Bijdrage Ouwehand AO Landbouw- en Visse­rijraad


7 december 2010

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Gisteren waren we met een aantal leden van deze commissie in Brussel. We hebben zeer goede gesprekken gevoerd, onder andere met de Eurocommissaris. In de hervormingsagenda wordt voorgesteld de biodiversiteit voorop te stellen om te zorgen dat er überhaupt nog leven uit en in de zee is. Is de staatssecretaris van plan dit te blijven steunen?

We hadden gisteren interessante gesprekken met vissers en vervolgens met milieuorganisaties. De vissers werden vertegenwoordigd door mannen en de milieubelangen door vrouwen. Wat dat zegt weet ik verder ook niet, maar het viel wel op. We hebben gisteren overigens een zeer nuttige dag gehad. We hebben ideeën uitgewisseld en ik zie er naar uit daar verder over te spreken met de staatssecretaris. Ik wil mijn grote, grote teleurstelling uitspreken over de afspraken omtrent de blauwvintonijn. We hebben daar gisteren ook over gesproken. Er wordt gesproken over een vangstquotum van nul, maar blijkbaar mag het ook 13.000 ton zijn. Dat zijn politiek gekleurde adviezen. Ik weet dat de staatssecretaris het met mij eens is dat we niet meer zouden moeten vissen op de blauwvintonijn. Het gaat heel slecht en de besluitvorming lijkt er ook niet beter op te worden. Welke perspectieven ziet de staatssecretaris? Over onze eigen bestanden zal ook een robbertje gevochten gaan worden in de Landbouwen Visserijraad.

Ik lees dat de staatssecretaris zich wel een TAC-verlaging voor de geassocieerde bestanden kan voorstellen, maar dat hij 15% te veel vindt. In tegenstelling tot het CDA vind ik dat we wel die 15% verlaging van de Europese Commissie moeten steunen. Als de staatssecretaris dat niet doet, waar is dan zijn inschatting op gebaseerd? Als er geen wetenschappelijk onderbouwingen zijn dan moeten we het voorzorgsbeginsel aanhouden. Waarom wenst de staatssecretaris niet het meerjarenplan ten aanzien van de horsmakreel te volgen? Dat pleit namelijk voor een verlaagd quotum.

De heer Slob (ChristenUnie): Ik neem aan dat mevrouw Ouwehand ook naar mijn betoog heeft geluisterd over de relatie tussen de geassocieerde visbestanden en de groteplatvisbestanden. Deze vissen zwemmen allemaal het net in en als er grote verschillen zitten in de vangstquota, dan moet er vis weggegooid worden. Ik heb mevrouw Ouwehand daar ook een keer duidelijke woorden over horen spreken. Moeten we er daarom niet voor pleiten die quota zo veel mogelijk bij elkaar te houden?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vind dat we moet kijken naar de vangstmogelijkheden van het meest kwetsbare bestand. Dat zou het uitgangspunt moeten zijn voor de andere bestanden, ook al zouden we daar meer van kunnen vissen. We moeten voorkomen dat schol doordraait. We moeten af van de discards. Het meest kwetsbare bestand is leidend.

Zo lang we niet kunnen voorkomen dat we door elkaar vangen is het quotum van het kwetsbaarste bestand het maximum van wat we uit de zee kunnen halen. Op basis van welk wetenschappelijk inzicht meent de staatssecretaris dat we niet het meerjarenplan hoeven te volgen? Ik wil de staatssecretaris wijzen op het voorzorgsbeginsel ten aanzien van de haring. Het kan zijn dat er een onjuiste inschatting is gemaakt, maar om dan meteen met terugwerkende kracht op te hogen ... Geef de ecologie wat ruimte! Ik ben het eens met de staatssecretaris dat de blauwe wijting geen uitruilmogelijkheden biedt en dat er een meerjarenplan voor makreel moet komen. Als dit niet overeenkomt met de wetenschappelijke adviezen, dan hoop ik op sterk tegenwicht. Ik ben benieuwd of er onder druk van andere landen bij de onderhandelingen wordt afgeweken van de wetenschappelijk adviezen. Kan de staatssecretaris daar wat over zeggen? Kan hij er in Europa op aandringen dat de wetenschappelijke adviezen als basis voor de besluitvorming worden genomen?

