Bijdrage Ouwehand AO Landbouw- en Visse­rijraad


13 oktober 2010

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Mijn collega van de SGP-fractie sloot zojuist af met een woord van dank aan het adres van de minister. Het viel mij op dat hij zei dat hij het soms niet eens was met de minister, maar dat dit moet kunnen. Bij de Partij voor de Dieren lag dat anders, wij waren het meestal niet eens met de minister maar zo nu en dan wel. Die momenten herinneren we ons allen nog goed. Zo nu en dan was er toch overeenstemming. Vandaag wil ik nagaan of we weer zo’n puntje van overeenstemming kunnen vinden. Dat zou een mooie afsluiting zijn van de afgelopen vier jaar.

Ik denk dat wij het over de tonijn wel eens kunnen zijn. Ik lees dat de minister zorgen heeft over de ontwikkeling van het blauwvintonijnbestand. Die zorgen deel ik. Zij schrijft dat zij van oordeel is dat tijdens de ICCAT-vergadering adequate meerjarige afspraken, gericht op een duurzaam beheer van dit bestand, gemaakt moeten worden, gebaseerd op de beschikbare wetenschappelijke adviezen. Zij schrijft nog niet dat er een vangstverbod moet komen, zoals ik hoopte, maar ik kan mij nauwelijks voorstellen dat als uit de wetenschappelijke adviezen weer een pleidooi voor een vangstverbod komt, de minister daar anders over zal oordelen. Is de minister bereid om te pleiten voor een vangstverbod? Tot nu toe kan ik de minister dankzeggen voor haar inzet. Zij heeft uitvoering gegeven aan de motie om ervoor te pleiten in elk geval de gebieden waar Europa over gaat, zoals de Middellandse Zee, te sluiten voor de vangst van blauwvintonijn. Daarvoor was onvoldoende steun binnen Europa. Ik verzoek de minister om haar opvolger in een brief te vragen om vooral door te gaan met uitvoering van die motie. Ik kan uit eigen ervaring zeggen dat een beetje drammen soms helemaal niet verkeerd is. Dus ook al is het voorstel nu nog niet in goede aarde gevallen, blijf vooral pleiten voor het sluiten van de Middellandse Zee voor de vangst van blauwvin-tonijn. Zoals gebruikelijk is mijn fractie het over een aantal zaken niet eens met de minister. Naar aanleiding van de visserijonderhandelingen met Noorwegen vraagt mijn fractie zich af of er voldoende wetenschappelijke kennis is over de omvang van de populaties. Hoe zit het met de geogra-fische verspreiding van de vis? Ik ben benieuwd of er gezamenlijke controle en handhaving plaatsvindt. Ik vraag me af wat bedoeld wordt als de minister schrijft dat er technische maatregelen komen in het kader van de bescherming van de kabeljauw. Tot nu toe hebben de technische maatregelen niet zoveel opgeleverd. Mijn zorg is natuurlijk gericht op de afsluiting van de paragraaf waar de minister over schrijft. Zij schrijft dat de inzet natuurlijk gericht is op duurzaamheid, maar dat er ook een goed resultaat moet komen voor de Nederlandse visserijsector. Zulke koehandelconstructies hebben er de afgelopen jaren toe geleid dat we alleen maar tot hogere quotabesluiten komen, waar de duurzaamheid uiteindelijk helemaal niet mee gediend is.

Dan kom ik bij de vangstmogelijkheden in de Oostzee. De zinsnede dat de Europese Commissie onder meer op basis van biologische adviezen vangstmogelijkheden heeft vastgesteld baart mij zorgen. Waarom is dit niet sec gedaan op basis van die biologische adviezen? In het Europees Parlement is een resolutie aangenomen over biodiversiteit, waarin enkele aanbevelingen staan, zoals het afschaffen van subsidies die schade aan de biodiversiteit veroorzaken en de bescherming van 20% van land-, zoet- en zoutwateroppervlak. Ik ben benieuwd of de minister van plan is iets te doen met die aanbevelingen. Ik hoor daar graag meer over. Op de agenda voor de Milieuraad staat een informele nota over de uitdagingen voor een goede toestand van het mariene milieu geagendeerd. Ik heb de minister van VROM daarnaar gevraagd. Zij kon daar geen antwoord op geven. Ik vraag de minister van LNV of zij kennis heeft genomen van die nota. Wat is haar reactie daarop? Hoe staat het met het mariene milieu Europees gezien? Hoe staat het bijvoorbeeld met het aanwijzen van beschermde gebieden?

