Bijdrage Ouwehand AO Landbouw & Visse­rijraad 15 en 16 december


10 december 2014

Voorzitter. Ik wens de ambtenaren en de staatssecretaris alvast sterkte, want er staat ongelofelijk veel op de agenda en ik kan heel snel praten. Dus er komt van alles hun kant op.

Ik kan mij, om te beginnen, gelukkig wel aansluiten bij de kritische opmerkingen die door de PvdA en de SP zijn gemaakt over de visserijprotocollen. Dus daar hoef ik zelf geen spreektijd aan te wijden. Maar dan het rapport van Greenpeace, waaruit zou blijken dat de Nederlandse visserijvloot overcapaciteit heeft. Wij hadden daar de vorige keer ook al discussie over. De staatssecretaris zegt dat het meevalt, maar zij geeft gelukkig ook toe dat veel Nederlandse schepen worden omgevlagd en dat we daar eigenlijk niet zo'n goed zicht op hebben. Graag krijg ik van de staatssecretaris de toezegging dat zij dit in Europees verband wel degelijk in kaart probeert te brengen, want de rapporten over de overbevissing en de overcapaciteiten zijn aanleiding tot zeer veel zorg.

Dan de vangstmogelijkheden. Ik roep de staatssecretaris op om vast te houden aan de TAC's en de adviezen daarover en geen uitzondering te maken als dat toevallig onze eigen visserijsector pijn doet.

Het meerjarig meersoortenbeheerplan voor kabeljauw, haring en sprot betreft een belangrijke component van het Oostzee-ecosysteem. Kan ik ervan uitgaan dat de staatssecretaris inzet op een TAC van nul, omdat het ongelofelijk kwetsbare bestanden zijn en volgens wetenschappers een goede beoordeling nu niet mogelijk is?

Er liggen heel wat verordeningen, onder andere die voor diergezondheid. De Partij voor de Dieren mist iets waar eerder wel over gesproken werd, namelijk dat we vooral zouden moeten inzetten op preventie. Een dier dat onder natuurlijke omstandigheden gehouden wordt, is vaak gezond. Platform LIS (Platform Landbouw, Innovatie en Samenleving) heeft dat ons ook aanbevolen. Kan de staatssecretaris zeggen welke operationele doelstellingen er in de verordening zijn opgenomen ten aanzien van preventie, zoals het houden van dieren op zodanige wijze dat individuele verzorging mogelijk is? Is zij bereid om zich daar hard voor te maken?

Dan de diergeneesmiddelen en gemedicineerde diervoeders. De Partij voor de Dieren maakt zich zorgen. De Europese Commissie werkt aan het vereenvoudigen van wetgeving voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik. Daardoor zou het mogelijk worden dat antibiotica in het voer van gezelschapsdieren kan worden verwerkt en wordt het ook uitgebreid naar kleine sectoren, zoals struisvogels en konijnen. De Partij voor de Dieren wijst de aangekondigde wijziging af. Wij hebben juist grote problemen met het antibioticagebruik. Insleep is nog steeds een groot probleem en het risico op resistentie zal flink toenemen. Kan de staatssecretaris zeggen op welke termijn bespreking op Raadsniveau wordt verwacht? Kan zij toezeggen dat zij niet zal instemmen met verordeningen waarin de Nederlandse standaarden worden verlaagd ten aanzien van antimicrobiële resistentie?

Dan het teeltvoorstel. Het is fijn om te horen dat de SGP de aangenomen motie nog even in herinnering brengt. Ik dank beide staatssecretarissen voor hun brief. Het kabinet neemt aan de onderhandelingen deel met de aangenomen motie van de Partij voor de Dieren onder zijn arm. Dank daarvoor ook. Toch heb ik nog enige zorg. Ik zie bijvoorbeeld dat er een aangenomen amendement bij het Europees Parlement ligt, waarin duidelijk wordt gevraagd om gronden voor een nationaal teeltverbod te verbreden naar milieugronden die niet in de EFSA-beoordeling staan. Dat is precies wat de Kamer heeft gevraagd. Dan ben ik bezorgd als ik lees dat het kabinet zegt dat het opnemen van milieuveiligheidsaspecten ongewenst is, omdat die in de EU-milieurisicobeoordeling zouden staan. Ik zou graag zien dat de Kamer voorafgaand aan definitieve besluitvorming in de Raad geïnformeerd wordt over de positie die Nederland in wil nemen. Dan kunnen we daar het debat nog over voeren. Ik hoop dat het, gelet op de aangenomen motie, de goede kant opgaat.

