Bijdrage Ouwehand AO Landbouw- en Visse­rijraad van 23 januari 2017


18 januari 2017

Bijdrage Ouwehand AO Landbouw- en Visserijraad van 23 januari 2017

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. We zijn aan het begin van het nieuwe jaar en dat betekent dat we terugkijken op de roemruchte decembervergadering van de Landbouw- en Visserijministers. Zoals ieder jaar moeten we vaststellen dat de beloofde maatregelen om de overbevissing uiterlijk in 2020 te stoppen, niet zijn genomen. Wederom is er afgeweken van de adviezen van wetenschappers. Er mag 10% meer tarbot en griet worden gevangen. Voor kabeljauw is het quotum verhoogd met 5%, terwijl een reductie van 4% werd geadviseerd. Ik vraag de staatssecretaris duidelijk te maken hoe we binnen de heel beperkte tijd die we nog hebben, nog maar drie jaar, die overbevissing gaan stoppen als deze maatregelen nog steeds aan de orde van de dag zijn.

Ik kom op TTIP (Transatlantic Trade and Investment Partnership) en hormoonvlees. TTIP ligt weliswaar op zijn gat, maar wat blijkt nu? Amerika lijkt toch echt in de veronderstelling te zijn dat zijn hormoonvlees gewoon op de Europese markt kan komen, terwijl het kabinet ons bij hoog en bij laag heeft bezworen dat dit niet het geval zal zijn. Hoe zit dat?

Er staat ook een door de Commissie gepresenteerd rapport op de agenda over de handelsdeal en de landbouw. Dat is een jubelverhaal, zoals we dat kennen van de Europese Commissie. Dergelijke studies worden door onafhankelijke onderzoekers vaak weersproken. Volgens deze studie zouden sectoren als de zuivelsector of de varkenssector bij het afsluiten van handelsdeals de grote winnaars zijn. We hebben echter eerder studies gezien van Wageningen University die er juist op wijzen dat de Europese en Nederlandse varkenshouders helemaal niet kunnen concurreren met het goedkope kiloknallervlees uit de Verenigde Staten. Dat is al één inconsistentie. Ik krijg hierop graag een reactie van de staatssecretaris. Erkent hij dat het verhaal dat de Europese Commissie presenteert niet de hele waarheid laat zien en dat zeker de gezinsbedrijven de dupe zullen zijn van dit soort deals?

Er speelde eenzelfde gevalletje met de hormoonverstoorders. Het Nederlandse kabinet had, evenals Europa, gezegd dat de regels voor het aanpakken van hormoonverstorende stoffen op geen enkele manier beïnvloed worden door die handelsdeals. Vervolgens lekte uit dat wel degelijk tegen Canada is gezegd: maak je geen zorgen hoor; wij gaan die regels niet zo scherp stellen dat je er last van gaat krijgen. Daarna vond de Europese Commissie dat dat zwakke voorstel over de hormoonverstorende stoffen even snel in stemming moest worden gebracht. Wij hebben ad hoc een motie ingediend om Nederland te vragen om zich te onthouden van stemming, want wij konden niet eens over het voorstel spreken. Dat heeft de staatssecretaris gelukkig netjes gedaan. Hij heeft een voorbehoud gemaakt; dank daarvoor.

De vraag is wel: hoe nu verder? De staatssecretaris zegt dat de gevaarbenadering netjes gevolgd zal worden en dat dit betekent dat een geïdentificeerde hormoonverstorende stof niet zal worden goedgekeurd. Het probleem is natuurlijk dat die identificatie bijna onmogelijk wordt met de criteria die voorliggen, omdat de bewijslast bij overheden zal liggen en ongelofelijk hoog is. Bovendien wordt er een uitzonderingsclausule in het leven geroepen waarin de Europese Commissie voorstelt om risicogebaseerd te beoordelen. Oftewel: er wordt gewerkt met blootstellingsniveaus, terwijl die bij hormoonverstorende stoffen niet zijn aan te geven. Er zijn geen veilige niveaus te geven. Nederland mag dus niet akkoord gaan met dit voorstel.