Kort ga ik nog in op de landbouwonderwerpen, de aanpassing van de twee verordeningen. Ik lees dat er vereenvoudigingsvoorstellen worden gepresenteerd. Het voorstel van de Europese Commissie om te versoepelen in de controles spreekt ons niet aan. Dat zou tot meer overtredingen kunnen leiden. Ik vraag de minister om daar goed op te letten tijdens de presentatie en daar haar zorgen over uit te spreken. In tegenstelling tot de minister is de Partij voor de Dieren van mening dat de machtsfactor in de agro-keten wat meer naar het begin zou moeten worden verlegd en dat de boeren moeten worden ondersteund bij de prijsonderhandelingen. Over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid hebben wij vaak met de minister gesproken. Wat de Partij voor de Dieren betreft wordt het budget ingezet voor de noodzakelijke omschakeling naar een echt duurzame landbouw, waarbij de schaal te overzien is, waarbij we natuur en milieu niet belasten, waarbij we respectvol omgaan met dieren en waarbij boeren een fatsoenlijke boterham verdienen die in de markt wordt betaald. Dat staat zo ver af van de realiteit waarin de wijzigingen van het GLB worden vormgegeven, dat we teleurgesteld hebben moeten concluderen dat die visie van de Partij voor de Dieren voorlopig nog niet wordt gerealiseerd. Wat dan wel? Ons valt op dat de minister bij de onderhandelingen over het GLB de voorzitterschapsconclusies niet heeft ondersteund en dat zij vindt dat de bestaande marktmechanismen niet moeten blijven bestaan. Daar ben ik het mee eens. Ik vind het jammer dat de minister het voorstel afwijst om de mededingingsregels aan te passen in het voordeel van de primaire producenten. Ik vraag me af wat haar toelichting daarop is. Dat geldt natuurlijk ook voor de voorstellen over de verplichte herkomstetikettering, waarover ik met de heer Dijkgraaf van gedachten heb gewisseld. Ik ga afronden. Of je het positief of negatief wilt invullen laat ik in het midden, maar ik denk wel dat we deze minister gaan missen. Ze weet vast wel wat ik daarmee bedoel. […]
Over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid hebben wij vaak met de minister gesproken. Wat de Partij voor de Dieren betreft wordt het budget ingezet voor de noodzakelijke omschakeling naar een echt duurzame landbouw, waarbij de schaal te overzien is, waarbij we natuur en milieu niet belasten, waarbij we respectvol omgaan met dieren en waarbij boeren een fatsoenlijke boterham verdienen die in de markt wordt betaald. Dat staat zo ver af van de realiteit waarin de wijzigingen van het GLB worden vormgegeven, dat we teleurgesteld hebben moeten concluderen dat die visie van de Partij voor de Dieren voorlopig nog niet wordt gerealiseerd. Wat dan wel? Ons valt op dat de minister bij de onderhandelingen over het GLB de voorzitterschapsconclusies niet heeft ondersteund en dat zij vindt dat de bestaande marktmechanismen niet moeten blijven bestaan. Daar ben ik het mee eens. Ik vind het jammer dat de minister het voorstel afwijst om de mededingingsregels aan te passen in het voordeel van de primaire producenten. Ik vraag me af wat haar toelichting daarop is. Dat geldt natuurlijk ook voor de voorstellen over de verplichte herkomstetikettering, waarover ik met de heer Dijkgraaf van gedachten heb gewisseld. Ik ga afronden. Of je het positief of negatief wilt invullen laat ik in het midden, maar ik denk wel dat we deze minister gaan missen. Ze weet vast wel wat ik daarmee bedoel.

Interrupties bij andere partijen

De heer Dijkgraaf (SGP):
[…] De Commissie lijkt erop aan te sturen dat de verplichte herkomstvermelding ook geldt voor het etiket van zuivelproducten. Wij kennen deze vermelding voor groente en fruit. Ik kan mij voorstellen dat dit voor groente en fruit nodig is, omdat daarbij de herkomst een erg belangrijke rol speelt. Onze inschatting is dat dit voor zuivelproducten veel minder het geval is, terwijl het de exportbelangen potentieel wel kan schaden. Hoe kijkt de minister daar tegenaan? Hoe denkt zij over een eventuele verplichting? Hoe denken andere lidstaten daarover? Kunnen we gezamenlijk misschien een vuist maken? […]

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand heeft een vraag voor u.

