering wildbeheereenheden allemaal in de rechtsvorm van een vereniging wil gieten en alle jachthouders met jachtakte daarin wil verenigen. Kan de regering aangeven vanuit welke noodzaak of gedachte belanghebbende hobbyisten een dergelijke taak krijgen toebedeeld in een wettelijk vastgesteld kader en op welke gronden personen en groeperingen met andersluidende opvattingen over flora en fauna daaruit geweerd worden?

7.3.4.2 Schadebestrijding
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering de bevoegdheid behoudt om een diersoort op een landelijke vrijstellingslijst te plaatsen. Deze bevoegdheid kan tegen het beleid of het belang van een provincie in gaan. De vos staat op dit moment op de vrijstellingslijst en daarmee frustreert de regering de mogelijkheid van provincies om de vos geheel met rust te laten of bijvoorbeeld een schoontijd in te stellen in de draag- en zoogtijd. De provincie heeft geen enkele publiekrechtelijke mogelijkheid om, zelfs rond Schiphol, te voorkomen dat de natuurlijke predator van ganzen wordt vervolgd. Zo werden er tegen de zin van de provincie Noord-Holland vossen geschoten onder de aanvliegroute van Schiphol. Onderzoeken van zowel de universiteit Wageningen als SOVON Vogelonderzoek concluderen dat het met rust laten van de vos gebieden ongeschikt kan maken voor ganzen en natuurlijke regulatie eerder en beter kan optreden. Dit voorkomt dus schade, maar de provincie mist de bevoegdheden om de vos te beschermen en dat blijft in dit wetsvoorstel zo. Bovendien vinden de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat de vrijstelling een grofmazig instrument is en daarom ongeschikt om het doden van dieren te regelen. Waarom geeft de regering deze vrijstelling niet op en hoe verhoudt zich dat tot haar stelling dat de provincie over alle bevoegdheden om schade te voorkomen moet beschikken?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat de regering zich te gemakkelijk afmaakt van de terechte kritiek van de Faunabescherming op de landelijke vrijstelling. De regering meent dat de grondgebruiker moet aantonen dat aan de voorwaarden is voldaan en de te verwachten schade onderbouwen. De voorwaarden zijn minimaal. Bovendien, als een vrijstelling is afgegeven is het niet meer nodig om schade te onderbouwen. Een rechterlijke toets op nut en noodzaak is evenmin mogelijk, omdat een faunabeheerplan geen besluit is in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht en niet zelfstandig aangevochten kan worden. Is de regering bereid om de vrijstelling af te schaffen? Zo nee, waarom niet?

7.3.4.3 Beheer
Ten behoeve van de beperking en omvang van een dierenpopulatie dient volgens dit wetsvoorstel (artikel 3.15) sprake te zijn van ondermeer ernstige landbouwschade, schade aan sportvelden, industrieterreinen of begraafplaatsen, onnodig lijden van dieren, volksgezondheidsrisico’s en het belang van de openbare veiligheid. Waarom kiest de regering ervoor belanghebbende hobbyisten die bovendien geen ander middel kennen dan het geweer, te laten bepalen in hoeverre er sprake is van ernstige landbouwschade, een gevaar voor de volksgezondheid of de veiligheid?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering naast de vrijstelling nog drie juridische regimes wil handhaven: de ontheffing, de aanwijzing en de jacht. De leden vragen zich af wat de toegevoegde waarde is van de ontheffing ten opzichte van de aanwijzing? De uitvoering van de ontheffing is afhankelijk van willekeurige jachthouders. Terwijl de uitvoering van de aanwijzing veel beter door de overheid geregisseerd kan worden. Deze aanwijzing lijkt het meest voor de hand te liggen als er grote maatschappelijke belangen aan de orde zijn. Waarom kiest de regering voor twee verschillende regimes terwijl het de complexiteit van de wet zegt te willen verlagen?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie moeten constateren dat provincies in de praktijk gemakkelijk ontheffingen verstrekken aan faunabeheereenheden. Op basis van een faunabeheerplan worden doelen beschreven die met afschot zouden moeten worden behaald. Zo gaf de provincie Noord-Holland ontheffingen op basis van een faunabeheerplan dat de schade door ganzen zou terugbrengen tot € 25.000. Het werd in vijf jaar tijd € 5,8 miljoen. Daartoe werden 210.208 ganzen vergast of afgeschoten en een onbekend aantal verwond. De schade steeg, de populatie groeide en meer dan 200.000 dieren werden afgemaakt. Dit provinciaal beleid heeft dus alleen dierenleed, maar geen enkel beoogd resultaat bereikt. Op basis van welke gegevens is de regering van mening dat het gebruik van de ontheffing door de provincies effectief is gebleken?

