Bijdrage Ouwehand AO Landbouw inclusief mest­beleid Eerste Termijn


21 juli 2015

Voorzitter. De Partij voor de Dieren wil aandacht vragen voor de bodem. Dit is het Jaar van de Bodem. We hebben het kabinet gevraagd om uiteen te zetten wat het doet voor de bodem. De bodem is namelijk letterlijk de grond van ons bestaan. We zijn ervan afhankelijk voor ons voedsel, energie, drinkwater. De natuur kan niet zonder. We wonen er bovenop. Maar in plaats van de bodem te koesteren, putten we hem uit, schrapen we hem weg en gebruiken we hem als afvalverwerker. In onze hebzucht plegen we roofbouw op de aarde en daarmee ondermijnen we onze eigen toekomst. Wereldwijd worden gezonde bodems bedreigd door ontbossing, groeiende steden, vervuiling en onverantwoord landgebruik. De FAO (Food and Agriculture Organization) stelt dat door het huidige tempo van bodemdegradatie de eerste levensbehoeften voor toekomstige generaties in gevaar komen. Dat is niet mis.

De Partij voor de Dieren vindt dan ook dat er niet genoeg aandacht kan zijn voor het belang van een gezonde bodem. Daarom hebben we de staatssecretaris gevraagd om in dit jaar van de bodem ons een brief te sturen over wat zij gaat doen om hem vruchtbaar en gezond te houden. De brief kwam en staat op ons verzoek vandaag op de agenda, maar stelt helaas teleur. De staatssecretaris erkent weliswaar dat erosie, roofbouw, verstoring van ecosystemen en achteruitgang in opbrengend vermogen van landbouwbodems vooral in internationaal perspectief een groot probleem zijn -- dat is waar -- maar zij vergeet daar de rol van Nederland in te noemen. Dat is des te wranger nu de brief over het achterblijven van het overstappen op RTRS-soja (Round Table on Responsible Soy) in de Nederlandse veehouderij ook op de agenda van dit algemeen overleg staat. Juist onze enorme import van soja voor veevoer, en overigens ook van palmolie, zorgen voor erosie, roofbouw en verstoring van ecosystemen. Wij putten de aarde aan de andere kant van de wereld uit voor onze vee-industrie en onze lekkere trek. En dan hebben we ook nog het lef om die soja en palmolie verantwoord en zelfs duurzaam te noemen. Het is giftige gentech soja. Die kun je niet duurzaam noemen. Zeker in het licht van de bodemerosie -- waar de staatssecretaris zich ook zorgen over zegt te maken -- zou ik graag een reactie willen op dat punt.

Wat de staatssecretaris ook vergeet in de bodembrief is goed te kijken naar de Nederlandse bodem en dan vooral naar het effect van de enorm intensieve landbouw daarop, want ook in Nederland is de bodem een zorgenkindje aan het worden. We vergiftigen met kunstmest, dierlijke mest die vol met antibioticaresistente bacteriën kunnen zitten, zware metalen en landbouwgif. Ooit was de Flevopolder de vruchtbaarste grond van Europa. In enkele decennia heeft Nederland echter de mooiste tuin van Europa verknoeid, zo stelt de Wetenschappelijke Raad voor Integrale Duurzame Landbouw en Voeding. Door onverantwoord bodemgebruik, gericht op hoge productie en kortetermijnwinsten, zo staat in dat rapport, is de vruchtbare grond er in één generatie vrijwel doorheen gejaagd. De raad doet concrete aanbevelingen onder de noemer van bodemdegradatie en diepploegen naar integrale duurzame productie in Flevoland. Het belangrijkste punt daarbij: de focus op korte termijn in de keten geeft weinig ruimte voor het behoud van bodemvruchtbaarheid op de lange termijn. Ik wil de staatssecretaris vragen om de inbreng van VVD, CDA en SGP op dit punt over te slaan en naar de raad te luisteren. Ik zou graag zien dat ze in gesprek gaat met de raad over de bodem en voor het einde van dit bodemjaar een concrete strategie aan de Kamer te presenteren om de bodem in ons land te beschermen tegen die focus op de korte termijn.