De heer Dijkgraaf (SGP): Komt uit ongeloof een revolutie?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat was de vraag niet. Mijn vraag gaat over de herkomstetikettering waar de heer Dijkgraaf over sprak. Ik ben benieuwd waarom de heer Dijkgraaf dat geen goed idee vindt voor melk. Ik werd in het bijzonder wakker toen hij zei dat hierdoor de export van melk schade kan oplopen. Ik begrijp dat niet zo goed. Is er dan iets mis met de Nederlandse melk?

De heer Dijkgraaf (SGP): Nee, in onze ogen is er helemaal niks mis met de Nederlandse melk, maar dat wil niet zeggen dat zo’n etiket per se leidt tot een betere marktpositie. Uit onderzoeken daarnaar concludeer ik dat er een potentieel risico is voor schade van de exportbelangen. Voordat je met zo’n etiket aan de slag gaat, moet je heel goed kijken wat in ons belang is en ook wat in het belang van de consument is. Bij groente en fruit is die connotatie voor de consument volgens mij belangrijker dan bij melk.

Antwoorden van de minister

Minister Verburg:
[…] Mevrouw Van Veldhoven, mevrouw Jacobi, de heer Koppejan, de heer Dijkgraaf en mevrouw Snijder hebben gevraagd naar de uitgelekte conceptmededeling over de toekomst van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. […] Wel is het zo – dat hebben wij hier ook gewisseld – dat er in de nieuwe regeerperiode een nieuwe legitimatie komt om gemeenschapsgeld in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid te investeren. Daarbij is de bijdrage die veel boeren leveren aan een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen van groot belang en daarbij is het zaak – dat werd ook hier door diverse sprekers gezegd – dat je een evenwichtiger gebiedsgerichte ontwikkeling nastreeft, waarbij je ervoor zorgt dat er sprake is van versterking van de concurrentiekracht, dat je via innovatie verduurzaming handen en voeten geeft – verduurzamen is immers een werkwoord – en dat je de public goods die worden geleverd, ook weet te realiseren. Daarbij is een gelijk speelveld van cruciaal belang. Dat ben ik zeer eens met degenen die daarover iets hebben gezegd. Ik regeer niet over mijn regeerperiode heen, maar ik heb net als de Kamer het nieuwe regeerakkoord gelezen en ik heb daarin de zinsnede gezien, herkend en onderstreept dat in het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid sprake moet zijn van een gelijk speelveld voor de Europese lidstaten. Dat betekent dus niet gelijke beloning maar een gelijkwaardige positie, waarbij wordt ingezet op zowel de eerste pijler als de tweede pijler. Op dit moment varieert die verdeling nogal. Tevens wordt er goed rekening gehouden met de belangen van het Nederlandse agro- en foodcluster. Al deze punten in het regeerakkoord lijken mij een sterke uitgangspositie.
[…] Mevrouw Van Veldhoven heeft het position paper van Duitsland en Frankrijk over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid gelezen. Daarbij kun je kijken naar de verschillen, maar als je het paper eens door je oogharen leest, zie je dat beide landen goed naar onze houtskoolschets hebben gekeken die wij twee jaar geleden hebben gepresenteerd. Beide landen gaan voor een sterk en robuust Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, waarin boeren een reële prijs krijgen en waarin natuurlijk wordt gekeken naar een nieuwe legitimatie voor de belastingbetaler om opnieuw heel veel euro’s te investeren in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Ik herken in het paper zowel de versterking van de concurrentiekracht en het innovatievermogen als het belonen van boeren die voor maatschappelijke waarden zorgen en een bijdrage aan verduurzaming leveren. Dat daartussendoor een aantal zinnen staan die waarschijnlijk zijn ingebracht van Franse zijde en een aantal die waarschijnlijk van Duitse zijde zijn ingebracht, neem ik voor lief, maar ik herken er veel in. […] Zodra je een einde maakt aan de quotering, moet je oog hebben