7.3.4.4 Jacht
Wildlijst
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie delen de mening van de regering dat de uitoefening van de jacht enkel als vorm van recreatie naar de huidige maatschappelijke opvattingen niet aanvaardbaar is. De recreatieve waarde van de jacht was nog een belangrijk argument voor het behoud van de wildlijst bij de behandeling van de Flora- en Faunawet. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie nemen met verbazing kennis van het feit dat de regering met dit wetsvoorstel de plezierjacht in stand houdt terwijl zij weet dat er een meerderheid van de Nederlanders volgens Blauw research en het parlement volgens de partijen in de groen kieswijzer tegen de hobbyjacht (jacht zonder noodzaak) is. Deze leden constateren dat de regering meent de jacht in het onderhavige wetsvoorstel ter ondersteuning van schadebestrijding en beheer in te zetten. Is de regering van mening dat de jacht alleen in het kader van schadebestrijding en beheer zal worden ingezet? Zo ja, waarom maakt de regering dan geen gebruik van de al bestaande kaders van beheer en schadebestrijding en houdt zij een klaarblijkelijk overbodig regime in stand? Zo nee, welke doelen dient de jacht nog meer voor volgens de regering anders dan beheer en schadebestrijding?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie wijzen erop dat de regering in de Memorie van Toelichting onvoldoende motiveert waarom de jacht naast afschot in het kader van beheer en schadebestrijding moet blijven bestaan. Jacht definieert de regering als ‘het vangen en doden van wild ter uitoefening door een jachthouder van zijn jachtrecht.’ De regering laat het daarbij. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie herinneren de regering aan haar stelling bij de paragraaf beheer en schadebestrijding dat zij van mening is dat “Het vangen en doden van in het wild levende dieren in het onderhavige wetsvoorstel slechts is toegestaan, als dat geschiedt met het oog op nauwkeurig omschreven doelstellingen die betrekking hebben op het natuurbeheer en op bepaalde maatschappelijke belangen, en als de staat van instandhouding van de betrokken diersoorten niet in het geding komt. “ Uit de definitie van de jacht door de regering als het vangen en doden van in het wild levende dieren volgt dat de regering van mening is dat de jacht in dit wetsvoorstel alleen is toegestaan met het oog op nauwkeurig omschreven doelstellingen die betrekking hebben op het natuurbeheer en op bepaalde maatschappelijke belangen. Kan de regering een overzicht geven deze nauwkeurig omschreven doelstellingen bij jacht?
Waarom maakt de regering een onderscheid tussen populatiebeheer en schadebestrijding aan de ene kant en jacht aan de andere kant? Kan de regering aangeven waarom er gekozen wordt voor verschillende definities voor het met het geweer doden van dieren, waar de wet aangeeft dat elke vorm van het bemachtigen en doden van dieren onder de noemer jacht gerekend moet worden? Wat is de reden van de gehanteerde gecamoufleerde terminologie, en in hoeverre tast dit de toepasbaarheid en handhaafbaarheid van de wet aan? Hoe wordt voorkomen dat de uitleg van internationale verdragen zoals bijvoorbeeld het Beneluxverdrag, gecompliceerd wordt door begripsverwarring rond het van toepassing zijn van bepalingen van het verdrag op onderscheiden activiteiten als jacht, schadebestrijding of populatiebeheer? Waarom wordt niet gekozen voor de eenduidige systematiek die de begripsomschrijvingen van de wet mogelijk maken? Anders dan bij “bestrijding van schadeveroorzakende dieren” en bij “de uitvoering van het beheer van populaties van in het wild levende dieren” hoeft voor de uitvoering van de jacht niet te worden aangetoond dat er sprake is van schade en er geen andere (niet zijnde het geweer) bevredigende oplossing is gevonden om schade te voorkomen of te bestrijden.
Waarom is het voor de jacht op konijnen, hazen, wilde eenden, houtduiven en fazanten niet nodig dat er een noodzaak voor het doden van dieren in het wild moet worden aangetoond en voor andere dieren wel? Op grond van welke objectieve selectie komt de regering tot een andere bescherming van konijnen, hazen, wilde eenden, houtduiven en fazanten dan voor andere dieren? Welke specifieke eigenschappen hebben deze soorten waardoor jacht zonder noodzaak toegestaan wordt? Waarom hoeft er voor de jacht niet te worden aangetoond dat er sprake is van schade die op geen andere bevredigende manier kan worden voorkomen en worden bestreden? Hoe past dit extra regime binnen de ambitie om de natuurbeschermingswetgeving minder complex te maken? Hoe verhoudt zich het doden van dieren zonder vooraf aangetoonde noodzaak tot de erkenning van de intrinsieke waarde van dieren?
Is de regering bekend met de wetenschappelijk publicaties van Noer en Madsen (bijvoorbeeld Noer, Madsen en Hartmann 2007 in Journal for applied Ecology) over de verwondingen die het doden van dieren in het wild aanricht? Zo constateerden de wetenschappers eerder dat 36% van de ganzen rondvliegt met hagel in het lichaam omdat ze ooit verwond zijn geraakt door rondvliegende ammunitie en dat voor elk dier dat gedood wordt, één dier niet-dodelijk wordt verwond. Ontkent de regering het leed dat dieren bij de jacht wordt aangedaan? Zo ja, op welke wetenschappelijke publicaties baseert zij zich? Zo nee, waarom staat zij het bemachtigen en doden, en als neveneffect verwonden, van dieren toe zonder dat de noodzaak daarvan is aangetoond? Hoe verhoudt zich het doden van dieren zonder vooraf aangetoonde absolute noodzaak tot de erkenning van de intrinsieke waarde van dieren? Diverse wetenschappelijk publicaties laten zien dat de jacht een negatief effect heeft op natuurwaarden. Voor een overzicht verwijzen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie naar de initiatiefnota over sluiting van de jacht (Kamerstuk 33 827 nr. 2) van het lid Thieme. Is de regering zich bewust van de spanning tussen natuurwaarden en jacht? Zo nee, op welke wetenschappelijke publicaties baseert zij zich? Zo ja, waarom staat zij de jacht zonder noodzaak toe ten koste van de natuur?