Intensieve landbouw maakt echt meer kapot dan je lief is. Dat geldt helaas niet alleen voor de bodem, maar ook voor een gezonde leefomgeving. De langverwachte evaluatie van het nut en de risico's van koolvergisting is er eindelijk. De conclusies: koolvergisting draagt nauwelijks bij aan de productie van energie, maar heeft wel een hoge prijs. Financieel draagt de belastingbetaler de helft van de kosten via de subsidie die wordt gegeven, die nota bene bedoeld was om duurzame energie op te wekken. Door het illegaal mengen van niet toegestane afvalstoffen met koolvergistingsmaterialen en mest kunnen milieubelastende stoffen als zware metalen op landbouwgrond terecht komen. Bij illegaal gebruik van slachtafval als koolvergistingsmateriaal, is er een risico op verspreiding van pathogenen en het toch al grote mestoverschot stijgt nog meer doordat er via koolvergisting nog meer fosfaat wordt toegevoegd. Er wordt nog steeds grootschalig gefraudeerd in de sector. En last maar zeker niet least: omwonenden betalen een hoge prijs. De stankoverlast van biogas, de mestopslagen, de koolvergistingsmaterialen en het digestaat is echt niet mals. Het is dan ook nogal wiedes dat aanvragen van vergunningen voor vergistingsinstallaties veel bezwaarschriften opleveren. Het rapport concludeert droog: de maatschappelijke acceptatie van koolvergisting is gedaald in de voorbije tien jaar, vooral bij omwonenden. En toch worden deze installaties alleen maar groter. De Partij voor de Dieren vraagt het kabinet nogmaals: stop hier toch mee!

Dan mijn laatste punt, ook onder de noemer intensieve landbouw maakt meer kapot dan je lief is, de enorme vervuiling van ons oppervlaktewater met landbouwgif, waaronder heel veel neomixen, zoals imidacloprid, waarvan we weten dat ze bijdragen aan de hoge sterfte onder bijen, vlinders, vogels en ga zo naar door. Een aangenomen motie voor een verbod op de neomixen wordt niet helemaal uitgevoerd, omdat daar volgens de staatssecretaris juridisch haken en ogen aan zitten. Er zouden eerst minder vergaande maatregelen genomen moeten worden, zoals waterzuivering in de glastuinbouw. Hoe moet de voorgenomen maatregel om die waterzuivering twee jaar te vertragen, worden gezien in het licht van de argumentatie die de staatssecretaris zelf voortdurend geeft waarom die motie niet zou kunnen worden uitgevoerd, omdat je eerst minder vergaande maatregelen zou moeten nemen voordat je een verbod kan instellen? Ik krijg graag een uitgebreide reactie op dit punt.

..........................................................

Kant van het kabinet:

Staatssecretaris Dijksma: Voorzitter. Ik zal zo eerst een paar algemene opmerkingen maken, met name naar aanleiding van het Landbouw-Economisch Bericht. Vervolgens heb ik het blok mest, het blok GLB en als laatste het blok overig.

Ik wil beginnen met de kanttekeningen die door mevrouw Lodders werden gemaakt naar aanleiding van de uitkomsten van het heel recent naar buiten gekomen Landbouw-Economisch Bericht. Hoe gaan wij verder met het stimuleren van de ontwikkelingen in de sector? Op welke wijze zullen we zo veel mogelijk ruimte bieden en zorgen voor minder regeldruk? Ik denk dat het goed is om ook tegen mevrouw Lodders te zeggen dat zij vergat aan te geven dat de export wederom is gestegen. We zijn niet alleen tweede exporteur gebleven, maar we hebben in de afgelopen maanden, in het afgelopen jaar ook heel veel nieuwe markten voor onze producten geopend. Dus onder het motto frappez toujours wordt er wel degelijk heel hard gewerkt om voor de land- en tuinbouwsector, maar overigens ook voor de visserij, deuren te openen.