Er wordt een compromis verwacht voor het voorstel voor biologische landbouw en etikettering. De staatssecretaris schrijft dat zij geen definitief akkoord zal geven op een deelcompromis. Wij hebben hier discussie over gehad, maar ik herinner mij nog de woorden van de staatssecretaris in het laatste algemeen overleg hierover. Steun voor die lijn.

De voorzitter: De laatste minuut van uw spreektijd is ingegaan.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik zie het.

Dan het teeltmateriaal. Ik ben verbaasd en ik krijg graag helderheid op dit punt van de staatssecretaris. Een herziening is volgens de staatssecretaris van belang omdat er nieuwe mogelijkheden gecreëerd moeten worden om materiaal dat niet uniform is op de markt te kunnen brengen. Ik snap het niet, want het voorstel dat eerder voorlag, dat is afgewezen door Kamer, kabinet en het Europarlement, legde nu juist regels op waardoor niet-uniforme gewassen niet meer verhandeld zouden mogen worden. Waarom zouden nieuwe regels mogelijk zijn? Volgens mij kunnen we zonder regels wel die niet-uniforme gewassen op de markt brengen en is het gevaar van nieuwe regels nu juist dat dit onmogelijk wordt. Dus ik begrijp de brief van de staatssecretaris niet zo goed.

Dan de officiële controles.

De voorzitter: Wilt u afronden?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ja, ik heb nog twee kleine puntjes.

De voorzitter: In één zin graag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): In één zin. Waarom is de staatssecretaris zo terughoudend ten aanzien van de inzet van dierenartsen? We weten toch hoe dat zit in Nederland? Ik wil de staatssecretaris graag een brief overhandigen van het Europees Parlement waarin de Commissaris wordt opgeroepen het naleven van de verordening over het couperen van de staart van varkens te handhaven. Graag hoor ik van de staatssecretaris of zij de inhoud van de brief steunt, want als we met elkaar hebben afgesproken dat we een verordening naleven, moeten we dat ook doen.

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. Ik behandel de volgende blokken. Allereerst ga ik in op alle vragen met betrekking tot de visserij en de visserijprotocollen. Daarna ga ik in op het thema van de landbouw. Het derde onderwerp is de Russische boycot. Het vierde onderwerp betreft de overige verordeningen, waaronder diergezondheid, plantgezondheid en ook thema's als dat van de derogatie.

De heren Geurts en De Liefde spraken over de zogenoemde roll-over voor tong. We zien dat het wetenschappelijk advies naar boven is bijgesteld. Een roll-over van de TAC past nu binnen de MSY-benadering (maximum sustainable yield). Ik heb daar goede hoop op, nu er steun is van de wetenschap. De heer De Liefde vroeg wat er eerder is misgegaan toen er sprake was van min 5%. Die min 5% is een wetenschappelijk advies op basis van de oude MSY-waarde. Op basis van de nieuwe MSY past een roll-over binnen de wetenschappelijke benadering. Om die reden kunnen wij daarvoor pleiten.

Verschillende fracties hebben zeer terecht aandacht gevraagd voor de aanlandplicht. Gesteld is dat er een groot probleem is. Dat klopt; dat hebben we ook in het vorige overleg met elkaar vastgesteld. Om die reden heb ik dit onderwerp geagendeerd voor de Visserijraad. Daarbij heb ik aangegeven dat het een heel rare situatie is dat er sprake is van op elkaar inwerkende Europese wetgeving. Dat kan eigenlijk niet. Ik heb dat aan de orde gesteld en ik heb vastgesteld dat de noodzakelijke aanpassingen aan de huidige technische en controlemaatregelen in die Omnibusverordening niet gereed zijn. Ik heb toen al gezegd dat ik vond -- en dat vind ik nog steeds -- dat er een oplossing gevonden moet worden voor 1 januari. Wij kunnen overigens ook, zeg ik tegen de heer De Liefde, geen tegenstrijdige regelgeving implementeren en daarmee ook niet handhaven. Dat is helder. Die situatie is immers onduidelijk voor de handhavende instanties. De trialoog tussen de Raad, het Europees Parlement en de Commissie start vandaag. Als er geen oplossing komt, moet de aanlandplicht worden uitgesteld. Dat kan niet anders. Ik hecht aan een adequate en zorgvuldige start van de aanlandplicht, vooral omdat we gezien hebben dat het ongelofelijk ingewikkeld was om het überhaupt voor elkaar te krijgen dat die aanlandplicht er is. Als je dan op zo'n manier moet beginnen, heb je veel problemen met het draagvlak. Dat draagvlak is al gering. Op deze wijze maak je dat draagvlak nog verder stuk. Ik vind dat de visserijsector niet het slachtoffer mag worden van tegenstrijdige regelgeving. We maken hiermee het gemeenschappelijk visserijbeleid ongeloofwaardig. Hieraan wil ik nog toevoegen dat de visserijcommissie in het Europees Parlement in haar recente advies voorstelt om dan nu alleen een besluit te nemen over het pelagische deel en dan later over het demersale deel, de rond- en platvisvisserij. Daar hebben wij, net als andere lidstaten, grote bezwaren tegen, want wij willen zo snel mogelijk duidelijkheid bieden aan alle visserijsectoren. De weg die het Europees Parlement nu voorstelt, leidt tot onnodige vertraging, met het risico dat we eind 2015 voor de demersale visserij in exact dezelfde situatie terechtkomen als nu voor de pelagische visserij. Dus dat is, om het maar even hard te zeggen, onverstandig. Dit is mijn benadering. Die had ik al en die houd ik. Ik ben van plan om op deze wijze het woord te voeren in de Visserijraad.