voor de lidstaten en bekijken of zij voldoende hebben aan de toegestane plafondverhoging van 1% per jaar nu. Sommige lidstaten komen helemaal niet aan hun plafond, maar als andere landen overtuigend kunnen aantonen dat een zachte landing met een verhoging van slechts 1% per jaar onvoldoende is, moet je daar ook oog voor hebben. Wij hebben 2,5% à 3% quotumverruiming per jaar nodig. Wij weten allemaal dat de uitbreiding van Nederlandse boerenbedrijven en van de productie wordt ingekaderd door milieu- en andersoortige duurzaamheidsrandvoorwaarden, maar een lidstaat moet die verruimingsmogelijkheid wel hebben. Een ander punt betreft de mededingingsregels, waarover wij hier al eerder hebben gesproken. Ik heb in Brussel steeds betoogd, en ik ben er nog steeds van overtuigd, dat het niet noodzakelijk is om de mededingingsregels te veranderen. Het is noodzakelijk dat de mededingingsregels worden beoordeeld op de ruimte die zij nu al bieden om binnen de huidige kaders de positie van primaire producenten te versterken. De Commissaris heeft dat beaamd en gezegd dat hij er zijn juristen op zal zetten. Dit najaar nog zal de Commissaris met concrete voorstellen komen naar aanleiding van de aanbevelingen van de High Level Group, maar wij hebben wel samen met drie andere lidstaten gemarkeerd dat er nu niet naar verandering zou moeten worden gestreefd, maar naar een beter benutten van de ruimte en het duiden van de ruimte die de huidige spelregels bieden.
Het laatste punt heeft te maken met het vangnet. Hoe zorg je ervoor dat je snel je interventie-instrumentarium hebt? Het huidige instrumentarium blijkt te voldoen, maar wij hebben niet vooruit willen lopen op de onderhandelingen voor een nieuw Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. Wij vinden dat bij die onderhandelingen heel goed moet worden bekeken hoe een nieuw interventie-instrumentarium eruit zou moeten zien en of het huidige instrumentarium voldoet. Ik denk dat wij er een heel eind mee komen, maar altijd moet worden bekeken of het instrumentarium nog dekkend is voor de komende zeven jaar waarvoor je een nieuw Gemeenschappelijk Landbouwbeleid met bijbehorend instrumentarium afspreekt. De heer Van Gerven heeft opgemerkt dat een nieuw Gemeenschappelijk Landbouwbeleid ook goed moet zijn voor ontwikkelingslanden. Ik ben het daar zeer mee eens. Je moet dus goed kijken naar je import- en exportregulering. Wij zijn ervan overtuigd dat het desbetreffende instrumentarium al heel ver is afgebouwd, maar vaak worden te pas en meestal te onpas de ouderwetse denkbeelden ter zake gebruikt waarbij een onjuist beeld wordt geschetst. Ik benadruk: Europa dumpt geen voedsel op de Afrikaanse markt! Dat gebeurt al lang niet meer. Daarbij is sprake van heldere transacties. Wel is er nog wat instrumentarium, maar het is bijna weg en bij het nieuwe Gemeenschappelijke Landbouwbeleid en, nog beter, bij het nieuwe WTO-akkoord, moet het accent op de ontwikkelingslanden liggen. Hoe sneller er een akkoord komt in het kader van de WTO-onderhandelingen, hoe liever mij dat zou zijn, omdat je het dan wereldwijd regelt. De te bereiken resultaten van de huidige onderhandelingen moeten gunstig zijn voor de positie van landen in ontwikkeling. In dit verband noem ik nóg een punt. De heer Van Gerven noemde het met enige terughoudendheid, maar ik denk dat het terecht is dat een collega of een beleidsmedewerker in zijn fractie heeft gezegd dat ik veel oog heb voor ontwikkelingslanden. Ik vind het namelijk van belang dat landen zich kunnen ontwikkelen. Belangrijk om je te kunnen ontwikkelen is niet alleen het zelf produceren van voedsel, maar ook het zelf kunnen verwerken ervan in de keten. Met voormalig minister voor Ontwikkelingssamenwerking Koenders heb ik daarvoor een werknotitie gemaakt, waarbij wij in een keten van vijf stappen gericht in Afrika investeren om voedselproductie op een duurzame manier te stimuleren, om ketens te