De regering meent dat het afschot de waarborg versterkt dat de jachthouder negatieve effecten op de natuur voorkomt (Kamerstuk 33 827 nr. 4). De negatieve effecten op natuur blijken echter uit de wetenschappelijke literatuur intrinsiek aan de jacht. Kan de regering uitleggen hoe het mogelijk is dat het afschotplan voorkomt dat jagers maar half raak schieten en de natuur verstoren? Kan de regering aangeven hoeveel kogels in de praktijk worden afgevuurd om één dier dodelijk te raken en hoeveel dieren jaarlijks aangeschoten worden door jagers en dus gewond in het veld achterblijven? Zo nee, hoe kan de regering dan menen dat jacht kan worden toegestaan zonder dat de negatieve effecten op de natuur bekend zijn? Zo ja, kunt u de gevraagde gegevens kwantificeren en kwalificeren en aangeven op welke gronden zij de regering hebben gebracht tot de overweging dat jacht geen negatieve effecten op de natuur zou hebben?

Deze leden kunnen de stelling van de regering dat de jacht de voor de soort noodzakelijke populatiebeheer kan ondersteunen niet volgen. Op basis van welke wetenschappelijke publicaties komt de regering tot haar oordeel dat populatiebeheer noodzakelijk is voor bepaalde soorten? Kan zij uiteenzetten waarom dit alleen lijkt op te gaan voor eetbare soorten en soorten waarvan trofeeën te maken zijn en waarom dit niet op lijkt te gaan voor bijvoorbeeld roodborstjes, mezen, winterkoninkjes, korenwolven, roofvogels en spitsmuizen? Kan de regering exact aangeven wat de verschillende vereisten zijn voor de jacht, tegenover schadebestrijding/beheer? Is het mogelijk om een faunabeheerplan, of een afschotplan te laten toetsen door een rechter? Is het mogelijk om een ontheffing of een vrijstelling te laten toetsen door een rechter? Wat is een bovenmatige wildstand volgens de regering? Hoe wordt deze bepaald en hoe kan worden getoetst of de bovenmatige wildstand niet door de jachthouders wordt gemanipuleerd om veel te kunnen schieten? Hoe beoordeelt de regering in dit kader de uitkomsten van Alterra onderzoek waaruit blijkt dat jagers aanzienlijk meer dieren tellen dan bijvoorbeeld niet belanghebbende vogeltellers zoals die van SOVON die veel nauwkeuriger blijken te tellen?

De jachthouder, een redelijke wildstand, schade en het faunabeheerplan
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie willen graag horen hoe de redelijke wildstand moet worden bepaald. Waarom is het volgens de regering noodzakelijk dat voor konijnen en hazen wel, en voor spitsmuizen en marters geen redelijke wildstand wordt bepaald? Is de regering bereid afscheid te nemen van dit achterhaalde begrip? Deze leden vragen de regering hoe dit achterhaalde beleid zich verhoudt tot de meest moderne wetenschappelijke inzichten dat de ecologie het meest gebaat is bij een terughoudende opstelling van de mens en natuurlijke processen meer gerespecteerd dienen te worden om zodoende ruimte te geven aan een evenwichtige populatiedynamiek die het effectiefste over- of onderpopulaties corrigeert?

Opening van de jacht
Jacht in Natura 2000-gebieden
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat het openen van de jacht in Natura2000 gebieden een zeer kwalijke zaak is. Als de natuur ergens haar gang zou moeten mogen gaan dan is dat in internationaal beschermde natuurgebieden. De regering maakt het nog erger door de jachthouder in Natura2000 gebieden verantwoordelijk te houden voor schade die dieren uit het Natura 2000 gebied buiten het terrein van de jachthouder aan zouden richten. Hierdoor kan een natuurbeheerder, die geen jacht toestaat om te voorkomen dat natuurwaarden worden aangetast, gedwongen worden om jacht toe te staan of aansprakelijk worden gesteld. Waarom lokt de regering met deze constructie rechtszaken uit tussen omwonenden en beheerders van natuurgebieden? Op basis van welke feiten en omstandigheden vindt de regering dat de huidige praktijk van geen jacht in Natura2000 gebieden en geen mogelijkheid tot aansprakelijkstelling gewijzigd moet worden?

7.3.4.5 Ganzenbeheer
Het ganzenbeleid van de afgelopen jaren laat zien dat het massaal doden van ganzen geen enkel effect heeft gehad op de hoogte van de tegemoetkomingen in de schade, integendeel. De schade is opgelopen en de veiligheid voor het vliegverkeer is door het afschot en het vergassen van ganzen niet verbeterd. Het beleid is overduidelijk mislukt en heeft onderwijl veel dierenleed en dierenlevens gekost. De leden van de PvdD-fractie vinden het verstandig dat de ganzen niet opgenomen zijn op de wildlijst, omdat dit geen enkele toegevoegde waarde heeft en zal leiden tot zinloos afschot. Is de regering bereid om het falen van het ganzenbeleid te erkennen en ruimte te maken voor diervriendelijke en effectieve alternatieven?

