Bijdrage Ouwehand AO Grond­stoffen en afval


7 maart 2012

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Voorzitter. Het verloopt allemaal heel rommelig, maar we hebben het vandaag dan ook over afval. Zoals de heer Jansen al opmerkte, staat er heel veel op de agenda en is het jammer dat we weinig spreektijd hebben, maar we doen ons best. Voor de PvdD-fractie is een roadmap to a Resource Efficiency Europe erg belangrijk.
We vinden daaraan vooral belangrijk dat we ons niet verliezen in ideeën over winwinsituaties, een verbetering voor het milieu en dat wat ook leuk is voor het bedrijfsleven.
Dat is allemaal prachtig, maar het begint wel bij het begin. We hebben maar één aarde en als we geen rekening houden met de reproductiecapaciteit daarvan, dan kunnen we met elkaar blijven discussiëren over de vraag wat een verbetering is voor het milieu, waarvan het bedrijfsleven ook nog vrolijk wordt. Als je die randvoorwaarden niet in gedachten houdt, is het echt weggegooid geld. Dan is het zonde van onze tijd, zonde van de tijd van de staatssecretaris en komen we straks tot de conclusie dat we heel andere dingen hadden moeten doen. Ik verzoek de staatssecretaris dus om dat serieus te benadrukken tijdens de gesprekken in Europa en in zijn gedachtegang. We zouden een heffing moeten invoeren op bijvoorbeeld soja, want we zullen de vleesconsumptie moeten terugdringen. Dat staat los van de duurzaamheidsvoorstellen die er liggen. Als we de consumptie niet weten te matigen, dan trekt de aarde het gewoonweg niet. Een heffing via fosfaat zou ook kunnen. We lazen vanmorgen namelijk weer in de krant hoe verschrikkelijk belastend dat is. Een heffing op soja is ook mogelijk. Dat is allemaal goed. Als we weten dat de aarde het als gevolg van bepaalde consumptie niet gaat volhouden, moeten we die consumptie ontmoedigen. Ik hoorde de CDA -fractie al uit om te weten te komen of zij misschien ook wat moeite heeft met de wegwerpmaatschappij waarin we lijken te zijn beland. Ik ben toch een beetje teleurgesteld in het feit dat het idee dat we niet in een wegwerpmaatschappij moeten willen leven, bij haar wat op de achtergrond is geraakt. Ik vraag het toch, misschien tegen beter weten in, aan de staatssecretaris voor Milieu.
Ik ben een beetje in de war over wie we moeten aanspreken vandaag, de staatssecretaris van Milieu of de mensen die "zijn oor hebben", zoals dat eufemistisch heet. Ik doel natuurlijk
op het bedrijfsleven dat alle touwtjes binnen het ministerie van Milieu in handen lijkt te hebben. Daarover zijn mooie analyses geschreven die aan dit kabinet niet besteed zijn, maar het lijkt er echt op dat we het Amerikaanse voorbeeld gaan volgen en dat het bedrijfsleven het ook in Europa voor het zeggen krijgt in plaats van de politiek. Het bedrijfsleven is er niet voor uitgevonden om de wereld te besturen. Dat is onze taak en die moeten we serieus nemen. Ik heb de bijdrage van deze staatssecretaris aan het kabinet al eerder getypeerd als een snuffelstage maar dat lijkt nog te veel eer. De meeste verstandige organisaties zouden een stagiair die het presteert om beleid terug te draaien dat al decennia lang zijn succes heeft bewezen -- ik doel op het statiegeld -- namelijk snel de deur wijzen. Dat is toch precies wat deze staatssecretaris van plan is. Toen bij de presentatie van het regeerakkoord werd gezegd dat het kabinet ook een oogje op het milieu zou houden, wisten we allemaal dat we geen actie op milieugebied konden verwachten, maar statiegeld afschaffen had ik niet voor mogelijk gehouden. Ongelooflijk! Al vijftien jaar wordt er gepraat over het invoeren van statiegeld op kleine flesjes en blik en dat moet wat de PvdD -fractie betreft ook gebeuren. De industrie lag echter steeds dwars. Ondanks dat zij steeds de afspraken schond, maakte de regering weer een knieval voor de economische belangen van de verpakkings- en voedingsmiddelenindustrie. Als het aan de staatssecretaris ligt, wordt het statiegeld op grote plastic flessen afgeschaft. Dat gebeurt met valse argumenten -- collega's hebben dat al gememoreerd -- en op basis van valse cijfers en onder valse voorwendselen. Trouw kopte vanochtend naar mijn idee goed: Voor de industrie is Atsma de échte plastic hero. Ik wijs erop dat we afval importeren uit Napels, Engeland en Duitsland om onze overcapaciteit van de verbrandingsinstallaties draaiend te houden. Nederland als de Holle Bolle Gijs. De grote leegte uit zijn grote bolle buik blijft roepen: plastic hier, afval hier, papier hier! Ik had het niet over de heer Leegte, maar als hij zich aangesproken voelt, dan heb ik daar natuurlijk geen enkel bezwaar tegen. Ondertussen gebruikt de staatssecretaris wel doodleuk het argument dat het afschaffen van de statiegeldregeling een goed idee zou zijn voor het milieu omdat daarmee transport wordt uitgespaard.

