Bijdrage Ouwehand AO L&V raad 12 en 13 december 2016


18 januari 2017

Klimaatactie landbouw

Voorzitter. Ik vraag de Staatssecretaris om, terwijl hij de motie van de Partij voor de Dieren eerder heeft ontraden, toch de afspraak na te komen om een groter deel van de EU-begroting in te zetten voor klimaatactie. De landbouw moet daarvoor bij de lurven worden gegrepen. De Europese Rekenkamer is niet zomaar een cluppie dat zegt: o, we komen de afspraken niet na. Nee, het zijn serieuze uitspraken. De Staatssecretaris durfde nog niet zo goed aan de slag met Grondie opdracht, maar nu ook de Partij van de Arbeid zegt dat het belangrijk is, kan hij zich misschien gesteund voelen om wél stappen te zetten. Ik zie dat mijn inbreng hem tot nu toe zeer amuseert.

Biologische landbouw

Ik kom op de biologische landbouw. Andere woordvoerders hebben er ook over gesproken. Het leek redelijk goed te gaan. Dat wil zeggen: er is geen discussie tussen Kamer en kabinet over de richting die die nieuwe Europese voorstellen moeten inslaan. De biologische sector moet er echt mee gediend zijn. De inzet is op zichzelf goed, maar wij maken ons wel steeds grotere zorgen. Vorige keer heb ik al aandacht gevraagd voor de contaminatie. Daar zit een groot zorgpunt voor de biologische sector. Die nultolerantie zou betekenen dat biologische producten mogelijk niet meer als biologisch kunnen worden verkocht. Wat mij gisteren opviel – dat doet denken aan de discussie over de fosfaatrechten en de zogenaamde grondgebonden landbouw – is dat in de voorliggende voorstellen de link met de bodem wordt omschreven als: grondgerelateerde landbouw in plaats van grondgebonden landbouw. Dat betekent een verwatering van dat begrip. In de praktijk kan dat betekenen, zo waarschuwt Bionext ons, dat teelt op substraat hieronder gaat vallen, zoals in Scandinavië en berggebieden gebeurt. De Partij voor de Dieren zou graag willen dat Nederland vasthoudt aan een vruchtbare bodem als de hoeksteen van de biologische landbouw. Deze kleine verschuiving in de definitie kan grote impact hebben. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat hij zich zal blijven inzetten op een goed pakket voor de biologische landbouw met de bodem als de letterlijke grond onder een gezonde landbouw?

Hormoonverstorende stoffen

Dan de hormoonverstorende stoffen. Daar hebben wij ook zorgen over. De berichten zijn dat Nederland positief staat tegenover de voorliggende voorstellen, terwijl er weinig is veranderd ten opzichte van het eerste voorstel van de Europese Commissie. Daar zitten nog steeds forse fundamentele tekortkomingen in. De bewijslast voor die hormoonverstorende stoffen lijkt onredelijk hoog te zijn. Het lijkt erop dat de voorstellen het niet heel gemakkelijk maken om daadwerkelijk gevaarlijke stoffen of stoffen waarvan wij het vermoeden hebben dat ze in potentie erg gevaarlijk kunnen zijn, ook daadwerkelijk te kunnen verbieden. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat dat de inzet is bij het beoordelen van stoffen die een gevaar voor de volksgezondheid vormen en stoffen die een groot gevaar zouden kunnen vormen en die wij daarom als voorzorg moeten kunnen aanpakken? Het lijkt niet goed te gaan. Wij maken ons daarover grote zorgen.