7.3.4.6 Middelen voor het vangen of doden
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat middelen voor het vangen en doden van dieren, anders dan in de FFW, niet in de wet, maar via AMvB worden geregeld. Deze leden menen dat de middelen beter in de wet zelf opgenomen kunnen worden, omdat deze middelen een groot effect hebben op het welzijn van dieren en vanwege het belang in de wet zouden moeten worden vastgelegd. Is de regering bereid om deze middelen per wet te regelen?

Met de wijziging van het Beneluxverdrag op 5 maart 2014 is nachtelijke bejaging jaarrond gelegaliseerd. Kennelijk moet tot iedere prijs moet een bepaald aantal dieren worden gedood. Zelfs al zijn dat middelen die zorgvuldige selectie absoluut uitsluiten. De nachtelijke 1-op-1-methode, verzachtende aanduiding voor drukjacht, is bepaald niet zonder risico’s: Voor een maximale fatale trefzekerheid wordt dubbel krachtige munitie gebruikt [>6.000 i.p.v. 3.000 joule]. Dergelijke kogels overbruggen kilometers tot 5 km als er geen vangen in de grond of object plaatsvindt. De combinatie van geluiddemper en het nachtelijk duister sluit vanwege de risico’s onafhankelijke controles uit. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het onaanvaardbaar dat halfautomatische wapens en munitie in particuliere handen zijn voor bezit en gebruik. Deze middelen behoren alleen binnen de overheid en bevelstructuur daarbinnen gebruikt te worden. Dat geldt vooral omdat de kenmerken van die wapens en munitie in de praktijk controle uitsluiten. Is de regering bereid om deze praktijken alsnog te verbieden? Zo ja, hoe gaat zij dit realiseren, zo nee, waarom niet? Hoe denkt zij de toezicht en controle te optimaliseren, nu de BOA’s in het veld veelal jachtopzieners zijn die volgens artikel 1.1 van het wetsvoorstel tevens de belangen van de jachthouders dienen te waarborgen?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat het jagen met jachtvogels het welzijn van dieren dubbel aantast. Zowel een roofvogel moet worden gehouden in een onnatuurlijke omgeving en een roofvogel als jager is niet getraind om zijn prooi zo snel mogelijk te doden, maar slechts te vangen. Heeft de regering overwogen om de jacht met roofvogels te verbieden? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom is het in de wet blijven staan? Waarom verruimt de regering de mogelijkheden voor de jacht met roofvogels? In de FFW zijn 2 soorten genoemd, in het voorstel wil de regering dat per AMvB regelen en in elk geval de havik en de slechtvalk opnemen. Is de regering op dit moment voornemens om meer soorten toe te voegen aan deze AMvB? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie kunnen de regering niet volgen in haar poging tot weerlegging van de bezwaren van de Vogelbescherming tegen het opnemen van niet-inheemse soorten. De regering stelt dat hybridisatie niet is voorgekomen. Het beleid om geen uitheemse soorten als jachtvogel toe te staan is dus succesvol geweest. Waarom wil de regering toch uitheemse soorten toestaan?

7.4.4 Regeling in wetsvoorstel
Algemeen
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat dieren niet op hun afkomst moeten worden beoordeeld. Exoten zijn niet per sé een bedreiging voor die biodiversiteit. Kent de regering voorbeelden van invasieve exoten die het uitsterven van een plant of diersoort in Nederland hebben veroorzaakt? Deelt de regering de mening dat de meeste exoten geen enkele bedreiging voor de biodiversiteit vormen? Zo nee, waarom niet?

De FFW bood verwilderde dieren, exoten en andere niet-beschermde diersoorten enige bescherming. Het is volgens artikel 52 niet toegestaan om het geweer te gebruiken anders dan voor de jacht en beheer en schadebestrijding. In het wetsvoorstel vervalt deze bescherming en blijft de zorgplicht over die volgens de regering maakt dat het ‘ten algemene ongewenst is dat de dieren zonder redelijk doel worden gedood’. Tegelijkertijd meldt de regering dat het recht om de dieren te vangen en te doden de jachthouder toekomt. Mogen niet-beschermde diersoorten nu zonder meer gedood worden of niet? Hoe vallen deze ogenschijnlijk tegenstrijdige passages met elkaar te rijmen? Waarom biedt de regering uitheemse of verwilderde dieren geen adequate bescherming?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie herinneren de regering aan de aangenomen motie van de Kamer (33 750 XIII, nr. 75) om het afschieten van verwilderde katten niet toe te staan. Hoe gaat de regering deze motie verwerking in het wetsvoorstel? Is de regering het met deze leden eens dat een jachthouder de vrije hand te geven met op zijn terrein verwilderde katten of katten die daarop lijken af te schieten niet in overeenstemming is met de strekking van de motie? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering dieren die leven binnen een omrasterd terrein kleiner dan 5000 ha. beschouwt als gehouden dieren omdat dit in de jachtnota uit 1992 staat. Is deze jachtnota nooit vervangen door een recenter document of vervallen bij de invoering van de FFW of ooit vastgelegd in wet of regelgeving? Zo nee, is deze definitie juridisch bindend? Zo ja, waarom en is de regering bereid tot een herziening?