[…]

Staatssecretaris Bleker: Er is meerdere malen aangegeven dat het goed gaat met de Noorzeeharing. Elk moment dat zich daarvoor leent in de Landbouw- en Visserijraad, gebruik ik om te pleiten voor correctie. Bij nader inzien gaat het met die vissoort beter dan destijds werd verondersteld. We hebben ook recent weer gepleit voor een correctie van de TAC op basis van het biologisch advies en het advies van de Pelagische RAC. De Commissie heeft gekozen voor een middenweg, namelijk 22% verhoging. Daardoor ontstaat ruimte om een deel van de haring uit het Skagerrak in de Noordzee te kunnen vissen en ook in de Noordzee zelf meer te kunnen vissen. Deze middenweg biedt perspectief. Maandag en dinsdag spreken we over de deal over de Noordzee en we hebben goede hoop voor de TAC van de Noordzeeharing. Hierin volgen wij de adviezen die wij onder meer van de RAC hebben gekregen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik hoorde de voorzitter van de pelagische sector gisteren nog zeggen dat als we niet vissen, dat dan de ecosystemen drastisch veranderen en dat het dramatisch afloopt. Dus ik ben er nog niet uit wat de waarde is van die adviezen. Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat het verkeerd ingeschat is en dat we daarom met
terugwerkende kracht meer kunnen vissen. Dat werkt de andere kant op natuurlijk nooit zo. Als we te veel vis hebben weggevangen dan kunnen we dat nooit met terugwerkende kracht herstellen. Het is niet voor het eerst dat we hier zitten en dat de bewindspersoon denkt dat het wel weer even kan. Vorige keer ging het over kabeljauw. Toen zei ik ook al: "Doe dat nou niet. Laat die ruimte nou voor de ecologie, maak niet alles op wat er voor je op het bord ligt." Waarom kunnen we niet aan die kant zitten?

Staatssecretaris Bleker: Nederland gaat in het algemeen op de voorzichtige lijn zitten, hierbij de wetenschappelijke en biologische adviezen zoveel mogelijk respecterend. Ik volg in die traditie. We moeten dat doen als een soort zich minder goed ontwikkelt dan voorzien, maar ook als een soort zich positiever ontwikkelt. We zijn dan in beide gevallen geloofwaardig. Als in die adviezen staat dat het verantwoord is een stapje extra te zetten, dan kunnen we dat ook verantwoord doen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. We hebben Eurocommissaris Damanaki gisteren vragen gesteld over hoe we de gemengde visserij en de gemende bestanden moeten aanpakken. Zij sprak over "clean fishery", waarbij je echt op één doelsoort vist en nauwelijks bijvangst hebt. Dat zou met quota geregeld kunnen worden. Bij de gemengde visserij zouden we in het licht van het bijvangstprobleem vooral de capaciteit, de vloot en het aantal zeedagen moeten beperken. Ik heb een beetje beloofd dat de staatssecretaris dat wel zou steunen. Ik adviseer hem dat in ieder geval, want het is in lijn met de moties die hier eerder zijn aangenomen. Ik maak natuurlijk een grapje. Ik heb niet gezegd dat de staatssecretaris dit voorstel gaat steunen, maar ik vind het wel een interessant idee. Ik weet dat ik met deze Kamermeerderheid niet hoef te komen met moties om de inzet aan te scherpen. Ik tel mijn knopen want ik zie hoe het gaat. Jammer vind ik het wel, want ik vind dat we voor de geassocieerde bestanden die 15% reductie zouden moeten handhaven. In Cancún is een nieuw rapport naar buiten gebracht waarin staat dat de zee nog sneller verzuurt dan gedacht. Kan de staatssecretaris dit meenemen in de visie op het visserijbeleid die gepland is voor februari?

[…]

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Als het om een homogene groep ging, dan zouden we voor de nuloptie kunnen gaan. Het gaat echter om de geassocieerde soorten. Meervoud. De situatie voor de onderscheidene soorten is verschillend. Ik vind min 15% te grof. Als ik een duidelijk statement maak, moet ik wel in de buurt van het haalbare gaan zitten. Ik vraag me af of we de nuloptie volgens de gangbare methoden kunnen verantwoorden, waar het gaat om de specifieke deelgroepen binnen de verzamelgroep geassocieerde soorten. Ik zal er echter wel op inzetten dat het substantieel minder dan 15% moet zijn.

