Bijdrage Ouwehand AO Landbouw- en Visse­rijraad


13 oktober 2010

De heer Dijkgraaf (SGP): De Commissie lijkt erop aan te sturen dat de verplichte herkomstver-melding ook geldt voor het etiket van zuivelproducten. Wij kennen deze vermelding voor groente en fruit. Ik kan mij voorstellen dat dit voor groente en fruit nodig is, omdat daarbij de herkomst een erg belangrijke rol speelt. Onze inschatting is dat dit voor zuivelproducten veel minder het geval is, terwijl het de exportbelangen potentieel wel kan schaden.

De voorzitter: Mevrouw Ouwehand heeft een vraag voor u.

De heer Dijkgraaf (SGP): Komt uit ongeloof een revolutie?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dat was de vraag niet. Mijn vraag gaat over de herkomstetikettering waar de heer Dijkgraaf over sprak. Ik ben benieuwd waarom de heer Dijkgraaf dat geen goed idee vindt voor melk. Ik werd in het bijzonder wakker toen hij zei dat hierdoor de export van melk schade kan oplopen. Ik begrijp dat niet zo goed. Is er dan iets mis met de Nederlandse melk?

De heer Dijkgraaf (SGP): Nee, in onze ogen is er helemaal niks mis met de Nederlandse melk, maar dat wil niet zeggen dat zo’n etiket per se leidt tot een betere marktpositie. Uit onderzoeken daarnaar concludeer ik dat er een potentieel risico is voor schade van de exportbelangen. Voordat je met zo’n etiket aan de slag gaat, moet je heel goed kijken wat in ons belang is en ook wat in het belang van de consument is. Bij groente en fruit is die connotatie voor de consument volgens mij belangrijker dan bij melk.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Mijn collega van de SGP-fractie sloot zojuist af met een woord van dank aan het adres van de minister. Het viel mij op dat hij zei dat hij het soms niet eens was met de minister, maar dat dit moet kunnen. Bij de Partij voor de Dieren lag dat anders, wij waren het meestal niet eens met de minister maar zo nu en dan wel. Die momenten herinneren we ons allen nog goed. Zo nu en dan was er toch overeenstemming. Vandaag wil ik nagaan of we weer zo’n puntje van overeenstemming kunnen vinden. Dat zou een mooie afsluiting zijn van de afgelopen vier jaar. Ik denk dat wij het over de tonijn wel eens kunnen zijn. Ik lees dat de minister zorgen heeft over de ontwikkeling van het blauwvintonijnbestand. Die zorgen deel ik. Zij schrijft dat zij van oordeel is dat tijdens de ICCAT-vergadering adequate meerjarige afspraken, gericht op een duurzaam beheer van dit bestand, gemaakt moeten worden, gebaseerd op de beschikbare wetenschappelijke adviezen. Zij schrijft nog niet dat er een vangstverbod moet komen, zoals ik hoopte, maar ik kan mij nauwelijks voorstellen dat als uit de wetenschappelijke adviezen weer een pleidooi voor een vangstverbod komt, de minister daar anders over zal oordelen. Is de minister bereid om te pleiten voor een vangstverbod? Tot nu toe kan ik de minister dankzeggen voor haar inzet. Zij heeft uitvoering gegeven aan de motie om ervoor te pleiten in elk geval de gebieden waar Europa over gaat, zoals de Middellandse Zee, te sluiten voor de vangst van blauwvintonijn. Daarvoor was onvoldoende steun binnen Europa. Ik verzoek de minister om haar opvolger in een brief te vragen om vooral door te gaan met uitvoering van die motie. Ik kan uit eigen ervaring zeggen dat een beetje drammen soms helemaal niet verkeerd is. Dus ook al is het voorstel nu nog niet in goede aarde gevallen, blijf vooral pleiten voor het sluiten van de Middellandse Zee voor de vangst van blauwvintonijn. Zoals gebruikelijk is mijn fractie het over een aantal zaken niet eens met de minister. Naar aanleiding van de visserijonderhandelingen met Noorwegen vraagt mijn fractie zich af of er voldoende wetenschappelijke kennis is over de omvang van de populaties. Hoe zit het met de geografische verspreiding van de vis? Ik ben benieuwd of er gezamenlijke controle en handhaving plaatsvindt. Ik vraag me af wat bedoeld wordt als de minister schrijft dat er technische maatregelen komen in het kader van de bescherming van de kabeljauw. Tot nu toe hebben de technische maatregelen niet zoveel opgeleverd.