De voorzitter: U moet bijna afronden.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Daar was ik al bang voor. Ik sluit mij dus aan bij alle andere vragen over en de kritiek op het plan om het statiegeld af te schaffen. Mij moet van het hart dat ik het onbegrijpelijk vind hoe de staatssecretaris het in zijn hoofd haalt om te zeggen dat het zuiveren van statiegeldflessen te veel schoon water kost en dat dat slecht is voor het milieu. Nederland haalt zijn drinkwater uit rivieren. Aan zoet water hebben we geen gebrek, maar wel aan aardolie. Die is eindig. Als de staatssecretaris het heeft over de vier "r's" waaraan bedrijven kunnen werken, namelijk reduce, re-use, recycle en renew, dan voegen wij daaraan in zijn richting toe: rethink, repair en refuse en voor de metalliefhebbers zeg ik: refuse, resist. Ik hoop dat de staatssecretaris ook eens kan proeven wat het betekent om nee te zeggen. "Nee" tegen de lobby van de verpakkingsindustrie: ik maak hier zelf de dienst uit! Probeer dat eens. Ik kan zeggen dat dat heel goed voelt.

Interrupties bij andere partijen

Mevrouw Van der Werf (CDA): Ik denk dat er al heel wat in het akkoord staat over een goede monitoring, maar ik denk dat het goed is om er nog een keer naar te kijken. Er worden tussentijdse doelen voor een oplopend recyclingpercentage voor kunststof, inclusief petflessen, genoemd. Je kunt daarbij vragen stellen, want misschien neemt het in het begin wel toe, zodat je nog iets hoger kunt gaan zitten, maar die criteria staan al op papier. Er wordt extra geld uitgetrokken voor het bestrijden van zwerfafval, maar daar zit nog geen doelstelling bij, dus die moet er nog komen. Het is nieuw dat er een vergoeding komt voor nascheiding. Dat kan nog wat concreter, als we zeggen dat we over een jaar of twee willen bekijken of de producenten hun afspraken zijn nagekomen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Het valt mij op dat in het betoog van de CDA-fractie niets werd gezegd over bronbeleid of een principiële stellingname tegen de wegwerpmaatschappij. Ik ben benieuwd waar die verandering vandaan komt. Ik herinner me nog dat oud-minister Verburg, met wie de Partij voor de Dieren felle debatten heeft gevoerd, hierover als Kamerlid een goed voorstel heeft gedaan. Dat wij hier nu water uit kannen drinken, is te danken aan de Partij voor de Dieren, en dat wij allemaal een flesje hebben gekregen waarmee je water uit de kraan kunt tappen en er geen wegwerpflesjes met water in het restaurant meer zijn, was op voorstel van mevrouw Verburg. Zij stond niet bekend als iemand met het grootste
milieuhart aller tijden, maar ik hoor de milieuwoordvoerder van de CDA -fractie zelfs dat begin niet meer overnemen. Waar is dat verhaal gebleven?

Mevrouw Van der Werf (CDA): Ik ben een beetje verbaasd, want ik heb het wel gehad over bron- en nascheiding. Dat we hier geen water uit flesjes meer drinken, valt volgens mij onder de categorie "alle beetjes helpen". Ik heb hier vaker over gesproken met de Partij voor de Dieren. Alle beetjes helpen, maar daar redden we het milieu niet mee. We moeten grote stappen zetten en ik zie dit als een grote stap. Bronscheiding is ongelofelijk belangrijk. Er wordt gezegd dat het in onze genen zit. De staatssecretaris zegt: wat fijn dat er steeds meer enthousiasme voor is. Die opvatting deelt de CDA-fractie, maar ik vind ook dat de burger daarvoor beloond mag worden. Of het nu gaat om elektronisch afval, glas of een milieustraat, aan het eind van de inspanning mag de burger beloond worden of er wat voor terugkrijgen en delen in de toenemende opbrengsten bij afvalcentrales en de gemeenten.
Bronscheiding is dus belangrijk, maar nascheiding ook, want we hebben ook die technologie om iets verder te komen dan tot wat minder plastic flesjes in het Kamergebouw.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Dan heeft de milieuwoordvoerder van de CDA -fractie mij niet begrepen en ook mevrouw Verburg niet. Bronbeleid begint natuurlijk met het voorkomen dat het hele circus moet worden opgetuigd. Als je het zonder flesjes voor het drinken van water kunt doen, kan het op andere fronten misschien zonder kartonnetjes en zonder individuele verpakking, met op iedere verpakking een leuk Disneyfiguurtje. Waar is dat verhaal gebleven? Het valt me echt tegen van het CDA als bronbeleid alleen betekent dat we wat we
al aan afval hebben gecreëerd, aan de bron gaan scheiden.