Mevrouw Dikkers heeft mij gevraagd, de rug recht te houden met betrekking tot MSY in 2015. Ik ben van mening dat we moeten trachten MSY te halen waar dat mogelijk is. Voor sommige bestanden betekent dit wel dat er een heel grote daling van de TAC's komt. Dat zal een enorme impact hebben op de sector. Hier zou uitstel naar 2016 of 2017 wel mogelijk moeten zijn. Dus ik vind die benadering belangrijk, maar ik vind ook dat we rekening moeten houden met de effecten. Soms moet je mensen net een jaar langer de tijd geven om dat voor elkaar te krijgen.

Mevrouw Dikkers heeft gevraagd naar het ophogen van de norm voor de minimummaat voor de zeebaars. Ik zie het pleidooi om ophoging van de norm voor de minimum-aanlandingsmaat te houden als ondersteuning van het beleid, want we gaan die maat nationaal verhogen van 36 naar 42 centimeter. Daarmee sluiten we aan bij hoe bijvoorbeeld Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk dat doen. Het is potentieel een belangrijke maatregel. Het kan niet Europees geregeld worden, want daarvoor moeten de technische maatregelen in de verordening aangepast worden. De maatregel is nu wel nodig. De Europese Commissie wil daarom een bag limit instellen in de TAC en de quotaverordening.

Zowel mevrouw Dikkers als de heer De Liefde hebben over de bag limit gesproken. Nederland kent al een nationale bag limit van 20 kilogram of 25 stuks zeebaars en kabeljauw. Deze bag limit was ingesteld voor controledoeleinden, maar niet om de visserijsterfte van zeebaars door de sportvisserij te verminderen. De Europese Commissie stelt nu een bag limit van één voor. Het wetenschappelijk instituut IMARES (Institute for Marine Resources & Ecosystem Studies) heeft een questionnaire verspreid onder sportvissers. Daaruit blijkt dat 99% van de vissers geen enkele zeebaars meeneemt, maar puur vist voor de sport. Binnen de groep sportvissers op zee is er een niche van gerichte zeebaarsvissers. Een bag limit van één zou voor de helft van die gerichte zeebaarsvissers een beperking inhouden. Dat vind ik te gortig. Dat betekent dat bij een bag limit van twee dat probleem minder groot is, ongeveer een kwart tot een derde. Dat vind ik acceptabel.

De heer De Liefde heeft gevraagd naar de economische en sociale waarde van de sportvisserij. De sportvisserij heeft een economische waarde en het is een sociaal belangrijke sector. Dat nemen we ook serieus. De sector heeft een aanzienlijke impact op de zeebaars. Ongeveer 25% van de Nederlandse aanlandingen wordt gedaan door sportvissers. Om die reden vind ik dat zij moeten bijdragen aan de reductie van de sterfte van de zeebaars. Dan moet er een balans zijn tussen de maatregelen voor de commerciële visserij en die voor de sportvisserij. Laten we vaststellen dat alle vissers belang hebben bij herstel van de soort.

Dan kom ik bij de verschillende protocollen. Daar zijn wel een aantal opmerkingen over te maken. Ik begin met het protocol Madagaskar. De Europese Commissie heeft een nieuw vierjarig protocol met Madagaskar voorgelegd aan de Raad. Het geeft tonijnvaartuigen toegang tot de wateren van Madagaskar. De tonijnsoorten in de Indische Oceaan worden op dit moment op een duurzaam niveau bevist. In het protocol -- dat vinden wij altijd belangrijk -- zijn afspraken gemaakt over de beperking van de bijvangst van bijvoorbeeld haaien. De Europese Unie en Madagaskar hebben afspraken gemaakt over de bestrijding van illegale visserij in de wateren van Madagaskar. EU-vaartuigen, zeg ik tegen mevrouw Dikkers, worden aangemoedigd om verdachte situaties te melden. Het protocol voldoet verder aan de voorwaarden van het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid. Er is een mensenrechtenclausule in opgenomen. Vaartuigen moeten ook lokale bemanningsleden aan boord nemen. Ik ben voornemens om in te stemmen met het protocol. De Commissie heeft voor de Oostzee een meerjarenplan voorgesteld voor het beheer van de visserij op kabeljauw, haring en sprot en de bijvangsten daarbij.