Mijn zorg is natuurlijk gericht op de afsluiting van de paragraaf waar de minister over schrijft. Zij schrijft dat de inzet natuurlijk gericht is op duurzaamheid, maar dat er ook een goed resultaat moet komen voor de Nederlandse visserijsector. Zulke koehandelconstructies hebben er de afgelopen jaren toe geleid dat we alleen maar tot hogere quotabesluiten komen, waar de duurzaamheid uiteindelijk helemaal niet mee gediend is. Dan kom ik bij de vangstmogelijkheden in de Oostzee. De zinsnede dat de Europese Commissie onder meer op basis van biologische adviezen vangstmogelijkheden heeft vastgesteld baart mij zorgen. Waarom is dit niet sec gedaan op basis van die biologische adviezen? In het Europees Parlement is een resolutie aangenomen over biodiver-siteit, waarin enkele aanbevelingen staan, zoals het afschaffen van subsidies die schade aan de biodiversiteit veroorzaken en de bescherming van 20% van land-, zoet- en zoutwateroppervlak. Ik ben benieuwd of de minister van plan is iets te doen met die aanbevelingen. Ik hoor daar graag meer over. Op de agenda voor de Milieuraad staat een informele nota over de uitdagingen voor een goede toestand van het mariene milieu geagendeerd. Ik heb de minister van VROM daarnaar gevraagd. Zij kon daar geen antwoord op geven. Ik vraag de minister van LNV of zij kennis heeft genomen van die nota. Wat is haar reactie daarop? Hoe staat het met het mariene milieu Europees gezien? Hoe staat het bijvoorbeeld met het aanwijzen van beschermde gebieden? Kort ga ik nog in op de landbouwonderwerpen, de aanpassing van de twee verordeningen. Ik lees dat er vereenvoudigingsvoorstellen worden gepresenteerd. Het voorstel van de Europese Commissie om te versoe-pelen in de controles spreekt ons niet aan. Dat zou tot meer overtredingen kunnen leiden. Ik vraag de minister om daar goed op te letten tijdens de presentatie en daar haar zorgen over uit te spreken. In tegenstelling tot de minister is de Partij voor de Dieren van mening dat de machtsfactor in de agro-keten wat meer naar het begin zou moeten worden verlegd en dat de boeren moeten worden ondersteund bij de prijsonderhandelingen. Over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid hebben wij vaak met de minister gesproken. Wat de Partij voor de Dieren betreft wordt het budget ingezet voor de noodzakelijke omschakeling naar een echt duurzame landbouw, waarbij de schaal te overzien is, waarbij we natuur en milieu niet belasten, waarbij we respectvol omgaan met dieren en waarbij boeren een fatsoenlijke boterham verdienen die in de markt wordt betaald. Dat staat zo ver af van de realiteit waarin de wijzigingen van het GLB worden vormgegeven, dat we teleurgesteld hebben moeten concluderen dat die visie van de Partij voor de Dieren voorlopig nog niet wordt gerealiseerd. Wat dan wel? Ons valt op dat de minister bij de onderhandelingen over het GLB de voorzitterschapsconclusies niet heeft ondersteund en dat zij vindt dat de bestaande marktmechanismen niet moeten blijven bestaan. Daar ben ik het mee eens. Ik vind het jammer dat de minister het voorstel afwijst om de mededingingsregels aan te passen in het voordeel van de primaire producenten. Ik vraag me af wat haar toelichting daarop is. Dat geldt natuurlijk ook voor de voorstellen over de verplichte herkomstetikettering, waarover ik met de heer Dijkgraaf van gedachten heb gewisseld. Ik ga afronden. Of je het positief of negatief wilt invullen laat ik in het midden, maar ik denk wel dat we deze minister gaan missen. Ze weet vast wel wat ik daarmee bedoel.

Minister Verburg: Laat ik beginnen met goed nieuws. Mevrouw Ouwehand begon een beetje beschroomd met de melding dat we het hier ook wel eens met elkaar eens waren. Meestal gaf ze een winstwaarschuwing vooraf. Dan zei ze daarna, geruststellend bedoeld, misschien meer voor zichzelf dan in mijn richting: maar nu gaan we weer over tot de orde van de dag. Dan volgde meestal een extra lange lijst met kritiekpunten. Zo ging dat en daar raak je op enig moment op ingesteld en op voorbereid. Maar laat ik vandaag eens beginnen met goed nieuws en dat is het feit dat er deze week een verbod van kracht is geworden op de handel in illegaal hout. Ik vind dat een grote verworvenheid.

Dan de herkomstetikettering. Ik ben er op zich niet tegen, maar ik ben wel tegen een verplichting. Dat heb ik de Kamer al eerder laten weten. Ik vind het uitstekend als er een herkomstetikettering komt, maar als je het gaat verplichten, voer je de administratievelastendruk extra op. Tegelijkertijd moet er gehandhaafd worden. Eerst wordt een verplichting opgelegd en vervolgens komt de handhaving. Dat moeten wij niet doen. Het is prima als het op vrijwillige basis gebeurt, omdat je trots bent op je product en op de herkomst ervan, maar dat gebeurt toch wel. Dat is dus een zaak van het bedrijfsleven.