Visserij

De allergrootste zorg is wellicht de toestand van de zeeën en oceanen. De inbreng van de Kamer stelt wederom niet gerust. December is traditioneel de maand waarin in Brussel de nieuwe vangstquota voor het komend jaar worden vastgesteld. Het gaat ieder jaar hetzelfde. Er zijn wetenschappelijke adviezen en analyses die ervoor moeten zorgen dat de overbevissing een halt wordt toegeroepen. Er is druk vanuit de lidstaten. De meerderheid heeft daar eigenlijk gewoon geen boodschap aan. De meerderheid blijft zeggen: ja maar de vissers, ja maar de vissers. Dat kun je een jaar zeggen, dat kun je twee jaar zeggen, maar als je dat 25 jaar blijft doen, zijn alle visbestanden overbevist. Dat zien wij nu. 60% van de Europese visbestanden bevindt zich buiten de biologisch veilige grenzen. Dat blijkt uit de laatste rapporten. Ergens moet er natuurlijk een kantelpunt komen waarbij wij wél zeggen: de bescherming van de ecosystemen in de zeeën, de bescherming van de visbestanden staat voorop. Daar kun je op verschillende manieren naar kijken. De Partij voor de Dieren is sowieso niet zo’n groot voorstander van het vangen van vissen, maar als het je niet om het dierenwelzijn gaat, is het ook niet in het belang van de vissers, waar het andere partijen om te doen is, om deze wetenschappelijke adviezen gewoon naast je neer te leggen, omdat ze je even niet goed uitkomen. Het is echt belangrijk om de afspraken….

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand, ik zie dat de heer Bruins u wil interrumperen. Daarna is uw spreektijd ook voorbij. De heer

Bruins (ChristenUnie):

Hoor ik mevrouw Ouwehand nou zeggen dat wetenschappelijke adviezen terzijde worden geschoven? Het is mijn beeld dat de sector en de politiek wetenschappelijke adviezen gebruiken om quota vast te stellen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Deels, maar deels ook niet. Deels is er altijd, ook vanuit uw partij, weer de druk om de randen daarvan op te zoeken en toch een procentje meer te behalen. Ik denk aan de aanlandplicht, die is geïntroduceerd om devisserij te verduurzamen. De grootschalige bijvangst van kwetsbare soorten moet je dan verminderen. De ChristenUnie komt voortdurend met vragen om die aanlandplicht toch maar eventjes wat soepeler te maken, want de vissers hebben moeite met overschakelen. Dat betekent dat kwetsbare soorten langer op grotere schaal worden bij gevangen dan verantwoord is. Dat klopt.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Mijn beeld is dat de ChristenUnie er altijd voor pleit om binnen datgene wat wetenschappelijk bekend en verantwoord is, te blijven. Ook in mijn bijdrage heb ik zojuist gepleit voor het consequent handhaven volgens één methodiek. Ik heb gevraagd om een tussentijdse benchmark van ICES. Het probleem is eerder: wat zien wij als wetenschappelijk betrouwbaar? Wellicht dat mevrouw Ouwehand en ik daarover van mening verschillen, maar laten wij alsjeblieft met z’n allen pleiten voor betrouwbare wetenschappelijke gegevens waar wij binnen kunnen blijven. Wellicht dat wij elkaar daarop kunnen vinden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Jazeker, maar dan is er ook nog steeds een positie waarvoor je zou kunnen kiezen als onvoldoende gegevens beschikbaar zijn, namelijk het voorzorgsbeginsel. Ook daar laat de ChristenUnie het afweten. Als je weet dat 60% van de Europese visbestanden nog steeds is overbevist, als je ziet dat het op basis van de gegevens wel goed lijkt te gaan met tong en schol, maar dat de plannen die daarvoor vastgesteld worden, betekenen dat kwetsbare bijvangstsoorten verder in de verdrukking komen, dan moet je kiezen voor de meest veilige optie voor het behoud van de bestanden en de ecosystemen in de zee. En dat doet de ChristenUnie structureel niet.

De voorzitter: Dit is een persoonlijk feit.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik heb toch het idee dat hier mythevorming tegenover wetenschappelijke werkelijkheden wordt gezet. Ik pleit er echt voor om ons te houden aan datgene wat wij wetenschappelijk weten. Daar sta ik voor.