Ik heb de Kamer recent geïnformeerd over de uitvoering van de door mevrouw Lodders ingediende motie. Daar is ook al een debat over geweest. Vorige week hebben we in een overleg over de maatwerkaanpak regeldruk gesproken. Ik heb toen ook toegezegd dat de stappen die tot nu toe gezet zijn, in mijn ogen de eerste stappen zijn en dat we in 2016 zeker weer een nieuwe sectorronde willen doen om te kijken waar men nu tegen aanloopt. Ik zal straks nog uitgebreider ingaan op het thema bodemvruchtbaarheid en de uitkomsten van het Boerenforum. Als het kan, doen we ook zaken met mensen die individueel goede suggesties doen. Dus op het moment dat er naar aanleiding van de praktijk voorstellen komen waar we iets mee kunnen, pakken we dat op.

Dan het blok mest. Ik denk dat het goed is om met de heer Geurts te beginnen. Ik ben niet bewust met verkeerde cijfers naar Brussel gegaan. Ik zou ook niet weten waarom ik dat zou doen. De onderhandelingen over de derogatie waren al lastig genoeg. Dat heeft te maken met het feit dat we niet te weinig mest hebben, maar eigenlijk heel veel, te veel ook als je

kijkt naar de Nitraatrichtlijn. Wat zullen dan ook elke keer vragen om meer mest dan gemiddeld te mogen uitrijden. Dat doe ik heel graag op basis van actuele cijfers, maar die moeten dan wel voorhanden zijn. Wat is er hier nu aan de hand? In een rapport -- u hebt mij daarover ook gevraagd naar aanleiding van de equivalentie -- dat de WUR in opdracht van LTO heeft uitgevoerd, wordt geconcludeerd dat in het WOG-WOD model, dat is gebruikt om de maatregelen van het vijfde actieprogramma door te rekenen, niet de meest actuele cijfers over gewasopbrengsten waren opgenomen. Die waren toen niet bekend bij de WUR. Dat was dus geen onwil of iets dat men bewust heeft gedaan. Dat heeft EZ ook niet gedaan op het moment dat het vijfde actieprogramma werd gemaakt. Dat is ook al weer een aantal jaren geleden, zoals u weet. Overigens denk ik dat het voor het begrip belangrijk is om hier vast te stellen dat niet duidelijk is wat de eventueel andere opbrengst voor invloed heeft op de gebruiksnormen. Het probleem is namelijk dat wij met name in het zuiden van het land gewoon nog bij lange na niet zitten op die norm van 50 ml uit de Nitraatrichtlijn. Die wordt daar overschreden. Daarom is een aanscherping van de normen nodig.

Ik ben bereid om te bezien of het nodig en mogelijk is om tussentijds met die nieuwe cijfers aan de slag te gaan en te bekijken of die ofwel nu al kunnen worden meegenomen, dan wel dat die een basis bieden voor het zesde actieprogramma. Ik zal zo meer zeggen over de equivalente pakketten, want daar willen we heel graag mee aan de slag. Het is dus geen kwestie van iets niet willen of het bewust als het ware anders voorspiegelen dan het is. Het is opgekomen naar aanleiding van een onderzoek dat gebruikt is voor die equivalente pakketten. Dat was ook voor de WUR nieuw. Zo is het dus gegaan.