Preventie
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat preventie meer kans op succes heeft dan bestrijden van exoten en zien dat besef terug in de toelichting van de regering en internationale verdragen. Bovendien is preventie een diervriendelijkere strategie dan uitroeiing. Waarom kiest de regering dan voor minder ver gaande maatregelen als convenanten en voorlichting in plaats van een duidelijk en handhaafbaar verbod?

Uitroeiing
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening dat exotenbeleid soms absurde vormen aanneemt. De witkopeend komt niet voor in Nederland, maar leeft rond het Middellandse zee gebied. De eenden zijn daar zwaar bejaagd en verliezen veel van hun leefgebied. De rosse stekelstaart is een Amerikaanse eendensoort die in Nederland en omringende landen gehouden wordt. Deze dieren ontsnappen soms en kunnen hier uitstekend overleven. De witkopeend en de rosse stekelstaart kruisen in landen als Spanje. De jonge eendjes lijken vooral op de rosse stekelstaart en niet op de witkopeend en daarom worden rosse stekelstaarten in heel Europa uitgeroeid. Deelt de regering de mening dat het absurd is om de eenden in Nederland dood te schieten omdat zij of nakomelingen van hen naar Spanje zouden kunnen gaan om daar te kruisen met de witkopeend? Zo nee, waarom niet?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de regering te onderbouwen waarom zij verwacht dat er 2 tot 5 uitroeiingsacties per jaar nodig zullen zijn? De leden wijzen op de miljoenen verslindende bestrijding van de muskusrat. Wat zijn de financiële lasten voor de provincies en kan de regering die serieus en inzichtelijk onderbouwen? De bestrijding van dit dier is overgedragen van de provincies naar de waterschappen. Indien de muskusrat op de lijst met invasieve exoten staat zullen de provincies weer verantwoordelijk zijn, omdat de waterschappen alleen de veiligheid hoeven te borgen en niet per sé de dieren hoeven te bestrijden. Wat is de zin van het heen en weer schuiven van verantwoordelijkheden tussen bestuurslagen? De muskusrat is hier al meer dan 50 jaar en zal niet meer verdwijnen. De muskusrat zou daarom evenals de nijlgans het best als inheemse soort kunnen worden gezien, zoals inmiddels de snoekbaars en het konijn als inheems gezien worden. Hoe gaat de regering zorgdragen dat gevestigde en inmiddels inheemse soorten niet voor de wet als invasieve exoot te boek blijven staan?

HOOFDSTUK 11. INTEGRAAL AFWEGINGSKADER

11.2. Probleemanalyse en instrumentkeuze
Doel
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie pleiten ervoor om met een open houding nieuwe mogelijkheden te bezien om daadwerkelijk te komen tot een effectievere wet ter bescherming van natuur. Deze leden menen dat de doelen van de wet ter bescherming van natuur beter in het oog zouden moeten worden gehouden. Zij merken in dit verband op dat door het bestuur of in de rechtspraak regelmatig ‘interpretatiebeslissingen’ zijn genomen zonder dat goed is nagedacht over de consequenties van die beslissingen voor de door de wet (en achterliggende Europese en internationale wetgeving) beoogde doelen. In de jurisprudentie van het HvJEU bestaat juist vaak wel expliciet aandacht voor dergelijke consequenties.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie menen dat de omschreven doelen van de wet vanuit het oogpunt van toetsbaarheid aan helderheid zouden kunnen winnen. Zo ligt het voor de hand om expliciet als doel op te nemen: het in een gunstige staat van instandhouding herstellen en behouden van alle van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren en planten en typen natuurlijk habitats en habitats van soorten.

Het in de wet expliciet erkennen van de intrinsieke waarde van natuur zien de leden van de Partij voor de Dieren-fractie als een verbetering. Met deze expliciete erkenning van intrinsieke waarde van de natuur sluit de nationale wetgeving ook goed aan bij de ontwikkeling van het internationale natuurbeschermingsrecht. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het van belang dat met de erkenning van de intrinsieke waarde van natuur onder meer helder wordt dat bij de uitleg en toepassing van de wet niet alleen meeweegt of de betreffende natuurcomponenten (bijv. diersoort, habitat type) enig nut opleveren voor de mens. Binnen de systematiek van het wetsvoorstel is dit bijvoorbeeld van belang als wordt bepaald welke soorten een plek verdienen op de bijlage bij de wet.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie verzoeken de regering om duidelijk te maken dat de erkenning van intrinsieke waarde niet alleen betrekking heeft op natuur in algemene zin, ecosystemen en soorten, maar ook op individuele exemplaren van soorten. Graag een reactie op dit punt.

HOOFDSTUK 13. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1.1
Het valt de leden van de Partij voor de Dieren-fractie op dat in het wetsvoorstel de jachtopzichter twee volstrekt onverenigbare functies combineert. Volgens de definitie is de jachtopziener zowel beschermer van de jachtbelangen van de jachthouder als buitengewoon opsporingsambtenaar. Vindt de regering het in het algemeen gewenst dat een handhaver van de wet op de loonlijst staat van mogelijke overtreders waarvan hij de belangen dient te behartigen? Kan de regering aangeven waarom ze dat in het bijzonder in het geval van de jacht een goed idee vindt? Deelt de regering de opvatting van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie dat het veel gevraagd is van een jachtopzichter om zijn broodheer te verbaliseren in voorkomende gevallen van wetsovertreding en dat daarmee zijn onafhankelijkheid als toezichthouder in het geding is? Hoe ziet de regering de belangenverstrengeling tussen de toezichthouder die tevens zelf jager is, zoals bleek in het geval van de door de brandweer geredde zwijnen, die vervolgens door een BOA / jager werden gedood op onreglementaire wijze? Hoe wil de regering deze rolverwisseling voorkomen en is de regering met deze leden van mening dat het risico van wetsovertreding vergroot wordt wanneer er geen sprake is van sociale controle, doordat de activiteiten zich afspelen buiten het zicht van het publiek? Is met name in dergelijke omstandigheden niet gewenst de rol van toezichthouder strikt gescheiden te houden van die van de jager, zowel voor wat betreft belangen als in termen van een afhankelijkheidsrelatie?