Het is niet bekend wanneer er een nieuw voorstel van de Commissie komt. De staatssecretaris schrijft dat Nederland van dit moment gebruikmaakt om zijn reactie op de laatste versie van de criteria van de Europese Commissie voor het voetlicht te brengen. De Partij van de Dieren vindt dat dit moet betekenen dat de uitzonderingsclausule wordt geschrapt en dat de gevaarbenadering volledig gevolgd moet worden. De bewijslast mag niet zo zwaar zijn dat hormoonverstoorders gewoon op de markt blijven en dus zelfs in ons voedsel blijven zitten. Ik krijg hierop graag een reactie.

Tot slot kom ik op een ernstige zaak. Er wordt op dit moment in Brussel gewerkt aan een aanpassing van Europese wetgeving met betrekking tot geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik. Daar zit een heel vervelend geneesmiddel in, namelijk het vruchtbaarheidshormoon PMSG dat gebruikt wordt voor het verhogen van de vruchtbaarheid van dieren in de vee-industrie. De herkomst van dat hormoon is gruwelijk. Het hormoon is afkomstig van het bloed van zwangere, drachtige paarden. Hoe gaat dat? Om dat hormoon te verkrijgen, worden paarden aan de lopende band drachtig gemaakt. Deze paarden worden gehouden op zogenaamde bloedboerderijen. Er wordt zo veel bloed afgetapt van die paarden dat ze eruitzien als een levend skelet. De veulens van deze dieren worden niet gewoon geboren, maar voortijdig geaborteerd of zelfs kapot geknipt. Dit gebeurt niet meer in Nederland of Europa — godzijdank niet! — maar het gebeurt wel in Zuid-Amerika. En Europa importeert dat vruchtbaarheidshormoon vervolgens voor de Nederlandse en de Duitse bio-industrie.

De staatssecretaris heeft eerder in antwoord op vragen van de Partij voor de Dieren gezegd dat hij die praktijken onwenselijk vindt. Gelukkig maar! We zijn het dus eens. Hij heeft ook gezegd dat hij bereid is om deze praktijken aan te pakken door te pleiten voor het stellen van Europese dierenwelzijnseisen aan de fabricage van dit soort middelen. Kan hij aangeven wanneer de onderhandelingen over deze wetgeving inzake geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik tussen de Raad en het Europees Parlement beginnen? Kan hij toezeggen dat hij zich tijdens de onderhandelingen sterk maakt voor een verbod op de productie en de import van dit vruchtbaarheidshormoon?

Ik stel die laatste vraag niet alleen namens mezelf, maar ook namens ruim 1,5 miljoen burgers die in één week tijd een petitie hebben getekend. Ik wil deze petitie graag aan de staatssecretaris overhandigen. Dat kan misschien aan het einde van de eerste termijn van de Kamer gebeuren, zodat ik dat persoonlijk kan doen.

Beantwoording door de staatssecretaris van Economische Zaken

Staatssecretaris Van Dam:
Ik ga het eerst hebben over alle vragen over de visserij. Daarbij blik ik ook even terug op de Raad van december en de discussies die wij in dat verband hebben gehad. Daarna ga ik in op de Raad van aanstaande maandag en op de daarbij passende vragen over het rapport-Veerman. Daarna zal ik nog een aantal overige vragen beantwoorden.
(…)

Ik zeg in de richting van mevrouw Ouwehand dat we toen ook hebben besproken dat het verstandig zou zijn om voor bepaalde verstikkingssoorten ook alvast het quotum te verhogen. Het probleem bij die verstikkingssoorten is dat het vaak gaat om bestanden waarover relatief weinig data beschikbaar zijn, dus dat je eigenlijk ook niet goed kunt vaststellen wat nu een verantwoorde vangsthoeveelheid is. Een ding weten we wel zeker: op het moment dat je meer tong mag vangen, ga je ook meer tarbot en griet vangen. De hoofdvraag was: moet je die dan verplicht weer overboord gooien of mag je ze meenemen naar de wal? Maar je vangt ze sowieso.

