Bijdrage Ouwehand AO Natu­ra2000


10 februari 2010

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het is niet mijn plek om het op te nemen voor de minister. Dat ga ik ook zeker niet doen, want ik ben zeer kritisch op haar beleid. Vanuit de positie van de CDA-fractie vind ik het echter wel heel gemakkelijk om nu getergd te zijn en stoere praat uit te slaan. Was het niet de CDA-fractie die jaren geleden al haar handtekening zette onder de Vogel- en Habitatrichtlijn met die langlopende termijnen? Was het niet de CDA-fractie die toen ook voor de lange termijn had moeten bekijken wat er moest gebeuren om de natuur te beschermen en welke ontwikkelingsruimte dat bood voor de boeren? Hoe lang zit de heer Koopmans al in de Kamer? Regeren is vooruitzien; wat heeft de CDA-fractie daar gedaan? Je kunt het wel laten aankomen op een botsing met de deadline en dan boos doen, wat wij nu zien gebeuren, maar de CDA-fractie was er al die tijd bij.
Daarnaast is er het punt van de rechtszekerheid van de boeren. Ik breng in herinnering dat de uitspraken van de Raad van State, waarover de heer Koopmans nu zo boos is, een direct gevolg zijn van het goedkeuren van het toetsingskader ammoniak, waarvan de CDA-fractie had kunnen weten dat dit het niet zou halen bij de Raad van State. Daarmee geef je boeren weer een dode mus. Je weet dat het cadeautje na een jaar wordt uitgepakt en dat die dode mus dan inderdaad heel teleurstellend blijkt. De positie die nu geldt voor boeren, het bestaand gebruik, is door Nederland verzonnen en niet getoetst aan de natuurdoelstellingen, terwijl wij dat al jaren weten. Hoe zit het met die positie? Dat heb ik de heer Koopmans al een paar keer gevraagd. Ik denk dat we daar de Europese rechterlijke toets niet halen. Dan is het de vraag of de ondernemer zuur is of de belastingbetaler, maar daar doet de heer Koopmans maar geen uitspraken over.

De heer Koopmans (CDA): Dat is helemaal niet zo moeilijk. Ik ben er volstrekt van overtuigd dat het mogelijk is -- dat heeft het Barrosodebat ook opgeleverd -- om met de Vogel- en Habitatrichtlijn en met de Natura 2000-richtlijn te werken, als Nederland dat zelf maar goed oppakt. Daarmee zijn wij nu aan de gang, soms gehinderd door onbedoelde gevolgen bij de Raad van State. Het toetsingskader was op zich een goed idee, ook omdat het uitgaat van die dynamiek, maar het had alleen in de wet gegrondvest moeten worden. Dat is het kernpunt. Dat hebben wij nu geregeld in de Crisis- en herstelwet. Ik snap het allemaal tot aan de Crisis- en herstelwet, maar daarna vind ik dat er veel meer tempo had moeten worden gemaakt en dat wij concrete doelen en maatregelen hadden moeten afspreken. Dan kan iedereen aan de slag. Dat moet er gebeuren. Er is dus best mee te werken. Als mij hier wordt verweten dat ik de boeren blij maak met een dode mus, zeg ik dat mevrouw Ouwehand een handelaar is in dode mussen. Met alle respect: de CDA-fractie geeft elke keer de mogelijkheden aan -- en vecht daar ook voor -- om boeren perspectief te
geven binnen de wetgeving en de richtlijnen die er zijn. Waarom doen wij dat? Omdat wij dat de sector gunnen, omdat wij dat de Nederlandse economie gunnen en omdat wij dat de omgeving gunnen. Voor de omgeving van de boeren is het prima als zij kunnen investeren. Daar staan wij voor.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Kapitale denkfouten bij de CDA-fractie. Ik verdenk haar ervan, dat zeg ik dan maar eerlijk, dat het geen denkfouten zijn maar een bewuste strategie. Het gaat er niet om of het toetsingskader in de wet vast had moeten liggen. Het gaat erom dat het niet in overeenstemming was met de Vogel- en Habitatrichtlijn, waaronder de CDAfractie haar handtekening heeft gezet. Laten wij dat helder hebben. Als je hier bestuurlijke beslissingen neemt waarvan je weet dat boeren er de dupe van zullen zijn, moet je daarmee niet akkoord gaan. Wat de uitleg van de Barrosobrief betreft, wordt dezelfde denkfout gemaakt. Het gaat er niet om wat onze minister denkt dat de uitvoering van de richtlijn moet zijn. Het gaat er niet om wat de heer Barroso denkt dat de uitvoering van de richtlijn moet zijn. Het gaat erom hoe de richtlijn moet worden uitgelegd. Daarvoor hebben wij een Europees Hof, dat daarover uitspraken heeft gedaan. Als de heer Koopmans nu samen met de minister de boeren voorspiegelt dat het allemaal wel wat minder kan, terwijl dat Europeesrechtelijk niet geoorloofd is, neemt hij willens en wetens risico's met de rechtspositie van de boeren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb de heer Cramer goed beluisterd. Wat de fractie van de ChristenUnie betreft, staan de natuurdoelen voorop. Dat zegt iedereen wel, maar ik denk dat het bij de ChristenUnie misschien wat gemeender is dan bij een aantal andere collega's. De heer Cramer zegt dat wij eerlijk moeten zijn en moeten kijken wat haalbaar is. Ik vraag mij dan af of het voor de ChristenUnie-fractie bespreekbaar is om, ook in het kader van Natura 2000 en niet alleen in het kader van de nitraatrichtlijn en het mestbeleid, te bekijken hoeveel dieren wij in een bepaald gebied kunnen hebben en of wij het instrument van de omvang van de veestapel in een bepaald gebied serieus moeten opnemen in het beleid. Hoe hard je vervolgens aan zo'n knop draait, staat dan nog ter discussie, maar is dit voor de fractie van de ChristenUnie een instrument om de natuurdoelen te halen?