De voorzitter:

Daar mag mevrouw Ouwehand nog even op reageren en daarna kan zij haar afrondende zin uitspreken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De feiten laten iets anders zien. Het zou mooi zijn als het waar was – dat meen ik echt – maar ik zit hier al wat langer en ieder jaar is de uitkomst dat wij de overbevissing geen halt toeroepen, terwijl dat wel 25 jaar geleden in het gemeenschappelijk visserijbeleid is afgesproken. Dat komt omdat collectief de meerderheid van de parlementen die hun visserijministers naar die Raden sturen, meer belang hecht aan het kortetermijn-belang van de vissers voor het komend jaar dan aan het langetermijn-belang van het werkelijk behouden en beschermen van de soorten in de zee. De Partij van de Dieren protesteert nadrukkelijk tegen een verhoging van het tarbot- en grietquotum. Dat zijn de bijvangstsoorten die nu in de verdrukking dreigen te komen omdat het met schol en tong wat beter zou gaan. De Staatssecretaris zegt dat we daar wel wat meer van kunnen vangen, maar deze bijvangstsoorten komen in de verdrukking, terwijl ook zij bescherming verdienen. Graag een reactie.

Interrrupties bij andere partijen

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik ben blij dat de Partij van de Arbeid ook aandacht vroeg voor klimaat in relatie tot de landbouw. De Europese afspraak is dat een fors deel van de Europese gelden wordt ingezet voor klimaatactie. De Europese Reken-kamer heeft geconcludeerd dat landbouw enorm achterloopt. Vindt de Partij van de Arbeid dat de afspraak om een groter deel van de EU-gelden in te zetten voor klimaatactie moet worden nagekomen en vindt de Partij van de Arbeid dat ook de landbouw daar zijn afgesproken deel van moet leveren?

De heer Van der Velde (PvdA):

Het antwoord op de eerste vraag vraagt om nadere analyse. Het is aantrekkelijk en aannemelijk om daarvoor te kiezen. De Partij van de Arbeid deelt de zienswijze van mevrouw Ouwehand op de tweede vraag.

Beantwoording staatssecretaris

Visserij

Mevrouw Ouwehand merkte in zijn algemeenheid op dat de bescherming van de natuur voorop moet staan en dat wetenschappelijke adviezen leidend moeten zijn. Voor mij is een gezond visbestand leidend. Een gezond visbestand betekent dat je vis kunt vangen en consumeren, maar wel op zo’n manier dat het bestand intact blijft en niet achteruitgaat. Sterker nog, als het nodig is, moeten bestanden de kans krijgen om aan te groeien. Dat is voor mij steeds het uitgangspunt bij het beoordelen van de voorstellen van de Commissie. Men kan dat ook terugzien in mijn inzet voor de decemberraad.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De Staatssecretaris heeft natuurlijk deels gelijk. De inzet van de Nederlandse regering ten aanzien van de maximale vangsthoeveelheden is gericht op het behoud van de soorten, maar wat hij niet hardop zegt of bevestigt, is dat dat tot nu toe nog niet is gelukt. De afspraak binnen het GVB was dat de overbevissing in 2015, maar uiterlijk in 2020, zou stoppen, maar we hebben de doelstelling van 2015 niet gehaald. 60% van de Europese visbestanden wordt nog steeds overbevist. Uit rapporten van de adviescommissie van de Europese Commissie zelf blijkt dat dat ook geldt voor bijna de helft van de soorten in de Noordzee. Als de regering wat scherper aan de wind gaat varen, komt de Kamer met moties waarin zij het kabinet terugfluit. Kan de Staatssecretaris dit eens beschouwen? Hoe groot is de kans dat we het dit jaar wel gaan halen, zodat de soorten niet langer in de gevarenzone verkeren? Misschien zou dat zelfs wel onze ambitie moeten zijn, want eigenlijk zouden die soorten niet in, maar buiten de gevarenzone moeten verkeren. Gaan we de FMSY-niveaus halen in 2017?

Staatssecretaris Van Dam:

Mevrouw Ouwehand zegt dat, als ik scherper aan de wind zou varen, er moties van de Kamer komen. Ik vraag haar waar ik wat haar betreft scherper aan de wind zou moeten varen als het gaat om de Noordzee. De lijn die ik steeds volg is dat ik het meerjarenplan dan wel het ICES-advies volg. Dat ziet juist op een duurzaam visbestand in de Noordzee. Ja, er zijn soorten die in de Noordzee nog steeds onder druk staan. We proberen op dat punt ook stappen te zetten. Maar eigenlijk doen we het vrij goed in de Noordzee. Ik kan beamen dat het commitment van Nederland aan het bereiken van de doelen die mevrouw Ouwehand noemde, niet altijd wordt gedeeld door alle andere EU-lidstaten – ik formuleer het voorzichtig – op het moment dat het moet leiden tot concrete voorstellen. In zijn algemeenheid is er volop draagvlak voor het bereiken van MSY in 2020, en binnen de EU het liefst eerder. Maar goed, als het concreet wordt en de visserijquota voor bepaalde soorten in meestal andere gebieden dan de Noordzee naar beneden moeten, dan heeft dat ook sociaaleconomische consequenties, waar veel van mijn collega’s natuurlijk ook weer gevoelig voor zijn. Dat verklaart ook waarom er altijd tot midden in de nacht moet worden onderhandeld in de Raad van december.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Die schets is mij duidelijk. Ik zou de Staatssecretaris wel met een scherper beschermingspakket op pad willen sturen, maar ik weet ook dat dat niet gaat lukken; de moties daarover zullen worden afgewezen. Daarom vraag ik de Staatssecretaris gewoon om even vooruit te kijken en zijn verwachtingen over 2017 en over het behalen van de doelen in uiterlijk 2020 te projecteren. We zitten al in reservetijd. De afspraak om niet te gaan overbevissen is al heel oud. Toen kwam er een doelstelling voor 2015, met uitloop naar 2020. Het Scientific, Technical and Economic Committee for Fisheries, dat de Europese Commissie adviseert, zegt dat in 2016 nog 9 van de 21 soorten in de Noordzee overbevist worden. Dat is in 2016, dus al een jaar na 2015. Daar heb ik het over. Dat geeft de indruk dat we meer moeten doen, scherper aan de wind moeten varen.

De voorzitter: Wat is uw vervolgvraag?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik vraag nogmaals aan de Staatssecretaris om uiteen te zetten – dat mag ook in een brief – wat de kans is dat we het in 2017 gaan halen en wat er moet gebeuren om het uiterlijk in 2020 te halen.

Staatssecretaris Van Dam:

Dit is precies waarom ik steeds zeg: ik volg de adviezen van ICES, omdat die gericht zijn op het zo snel mogelijk bereiken van of vasthouden aan MSY. Wat betreft bijvoorbeeld tong en schol zitten we al op MSY. Sterker nog, de eerste twee sprekers vanuit de Kamer gaven aan dat, als je alleen naar MSY kijkt, er meer ruimte zou zijn voor het ophogen van de quota. Dat is zo, alleen hebben we ook nog de geassocieerde soorten. Als je meer tong en schol gaat vangen, dan vang je ook meer andere vissen. Voor die geassocieerde soorten geldt dat we nog niet op de gewenste niveaus zitten. Daar moeten we dus voorzichtig mee zijn. Ook wat dat betreft zijn er voorzichtige signalen – we hebben er onvoldoende echte data over – dat het iets beter gaat. Ik noem hierbij als voorbeeld de bestanden van tarbot en griet. Maar het moet echt goed worden onder-bouwd voordat je overgaat tot het ophogen van quota daarvoor. Dat is precies ook mijn inzet. Daar waar we er nog niet zijn, zullen we op basis van meerjarenplannen en ICES-adviezen stap voor stap tot de gewenste doelstelling komen.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik borduur hier nog even op door. De Commissie kiest ervoor om voor schol MSY te gebruiken. Als het gaat om tong heeft de Staatssecretaris de vrije keus om óf de meerjarenbeheerplannen óf MSY te volgen; die leveren allebei betrouwbare wetenschappelijke resultaten. Als de Staatssecretaris consequent is, kiest hij ook voor MSY voor tong, zou ik denken.

Staatssecretaris Van Dam: Nee, als ik consequent ben, dan kies ik voor het volgen van het meerja-renplan en het volgen van het ICES-advies. Dat doe ik namelijk altijd.