bevorderen, om toegankelijkheid tot financiën te bevorderen, om investeringen ter plaatse te bevorderen en daardoor de ontwikkeling van het platteland te bevorderen. Dit is een geweldige manier om het aan te pakken. Wij liepen daarmee vooruit op het rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, dat nog niet zo lang geleden daarover is uitgebracht. Ik moet eerlijk zeggen dat, als je het regeerakkoord leest, er in het hoofdstuk internationale samenwerking veel van dat concept terug te vinden is, waarbij het gaat om het investeren in de landen zelf zodat die zelfredzaam kunnen worden. Daarbij is landbouw en voedselproductie één van de specifieke terreinen die genoemd wordt. Ik hoop en ik ga er ook een beetje van uit, voorzitter, dat uw commissie er alert op zal zijn dat een nieuw kabinet dat ook blijft doen en, sterker nog, die inspanning ook uitbreidt, want dat biedt de mogelijkheid om in 2 050 alle 9 miljard mensen die deze aarde dan bevolken, als de prognoses tenminste kloppen, fatsoenlijk te voeden zonder de aarde verder uit te putten. Dat is nu namelijk nog geenszins het geval.
[…] Dan de herkomstetikettering. Ik ben er op zich niet tegen, maar ik ben wel tegen een verplichting. Dat heb ik de Kamer al eerder laten weten. Ik vind het uitstekend als er een herkomstetikettering komt, maar als je het gaat verplichten, voer je de administratievelastendruk extra op. Tegelijkertijd moet er gehandhaafd worden. Eerst wordt een verplichting opgelegd en vervolgens komt de handhaving. Dat moeten wij niet doen. Het is prima als het op vrijwillige basis gebeurt, omdat je trots bent op je product en op de herkomst ervan, maar dat gebeurt toch wel. Dat is dus een zaak van het bedrijfsleven. De heer Dijkgraaf heeft gevraagd hoe het met het vrijhandelsakkoord tussen de EU en Mercosur staat. Er wordt momenteel over onderhandeld en er wordt onder andere gesproken over geografische indicaties en veterinaire en fytosanitaire zaken. De balans daarbij zullen wij zeer scherp in de gaten houden. Een akkoord zal profijtelijk moeten zijn voor beide partners. Vanuit de Europese Unie moeten wij heel goed kijken naar de belangen van de Europese partners en van de agro- en foodsector. Dat zullen wij dus ook zeker doen! De verwachting is dat er op zijn vroegst eind januari 2011 een aanbod zal zijn, maar wij houden de vinger aan de pols. Ik heb er alle vertrouwen in dat de Kamer dat ook doet. De heer Van Gerven heeft een vraag gesteld over de kritiek op de EFSA. Daarover ben ik de vorige keer duidelijk geweest. Ik vind dat de EFSA echt goed werk levert en dat de discussie daarover nu moet stoppen. Ik heb de vorige keer ook gezegd dat wij wat de ggo’s betreft geen concessies doen aan de veiligheid voor mens, dier en milieu. Op de agenda, maar niet alleen bij de EFSA, staat de vraag hoe je zaken op de langere termijn kunt voorspellen. Dat is niet iets van de EFSA alleen, maar dat is een kwestie van wereldwijd zaken uitwisselen en doorontwikkelen en van werkende weg van en met elkaar leren. Mevrouw Snijder heeft een vraag gesteld over het legbatterijverbod. Soms moet je op de kranten afgaan, maar soms ook niet. In dit verband moet helder zijn: afspraak is afspraak. De Europese Commissie moet gewoon handhaven. Dat zal ik aan mijn opvolgers in een gesprek laten weten nadat zij van het bordes zijn afgestapt en aan het werk zijn gegaan. Als ik mijn handtekening zet en zij dat ook doen, is er gelegenheid om wat zaken nadrukkelijker onder de aandacht te brengen, zodat de nieuwe bewindspersonen een beetje gevoel krijgen bij de zaken die spelen.