De heer Cramer (ChristenUnie): Volgens mij heb ik er nooit onduidelijkheid over laten bestaan dat de ChristenUnie-fractie dat bespreekbaar acht. Wij hebben al eerder in deze commissie gesproken over dierrechten. Wij hebben gezegd dat wij daarover toch moeten gaan nadenken. In relatie tot de programmatische aanpak van stikstof komen wij linksom of rechtsom ook bij die discussie uit. De ChristenUnie-fractie zal haar verantwoordelijkheid in die discussie niet ontlopen. Daarom zei ik ook luid en duidelijk dat er volgens mij niet aan te ontkomen is; als wij het dossier serieus nemen, kan het wel eens pijn gaan doen. Dat moeten wij tegen elkaar durven zeggen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Bijna alle sprekers merkten verbaasd op aan het einde van hun termijn dat hun spreektijd al op was. Er zijn veel meer vragen te stellen dan in dit tijdsbestek mogelijk is. Ik ben blij dat op mijn verzoek is ingegaan en dit algemeen overleg met een uur is verlengd. Er valt echter toch nog meer te zeggen dan wij vandaag kwijt kunnen. De minister is van mij gewend dat ik bij debatten over Natura 2000 mijn teleurstelling uitspreek over de mooie woorden die gesproken worden – “de natuurdoelen staan natuurlijk bovenaan en daar gaan wij voor”-- terwijl de implementatie van Natura 2000 één grote exercitie is om te bezien waar wij ons aan onze verplichtingen kunnen ontworstelen. Ik vind dat droevig. Economische ontwikkeling moet mogelijk blijven. De inzet is gericht op het halen van de natuurdoelen, maar wanneer? Er klinkt geen woord over het verslechteringsverbod in de Habitatrichtlijn. In relatie tot het omlaag brengen van de depositie staat in de stukken stoer: “onvermijdelijk omlaag brengen. Dat moet echter wel geleidelijk worden gedaan”. De natuurdoelen worden dus pas in de tijd gerealiseerd. De ministerzou er eerlijk bij moeten schrijven dat voor gebieden geldt dat zij niet achteruit mogen gaan. Dat houdt voor een aantal gebieden automatisch in dat die depositie fors omlaag moet, en wel heel snel. Door de gebruikte formuleringen wordt de indruk gewekt dat het allemaal opzijn janboerenfluitjes kan, rustig aan. Ik heb wel eens gezegd: natura never nooit niet.
Als het alleen maar om Nederlands beleid zou gaan waarop wij zelf van alles kunnen afdingen, dan zou ik daar al teleurgesteld in zijn, maar het gaat nu ook om Europeesrechtelijke verplichtingen. Dat kwam ook naar voren in het debat over de Barrosobrief. De minister kan zelf wel bedenken hoe zij die Habitatrichtlijn wil uitleggen en zij kan daar zelfs steun voor verwerven, maar al is de hele Europese Commissie het met haar eens, het gaat om hetgeen in die richtlijn staat, waar onze handtekening onder staat, en wat de jurisprudentie daarover is. Die machten hebben wij te erkennen en daar moeten wij eerlijk over zijn. Ik sluit mij dan ook aan bij de vraag over "ja, mits". Wij hebben behoefte aan duidelijkheid.
Ik hecht eraan om nog eens te wijzen op de termijnen die wij hadden voor de Vogel- en Habitatrichtlijn, waar wij gebruik van hadden kunnen maken om duidelijkheid te scheppen over sociaaleconomische criteria en het meewegen daarvan bij het realiseren van de natuurdoelen. Betekent het dat alle activiteiten die op een x-moment plaatsvinden in Nederland onverminderd door moeten kunnen gaan of betekent het dat wij een andere visie op de mogelijkheden van de economische ontwikkeling in het licht van de natuurdoelen ontwikkelen? Dan bereken je in een eerder stadium dat een bepaald natuurgebied een bepaalde hoeveelheid ammoniak kan hebben. Daarmee wordt duidelijk voor een periode van tien tot vijftien jaar hoeveel dieren daar in de toekomst gehouden kunnen worden. Op het moment zelf is de beslissing even pijnlijk, maar dan weet iedereen wel waar hij aan toe is. Er is dan ruimte voor "zachte landingen" en om uit te faseren. Maar nee, wij moesten per se, het CDA voorop, doen alsof het allemaal kon. Nu sparen wij de kool en de geit, maar dat gaat niet. Het gaat vroeg of laat niet. Iemand krijgt het deksel keihard op de neus. Ik ben blij dat die analyse inmiddels in de agrarische pers is opgepakt: de minister houdt de Kamer voor de gek. De herdefiniëring van het probleem van ammoniakweg naar stikstof lijkt een leuke oplossing; het lijkt alsof de landbouw minder aan zet is. Wat betekent het echter voor
de boeren? Met net doen alsof de natuurdoelen geen realiteit zijn en de voorschriften in de Vogel- en Habitatrichtlijn met een korrel zout kunnen worden genomen, schieten natuur en ondernemers niets op.