Mevrouw Dikkers merkt op dat er bezwaren zijn van lokale vissers tegen die protocollen. De Europese Commissie ziet toe op naleving van afspraken. Dan moet je twee zaken uit elkaar halen, namelijk de middelen en de controle. De besteding van de middelen is vrij. Daar kan de EU zich niet mee bemoeien, want dat is een nationale bevoegdheid. De Commissie ziet toe op de sectorale steun. Uiteindelijk is er, als het om de controle gaat, een verantwoordelijkheid voor het partnerland. De verbetering van de controle is vaak onderdeel van sectorale steun. Daar wordt wel door de Commissie naar gekeken. De Europese Commissie onderhandelt met de betrokken ministeries van een land. Het is aan die ministeries om hun achterban erbij te betrekken. Bij sommige landen, zoals Mauritanië, nemen de autoriteiten lokale vissers mee. De Europese Commissie kan echter niet bepalen wie er in de onderhandelingsdelegaties namens de andere landen zit. Het blijft altijd een lastige afweging. De Europese Unie besteedt heel veel aandacht aan mensenrechtenkwesties, bijvoorbeeld aan het aan boord brengen van lokale bemanningsleden en aan de wetenschappelijke benadering voor wat men wel en niet mag vissen. Stel dat we daar allemaal mee zouden ophouden, dan moet men toch niet de illusie hebben dat er in die regio's niet gevist wordt. Dan zal er bijvoorbeeld vanuit Rusland of China gezocht worden naar overeenkomsten met deze landen. Ik weet bijna zeker dat een aantal van de issues die wij hier kritisch bespreken -- en ik begrijp de zorg -- in ieder geval al helemaal geen onderdeel zijn van de overeenkomsten met die landen. Die afweging, dat bredere perspectief is iets waar ik altijd aan denk op het moment dat ik beoordeel of het goed in elkaar zit. De Kamer heeft kunnen zien dat we niet altijd instemmen met een protocol dat aan ons wordt voorgelegd. Ook hier blijven we zelfstandig toetsen of het voor het milieu en de mensen ter plekke een goede deal is.

Gevraagd is naar het rapport van Greenpeace. Allereerst moet ik zeggen dat de Commissie het Nederlandse rapport nog moet beoordelen. Ik moet mevrouw Ouwehand eerlijk zeggen dat ik mij niet herken in de conclusies van het rapport van Greenpeace. Wat mij betreft zijn niet de grootte en het motorvermogen van schepen bepalend. Het gaat uiteindelijk om de naleving van de regels en de impact op het milieu. Vangstmogelijkheden moeten worden nageleefd door grote en door kleine schepen. Aan het omvlaggen zijn in het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid extra eisen gesteld, ook om te voorkomen dat visserij niet duurzaam is. Ik heb over de toedeling van de quota op basis van artikel 17 van het gemeenschappelijk visserijbeleid al tijdens het vorige overleg toegezegd dat we daar begin 2015 op terug zullen komen.

Mevrouw Ouwehand vroeg om een inventarisatie in Europees verband van hoe het zit met overbevissing en overcapaciteit. Dat wordt jaarlijks gedaan in de zorgenoemde raadpleging van de Raad, waarover de Kamer in juli wordt geïnformeerd.

Hiermee ben ik aan het einde van dit blok.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik probeer helder te krijgen wat de staatssecretaris over de overcapaciteit heeft gezegd. Iedere lidstaat inventariseert dit zelf. Het ministerie heeft gezegd niet uit te kunnen sluiten dat Nederland overcapaciteit heeft bij de supertrawlers. De staatssecretaris suggereerde dat dit in Europees verband wel breed wordt onderzocht. Volgens mij klopt dat niet helemaal. Wordt dat haar inzet? Was het een toezegging dat het in Europees verband apart wordt onderzocht? Of wordt dit al efficiënt meegenomen in de bestaande trajecten? In dat laatste heb ik niet zo veel vertrouwen.