Misschien is het goed om eerst het een en ander te zeggen over de equivalente maatregelen. De akkerbouwsector heeft drie equivalente maatregelen voor ogen. Maatregelen kwalificeren als equivalente maatregel op het moment dat er een wetenschappelijke onderbouwing en een adequate borging beschikbaar is. Dat wordt nu beoordeeld. We hebben ook steeds gezegd: op het moment dat dat bewijs geleverd kan worden, gaan wij ermee naar de Commissie om het in het pakket opgenomen te krijgen. Kortom, ik wil heel graag meewerken, maar dat betekent wel dat er niet alleen maar één rapport van de WUR moet liggen. Het punt is dat maatregelen niet alleen gebaseerd moeten zijn op een analyse die wetenschappelijk onderbouwd is, maar dat de effecten ook nog moeten worden doorgerekend. Dat hebben we ook gedaan met de maatregelen van het vijfde actieprogramma. Het is dus belangrijk dat in dit geval LTO ook zelf de handschoen oppakt. Daarvoor staan zij aan de lat. De heer Geurts zei tegen mij dat ik voor de zomer duidelijkheid zou moeten geven en dat de temperatuur al oploopt. Ik hoop niet in deze zaal, maar buiten wel. Gisteren heeft LTO een bericht ontvangen over de voortgang en mijn bereidheid om mee te werken, maar ook over die zaken waarvan wij hebben vastgesteld dat daar nog enkele huiswerktaakjes moeten worden gedaan. Het is niet zo dat het departement dat doet. Iedereen moet wel in zijn rol blijven.

Dan de noodvergunningen voor mestafzet. Daar vroeg de heer Geurts naar, maar voor mestafzet is geen vergunning nodig. Ik hoor dat het om mestverwerking gaat. Daar ligt dan het misverstand. Wij hebben de capaciteit steeds in de gaten gehouden. We bekijken die ook nu weer voor volgend jaar. We hebben echt nog meer capaciteit in de aanbieding dan volgens de normen noodzakelijk is. Ik zie de berichten ook, maar ik denk dat het goed is dat we daar dan met elkaar over in gesprek komen. De provincies zijn inderdaad bevoegd om vergunningen te verlenen. We zien dat het makkelijker is om bestaande verwerkingsinstallaties meer capaciteit te geven, dan om helemaal out of the blue ergens nieuwe capaciteit te stichten. Wij zijn al in gesprek met bijvoorbeeld de provincie Noord-Brabant -- daar is het probleem feitelijk het grootst -- om ook voor de toekomst voldoende capaciteit te genereren. Dat gaat dan dus vooral over capaciteit waarvan wij weten dat die in de toekomst nodig is. Het is dus niet zo dat er op dit moment een gebrek aan capaciteit is. Die gegevens heb ik in ieder geval niet.

Er is ook duidelijk gemaakt dat de bodem veel meer is dan nitraat, fosfaat en bijvoorbeeld kalium. Mevrouw Ouwehand heeft ons dat vandaag ook nog eens duidelijk gemaakt. Opvallend is dat er ook grote behoefte bestaat aan meer kennis en aan het delen van kennis. Dit bleek ook nog na afloop van het Boerenforum. Op basis van alles wat is opgemerkt, zullen wij verder het gesprek met de Kamer voeren.

Verschillende leden hebben gevraagd naar de onderhandelingen over de derogatie met betrekking tot het mineralenconcentraat, want daar gaan wij voor. Ik ben blij met de brief van mevrouw Lodders en de heer Huitema aan Commissaris Timmermans. Derogatie voor mineralenconcentraat is naar mijn mening bij uitstek een voorbeeld van better regulation. Als je dat ergens kunt laten zien, is het wel op dit punt. Ik heb dit overigens ook laten weten. Het is goed dat wij daar van alle kanten druk op zetten. Ik ben ook met een uitgebreide lobby bezig, zowel bij de Commissie als bij het Europees Parlement, om daarvoor meer steun te krijgen. Ik heb de indruk dat de Commissie nu langzaam begint te bewegen, de goede kant op.

Men heeft ons in het voorjaar aanvullende vragen over het mineralenconcentraat gestuurd en wij hebben die kortgeleden beantwoord. Wij zullen de onderhandelingen met de Commissie binnenkort voortzetten. Ik zal de Kamer informeren als er ontwikkelingen zijn. De inzet is erop gericht om de komende twee jaar sowieso de pilot uit te breiden. Verder streven wij naar opname in het zesde actieprogramma via een derogatie. Een permanente oplossing hiervoor in de Nitraatrichtlijn zou nog beter zijn. Dat is het ultieme doel.