Is de regering bereid de jachtopziener anders te definiëren, zodanig dat die niet in dienst kan zijn van de jager of jachthouder, zodanig dat die niet zelf jager kan zijn en zodanig dat niet de belangen van de jachthouder leidend zijn, maar die van flora- en fauna? Zo nee, waarom niet?

Artikel 1.5
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn benieuwd wat de verhouding is tussen de nationale natuurvisie en de provinciale natuurvisie? Moet de nationale natuurvisie vergeleken worden met de Nationale structuurvisie in het kader van de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO) die een dwingend kader is voor de provinciale structuurvisie waarin de nationale belangen verankerd zijn? Is het de bedoeling van de regering dat Provinciale Staten in de natuurvisie aangeeft hoe zij om gaat met de bevoegdheden van de provincie die voortvloeien uit het wetsvoorstel, indien dat niet in andere besluiten van Provinciale Staten is beschreven?

Artikel 1.8a
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn positief over de toevoeging van een doelbepaling in de wet. De erkenning van de intrinsieke waarde van de natuur is een goed kader voor de interpretatie van de wet. Uit de toelichting van de regering maken de leden op dat de intrinsieke waarde van de natuur als geheel wordt erkend en dat de intrinsieke waarde van elk levend wezen in de natuur en wellicht de biologische diversiteit eveneens wordt erkend. Deelt de regering deze interpretatie? Zo ja, is de intrinsieke waarde van de natuur, de biologische diversiteit, of van een in het wild levend dier of in het wild groeiende plant dezelfde? Zo nee, wat zijn de verschillende en verhouden die zich tot elkaar? Indien de regering niet heeft bedoeld dat de intrinsieke waarde van de biologische diversiteit erkend wordt, waarom staat deze doelbepaling dan in deel a en niet in deel b, dat de utilitaire waarde van de natuur benoemt?

Is het mogelijk dat in de marginale toetsing van de rechter, door een gebrekkige motivering van het bestuur, de intrinsieke waarde van de natuur een toetsingscriterium kan zijn voor de rechter? Of mogen rechters alleen toetsen aan de regels in de wet die een door de regering geformuleerde uitwerking zijn van de intrinsieke waarde? Indien de rechter er niet aan mag toetsen, wat is dan nog de meerwaarde van het opnemen van het begrip in de wet? Is de regering bereid de bescherming van de intrinsieke waarde van dieren inhoud te geven door instelling van een landelijke schoontijd waarin dieren gedurende draag- zoog- en broedtijd niet bejaagd mogen worden? Zo nee, waarom niet? Hoe verhoudt zich een onverhoopte weigering een schoontijd op te nemen in de wet tot de erkenning van de intrinsieke waarde van het dier die met nadruk los gezien moet worden van belangen van of voor de mens?

Artikel 1.10
Dit artikel roept bij de leden van de Partij voor de Dieren-fractie de vraag op of de inperking van de verplichting in artikel 1.10 tot Europeesrechtelijk beschermde soorten terecht is. Verdragen zoals het Biodiversiteitsverdrag en het Verdrag van Bern vereisen immers een basisbescherming voor alle soorten. Het behoud en herstel van een gunstige staat van instandhouding zou volgens deze leden de minimumbescherming moeten zijn voor alle soorten en habitats, deelt de regering die opvatting? De leden van de Partij voor de Dieren-fractie wijzen erop dat een dergelijke aanpak alleszins hanteerbaar is en goed zou aansluiten bij de systematiek van het wetsvoorstel, bijvoorbeeld omdat dit begrip (evenals in de bestaande Flora- en faunawet) ook in algemene zin wordt gebruikt bij de formulering van voorwaarden voor ontheffingen en vrijstellingen. Is de regering bereid het wetsvoorstel aan te passen op dit punt?

Artikel 3.3, lid 2
De leden van de PvdD-fractie constateren dat artikel Provinciale Staten de mogelijkheid biedt om een vrijstelling te verlenen van verboden zoals bedoeld in artikel 3.1, waaronder het vangen en doden van vogels. Is de regering van mening dat om inbreuk te kunnen maken op de algemene bescherming maatwerk geleverd dient te worden? Is de regering het met deze leden eens dat een ontheffing beter maatwerk oplevert dan een vrijstelling? Is de regering het met deze leden eens dat handhaving in het geval van een vrijstelling onmogelijk is? Is de regering bereid om de mogelijkheid voor het geven van vrijstellingen uit deze wet te schrappen? Zo nee, waarom acht de regering de mogelijkheid voor verlening van vrijstelling noodzakelijk als de mogelijkheid voor ontheffing blijft bestaan?