[…]

Ik heb begrepen dat mevrouw Ouwehand namens mij iets heeft gezegd. Die samenwerking met commissaris Damanaki ziet er goed uit. In Cancún is een rapport over de verzuring van de zee gepresenteerd. Ik wil eerst het rapport bestuderen voordat ik kan stellen dat het de basis vormt voor een besluit. Soms worden er heel populaire samenvattingen gegeven van een misschien wel heel genuanceerd rapport. Ik wil graag de nuance zien.

De voorzitter: We gaan over naar het onderdeel landbouw. Vanmiddag hebben we een interessante procedure, want we verwelkomen vandaag de heer Gerbrandy namens de
D66-fractie in het Europees Parlement. Volgens artikel 55a van het Reglement van Orde van de Tweede Kamer mag hij hier zijn en mag hij het woord voeren, mits hij vergezeld wordt door een partijgenoot uit de Tweede Kamer. Ik ben lid van dezelfde partij als de heer Gerbrandy, dus we maken zijn vragen tot mijn vragen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Aan wie moeten we dan de vragen stellen die mogelijkerwijs opkomen over de positie van D66 ten aanzien van het landbouwbeleid?

De voorzitter: Volgens artikel 55a en artikel 57 mag de Kamer ook interrumperen bij de Europarlementariër. De Kamer heeft een andere grondwettelijke verhouding tot het kabinet dan de Europarlementariër, maar beide heren van de D66 mogen gevraagd worden naar het standpunt van D66.

De heer Gerbrandy (D66 Europees Parlement): Voorzitter. Ik bedank de voorzitter, de overige fracties en de griffier dat zij het mogelijk maken dat ik hier het woord kan voeren.

[…]

Zittend in het Europees parlement, vind ik het wel nuttig het gemeenschappelijk landbouwbeleid en de hervormingen ervan in een iets breder kader te plaatsen. We staan aan de vooravond van vrij structurele hervormingen in Europa. Dat heeft ook alles te maken met de nieuwe meerjarenbegroting die over een paar jaar in moet gaan.

[…]

De grote uitdaging is om de opbrengst per hectare fors te laten stijgen en dat onder minder milieudruk. Hiervoor hebben we veel landbouwkennis nodig. D66 wil daarom dat er verder gegaan wordt met het liberaliseren van de landbouwmarkt. Dit betekent het afbouwen van de inkomenssteun, meer investeringen in innovatie en gerichte beloning voor duurzaamheid, landschapsbeheer en dierenwelzijn. Die visie komt overeen met optie drie van de mededeling van de Europese Commissie. Daarmee staan we niet ver af van de houtskoolschets van de vorige minister. Ik denk dat we het vrij snel eens zijn over de bredere beloning voor maatschappelijke diensten, maar hoe gaat de staatssecretaris dat effectief maken? Vooral het agrarisch natuurbeheer behaalt volgens het Planbureau voor de Leefomgeving slechts heel marginaal de natuurdoelen. Hoe gaat de staatssecretaris de maatschappelijke doelen die we in het toekomstig landbouwbeleid willen zien via de agrariërs behalen?

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Leuk om een Europarlementariër bij ons debat te hebben. Ik vermaak me goed. Ik heb een vraag over de piketpalen die D66 in het Europarlement zou willen slaan als het gaat om het vergoeden van maatschappelijke diensten. Ik ken een aantal initiatieven waar D66 van zegt dat ze goed zijn en waarvoor ze de boeren zouden willen betalen. Ik noem de comfortclass-stal en agrarisch natuurbeheer, waar de heer Gerbrandy kritische vragen over heeft gesteld. Waar kunnen we, als het aan D66 ligt, geld voor uit de pot halen? Wat is substantieel en wat niet? Heeft de heer Gerbrandy daar al vastomlijnde gedachten over?

De heer Gerbrandy (D66 Europees Parlement): Het is moeilijk om daar nu al vastomlijnde antwoorden op te hebben. Ik heb de staatssecretaris daarom gevraagd hoe hij denkt via de Europese subsidies en de Nederlandse agrariërs deze maatschappelijk doelen te bereiken. Ik ben voorstander van de beweging om boeren daarvoor te belonen. Ik ben echter bang dat we alleen maar etiketten aan het verhangen zijn op subsidies die van de EU naar de verschillende lidstaten gaan.