Dan kom ik wat de visserij betreft op de blauwvintonijn. Het wetenschappelijk advies ter zake is dit weekend in concept beschikbaar gesteld en wij zullen gedurende de komende Landbouw- en Visserijraad daarover mededelingen krijgen van de Commissie. Ik kan niet toezeggen dat mijn opvolger erbovenop zal gaan zitten, want ik zie hem daar al zitten op die laatste tonijn. Ik ga hem echter wel proberen te overtuigen van het feit dat dit een belangrijk dossier is op het gebied van de duurzaamheid en dat de inzet van Nederland via de Europese inzet – die gaan namelijk gezamenlijk – heel scherp zal moeten zijn. Vraag mij nu nog niet naar de details, maar wees ervan overtuigd dat dit een punt is dat ik steeds belangrijk heb gevonden en waarvan ik mij niet kan voorstellen dat mijn opvolger dat niet van groot belang zal vinden. Hij komt daar vast op terug.

Het punt van de visserijonderhandelingen tussen Europa en Noorwegen komt ieder jaar terug. Het grote probleem daarbij is dat Noorwegen goede onderhandelaars heeft, net als de Europese Commissie overigens, maar dat het wel 1 tegen 27 is. Wie alleen zijn eigenbelang hoeft te verdedigen en daarbij 27 lidstaten een beetje handig tegen elkaar kan uitspelen, is geen goede onderhandelaar als hij dat niet optimaal uitprobeert. Waar zetten wij op in? Als eerste zetten wij in op gezamenlijk beheerde bestanden, want als je gezamenlijk de kar trekt, word je al meer makkers en voel je je al meer verantwoordelijk voor het hele bestand. Het tweede punt betreft de balans in de uitruil van de visserijmogelijkheden tussen de Europese Unie en Noorwegen. Het liefste zouden wij zien dat dit allemaal meerjarig is. Waarom immers zou je dit iedere keer opnieuw doen en waarom zou je iedere keer opnieuw die frustratie hebben? Kijk eens of je dat niet meerjarig kunt doen, waarbij het echter wel op een zorgvuldige manier moet gebeuren. Daarbij kan binnen de randvoorwaarden van duurzaamheid ook wel een beetje gekeken worden naar de belangen van de Nederlandse vissers. Mevrouw Ouwehand zegt dat het niet kan, maar ik denk dat het wel kan. Aan het groeiende bestand van bijvoorbeeld de haring – het gaat overigens ook weer iets beter met de tong – zie ik dat het één met het ander te combineren is. Laten wij dat doen binnen de randvoorwaarden van wat duurzaam is. Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd of er voldoende wetenschappelijke kennis en geografische spreiding is. De beschikbare kennis zit bij ICES, de Europese club die ook de aalbeheerplannen in eerste instantie heeft beoordeeld. De invloed van het klimaat op de migratie van visbestanden en de geografische spreiding is sterk. Het inzicht daarin is nog niet voldoende, want vele relaties zijn nog onbekend. Mevrouw Ouwehand heeft dus een punt, maar er wordt nog aan gewerkt. De samenwerking met Noorwegen bij de controle is een bilaterale zaak. Ik heb bij de onderhandelingen aangegeven dat wij ervoor moeten zorgen daarbij partner in verantwoordelijkheid te worden. Ten aanzien van de Nederlandse samenwerking met Noorwegen heeft vanuit de nieuwe VWA de AID intensieve contacten met Noorwegen, bijvoorbeeld over aanlan-dingen van vis in Nederland dan wel in Noorwegen. Wat technische maatregelen betreft, gaat het hier met name om de «real time closures». Het is belangrijk om daarover ook afspraken te maken.

Mevrouw Ouwehand heeft gevraagd naar de Oostzeesituatie en de wetenschappelijke adviezen daarover. De wetenschappelijke adviezen worden gebruikt. Daarbij gaat het om meerjarenbeheerplannen, waarin zogenaamde oogstregels zijn opgenomen, namelijk regels over wat je mag oogsten met vermelding van maximale dalingen en stijgingen in de vangstmogelijkheden. Verder heeft mevrouw Ouwehand gevraagd of ik wel weet hoe het zit met de aanwijzing van gebieden. Het proces van aanwijzing en uitwerking ten aanzien van Natura 2000-gebieden loopt volgens schema. Dat betreft het zogenaamde FIMPAS-project. Dat is nu in de fase waarin wij afstemmen met andere Europese lidstaten en de Europese commissie. Mevrouw Jacobi heeft ten aanzien van de Japanse jacht op dolfijnen gezegd: houd ze kort. Net als in het geval van de Faeröereilanden ben ik absoluut tegen die jacht. Ik zal dit punt dan ook bij de Europese Commissie aankaarten en dan komt dit ongetwijfeld weer hier terug.