De heer Van der Vlies (SGP): Tot wie is dit betoog eigenlijk gericht? In ieder geval niet tot mij. Dat kan het geval niet zijn.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het spijt mij zeer, maar het betoog is wel degelijk gericht tot de heer Van der Vlies, evenals de heer Koopmans. Overigens mag mevrouw Snijder zich ook aangesproken voelen, net als de PvdA en de ChristenUnie die wel eens een voorstelletje hebben gesteund.

De heer Cramer (ChristenUnie): Ik ben schuldig, voorzitter.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Laat ik het ammoniakbeleid centraal stellen. Daarvoor gold milieuwetgeving. De normen daarin zijn uitgehold, onder aanvoering van het CDA en altijd dik gesteund door de SGP-fractie. Nogmaals, de andere fracties deden ook mee. Dat ging over emissies; de Vogel- en Habitatrichtlijn is duidelijk over de natuurdeposities. Elverding spreekt over bestuurlijk en politiek onvermogen, waarvan deze casus een goed voorbeeld is. Politiek Den Haag wist dat de ammoniak in relatie tot de natuurdoelstellingen binnen de perken moest worden gehouden. Desalniettemin is het ammoniakbeleid via het milieuspoor uitgehold. Dat is gewoon dom.

De heer Van der Vlies (SGP): Er zitten hier getergde Kamerleden. Ik tart de fractie van de Partij voor de Dieren om één voorbeeld te noemen uit de wetsgeschiedenis en de parlementaire geschiedenis van een geval waarin de SGP-fractie gespot heeft met vastgestelde natuur- en milieudoelen. De weg ernaartoe is een andere zaak, de temporisering en het maatwerk. Dat is een ander verhaal. U zei, in andere woorden, dat wij een loopje hebben genomen met natuur- en milieudoelen. Ik tart u om daarvan één voorbeeld te noemen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik kan een heleboel voorbeelden noemen. Ik noem allereerst de verkleining van de beschermingsgebieden voor ammoniak, van 3 km naar 250 m. Dat was voor de natuur absoluut onhaalbaar. Het was mogelijk om dat via het emissiespoor te
veranderen, maar dan had daar harde natuurwetgeving naast moeten staan. Die is niet neergezet. Ik hoor zeggen: een geweldige actie. Uiteindelijk waren er echter weer krokodillentranen gehuild omdat de Raad van State uitsprak dat het zo niet gaat. Dat zagen wij toch aankomen, beste mensen? Die trucjes ben ik een beetje zat. Zoals ik al zei, begint de agrarische pers deze analyse ook door te krijgen. Mijn reactie mag duidelijk zijn. Ik stel de minister nog de volgende concrete vragen. Kunnen wij de term "economische ontwikkeling" nader definiëren? Ik krijg sterk de indruk dat de minister alle activiteiten die nu plaatsvinden wil laten voortbestaan en daar met technische maatregelen eventueel op wil ingrijpen als een en ander klemt met de natuurdoelen. Is dat wat de minister verstaat onder economische ontwikkeling of mogen wij dat ook breder bekijken? Kan er een economische ontwikkeling zijn van een sector die de natuur niet ernstig belast? Daarvoor moet op een andere manier naar de situatie worden gekeken: het krimpen van de veestapel, het inzetten op biologische landbouw met een veel kleiner aantal dieren. Ik heb de indruk dat de Habitatrichtlijn vooral daarover gaat, dat een economische ontwikkeling zeer wel mogelijk is, maar dat de activiteiten die er nu zijn niet per se moeten blijven doorgaan. Ik krijg op dit punt graag meer duidelijkheid. De minister heeft afgesproken om zo veel mogelijk in te zetten op het voorkomen van schade. Hoe legt de minister uit met het voorzorgsbeginsel van de Habitatrichtlijn dat er passende maatregelen moeten worden genomen om verslechtering te voorkomen? Kan dat concreter? Ik vind dat wij eerlijk moeten zijn.