De voorzitter: Ik maak de vragen van de heer Gerbrandy aan de staatssecretaris graag tot de mijne, zodat we volgens het Reglement van Orde en de Grondwet handelen.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. De staatssecretaris en ik zijn het misschien wel eens dat de landbouw het belangrijkste onderwerp is dat wij hier in de Kamer te bespreken hebben. Het gaat over onze voedselvoorziening. Het hangt nauw samen met natuur, klimaat, schone lucht en schoon water. Vervolgens hebben we elk wel een eigen kijk op hoe het zou moeten met de landbouw. Daar begint de ellende alweer. We zijn het echter wel eens over het belang denk ik, anders had hij zich niet opgegeven voor deze baan. Aangemeld, beschikbaar gesteld, via het UWV... De PvdD vindt dat we weg moeten van de bulkproductie. We moeten weg van het level playing field, dat betekent dat we zo veel mogelijk tegen zo weinig kwaliteit en zo weinig mogelijk kosten moeten produceren. Daar wordt niemand gelukkig van. Wij willen bekijken wat de aarde aankan, wat de natuur aankan, wat het milieu aankan en wat we nodig hebben. Vervolgens kunnen we het beeld schetsen, kijken welke landbouw daarbij past en de hervorming van het landbouwbeleid daarnaar richten in plaats van kijken welke landbouw er nu staat en proberen er ietsje minder kwalijke effecten van te hebben. Die vermaatschappelijking klinkt prachtig, maar het zet zo weinig zoden aan de dijk. Het gaat om enorme budgetten en een enorme sector die van zo'n groot belang is in onze samenleving. We zouden een andere aanvliegroute moeten kunnen kiezen. Voedsel moet weer betaald kunnen worden in de markt. Ik ben heel blij dat vandaag de toekomstagenda van de Tweede Kamer is vastgesteld waarin een onderzoeksvoorstel van de PvdD zat. In dat onderzoek moeten we bekijken welke economische instrumenten we kunnen inzetten om toe te gaan naar een duurzame voedselproductie. Dat onderzoek gaat dus lopen. Ik vind dat we er op moeten sturen dat voedsel weer betaald gaat worden in de markt. Een
maatschappelijke dienst, als je de natuur niet vervuilt of vertrapt, dat is eigenlijk een gekke definitie. Dat zou de standaard moeten zijn.

Zo zien we ook het landbouwbeleid voor ons. Daar staan de piketpalen. Het moet in zichzelf duurzaam zijn. Er kunnen uitzonderingen zijn, bijvoorbeeld als er een vergoeding nodig is omdat een maatschappelijke dienst anders niet terug te verdienen is. Dat staat echter haaks op wat er nu speelt in Europa en hoe het kabinet in deze discussie zit. Ik heb gezien dat de staatssecretaris zich nog steeds verzet tegen verplichte etikettering wat betreft de herkomst in de zuivelsector. Ik snap dat niet. Het past juist goed bij het aangeven van de duurzaamheid. We kunnen dan zien of de melk afkomstig is van Britse boeren die kalfjes afschieten die te licht zijn en waar geen bestemming voor is. Dat zou je toch op een etiket willen communiceren naar consumenten. Ik heb eerder gevraagd naar de ontwikkeling met betrekking tot het kloneren van dieren. De staatssecretaris had daar toen nog geen antwoord op. In Amerika is het al gaande omdat de FDA het goedkeurt. Het risico bestaat dus dat producten van gekloonde dieren op de Europese markt komen. Op dit moment hebben we nog niet de instrumenten om dit tegen te houden. Hoe we dat kunnen stoppen? Ik weet niet of het nu aan de orde komt, maar misschien kan de staatssecretaris dat intern met zijn ambtenaren uitdokteren. Ik krijg daar graag antwoord op. Zijn de berichten juist dat Nederland niet zou kunnen voldoen aan het verbod op de legbatterij per 1 januari 2012? De staatssecretaris begrijpt dat ik daar niet over te spreken zou zijn. Graag een reactie daarop. Ik heb deze zomer wat werkbezoeken afgelegd, onder andere in de pluimveesector. Daar sprak ik een pluimveehouder die zijn dieren deels nog in een legbatterij had zitten. Ik vroeg hem wat hij zou gaan doen met zijn kooien. Hij vertelde mij eerlijk dat hij meer geld zou krijgen als hij het zou verkopen aan de Oekraïne dan wanneer hij het naar de oudijzerhandel zou brengen. Ik zou dat vreselijk vinden en daarom vraag ik de staatssecretaris de mogelijkheden van een sloopregeling te onderzoeken. We moeten onze oude kooien niet exporteren en volgens mij kunnen we nu nog ingrijpen. Ik overweeg een motie op dit punt.