Klimaatactie landbouw

Staatssecretaris Van Dam:

Gisteren heeft Commissaris Hogan op de EU Agricultural Outlook Conference aangegeven dat in het toekomstige gemeenschappelijk landbouwbeleid verduurzaming en milieu en klimaatmaatregelen een veel sterkere rol zullen moeten gaan spelen. Hiermee geef ik ook antwoord op mevrouw Ouwehand. Het kwam ook naar voren tijdens de begrotingsbe-handeling. Ik zie de opgave vooral in het definiëren van het toekomstige GLB. Zij zegt: u zou eigenlijk vandaag al alle budgetten moeten omgooien. Dat lijkt me geen realistische wens. De wens is om het nieuwe GLB anders te richten dan het huidige, om dat te verbreden van een landbouwbeleid naar een landbouw- en voedselbeleid, met daarin een verduurzamings-opgave, stimulering van innovatie en instrumenten die boeren helpen om klappen op te vangen in een volatiele markt. Die transitie naar een nieuw GLB is al ingewikkeld genoeg in Europa. Er zijn heel verschillende belangen en daarmee ook heel verschillende opvattingen bij de lidstaten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De Staatssecretaris mist even dat al was afgesproken om tussen 2014 en 2020 20% van de Europese begroting te besteden aan klimaatbeleid en dat de Europese Rekenkamer zegt dat de afspraken niet worden nagekomen. En dat is niet de minste; als de Nederlandse Algemene Rekenkamer tegen ons zegt dat de afspraken niet worden nagekomen, nemen we dat heel serieus, als het goed is. Landbouw loopt gewoon fors achter. Eigenlijk zegt de Staatssecretaris: jammer de bammer, we hebben het wel afgesproken, maar we gaan niet ons best doen om het te halen.

Staatssecretaris Van Dam:

Dit is waarom ik zojuist even moest lachen. Mooi dat mevrouw Ouwehand het nog een keer probeert. Je moet realistisch zijn in het stellen van je doelen. Volgend jaar 20% van het GLB-budget totaal omgooien en aan klimaatdoelen besteden, is geen realistisch doel. Dat gaat niet gebeuren. De discussie, die heel wezenlijk is en ook tegemoetkomt aan de richting die mevrouw Ouwehand voor ogen heeft, betreft de vraag: kun je in een toekomstig GLB ervoor zorgen dat maatschappelijke doelen als verduur-zaming, het leveren van een positieve bijdrage aan klimaatverandering en zorgdragen voor een mooi landschap, een veel sterkere rol spelen? Daarmee kom je eigenlijk ook tegemoet aan de vraag die mevrouw Ouwehand op tafel legt, namelijk zorg ervoor dat het grote budget, dat een groot deel is van de totale EU-begroting, in veel sterkere mate gericht wordt op klimaat en soortgelijke duurzaamheidsdoelen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Dit is een treurige illustratie van hoe het voortdurend gaat met afspraken over kwetsbare waarden. Je maakt een afspraak – dat heb ik niet zelf verzonnen; Nederland heeft zich eraan gecommitteerd – namelijk dat tussen 2014 en 2020 20% van de EU-begroting gericht is op klimaatactie. 2016 is bijna om, dus hebben we nog drie jaar. Vervolgens komt de aap uit de mouw: het kabinet zegt «maar die afspraak is niet realistisch, dat kunnen we niet doen». Zo gaat het altijd en dat biedt niet veel hoop voor het naleven van de klimaatafspraken van Parijs. Ik snap wel dat het lastig is, maar weet u wat pas lastig is? Wachten en vervolgens die enorme klimaatopgave niet meer aankunnen. Hoe langer we wachten, hoe meer geld het kost. Hoe langer we wachten, hoe moeilijker het wordt. Dit biedt dus weinig hoop op een duurzame toekomst.

Staatssecretaris Van Dam:

Ja. Ik zou kunnen zeggen dat nu al een belangrijk deel van het GLB-budget gekoppeld is aan vergroeningseisen. Er is discussie over de vraag of ze groen genoeg zijn, maar het gaat om verduurzaming. Al 30% van de directe betalingen is gekoppeld aan deze eisen. Ik deel de ambitie van mevrouw Ouwehand dat het verder moet gaan dan dat. Alleen, het is niet realistisch om te verwachten dat er in de huidige GLB-periode flink wordt omgevormd. Natuurlijk, mogelijk komt de Europese Commissie nog met een midterm review waarin men scherp kijkt naar de vergroeningseisen, maar het meest realistisch is om ons te focussen op de discussie over de toekomst van het GLB. De Commissie heeft gisteren aangekondigd dat ze begin volgend jaar begint met haar consultatieronde gericht op de toekomst van het GLB. De Commissie zal dan ook met een standpunt komen. Gisteren heeft ze de eerste uitspraken hierover gedaan. Ik moet zeggen dat de richting van deze uitspraken me wel bevalt. Het gaat de goede kant op, een kant die ook mevrouw Ouwehand zal bevallen, denk ik.