De vraag is gesteld of wij al bezig zijn met de voorbereiding van het zesde actieprogramma. Thans wordt gewerkt aan een evaluatie van de Meststoffenwet, die input kan leveren voor dat zesde programma. Ik zal daarover uiteraard overleggen met het bedrijfsleven. Daarna komt het vanzelf weer bij de Kamer terecht.

Ik kom bij verschillende vragen van de leden die hebben gesproken over de aanpak van mestfraude. Ik heb de Kamer een uitgebreide brief gestuurd waarin een aantal maatregelen wordt voorgesteld. Ik noem de verplichte AGR/GPS bij het transport van vaste mest; er wordt dus niet meer gereden met een losse koffer. Over de onafhankelijke monsterneming van de vaste mest wordt vanmiddag in het bestuurlijk overleg gesproken. Verder werken wij aan verbetering van de verantwoordingsbalansen bij met name de intermediairen. Wij hebben afspraken gemaakt over gegevensuitwisseling met Duitsland en Vlaanderen.

Daarnaast hebben wij afspraken gemaakt over een pilot voor een nieuwe techniek van mestbemonstering via infrarood.

Voor het draagvlak is het belangrijk dat wij de handhaving stevig op orde hebben. De NVWA heeft extra geld gekregen om dit te kunnen doen. Ik schrik soms ook van hetgeen ik tegenkom. Wij bespreken dit voortdurend. De heer Dijkgraaf zei terecht dat de goeden hier onder de kwaden leiden. Wij zitten hier dan ook bovenop.

Nu kom ik bij het thema van mestvergisting en van de co-vergisters. Mevrouw Ouwehand is daar kritisch over en dat begrijp ik ook wel. Het beeld dat in de praktijk naar voren kwam, is niet goed. Daarom hebben wij gezegd dat er op een paar punten actie moet worden ondernomen. Anders dan mevrouw Ouwehand denk ik echter wel dat wij co-vergisting nodig hebben, ook op langere termijn, als onderdeel van de verduurzaming van onze mestverwerking. In 2014 zijn er 45 inspecties geweest: 27 daarvan waren akkoord, 6 waren nog niet afgerond en 12 waren niet akkoord. Wij hebben de inspecties doorgezet. Ik heb begrip voor het feit dat mevrouw Dikkers pleit voor het openbaar maken van de namen van bedrijven. Wij hebben dit in algemene zin opgepakt met de NVWA, maar het openbaar maken van individuele overtredingen bij vergisters stuit nu nog op juridische problemen. Ik verwijs naar de privacywetgeving waar wij vaker tegenaan lopen. Wij delen de overtredingen uiteraard met alle handhavingsdiensten, ook met de regionale uitvoeringsdiensten. Op langere termijn zullen wij in bredere zin steeds meer openbaar moeten maken. In de vleessector heeft VION besloten om de inspectierapporten online te zetten. Dat is een goed gebaar, want daarmee krijgen wij geen juridische problemen met de privacywetgeving. De sector laat dan zelf zien dat hij transparant wil zijn. Dit goede voorbeeld kan wat mij betreft door velen worden gevolgd.

Mevrouw Dikkers heeft gevraagd hoe de certificering van de zogenaamde G-lijst werkt. Aan bedrijven in de co-vergistingssector wordt gevraagd om de stoffen op die G-lijst te certificeren. Die stoffen worden getoetst op zware metalen en organische microverbindingen. Als de stof voldoet aan de algemene eisen van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet, kan hij worden gebruikt. Deze certificering wordt opgenomen in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet die volgens de planning op 1 januari aanstaande ingaat.