In relatie tot de beslissingen die de minister heeft genomen ten aanzien van het overnemen van wijzigingen stel ik graag een concrete vraag over het blauwgrasland in de Groote Wielen. Ik noem het als casus om te kijken wat de gronden zijn op basis waarvan de minister besluit om wijzigingen over te nemen. In de Groote Wielen gold een behouddoelstelling en in het andere gebied dat wordt genoemd, een uitbreidingsdoelstelling. Mogen wij ervan uitgaan dat naast de uitbreidingsdoelstelling, die gewoon gehandhaafd wordt, als het habitattype van het ene gebied naar het andere wordt overgeheveld, de oppervlakte wordt vergroot, zodat in de oorspronkelijke behoudsdoelstelling de betreffende omvang wordt gehaald en de uitbreidingsdoelstelling overeind blijft? Ik hoor op dit punt graag duidelijkheid om na te gaan op welke manier de minister een en ander aanstuurt.

Ik doe aan het einde van mijn betoog één oproep aan de minister: rug recht, eerlijkheid en eindelijk eens een keer zeggen hoe wij de natuurdoelen gaan halen. Laat het niet bij alleen maar mooie woorden. Gisteren vroeg de minister ons nog om haar af te rekenen op haar daden in plaats van haar woorden, of andersom. Het maakt mij niet uit, zolang ze kloppen met elkaar.

Minister Verburg: Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar inbreng in eerste termijn. Uit die inbreng is weer eens duidelijk geworden dat het Natura 2000-traject een prachtig doel heeft. Het gaat om natuur, om Europese topnatuur. Om dat doel gerealiseerd te krijgen, moet een weg worden gevolgd die nog niet geplaveid is. Ik hoor dat terug in de inbreng van de Kamer en ik merk dat ook in de praktijk. Met de partners in de provincie en met de partners in de maatschappelijkmiddenveldorganisaties in de zoektocht om een en ander als in een puzzel gelegd te krijgen in ons kleine, maar mooie stukje Nederland. Het inpassen van al die doelen en ambities is waarachtig niet eenvoudig. Ik hoor dat in de inbrengen terug. Sommigen spreken met stemverheffing en zeggen dat het sneller moet of leggen eisen neer. Anderen zeggen: u mag dit niet en u mag dat niet. Het is kortom een zoektocht. Wat ik in de Kamer beluister, hoor ik ook wel eens van maatschappelijke partijen. Wij vinden het in Nederland van groot belang dat economische en ecologische activiteiten hand in hand gaan. Wij ontwikkelen nu een route om dat in lengte van dagen hand in hand te kunnen laten gaan.
Wij leggen nu een basis voor de komende decennia. Ik ben ervan overtuigd, en ik beluister dat ook in verschillende toonsoorten bij veel leden, dat economische activiteiten, waaronder veel landbouw- en recreatieactiviteiten, belangrijk zijn, ook voor de toekomst. Ik hoor echter ook dat de leden oog en hart hebben voor de biodiversiteit. Dit jaar is het internationale jaar van de biodiversiteit. Internationaal hebben wij afgesproken dat wij de teruggang van de biodiversiteit dit jaar stoppen. Dat lukt, internationaal, niet. Wij zijn daarin niet de enige. Dat ontslaat ons echter niet van de inspanning en de verantwoordelijkheid om die achteruitgang te stoppen en de biodiversiteit in Nederland beter tot zijn recht te laten komen. Daar gaat dit hele traject over. Wij spreken daar van tijd tot tijd over en wij maken daar ook stappen in. Ik ga graag in op de vragen, opmerkingen en suggesties om aan te geven waar wij staan, welke mogelijkheden er zijn en hoe de afwegingen in de loop van het proces worden gemaakt om de doelen te bereiken waar wij onze handtekening onder hebben gezet. Ik kom nu op het blokje begrenzingen en aanwijzingen. Ik heb mijn reactie verdeeld in de blokken begrenzingen en aanwijzingen, beheerplannen, stikstof en overig.