Artikel 3.8, lid 2
De leden van de PvdD-fractie constateren dat dit artikel Provinciale Staten de mogelijkheid biedt om een vrijstelling te verlenen van verboden zoals bedoeld in artikel 3.1, waaronder het vangen en doden van dieren. Is de regering van mening dat om inbreuk te kunnen maken op de algemene bescherming maatwerk geleverd dient te worden? Is de regering het met deze leden eens dat een ontheffing beter maatwerk oplevert dan een vrijstelling? Is de regering het met deze leden eens dat handhaving in het geval van een vrijstelling onmogelijk is? Is de regering bereid om de mogelijkheid voor het geven van vrijstellingen uit deze wet te schrappen? Zo nee, waarom acht de regering de mogelijkheid voor verlening van vrijstelling noodzakelijk als de mogelijkheid voor ontheffing blijft bestaan?

Artikel 3.8 lid 7
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen in artikel 3.8 lid 7 de mogelijkheid om beschermde dieren te doden zonder ontheffing, aanwijzing of vrijstelling als passende maatregel, instandhoudingsmaatregel of onderdeel van een beheerplan. Hoe heeft de regering geborgd dat daarmee een goede toetsing op nut en noodzaak van de maatregel gegarandeerd is? Deelt de regering de mening dat het onwenselijk is dat juist een beheerplan voor natuurgebieden de grondslag biedt om de te beschermen dieren tevens te bestrijden? Hoe wil de regering voorkomen dat deze tegengestelde doelen conflicteren in samenwerkingsverbanden waarin met name tegenstanders van de doelstellingen van het faunabeheerplan actief worden uitgesloten via dit voorgenomen wettelijk kader?

Hoe voorkomt de regering dat belangenconflicten tussen beschermings- en bestrijdingsdoelstellingen geheel worden gewogen door belanghebbende hobbyisten, waarbij het de rechterlijke macht onnodig moeilijk gemaakt wordt in dergelijke belangenconflicten te treden en het tegenstanders van het faunabeleid onnodig moeilijk gemaakt wordt toegang te verkrijgen tot informatie die betrekking heeft op de genoemde belangenconflicten tussen bescherming en bestrijding? Hoe wil de regering de handhaafbaarheid van deze wet borgen?

Artikel 3.10, lid 2, sub b
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat dit artikel de mogelijkheid biedt om ontheffing of vrijstelling te verlenen ‘ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, kazernes of begraafplaatsen’. Deze leden vinden de gekozen formulering te vaag. Deze leden menen dat om inbreuk te kunnen maken op de bescherming van dieren er sprake dient te zijn van belangrijke schade of gevaar. ‘Overlast’ mag volgens deze leden nooit een grond zijn om beschermde dieren te doden. Bovendien is ‘overlast’ volgens deze leden een zeer subjectief begrip. Ook ‘schade’ is niet nader omschreven. Kan de regering toelichten wat zij verstaat onder overlast en schade? En kan de regering aangeven welke mate van schade en overlast volgens haar voldoende is om inbreuk te maken op de bescherming van dieren?

Artikel 3.12
De leden van de PvdD-fractie constateren dat dit artikel bepaalt dat bestrijding, beheer en jacht plaatsvindt op basis van een faunabeheerplan, opgesteld door een faunabeheereenheid. Deze leden constateren dat deze plannen worden opgesteld door jachthouders, ofwel door de uitvoerders zelf, en moeten vaststellen dat dit niet objectief is. Deze leden zijn van mening dat de belangen van in het wild levende dieren volstrekt onvoldoende worden meegewogen door faunabeheereenheden.In deze plannen, blijkt uit de praktijk in de afgelopen periode, worden niet alle belangen en zeker niet de belangen van de in het wild levende dieren zelf, meegewogen. Organisaties die andere belangen vertegenwoordigen hebben geen enkele stem in of invloed op deze plannen. De ervaring leert dat in deze plannen de inzet van het geweer steevast als het ultieme middel wordt gezien en dat alternatieve maatregelen niet serieus worden beoordeeld of direct als niet-effectief worden afgewezen.
Deze leden zetten bovendien grote vraagtekens bij de afschotplannen, genoemd in het vierde lid. Hoe verhouden zich deze afschotplannen tot het feit dat er geen betrouwbare informatie voorhanden is over populatie-aantallen, zoals wordt bevestigd door Alterra-rapport nr. 2426 uit 2013 dat stelt dat het schatten van populatie-aantallen geen eenvoudige opgave is?

Artikel 3.16, lid 4
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat dit artikel Gedeputeerde Staten de mogelijkheid biedt om personen aan te wijzen om de populatieomvang van exoten of verwilderde dieren te beperken. Deze leden moeten vaststellen dat in dit artikellid de voorwaarden ontbreken waaraan moet worden voldaan om een dergelijke ingrijpende toestemming te verlenen. Zou met het oog op de intrinsieke waarde van dieren niet op zijn minst moeten zijn aangetoond dat de betreffende diersoorten belangrijke schade of gevaar veroorzaken voordat maatregelen tegen deze dieren genomen worden genomen? En is de regering van mening dat ingrijpende maatregelen tegen exoten of verwilderde dieren, zoals het doden van deze dieren, uitsluitend moeten zijn toegestaan als er geen andere, minder ingrijpende maatregel voorhanden is? Is de regering bereid dit bij wet te regelen?