De heer Dijkgraaf en andere sprekers hebben gevraagd hoe wij nu verder gaan in het overleg met de melkveehouderij over de kringloop en de wijze waarop wij de kringloop tussen de melkveehouders en akkerbouwers kunnen versterken. Ik denk dat de suggestie, die al eerder bij de AMvB grondgebonden groei naar voren is gekomen, inderdaad serieus moet worden opgepakt. Over dit onderwerp wordt dan ook gesproken. Ik heb in eerder overleg gezegd dat het uitgangspunt moet zijn dat grond maar bij één bedrijf kan horen. Zo kan worden voorkomen dat wij mest letterlijk zien weglekken en uit het systeem verdwijnen, terwijl het wel geproduceerd is, maar ook dat er twee keer Europese subsidie wordt opgestreken voor hetzelfde stuk grond. Wij moeten met een positieve grondhouding naar al die voorstellen kijken om de aanvoer van ruwvoer enerzijds en het afzetten van dierlijke mest anderzijds in de regionale kringloop te versterken. Dat is waardevol en het past ook bij het uitgangspunt van de circulaire economie. Daar zijn wij allen voor en het is van belang om ook op dit punt met de sector aan de slag te gaan. Wij bespreken de KringloopWijzer en wij hebben het dan ook over de pilot fosfaatevenwichtsbemesting. Het streven is erop gericht om tot een geborgd systeem te komen dat evenwichtsbemesting nastreeft.

Er is gevraagd hoe het staat met de bodemkwaliteit. Doordat er geen staat van de kwaliteit van de bodem is bijgehouden, kunnen wij daarover ook geen algemene uitspraak doen. Dit is niet voor niets het jaar van de bodem, want bodem en bodemkwaliteit staan in toenemende mate in de belangstelling. De bodemkwaliteit staat mondiaal inderdaad onder grote druk door verzilting, erosie, verdichting en vervuiling. Uit onderzoek blijkt dat bij de teelt van maïs een achteruitgang van de bodemkwaliteit lijkt op te treden, maar bij de andere teelten zijn daarvoor geen aanwijzingen. De bodemkwaliteit wordt natuurlijk door een groot aantal eigenschappen bepaald.

In Nederland zijn voor de meting van de chemische toestand van de bodem adviezen over de bepaling van de hoogte van bijvoorbeeld mineralenbemesting, bekalking of aanvoer van organische stof. Die meting is meestal gebaseerd op één factor. Je ziet dat er voor de biologische en fysische aspecten nauwelijks indicatoren zijn. Om een lang verhaal kort te maken: tijdens het Boerenforum hebben wij gezegd dat wij eigenlijk nog te weinig weten over dat terrein. Er is dus echt aanleiding om na te denken over de vraag hoe wij onze kennis op dat bredere terrein van de bodem kunnen verhogen. Ik kom hier in reactie op het Boerenforum op terug.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik denk dat wij wel veel weten, in ieder geval voldoende om in actie te komen. De Flevopolder is een schrikbarend voorbeeld. Het was eens de vruchtbaarste grond van Europa, maar daar is bijna niets meer van over. Ik hoor mevrouw Lodders al weer roeptoeteren, maar de Wetenschappelijke Raad voor Integrale Duurzame Landbouw en Voeding trekt deze conclusie. Dit lijkt mij een gezagwekkender orgaan dan de VVD-fractie.

Is de staatssecretaris bereid om met de raad in gesprek te gaan en om nog dit jaar een concrete strategie aan de Kamer te sturen om de bodemvruchtbaarheid en de gezondheid van de bodem te beschermen tegen de kortetermijndynamiek waar de raad voor waarschuwt? Dat is de analyse van het probleem daar en volgens mij kunnen wij daarmee aan de slag.