Hormoonverstorende stoffen

Staatssecretaris Van Dam:

Ik kom op de vragen van de PvdA en de Partij voor de Dieren over de hormoonverstorende stoffen. De heer Van der Velde vroeg hoe realistisch het is te verwachten dat er hierover snel een voorstel komt. De Europese Commissie heeft laten weten dat zij ernaar streeft dat er snel een richtsnoer komt, zodat daadwerkelijk beoordeeld kan worden wat hormoonverstorende stoffen zijn. De leden weten dat ik hier eerder heb gezegd dat zowel Staatssecretaris Dijksma als ik in onze respectievelijke Raden, namelijk zij in de Milieuraad en ik in de Landbouwraad, aandacht heeft gevraagd van de Commissie voor het voorstel. Wij hebben allebei de Commissie gevraagd om te zorgen voor snelle duidelijkheid over een richtsnoer op basis waarvan dit bepaald kan worden. De Commissie heeft toegezegd dat te doen. Volgens mij ligt de vraag van mevrouw Ouwehand hierover in het verlengde hiervan. Mijn antwoord op haar vraag ligt dus ook in het verlengde van het voorgaande antwoord. De Europese Commissie heeft naar aanleiding van het voorstel dat Staatssecretaris Dijksma en ik hebben gedaan, concreet een werkgroep ingesteld van de European Food Safety Authority (EFSA) en de European Chemicals Agency (ECHA), om dat richtsnoer te gaan opstellen. In de werkgroep zitten experts van de verschillende lidstaten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb gezegd dat we signalen krijgen waaruit blijkt dat het voorstel dat nu voorligt, niet wezenlijk is veranderd. En het lijkt erop dat de bewijslast voor die stoffen onredelijk hoog is. Het lijkt er dus op dat het onnodig en onverantwoord moeilijk is om die stoffen aan te pakken. Datzelfde geldt voor stoffen die in potentie zeer gevaarlijk zijn en die je uit voorzorg zou moeten kunnen weren. Ik heb gevraagd of de inzet van het kabinet nog steeds gericht is op het daadwerkelijk kunnen verbieden van stoffen die gevaarlijk zijn en op het uit voorzorg ook kunnen verbieden van stoffen die een te groot risico zouden kunnen vormen voor de volksgezondheid.

Staatssecretaris Van Dam:

Voor stoffen die een te groot risico vormen voor de volksgezondheid geldt dit sowieso. We hebben hier echter eerder uitgebreid gesproken over het voorstel van de Europese Commissie. Toen was de essentie dat werd geconstateerd dat het ook moeilijk te beoordelen was wat de uiteindelijke consequentie zou zijn. Mevrouw Ouwehand zegt: eigenlijk is het voorstel niet streng genoeg. Andere woordvoerders in de Kamer zeggen: het voorstel is veel te streng. Dit is moeilijk te beoordelen als je geen heldere richtsnoeren hebt op basis waarvan die stoffen beoordeeld kunnen worden. Onze inzet is nu, te komen tot die heldere richtsnoeren.

(…)

Tweede termijn

Visserij

De heer Van der Velde (PvdA):