Staatssecretaris Dijksma: Daar zult u het wel mee moeten doen. Volgens mij komt het erop neer dat wij aanleveren wat volgens ons de huidige capaciteit is. Ik zeg niet dat ik twijfel aan ons rapport, want dan zouden wij het niet moeten inleveren. Vervolgens bekijkt de Commissie dat voor alle lidstaten. Zij moet ook ons rapport controleren.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik heb niet het gevoel dat de Commissie zich geroepen voelt om breed te onderzoeken hoe dit in de hele Unie zit, ook in verband met het omvlaggen. Kan de staatssecretaris hier nog eens op ingaan, zodat wij kunnen beoordelen of de Commissie een gedegen onderzoek naar de totale overcapaciteit van de Europese vloot doet? Als dat niet zo is, vraag ik de staatssecretaris om daar alsnog op in te zetten. Kan zij dit schriftelijk uiteenzetten, zodat wij kunnen zien wat er met al die individuele rapporten gebeurt?

Staatssecretaris Dijksma: Volgens mij is dat goed. Ik heb toegezegd dat ik begin 2015 terugkom op de toedeling van de quota op basis van artikel 17. Ik heb ook gezegd dat het nieuwe gemeenschappelijk visserijbeleid het mogelijk maakt dat er juist extra eisen worden gesteld aan het omvlaggen om niet-duurzaam vissen te voorkomen. Het lijkt mij goed om in de brief die de Kamer dan krijgt ook dit proces en de precieze werking daarvan mee te nemen. Dit kunnen wij laten zien aan de hand van het nieuwe beleid. Mevrouw Ouwehand zegt dat de Commissie er niet mee bezig is, maar het feit dat het omvlaggen wordt bemoeilijkt om niet-duurzame visserij te voorkomen, toont aan dat ook de Commissie -- en wij -- daar oog voor wil hebben. Ik kom hier in de brief uitgebreid op terug.

Dan de biologische verordening. Ik dacht dat ik op dit punt sinds het laatste AO daarover geen kaarten meer voor de borst had. Het is misschien goed om dat nog eens te zeggen. De Kamer vindt het geen goed deal die nu voorligt en ik vind dat ook niet om exact dezelfde redenen die de heer Dijkgraaf noemde en nog een paar meer. Dat is vrij overzichtelijk. Nederland is zeer kritisch over het voorstel van de Europese Commissie. Ik heb overigens niet de indruk dat er maandag nog een compromisvoorstel komt. Met gelijkstemde lidstaten zijn wij in de aanval tegen de voorstellen waar wij kritiek op hebben. Wij hebben niet nu al gezegd: het is nee, nu niet en nooit niet. Ik heb wel tijdens de vorige Raad, overigens als enige, hardop gezegd dat nee zeggen een optie is. Daarmee hebben wij wel degelijk de kat de bel aangebonden. Mijn indruk is dat de commissaris het goed verstaan heeft. Als het eindvoorstel niet acceptabel is, hebben wij intrekking als optie. Op dit moment zijn er nog onderhandelingen gaande. Ik wil het niet richting Timmermans schuiven, terwijl wij nog in de weer zijn met Hogan. Dat lijkt mij geen handige benadering. Als ik de Kamer daarvan kan weerhouden dan is dat winst. De gemengde landbouw is voor ons van belang. Ik zeg tegen de heer Dijkgraaf dat er geen spoor van twijfel is dat wij daar anders over zouden denken. Ik zal dit morgen weer luid en duidelijk aan de Commissie overbrengen.

Dan de kwestie van het Mexicaanse paardenvlees. Er worden in derde landen controles uitgevoerd. Indien blijkt dat dierenwelzijn in relatie tot diergezondheid en voedselveiligheid -- dit is een belangrijke combi -- geschaad wordt, kan de EU maatregelen nemen. Ik steun dat in dit geval van harte. Ik zal de Commissie vragen om dit soort inspectiemissies in derde landen uit te voeren. In dit geval gaat het om een combinatie van dierenleed -- dat aspect alleen is niet voldoende -- en de niet-traceerbaarheid van het vlees. In het laatste geval is niet duidelijk wat er precies inzit en dan kan de voedselveiligheid in het geding komen. In dat geval moeten wij hard ingrijpen.

Bijna alle woordvoerders hebben gesproken over het teeltverbod van ggo's en de Nederlandse positie in dit dossier. Als eerste merk ik op dat dit in de Milieuraad speelt en niet in "mijn" Raad. Staatssecretaris Mansveld en ik sturen de Kamer gezamenlijk brieven. Als de Kamer die wil bespreken, moet dat met ons gezamenlijk gebeuren of ter voorbereiding van de Milieuraad. Wij propageren geen verbod op de teelt van ggo's. De heer Dijkgraaf wil dat wel, maar volgens mij is dat niet de uitkomst van het debat in Nederland. De heer Dijkgraaf heeft de fractie van mevrouw Ouwehand aan zijn zijde en misschien nog wel een paar fracties, maar ik heb niet het idee dat dit de opdracht van de Kamer was. De Kamer heeft gezegd: maak het mogelijk dat Nederland dat eventueel op zijn eigen grondgebied kan tegenhouden. Het kan dus worden tegengehouden, maar dat moet niet. Voordat de ggo-teelt weer in de Milieuraad wordt behandeld, zal dit punt vanzelfsprekend door mijn collega aan de Kamer worden voorgelegd. Via die route wordt de Kamer op de hoogte gehouden, net zoals wij dat bij de Landbouwraden doen.