De heer Dijkgraaf (SGP): Dit is precies de reden waarom wij vaak aangeven dat we het probleem wel zien, maar dat we dat probleem Europees zouden moeten aanpakken. Het
leidt anders vaak tot een verplaatsing van het probleem. Terecht dat mevrouw Ouwehand dit probleem aanstipt, maar misschien wil ze in de toekomst ook in de discussies meenemen dat we zaken internationaal moeten aanpakken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voor zover ik weet is het een Europees verbod op de legbatterij, dus de heer Dijkgraaf wordt op zijn wenken bediend. Ik vind echter dat we
zelfstandig een afweging hebben te maken over hoe we met onze dieren omgaan. Ik verwacht niet zoveel van de internationale gemeenschap en hoe dat opschiet. Natuurlijk, de problemen met verplaatsing zien wij ook, maar wij zien er niets in om te wachten tot de wereld over 150 jaar misschien ook van de legbatterij af wil. Daar doen we dieren ook geen goed mee.

De heer Dijkgraaf (SGP): Dat snap ik. Het is altijd een afweging. Hoe meer we mee kunnen nemen, hoe makkelijker we dit soort problemen kunnen voorkomen. De Europese Unie heeft dit afgesproken, maar dat betekent niet dat alle Europese landen -- dat ligt eraan hoe je Europa definieert -- dit ook doen. Vandaar dat op die markt mensen wel geïnteresseerd zijn in dit soort systemen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik ben er natuurlijk wel voor dat het Europese verbod op 1 januari 2012 voluit geïmplementeerd wordt. Daar vindt de heer Dijkgraaf mij aan zijn zijde, maar ik vind niet dat we die kooien moeten exporteren naar de Oekraïne, China of waar dan ook.

[…]

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. Ik zal de vragen behandelen in drie blokken, gemeenschappelijk landbouwbeleid, zuivel/melkquotering en overige. Rond het gemeenschappelijk landbouwbeleid verkeren we in de meningsvormende fase per lidstaat. Geen enkele lidstaat laat op dit moment het achterste van zijn tong zien, niet waar het gaat over de verdeling van het geld. Het totaalbudget dat voor het gemeenschappelijk landbouwbeleid vanaf 2013 beschikbaar is, is nog in nevelen gehuld.

[…]

Ook op het punt van de pijlers laat nog niemand het achterste van zijn tong zien. Met name de nieuwe lidstaten zijn een groot voorstander van een sterke tweede pijler. Ze zien mogelijkheden om de plattelandsstructuur te versterken in de meest brede zin van het woord. Wij vinden echter dat we een sterke eerste pijler moeten hebben om de ontwikkelingen en de innovatie bij de agrarische ondernemer te versterken.

[…]

De SER zegt dat voedselzekerheid in de enge zin van het woord onvoldoende rechtvaardiging biedt om vanuit het Europees landbouwbeleid steun te geven aan agrarische ondernemers in Nederland. We hebben in onze brief aangegeven dat we ons dat kunnen voorstellen op de schaal van Nederland. Op de schaal van Europa is het een heel ander verhaal. We moeten produceren volgens Europese standaarden en die zijn vrij hoog mondiaal gezien. We hadden net het voorbeeld van de export van kooien aan de orde. Bij de buren in de Oekraïne gaat de kooi gewoon in productie, terwijl wij diervriendelijker met onze kippen omgaan. We werken volgens een hoge standaard. We moeten ook niet vergeten dat de voedselproductie in Europa behoorlijk beter en hoger kan, niet alleen kwalitatief maar ook kwantitatief.