[…] Mevrouw Jacobi heeft gevraagd hoe het zit met de inbreng van Estland en Letland in NAFO-verband. Wij hebben de inzet van de Europese Commissie steeds gevolgd en gesteund. Wij hebben in de betrokken wateren geen belangen en ik moet zeggen dat ik nog niet precies weet waar Estland en Letland een probleem mee hebben. Wij zullen dat dus nog wel horen, maar wij steunen in elk geval de inzet van de Europese Commissie. Het punt van de visserijonderhandelingen tussen Europa en Noorwegen komt ieder jaar terug. Het grote probleem daarbij is dat Noorwegen goede onderhandelaars heeft, net als de Europese Commissie overigens, maar dat het wel 1 tegen 27 is. Wie alleen zijn eigenbelang hoeft te verdedigen en daarbij 27 lidstaten een beetje handig tegen elkaar kan uitspelen, is geen goede onderhandelaar als hij dat niet optimaal uitprobeert. Waar zetten wij op in? Als eerste zetten wij in op gezamenlijk beheerde bestanden, want als je gezamenlijk de kar trekt, word je al meer makkers en voel je je al meer verantwoordelijk voor het hele bestand. Het tweede punt betreft de balans in de uitruil van de visserijmogelijkheden tussen de Europese Unie en Noorwegen. Het liefste zouden wij zien dat dit allemaal meerjarig is. Waarom immers zou je dit iedere keer opnieuw doen en waarom zou je iedere keer opnieuw die frustratie hebben? Kijk eens of je dat niet meerjarig kunt doen, waarbij het echter wel op een zorgvuldige manier moet gebeuren. Daarbij kan binnen de randvoorwaarden van duurzaamheid ook wel een beetje gekeken worden naar de belangen van de Nederlandse vissers. Mevrouw Ouwehand zegt dat het niet kan, maar ik denk dat het wel kan. Aan het groeiende bestand van bijvoorbeeld de haring – het gaat overigens ook weer iets beter met de tong – zie ik dat het één met het ander te combineren is. Laten wij dat doen binnen de randvoorwaarden van wat duurzaam is. Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd of er voldoende wetenschappelijke kennis en geografische spreiding is. De beschikbare kennis zit bij ICES, de Europese club die ook de aalbeheerplannen in eerste instantie heeft beoordeeld. De invloed van het klimaat op de migratie van visbestanden en de geografische spreiding is sterk. Het inzicht daarin is nog niet voldoende, want vele relaties zijn nog onbekend. Mevrouw Ouwehand heeft dus een punt, maar er wordt nog aan gewerkt. De samenwerking met Noorwegen bij de controle is een bilaterale zaak. Ik heb bij de onderhandelingen aangegeven dat wij ervoor moeten zorgen daarbij partner in verantwoordelijkheid te worden. Ten aanzien van de Nederlandse samenwerking met Noorwegen heeft vanuit de nieuwe VWA de AID intensieve contacten met Noorwegen, bijvoorbeeld over aanlan-dingen van vis in Nederland dan wel in Noorwegen. Wat technische maatregelen betreft, gaat het hier met name om de «real time closures». Het is belangrijk om daarover ook afspraken te maken.
[…]
Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd naar de Oostzeesituatie en de wetenschappelijke adviezen daarover. De wetenschappelijke adviezen worden gebruikt. Daarbij gaat het om meerjarenbeheerplannen, waarin zogenaamde oogstregels zijn opgenomen, namelijk regels over wat je mag oogsten met vermelding van maximale dalingen en stijgingen in de vangstmogelijkheden. Verder heeft mevrouw Ouwehand gevraagd of ik wel weet hoe het zit met de aanwijzing van gebieden. Het proces van aanwijzing en uitwerking ten aanzien van Natura 2000-gebieden loopt volgens schema. Dat betreft het zogenaamde FIMPAS-project. Dat is nu in de fase waarin wij afstemmen met andere Europese lidstaten en de Europese commissie. Mevrouw Jacobi heeft ten aanzien van de Japanse jacht op dolfijnen gezegd: houd ze kort. Net als in het geval van de Faeröereilanden ben ik absoluut tegen die jacht. Ik zal dit punt dan ook bij de Europese Commissie aankaarten en dan komt dit ongetwijfeld weer hier terug. […]
Toezeggingen:
–De voorzitterschapsconclusies over het GLB zullen aan de Kamer worden gestuurd zodra de minister deze heeft ontvangen.
–Een kabinetsreactie op de voorstellen voor het GLB van de Europese Commissie zal snel na 17 november aanstaande aan de Kamer worden gestuurd.
–De Kamer zal een brief ontvangen over de transportverordening in relatie tot de hobbydieren.