Mevrouw Ouwehand vroeg hoe het precies zit met het teeltmateriaal. Zij begreep dat onderdeel van de brief niet. De huidige EU-regelgeving verbiedt het op de markt brengen van materiaal dat niet voldoet aan de definitie van het begrip "ras". Hierdoor is al het zaad op de markt erg uniform. Veel boeren wensen dat, maar er zijn ook boeren die liever heterogeen materiaal willen gebruiken, omdat dit voor meer diversiteit zorgt. Vooral in de biologische landbouw is hier natuurlijk behoefte aan. Ik vind ook dat er meer divers materiaal op de markt moet kunnen komen. De verordening kan daarvoor zorgen. Er zijn dan ook voorstellen voor de wijze waarop wij met heterogeen materiaal kunnen omgaan en hoe dit op de markt kan worden toegelaten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik dank de collega's voor hun aanvullende vragen en de staatssecretaris voor de reactie daarop. Mijn vraag betreft het teeltmateriaal. De staatssecretaris schetst de lijn van het vergroten van de mogelijkheden om heterogeen materiaal op de markt te brengen. Die lijn steun ik. Verder ben ik in verwarring. Ik snap het niet. Het voorstel dat er lag maakte dit moeilijker. Dat hebben wij verworpen. Nu zegt de staatssecretaris dat de bestaande regels niet ruim genoeg zijn. Kan de staatssecretaris dit verduidelijken? Ik was er niet van op de hoogte dat de bestaande regels te belemmerend zijn voor het op de markt brengen van heterogeen materiaal. Ik wil graag kunnen volgen hoe het zit als er een nieuw voorstel aankomt.

Staatssecretaris Dijksma: Het lijkt mij goed om dit wat uitgebreider uiteen te zetten dan in het verslag dat u van deze Raad krijgt. Wij kunnen daar een passage aan wijden. Ik zeg dit met een knipoog naar de heer Smaling, want hij vroeg zich af waarom de brief onderwerpen bevat die niet op de agenda van de Raad staan, zoals de pilot eerlijke handelspraktijken. De Kamer gebruikt een algemeen overleg soms om onderwerpen wat meer uit te diepen dan gelet op de agenda strikt nodig is. Andersom maak ik mij daar ook schuldig aan. In brieven schrijf ik wel eens antwoorden op vragen die misschien niet direct op de agenda staan maar wel een rol hebben gespeeld in het debat.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het lijkt mij geen zonde om iets meer in een brief op te nemen als dat de wens van de Kamer is of als de staatssecretaris zelf dingen kwijt wil. Dank voor deze toezegging. Wij kunnen dan de ontwikkelingen goed volgen. Ik begrijp dan ook wat de achtergrond is.

Staatssecretaris Dijksma: Daar gaan we.

Ik begin met het BNC-fichevoorstel Gemedicineerde diervoeders. Op 31 oktober jongstleden heeft de Kamer het BNC-fiche gekregen met het kabinetsstandpunt over het EU-voorstel voor een verordening inzake gemedicineerde diervoeders. Het voorstel wordt op dit moment besproken in Raadswerkgroepen. Wij zijn positief over het voorstel, want de regels voor de productie en het gebruik van gemedicineerde diervoeders worden geharmoniseerd en aangescherpt. Wij denken dat in vergelijking met de huidige situatie volksgezondheid en diergezondheid in de Unie beter gewaarborgd kunnen worden. Dat is vooral belangrijk om het door de leden terecht aangestipte thema van de antibioticumresistentie te kunnen beetpakken en dit tegen te gaan. Het gebruik van gemedicineerde diervoeders is een van de methoden om een groep dieren te behandelen, maar dat mag alleen nadat een dierenarts de dieren heeft onderzocht en de noodzaak heeft vastgesteld om het via deze route te doen. Dat kan soms nodig zijn als bijvoorbeeld een besmettelijke ziekte zich heel snel binnen een groep dieren verspreidt. Het is wel een laatste redmiddel in het arsenaal dat een dierenarts heeft.