Staatssecretaris Dijksma: Nogmaals, ik zal mij breed laten informeren over de mogelijkheden om toch meer gegevens boven water te krijgen. Ik zal op een later moment bezien op welke wijze ik dat zal doen. Wij zullen dan met verschillende partijen het gesprek moeten aangaan. Er is wel aanleiding om daar toch nog eens beter naar te kijken. Daarover zijn wij het eens. Ik kom hierop terug.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dank. Mijn tweede vraag was of de staatssecretaris bereid is -- zoals zij in haar brief schrijft -- om de Nederlandse rol in de internationale ontwikkelingen te duiden. De bodemgezondheid en bodemvruchtbaarheid staan wereldwijd onder druk. De import van soja en palmolie heeft ook bodemeffecten. Ik ben van mening dat het kabinet daar tot nu toe te weinig duiding aan heeft gegeven.

Staatssecretaris Dijksma: Ik zal op dat onderwerp terugkomen in mijn laatste blok.

De heer Van Gerven heeft een heel betoog gehouden over de toekomst van de melkveehouderij. Het is uitermate verleidelijk om daarover nu met hem het hele debat te

voeren. Ik ben op dit moment met de sector in gesprek naar aanleiding van cijfers die uit het early warning systeem van de zuivelketen komen.

Daaruit blijkt dat het aantal koeien tussen april 2014 en april 2015 inderdaad is gegroeid met 1,7%. Dat is overigens geen 1% per maand. Wij zien ook dat wij het fosfaatplafond gaan doorbreken en dat vraagt om acties. Het glipt ons niet door de vingers, zoals wordt gesuggereerd, maar het is wel noodzakelijk om iets te doen. Ik zal de Kamer daarover op relatief korte termijn een uitgebreide brief met voorstellen sturen en ik zal daarin ingaan op de vraag wat ons te doen staat. Vermoedelijk zullen wij daarna nog uitgebreid het debat voeren. Ik ga daar op voorhand vanuit.

De voorzitter: Kunt u hier een termijn aan verbinden?

Staatssecretaris Dijksma: Op zeer korte termijn. Ik heb deze week nog bestuurlijk overleg over dit onderwerp, dus de Kamer zal die brief niet meer voor het begin van het reces ontvangen. Ik wil die verwachtingen wat temperen. Ik zag ergens al de datum van 1 juli voorbijkomen, maar dat is het vandaag al. Dat zal niet lukken, maar ik doe mijn best om die brief binnen enkele dagen op te stellen.

Mevrouw Lodders heeft naar aanleiding van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een vraag gesteld over de gecombineerde opgave. Zij is van mening dat het invullen daarvan veel tijd kost. Zij heeft gezegd wat RVO naar haar mening beter kan doen om de uitwerking van het nieuwe beleid tijdig helder te krijgen. Zodra er duidelijkheid was over de voorwaarden van de Europese Unie, heeft RVO daarover gecommuniceerd. Nieuw beleid betekent inderdaad dat er meer tijd nodig is voor de invulling. Dat is vervelend, maar waar. Naar verwachting zal het echter na verloop van tijd minder tijd kosten. Dit blijft een belangrijk punt voor ons. Wij hebben Phil Hogan, de Commissaris, zien acteren op dit onderwerp. Hij heeft gezegd dat het allemaal simpeler moet en wij zullen dat tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de Raad propageren. Dit zal dan een belangrijk thema zijn, want boeren zijn geen boekhouders. In deze kwestie zijn zij dat meestal wel en daarom moeten wij daarover op de trom slaan.

...................................