Ik wijs de Staatssecretaris er ten slotte op dat de kwestie van de hormoonverstorende stoffen voor mijn fractie belangrijk is. We zullen dat nauw blijven volgen. Datzelfde geldt voor de ontwikkelingen rond het platform voor dierenwelzijn.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Dat geldt ook voor de Partij voor de Dieren. Ik dank de Staatssecretaris voor zijn beantwoording. Mijn fractie heeft grote zorg over het behoud van onze ecosystemen. De zeeën en oceanen zijn de belangrijkste ecosystemen. Verder is er de uitdaging om de klimaatveran-dering een halt toe te roepen. Op beide terreinen doet hetzelfde grapje zich voor, dat overigens helemaal niet zo grappig is. Men heeft grote zorg over die doelen. In het gemeenschappelijk visserijbeleid staat al heel lang dat overbevissing moet worden aangepakt en moet worden gestopt. Klimaatverandering is zo urgent als het maar zijn kan. Steeds is de uitweg om met ambities voor de toekomst te komen om die zorgen te sussen. Op het moment dat die ambities ook echt moeten worden gehaald, wordt de bal echter teruggekaatst. Dan zegt men: ja, maar het is niet heel realis-tisch, want we lopen nu hierin en daarin vast. Dat biedt weinig hoop voor de toekomst. Ik wil graag aansluiten bij het verzoek om een VAO, om hierover moties in te kunnen dienen. Verder wil ik nog iets zeggen over dat kerstcadeau dat de Staatssecretaris gaat geven aan zijn collega’s. Zou hij er een groentepakket bij kunnen geven? Dat is namelijk echt typisch voor Nederland en we zijn er heel trots op. In dat pakket moeten dan groenten zitten die via de klassieke veredeling zijn geteeld. Daarmee zou iets gezegd worden over het knokken voor het behoud van het kwekersrecht, een Nederlandse uitvinding. Ik pleit voor een mooi kratje met de beste en de lekkerste groenten die daaruit zijn voortgekomen. Dat is meteen ook een signaal dat we wat plantaardiger moeten gaan eten. En mochten de Fransen het nou in hun hoofd halen om aan de Staatssecretaris een pakketje foie gras te geven, dan reken ik erop dat hij zegt: vriendelijk bedankt, maar dat hoef ik niet.

(…)

Staatssecretaris Van Dam:

Ook mevrouw Ouwehand heb ik geen vragen meer horen stellen. Zij maakte nog wel een aantal opmerkingen over haar zorg over de toekomst van onze ecosystemen. We hebben het net over twee belangrijke ecosystemen gehad, namelijk in de eerste plaats in het kader van de vraag hoe we met de visserij omgaan, en in de tweede plaats in het kader van landbouw en klimaatverandering.

De voorzitter:

Mevrouw Ouwehand heeft toch nog een vraag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mijn opmerking over dat kerstcadeau is natuurlijk een beetje lollig, maar ik meen wel wat ik daarover heb gezegd. Ik zou het echt leuk vinden als er ook een pakket met groenten die via klassieke veredeling nóg beter zijn geworden, bijgedaan zou worden. Daarmee zouden we aandacht blijven vragen voor het kwekersrecht, die Nederlandse uitvinding. Mijn opmerking over de Fransen meen ik ook. Ik reken er echt op dat als de Fransen met foie gras aankomen, de Staatssecretaris zal zeggen: liever niet. Een paar jaar geleden kregen alle Kamerleden hier een kerst-cd van Nick & Simon. Toen zei ik ook: die hoef ik niet. Je komt daar wel even mee in de krant. Met het weigeren van foie gras zou de Staatssecretaris ook in de krant komen. Ik hoop dat de Fransen niet met foie gras aan komen zetten, maar mocht het toch gebeuren, dan zegt de Staatssecretaris toch wel: nee, bedankt?

Staatssecretaris Van Dam:

Mochten de Fransen mij een cd van Nick & Simon aanbieden, dan zal ik die graag aannemen. Verder houden we zeer rekening met elkaars gevoeligheden. Dat zal mevrouw Ouwehand begrijpen. Ik heb dit keer voor de Remekerkaas gekozen. Ik dacht: het is aardig om te melden dat die prijs is gewonnen. Het is geen officieel regeringsbeleid, maar ik dacht: de Kamer vindt het vast leuk om dat te horen. Het idee van mevrouw Ouwehand over de groenten nemen we mee voor een volgende keer. Het is misschien nog wel aardig om te melden dat tijdens de conferentie die we hebben georganiseerd tijdens het voorzitterschap en die ging over de balans tussen kwekersrecht en octrooirecht, de bezoekers werden voorzien van allerhande Nederlandse snackgroenten die tot stand waren gekomen door Nederlandse veredelaars.