Mevrouw Ouwehand vroeg wanneer deze kwestie in de Raad aan de orde komt. Nederland gaat toch niet instemmen met een verlaging van de Nederlandse standaard, zo vroeg zij verder. Om met het laatste te beginnen: ik waak ervoor dat de Nederlandse standaard niet wordt verlaagd. Wij zijn niet voor niets bezig, samen met minister Schippers, om het hele thema van antibioticumresistentie niet alleen in de Unie maar wereldwijd tussen de oren te krijgen. Dat is echt belangrijk. Wij verwachten dat dit tijdens het komende voorzitterschap in de Raad aan de orde zal komen. Met name de markttoelatingseisen voor antimicrobiële middelen worden aangescherpt. Ook het gebruik van antimicrobiële middelen wordt aangepast. Bijvoorbeeld het feit dat alleen een dierenarts het nog mag voorschrijven en dat hij alleen hoeveelheden mag voorschrijven die nodig zijn voor de duur van de behandeling, is echt enorme winst. Er komen regels voor een verplichte verzameling van gegevens over het gebruik van antimicrobiële middelen. Juist Nederland heeft zich er heel sterk voor gemaakt om dit onderwerp op de agenda en in de verordening diergezondheid te krijgen.

Mevrouw Ouwehand heeft daarnaast gevraagd of wij niet terughoudend moeten zijn met de inzet van dierenartsen. De wettelijk vastgelegde rol van de officiële dierenarts bij controles op levende dieren en bij de vleeskeuring blijft wat Nederland betreft onveranderd van kracht. Wij zijn er dus juist voor dat dierenartsen een belangrijke rol spelen.

De heer Smaling heeft eigenlijk een vergelijkbare vraag gesteld: gaan wij hiermee niet akkoord met een verlaging van onze standaarden? Nee, dat doen wij niet. Nederland heeft op bepaalde punten een strenger beleid en dat wil ik ook zo houden. Het mooie van deze verordening is dat die daarvoor de ruimte biedt. Om die reden zijn wij positief. Wij zien dat daarmee de standaard in de Europese Unie omhooggaat maar dat dit voorstel ons niet belet om verstandige dingen te doen in dit dossier. Wij willen de mogelijkheid behouden om nationaal beleid te voeren als dat nodig is. Daar gaan wij voor.

Op de brief aan de Europese Commissie over het welzijn van varkens zal ik in het schriftelijk verslag terugkomen. Ik heb deze brief net ontvangen. Wij moeten nog even puzzelen over de vraag wie de afzender was. Hierop krijgt de commissie dan een reactie.

Een aantal vragen heeft meer te maken met de Dierenwelzijnsconferentie die aanstaande zondag in Vught wordt gehouden, een conferentie met mijn Duitse en Deense ambtgenoten. Onder meer onze landbouw- en dierenwelzijnsorganisaties zijn daarbij. Ook van Duitse en Deense zijde komen er gasten mee. Wij bereiden een gezamenlijke verklaring over dierenwelzijn voor. Na de conferentie zullen wij die inbrengen in de Landbouwraad. Uiteraard zullen wij de Kamer op de hoogte stellen van de resultaten. Vermindering van de regeldruk en een level playing field zijn uiteraard belangrijke eisen. Tegen de heer De Liefde zeg ik dat de zaak niet is dat wij voor Nederland naar nieuwe regels toe willen. Het gaat er juist om dat wij voor andere Europese lidstaten het punt van het level playing field willen maken en waar mogelijk de EU-regels op dit punt willen verbeteren. Men kan bijvoorbeeld denken aan het transport, waarover wij het eigenlijk al heel lang eens zijn. Nederland kan zich er goed in vinden dat dit transport niet maximaal 24 uur maar maximaal 8 uur zou moeten zijn. Het blijkt heel weerbarstig om dit bij de Europese lidstaten voor elkaar te krijgen. Tot nu toe gaf ook de Commissie, de vorige Commissaris, Borg, op dit onderwerp niet thuis. Dit is volgens mij een mooie manier om met de Duitsers en de Denen te bekijken of wij gedrieën wel deuken in een pakje boter kunnen slaan. Dat zijn wij wel van plan.

De heer Geurts heeft gevraagd naar de stand van zaken met betrekking tot CO2 en het vergassen van ganzen. Daarover zal de Kamer nog voor de kerst een brief ontvangen van de collega van Infrastructuur en Milieu. Zij zal de leden van de voortgang bij dat dossier op de hoogte houden.