Staatssecretaris Mansveld:

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd hoe de lijn in andere dossiers zich verhoudt tot het streven naar vrijwillige stappen en de brief waarin de zuiveringsplicht wordt uitgesteld. Ik ben een voorstander van eigen initiatief en minder dwang. Als mensen of partijen stappen zetten, moeten die ook verinnerlijkt zijn. De zuiveringsplicht op 1 januari 2018 is daarvan een voorbeeld. Die datum is gekozen omdat is gebleken dat een eerder moment de facto niet haalbaar is voor de sector. Dit is de uitkomst van een zorgvuldige afweging tussen milieudoelen enerzijds en de uitvoerbaarheid anderzijds. Wat mij betreft staan de doelen hier dus niet ter discussie. Als in 2018 blijkt dat de doelen in gevaar komen, moet worden opgeschaald naar dwingender middelen. Juist daarom is het van belang om het invoeringsmoment ook niet later dan 2018 te bepalen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik zou dat graag wat specifieker willen zien. Het is allemaal leuk en aardig als partijen samen iets leuks bereiken, maar het gaat hier niet om een voetbalwedstrijdje in de wijk. Het gaat om gevaarlijke gifstoffen. De Kamer heeft aan de regering gevraagd om een Europees moratorium, maar toen dat niet genoeg bleek te zijn, heeft zij de regering gevraagd om die stoffen nationaal te verbieden. Het kabinet meldt dan keer op keer aan de Kamer dat dit niet zomaar kan, omdat je eerst minder vergaande maatregelen moet treffen en het effect daarvan moet afwachten. Heeft de staatssecretaris dit sectorakkoord getoetst aan die lijn? Ik hoef haar vast niet te vertellen dat er een procedure is gestart tegen het Ctgb om de neonicotinoïden wel snel van de markt te krijgen. Daar heeft een meerderheid van de Kamer ook om gevraagd aan het kabinet. Zij heeft het kabinet gevraagd om alles wat mogelijk is te doen om de motie uit te voeren.

Staatssecretaris Mansveld: Mevrouw Ouwehand suggereert dat het einddoel verzet wordt, maar dat staat niet ter discussie. Het einddoel is 2023. Het gaat nu over de vraag hoe wij dat einddoel bereiken. Ik heb al gezegd dat er een delicaat evenwicht is gevonden tussen milieudoelen en de uitvoerbaarheid door een groep diverse partijen waarbij overigens ook het Ctgb is betrokken. Het Ctgb is verantwoordelijk voor de technisch wetenschappelijke beoordeling. Die partijen zijn betrokken, het einddoel staat niet ter discussie en dit is de weg die ik daarbij volg.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik concludeer hieruit dat de staatssecretaris dit niet heeft onderzocht en dat zij geen analyse heeft gemaakt of dit een minder vergaande maatregel is. Is dit dan nog een argument om die motie niet uit te voeren? Ik zou denken dat het verstandig is om dat wel te doen. Ik wijs de staatssecretaris erop dat in die motie geen sprake is van een einddoel ergens in 2023. De regering wordt in moties gevraagd om een nationaal verbod op het gebruik van neonicotinoïden, fipronil en glyfosaat. Dat zijn harde

Kameruitspraken. De staatssecretaris kan daar niet zomaar omheen. Zij kan daar niet aan voorbijgaan met de mededeling: ik heb ergens in 2023 een doel dat ik op deze manier ga halen.

Staatssecretaris Mansveld: Ik constateer dat wij nu spreken over de glastuinbouw. Voor de beoordelingen en de toelating van individuele stoffen en middelen in het kader van zuiveringseisen is het Ctgb aan zet. In het bestuurlijk overleg waaraan het Ctgb en de waterbeheerders ook deelnamen, is juist overeengekomen om terughoudend om te gaan met dit type specifieke zuiveringseisen. Het Ctgb is hierbij betrokken, dat doet de technische beoordeling. Dit zijn de afspraken die wij hebben gemaakt over het moment waarop de maatregelen in de glastuinbouw worden genomen.

Mevrouw Lodders (VVD): Voorzitter. Een punt van de orde. Wij hebben inderdaad nog maar beperkte tijd en de stemmingen komen eraan; die vergen ook de nodige zorgvuldigheid. Daarom stel ik voor om de tweede termijn van dit overleg na het reces te voeren. Dan kunnen wij het debat op een serieuze manier afronden. Nu een snelle tweede termijn en dan een VAO komen naar mijn mening het debat niet ten goede.