Artikel 3.21
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat de regering vasthoudt aan een stringentere koop breekt geen huur bepaling dan het BW. Zelfs indien jachthuurder en jachtverhuurder overeen willen komen dat koop wel huur breekt, is dat niet toegestaan. De regering motiveert dit door te stellen dat hiermee langjarig beheer mogelijk wordt gemaakt. De regering maakt niet duidelijk waarom het borgen van langjarig beheer noodzakelijk is of waarom tussentijdse wijziging van een beheersregime onwenselijk zou zijn, bijvoorbeeld wanneer een andere eigenaar het beheer krijgt over bepaalde gronden. De jacht is alleen mogelijk tijdens het jaarlijkse jachtseizoen. Is de regering bereid om deze bepaling te laten vallen en meer vrijheid toe te kennen aan de vigerende eigenaar van gronden, in het kader van vergroting van eigendomsvrijheid en vermindering van regeldruk? Zo nee, waarom niet?

Artikel 5.3
De leden van de PvdD-fractie constateren dat dit artikel de mogelijkheid schaft om aan vergunningen en ontheffingen (vrijstellingen) voorschriften en beperkingen te verbinden. Tevens wordt aangegeven dat er een geldigheidsduur aan kan worden gesteld. Deze leden zijn van mening dat, situaties van dieren in het wild kunnen en zullen veranderen, zodat vergunningen en ontheffingen nooit voor onbepaalde tijd zouden moeten worden verleend. Is de regering het ermee eens dat de situatie van dieren in het wild aan continue verandering onderhavig is en dat met het oog daarop elke vergunning of ontheffing (vrijstelling) gebonden moet zijn aan een geldigheidsduur? Is de regering bereid dit bij wet te regelen? Zo nee, waarom niet?

Hoofdstuk 14. OVERIGE

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich grote zorgen over het toekomstige beschermingsniveau voor de natuur, de planten en de dieren in het wild. De ambitie van het Europees minimum en de daaruit voortvloeiende praktijk is gebaseerd op de misplaatste gedachte dat Nederland ‘het braafste jongetje in de klas’ zou zijn. De biodiversiteit in Nederland is ver onder het Europees gemiddelde en de milieucondities voor de natuur zijn ronduit slecht en zullen dat de komende decennia blijven.

De regering erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren, maar blijft het doden van dieren zonder noodzaak toestaan. Het gehele faunabeleid blijft in handen van belanghebbende hobbyisten waarmee de overheid haar eigen verantwoordelijkheid voor het beschermen van dieren in het wild niet neemt. De leden zien het als een gemiste kans om te komen tot een moderne natuurbeschermingswet die de intrinsieke waarde van de natuur en van dieren werkelijk serieus neemt.

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden actieve bescherming van soorten van groot belang, omdat de passieve bescherming tot op heden veelal vooral tot louter beperking van schade heeft geleid. Beperking van schade is volgens deze leden onvoldoende voor het realiseren van daadwerkelijk herstel en het behalen van de natuurdoelen. Een actieve inzet is volgens deze leden van groot belang, ook voor het verminderen van de knel met economische en andere belangen op de langere termijn. Helaas moeten deze leden constateren dat dit wetsvoorstel vooral facultatieve instrumenten biedt. Zo geeft het wetsvoorstel niet aan wanneer een actieve aanpak in ieder geval verplicht moet worden ingezet. Dat is in de ogen van deze leden een gemis. Het wetsvoorstel biedt zo weliswaar meer instrumentarium voor een actieve benadering, maar geen waarborgen dat deze aanpak ook daadwerkelijk ingezet zal worden. De decentralisatie van bevoegdheden vergroot deze onzekerheid verder. Is de regering bereid het wetsvoorstel aan te passen opdat de ambitie om te komen tot een actievere bescherming ook daadwerkelijk een verankering kent in de wet?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie wijzen de regering op de motie die is aangenomen op het World Conservation Congress van de IUCN in 2012, waarin wordt uitgesproken dat ieder kind het recht heeft in contact te komen met de natuur. Is de regering bereid deze erkenning te borgen in deze wet?

De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren dat dit wetsvoorstel van toepassing is op het gehele Nederlandse deel van de Noordzee, inclusief de exclusieve economische zone met belangrijke beperkingen ten aanzien van visserij. Deze leden betreuren het dat dit wetsvoorstel vrijwel geen bescherming biedt aan vissen en weekdieren. De visserijwetgeving vult deze lacune volgens deze leden niet, omdat de visserijwetgeving slechts een beperkt aantal (hoofdzakelijk commercieel geëxploiteerde) soorten dekt en primair een economische doelstelling heeft.

Deze leden constateren dat dit wetsvoorstel tevens niet voorziet in de bescherming van bedreigde zoetwatervissen in relatie tot de Visserijwet. Kan de regering aangeven hoe zij ervoor gaat zorgen dat dit wetsvoorstel alsnog wordt afgestemd op de Visserijwet en hoe zij daarbij zeker stelt dat internationale verplichtingen en bevoegdheden ten aanzien van natuurbescherming op zee en visserij volledig en adequaat worden uitgevoerd? Is de regering bereid om deze internationale bescherming uit te breiden met aanvullende verplichtingen op nationaal niveau?