De heer De Liefde vroeg of het onderzoek dat EFSA nu start, precies datgene is wat ik samen met de Duitse collega Christian Schmidt hebt gevraagd. Dat moeten wij bezien op basis van de resultaten van dat onderzoek. EFSA komt binnenkort kennelijk al met de eerste resultaten. Dan kunnen wij ook beoordelen of er nog aanvullend onderzoek nodig is. Men heeft snel gehandeld naar aanleiding van de uitbraak van hoogpathogene vogelgriep. EFSA is dus begonnen met onderzoek. Dat juichen wij toe; wij hebben er ook om gevraagd. Maar of wat daaruit komt, voldoende is, moeten wij echt bezien. Ik sluit niet uit dat wij meer nodig hebben.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): De staatssecretaris vroeg zich af wat de bron was van de brief over varkenswelzijn. Die is een initiatief van het Europarlement. Ik dank de staatssecretaris voor haar toezegging om daarop terug te komen.

Misschien heb ik een antwoord gemist; in dat geval excuus. Over de verordening diergezondheid heb ik gevraagd of de staatssecretaris zich wilde inzetten voor concretisering van de doelstellingen die nu gesteld zijn voor met name de problemen op het gebied van preventie. Ik begrijp dat het voorstel nu wordt gepresenteerd en dat er dus ook de komende maanden nog wel gelegenheid zal zijn om hierover te spreken. Is dat de inzet van de staatssecretaris? Als er in diergezondheidsbeleid sprake is van een gebrek aan echt goede doelen op het gebied van preventie, blijf je zitten met zieke dieren die voortdurend moeten worden opgepept; hierop zijn wij eerder gewezen. De doelstellingen die nu in de verordening zitten, zijn zo vaag dat ik de staatssecretaris zou willen vragen om zich in te zetten voor concretisering ervan.

Staatssecretaris Dijksma: Ik zal er nog even over nadenken wat dit precies zou kunnen betekenen. Wij zien nu wel dat het hele begrip "preventie" wordt opgepakt. Met name op het punt van het bestrijden van dierziekten worden in de stelsels voor de manier waarop onderzocht wordt, waakzaamheid en paraatheid ingebracht: surveillance en noodmaatregelen. Daarbij gaat het om bestrijdingsplannen op nationaal niveau. Die moeten ook op Europees niveau worden versterkt. Maar ik heb het gevoel dat dit niet het type preventie is waarop mevrouw Ouwehand nu doelt. Ik kan me voorstellen dat wij hierop nog eens moeten terugkomen wanneer wij dit te zijner tijd aan de orde hebben en wij hiermee concreter verdergaan, ook in de Raad.

De voorzitter: Een korte aanvullende vraag, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dit is iets wat ik eigenlijk ook even in de procedurevergadering wil bespreken. Er zijn punten op het gebied van de diergezondheid en de diergeneesmiddelen waaraan ik misschien via een motie wat richting zou willen geven. Ik begrijp dat al deze pakketten niet volgende week worden afgetikt; er is dus nog ruimte voor. Ik geef maar alvast aan de voorzitter mee dat ik in de procedurevergadering zou willen bespreken hoe wij hiermee omgaan. Iedere keer op het laatste moment nog halsoverkop een motie indienen en daarna stemmen op donderdag, vind ik vervelend. Maar in een te vroeg stadium kan de staatssecretaris zeggen: "ja, maar nu al een motie ..." Daar heb ik ook geen zin in. Mijn vraag is dus hoe wij het handig kunnen doen met VAO's, maar dat hoeven wij niet nu af te kaarten. Ik kan wel alvast zeggen dat stemmingen deze week na het aangekondigde VAO wat mij betreft niet hoeven door te gaan, als op deze punten aankomende week toch niet de klap valt in Europa.

De voorzitter: Dat was inderdaad ook mijn aanvullende vraag.

Staatssecretaris Dijksma: Daar ben ik blij mee. Het klopt inderdaad: mijn indruk is dat wij nog wel de tijd hebben om hierover met elkaar verder te spreken. De commissie moet uiteraard in haar eigen vergadering bedenken hoe zij dit wil doen. Daar bemoei ik me niet mee; ik ken mijn beperkingen en mijn rol. Uiteraard ben ik dan beschikbaar voor het gesprek daarover.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Dank aan de heer De Liefde voor het uitdenken van de te volgen procedure als dit of dat scenario zich gaat voordoen. Mijn vraag is gericht aan u, voorzitter. Ik heb geconstateerd dat de agenda zo vol was dat wij bijvoorbeeld aan de International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas (ICATT) en de International Whaling Commission (IWC), waarover de staatssecretaris haar inzet heeft teruggekoppeld naar de Kamer, niet zijn toegekomen. Kan ik alvast de aantekening laten maken dat ik op de procedurevergadering wil voorstellen om deze brieven nog een keer te agenderen voor een ander overleg? Die bijeenkomsten zijn nu geweest; het heeft dus geen haast, maar het zou jammer zijn als wij niet de gelegenheid hebben om tegen de staatssecretaris te zeggen: dank voor de inzet, maar hoe gaan wij het vervolg doen?