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand wil een vraag stellen over de inleiding.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De minister zegt dat het gaat om het beschermen van biodiversiteit, het stoppen van de achteruitgang te stoppen en het verbeteren van de biodiversiteit. Dat is waar. Zij houdt haar inleiding echter, evenals op andere momenten waarop de minister haar natuurbeleid moet verdedigen, vanuit het defensieve. De minister zegt dat draagvlak belangrijk is en ik zit dan ook te wachten op een motiverende campagne en op enthousiasme voor de doelstellingen. Daarbij kan de rekensom helpen die onlangs uit een groot Europees onderzoek is komen rollen. Daaruit blijkt dat investeren in Natura 2000 weliswaar 32 mld. kost, maar de opbrengsten 3,5 triljoen zijn. Juist omdat de discussie zich toespitst op botsingen tussen natuur en economische ontwikkeling lijkt mij dit een argument dat wij moeten inbrengen. Waarom hoor ik de minister daar nooit over?

Minister Verburg: Ik heb dat soort rekensommen niet nodig. Stel dat iemand aan mij vraagt om die triljoenen te berekenen, dan kan ik dat niet. Ik vermag dat niet. Voor mij is biodiversiteit van cruciaal belang. Iedereen die nadenkt over een toekomstgerichte, duurzame landbouw en productie in ons land, maar ook iedereen die nadenkt over economische ontwikkelingen, recreatief of anderszins, weet dat als er onvoldoende biodiversiteit is, het leven gaat ontbreken. Het motto van het internationale jaar voor de biodiversiteit is: biodiversiteit is leven. Ik zeg daarbij: biodiversiteit is brandstof. Als de brandstof op is, houdt alles op. Dat is voor mij motivatie genoeg. Ik heb daar geen indrukwekkende rekensom voor nodig, hoewel daar best een goede onderbouwing van zal zijn. Wij zitten nu met de invoering, vormgeving en implementatie van het hele verhaal en daartoe ben ik zeer gemotiveerd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik begrijp dat het voor de minister duidelijk is, maar ik vraag mij af of het voor de mensen in het land duidelijk is en voor de mensen die in de beheerplancommissies met elkaar in gevecht moeten over de natuurdoelen, de economische schade en noem maar op. Het zou goed zijn als de minister duidelijker in kaart weet te brengen wat het ons kost als wij de natuurdoelen niet weten te realiseren op een redelijke termijn. Dat kan bijzonder helpen. Het moet gezegd worden dat de minister daarbij niet te zien is, hetgeen ik jammer vind.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De minister zegt dat het de bedoeling is dat er ecologische vooruitgang wordt geboekt met een dalende stikstofdepositie. Wat bedoelt de minister precies met ecologische vooruitgang? Wordt de natuurkwaliteit daadwerkelijk verbeterd of wordt er minder schade toegebracht dan voorheen? Is in haar ogen alleen al een dalende stikstoflijn een ecologische vooruitgang?

Minister Verburg: Het hangt af van de doelstellingen per gebied. Ik wil daarin heel zorgvuldig zijn. Hoe is de staat van instandhouding? Wat zijn dus de opgaven? Bij een goede staat van instandhouding moet de lijn horizontaal blijven lopen. Je moet dan ervoor zorgen dat het niet achteruitgaat. Als de staat van instandhouding verbeterd moet worden, dan moet er sprake zijn van een opgaande lijn. Als de stikstofdepositie te hoog is en teruggebracht moet worden, moet er sprake zijn van een dalende lijn. Je kunt niet kiezen, het moet allebei tegelijkertijd.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De natuurkwaliteit moet vanaf dit moment dus omhoog gaan, zodat die verbetert?

Minister Verburg: Dat heeft te maken met de termijnen voor de definitieve aanwijzing en de vaststelling van het beheerplan. Vanaf dat moment gaat de teller tikken. Dan moet aanwijsbaar zijn dat de ontwikkeling die in het beheerplan wordt beoogd door de afgesproken maatregelen wordt gerealiseerd.