Het heeft in de decemberraad de nodige onderhandeling gekost om deze twee quotumophogingen voor elkaar te krijgen, maar de Europese Commissie en de andere lidstaten hebben er begrip voor dat het in het licht van de aanlandplicht verstandig is om ook de quota voor die verstikkingssoorten langzaam op te hogen. Dat besluit is ook expliciet voor tarbot en griet genomen. Dat was overigens een expliciet verzoek van de Kamer. De motie daarover is dus met succes uitgevoerd.

Mevrouw Ouwehand had in zijn algemeenheid een wat pessimistisch beeld over de gang van zaken hij de duurzame visserij binnen Europa. Ik deel dat niet. Met het besluit dat de Raad in december heeft genomen, zijn 44 van de 59 bestanden die een MSY-beoordeling hebben, ook vastgesteld op MSY-niveau. Dat betekent dat we bij driekwart van de bestanden nu op MSY-niveau zitten. Zoals ik al zei, is er een aantal soorten waarover te weinig gegevens beschikbaar zijn. Daarbij is de inzet er hoofdzakelijk op gericht om extra gegevens te verzamelen. Dat is ook de afspraak geweest bij tarbot en griet. Er is niet alleen afgesproken dat de quota worden verhoogd, maar ook dat de dataverzameling wordt verbeterd en dat er gedurende dit lopende jaar op basis van wetenschappelijke studies eventueel nog tot een verdere aanpassing van de quota zal worden gekomen.

(…)

Staatssecretaris Van Dam:
Ik heb nog vragen van mevrouw Ouwehand over hormoonverstorende stoffen. Ik heb in de bespreking van voor het kerstreces aangegeven dat we vanwege de Kamermotie geen positie konden innemen. Overigens was die motie wel enigszins verrassend voor mij, omdat we eerder al inhoudelijk over dit onderwerp hadden gesproken. Volgens mij was er toen ook draagvlak voor de positie van het kabinet. Mevrouw Ouwehand verwees duidelijk naar de gevaarbenadering en de risicobenadering. De essentie van het voorstel is in de eerste plaats dat men komt met duidelijke criteria op basis waarvan kan worden vastgesteld of een stof hormoonverstorend is. Daarbij is aangesloten bij alle internationaal gebruikte criteria. Daarmee wordt juist eindelijk de helderheid geboden die wat ons betreft noodzakelijk is. Het is dus juist een stap de goede kant op.

In de tweede plaats zit in het voorstel dat altijd de gevaarbenadering wordt gevolgd: als een stof als hormoonverstorend wordt gekwalificeerd, kan die in principe niet worden toegelaten. Er is echter één uitzonderingsclausule. De mogelijkheid wordt namelijk geboden om een risicobeoordeling toe te passen waarbij voor een mogelijke goedkeuring de aanvrager een verwaarloosbaar risico moet aantonen conform het wettelijke Europese toetsingskader. Bij de risicobenadering ga je ervan uit dat je meer vindt dan bij alleen de gevaarbenadering. Tot nu toe kon er bij een verwaarloosbare blootstelling sprake zijn van een uitzondering, maar nu wordt gezegd: nee, er moet sprake zijn van een verwaarloosbaar risico. Dan wordt er dus naar meer gekeken dan alleen naar de blootstelling, namelijk ook naar het effect van de stof. Dus wat mevrouw Ouwehand omschrijft als een minder goede benadering, is volgens mij juist vanuit het uitgangspunt dat zij hanteert, een betere benadering. Er wordt niet alleen gekeken naar de blootstelling, want alleen de blootstelling zegt onvoldoende, zoals zij terecht aangeeft. Je moet ook kijken naar het effect van de stof op het menselijk lichaam. Dat wordt nu juist meegewogen in de risicobenadering, want er wordt niet alleen gekeken naar de verwaarloosbare blootstelling maar ook naar het verwaarloosbare risico.