[…]

Er wordt veel gesproken over agrarisch natuurbeheer, maar volgens mij moeten we die term vergeten. Ik zou boeren wel willen belonen voor het in stand houden van het agrarisch cultuurlandschap en de daarbij behorende natuurwaarden. Dat zijn niet die hoge natuurwaarden die we in Natura 2000 beogen. Het zijn de gewone dingen die mensen bijna zijn vergeten en die bijna verloren zijn gegaan. Bij agrarisch cultuurlandschap hoort de koe in de wei en de patrijs in de akkergebieden. De gewone dingen die passen bij agrarisch cultuurlandschap en bij de moderne agrarische productiebedrijven. We kunnen misschien stellen dat agrarische ondernemers in aanmerking komen voor een basispremie als ze een prestatie leveren waar
het gaat om het agrarisch cultuurlandschap en bijbehorende waarden. Degenen die bewust geen prestatie leveren omdat zij elke vierkante meter in productie hebben, ontvangen geen basispremie. Deze optie is wat mij betreft het bediscussiëren waard.

[…]

Over de etikettering hebben we eerder gezegd dat de sector dat zelf moet regelen en dat we daar niet meteen allerlei overheidsregels aan willen verbinden. Het is niet waarneembaar of producten van gekloneerde dieren komen en daarom kunnen we er ook geen beleid op zetten. Ik vind het een beetje te ver gaan om een subsidie op oud ijzer te geven om de export van oude kooien te voorkomen. Oekraïne is volgens mij nog niet ver genoeg om tot de Europese Unie toe te treden. Dat is de boze wereld waarin we leven. Je kunt daar heel verdrietig over zijn, maar je kunt ook blij zijn dat we het in Europa goed doen. Europese landen die niet aan hun verplichtingen op dit punt voldoen worden aangepakt.

[…]

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Ik wil graag de toezegging van de staatssecretaris dat hij de pluimveehouders duidelijk maakt dat 1 januari 2012 toch echt 1 januari 2012 is. Dan hebben we hier geen legbatterij meer. Ik vind het gek dat hij niet wil meedenken over een mogelijke slooppremie. Het hoeft niet helemaal uit de staatskas, want de boeren zeggen dat het niet zoveel scheelt. We moeten niet naar Oekraïne en China willen exporteren. Het kan gewoon naar het oud ijzer. Mijn verzoek aan de staatssecretaris is om dit uit te zoeken en een regeling te maken. Zo voorkomen we dat we de productiemethoden die we hier verbieden gaan exporteren en dat we vervolgens aan de grens niet kunnen tegenhouden wat we de boeren hier verbieden.

[…]

Staatssecretaris Bleker: Voorzitter. De heer El Fassed kan ik enigszins positief stemmen, ondanks dat ik in de eerste termijn niet op zijn vraag ben ingegaan. In de brief van het kabinet staat dat we de exportsubsidies volgens afspraak in 2013 zullen afschaffen. Daar blijven we achter staan. Overigens moet ik zeggen dat het een zegen zou zijn wanneer er een vorm van gemeenschappelijk landbouwbeleid in Afrika zou komen. Wij kunnen het wel willen afschaffen, maar gode zij dank als dat daar tot stand zou komen zoals het vijftig jaar geleden hier begonnen is. Collega Knapen en ik proberen het voorbeeld te geven door de aspecten landbouw en duurzame voedselzekerheid in de ontwikkelingssamenwerking te betrekken. In Europa kunnen we kritisch zijn richting het gemeenschappelijk landbouwbeleid, maar dat is een vorm van welvaart die door de verworvenheid van 50 jaar gemeenschappelijk landbouwbeleid tot stand is gekomen. Een modern gemeenschappelijk landbouwbeleid zou heel goed bij Afrika passen. Op 1 januari 2012 gaat het verbod op de legbatterij in. Dat staat niet op de agenda voor deze Landbouw- en Visserijraad. Wij zullen ons echter houden aan de afspraken die eerder zijn gemaakt en we zullen de sector daar ook op aanspreken. Met een exportverbod of sloopregeling raken we ver van huis. Een exportverbod is zelfs niet mogelijk.

[…]

De voorzitter: Dat kan, dan gaan we die motie aanbieden. We gaan uitzoeken hoe we dat het beste kunnen doen en dan zorgen we ervoor dat het voor het kerstreces in stemming gebracht kan worden. Ik sluit de vergadering en dank de gast vanuit het Europarlement, de heer Gerbrandy, voor zijn komst.