Er is dus niet gestemd over de criteria. Ik meldde dat al in mijn brief van deze week. De Europese Commissie beraadt zich nu over hoe hier verder over zal worden gesproken. Tot op dit moment is niet bekend wat de Europese Commissie gaat doen. Wat mij betreft blijft de inzet dat alle hormoonverstorende stoffen door de criteria geïdentificeerd moeten worden. Tenzij de Kamer hierover van mening veranderd is, lijkt het mij verstandig om het voorstel inhoudelijk te blijven ondersteunen.

Mevrouw Ouwehand stelde ook nog een vraag over hormoonvlees in het kader van de TTIP-onderhandelingen. Het EU-verbod op de invoer van vlees dat met hormonen is behandeld, staat en stond in de onderhandelingen over TTIP niet ter discussie. Wel worden in de handelsakkoorden afspraken gemaakt over producten die wél aan onze eisen voldoen. Het doembeeld dat het via TTIP alsnog geregeld zou worden, is dus niet juist.

Ik kom bij de laatste categorie, …

De voorzitter:
Oké, want ik kijk even naar de tijd: we hebben nog ongeveer een halfuur.

Staatssecretaris Van Dam:
…, de categorie met allerlei vragen. Ik kom eerst bij de petitie, om het zo maar te noemen, van mevrouw Ouwehand over de winning van hormonen uit paardenbloed. Op dit moment is dierenwelzijn geen criterium in de eisen van Good Manufacturing Practice, die in mondiaal verband zijn afgesproken en waaraan producenten van grondstoffen voor diergeneesmiddelen zich op grond van EU-regelgeving moeten houden. Er is nu dus geen grondslag om op basis van de gestelde eisen de markttoelating van het middel waarover mevrouw Ouwehand het had, als diergeneesmiddel door te halen. Ik vind de praktijken die mevrouw Ouwehand beschreef, zeer onwenselijk. Dat is niet een fatsoenlijke manier om dergelijke stoffen te produceren. Ik wil het criterium van dierenwelzijn aan de orde stellen wanneer er opnieuw wordt gesproken over de eisen van Good Manufacturing Practice. Dat gebeurt in het kader van de diergeneesmiddelenverordening. De onderhandelingen daarover lopen nu. De bedoeling is dat die verordening over twee jaar door de Europese Raad en door het Europees Parlement wordt vastgesteld. Dan is er nog twee jaar nodig voor de implementatie. Dat zou betekenen dat de nieuwe regels over vier jaar in zouden kunnen gaan en we dan een juridische grondslag hebben om de import van deze stoffen te kunnen tegenhouden. Er loopt nu overigens ook een onderzoek aan de WUR naar manieren om deze zaken beter te kunnen reguleren. Mijn inzet is dus conform het verzoek van mevrouw Ouwehand.

De voorzitter:
Ik heb het ook gehoord. Ik zie dat mevrouw Ouwehand ook een onbeantwoorde vraag heeft.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Nee, ik heb mijn interrupties bewaard voor de tweede termijn, maar die komt niet. Ik heb ook niet de indruk dat we het eens zouden worden. Daarom wil ik graag een motie indienen over de hormoonverstorende stoffen. Dit hoeft niet te gebeuren voor de aankomende Landbouwraad, maar wel voor het verkiezingsreces. Mochten er ineens ontwikkelingen zijn in dat dossier, dan zal ik in de plenaire zaal vragen om het VAO te vervroegen. Voor het verkiezingsreces moet op tijd zijn voordat er weer nieuwe ontwikkelingen zijn in dit dossier. Ik zie de staatssecretaris knikken.

De voorzitter:
Er is dus een VAO aangevraagd. Dat hoeft niet per se voor maandag. Uit de non-verbale communicatie begrijp ik dat dit ook voor de anderen geldt. Dan gaan we dat aanvragen, met als eerste spreker mevrouw Ouwehand, of in ieder geval de Partij voor de Dieren.