De voorzitter: Dit is hetzelfde als wat u in eerste instantie zei. Wat is nu uw vraag?

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik vraag me af of mevrouw Van der Werf mij wel goed heeft begrepen of dat het idee om echt bij de bron te beginnen helemaal is verdwenen bij de CDA - fractie.

Mevrouw Van der Werf (CDA): Nee, ik had het over het scheiden bij de bron en dat is inderdaad iets anders dan wat mevrouw Ouwehand bedoelt, het voorkomen van afval. Ik heb net voorgesteld om te bekijken hoe je in de ontwerpfase afval kunt voorkomen of dat er ander afval komt. Daarom heb ik ook advies gevraagd aan het Kennisplatform Duurzaam Grondstofbeheer over "design for recyclability". Daar kan ook preventie in zitten, dus minder afval. Ik voeg eraan toe dat de CDA-fractie niet alleen de strategie heeft van alleen maar minder, maar dat ze daarnaast een strategie heeft om het met de cradle to cradle-filosofie zo goed mogelijk in het systeem te houden. Dan is per se minder niet absoluut noodzakelijk.

Staatssecretaris Atsma: Mevrouw Ouwehand en mevrouw Dikkers zeggen dat ik ook nee moet durven zeggen. Ik zeg in elk geval nee tegen de argumenten van mevrouw Ouwehand, want ik ben het volstrekt oneens met datgene wat zij naar voren heeft gebracht. Daarop kom ik later in mijn betoog terug. Dat nee zeggen is voor mij soms dus geen enkel probleem. Dat zal voor de Kamer toch een hele geruststelling zijn. Ik zeg graag ja, maar dat doe ik dus niet altijd. Ik ben geneigd om daaraan iets toe te voegen, maar dat moet ik maar niet doen.
Ik ga in op de afvalagenda die vorig jaar is gepresenteerd.

[...]

Laten we er volstrekt helder over zijn dat, als het gaat om de ambitie die wij in algemene zin hebben verwoord, die verder gaat dan die van Europa. Die gaat in die zin ook een slag over het regeerakkoord heen, zeg ik tegen alle fracties die vinden dat het niet ver genoeg gaat. Dat mag best gezegd worden. Tegen mevrouw Ouwehand zeg ik dat we dat doen omdat wij vinden dat het uiteindelijk gaat om het antwoord op de vraag hoe we omgaan met de aarde. Daarom kiezen wij ook voor opwaardering van het recyclingpercentage, van het aandeel, van 80 naar 83%. Wij kiezen voor het verminderen van de hoeveelheid stort naar 3%. Daarmee lopen wij voorop in Europa.

[...]

Staatssecretaris Atsma: Bedrijven zijn volstrekt vrij om daarin een eigen keuze te maken. De vraag is: moet je het van bovenaf opleggen met het daarbij behorende kostenplaatje? Wat levert het het bedrijfsleven op als we ervan afstappen? Is men bereid om een deel van de bespaarde kosten in te zetten voor andere doelen? Daarmee kom ik weer bij het akkoord. Dit behelst 20 mln. voor zwerfafval en nog andere bedragen die ik heb genoemd. Als wij "nee" zeggen tegen het akkoord, zegt het bedrijfsleven: dan gaan wij opnieuw praten over wat wel en niet kan. Daarover moet we eerlijk zijn: voor wat hoort wat.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Wie is er nou de baas, het bedrijfsleven of de staatssecretaris, die is aangenomen om het milieu in Nederland te beschermen?
Ik wil nog even terug naar het begin. De grote paradox is dat we enorm veel last hebben van al dat gemaksvoer en die gemaksverpakkingen. Het gaat om kleine flesjes, grote flessen, blik, kleine verpakkingen met daarin nog kleinere verpakkingen met koekjes om aan je kinderen mee te geven naar school. Als de staatssecretaris op geen enkele manier probeert om die hoeveelheden terug te brengen, hoe gaan we het dan in vredesnaam oplossen? Hij loopt daar echt voor weg, en hij krijgt het niet opgelost als hij niet al aan het begin stuurt.

Staatssecretaris Atsma: Dat is dus niet waar. Er worden heel nadrukkelijk afspraken gemaakt over duurzame verpakkingen. De Kamer maakt daar terecht een punt van. Het is niet waar dat daar geen aandacht voor zou zijn. Integendeel, het bedrijfsleven geeft dat zelf ook aan. Als men mij vraagt wie de baas is, dan antwoord ik dat wij richtinggevend zijn. Laat dat helder zijn. Het mag ook duidelijk zijn waar wij op hebben gestuurd. Wij vinden dat je best vraagtekens mag plaatsen bij wat het duurst is en relatief een laag rendement geeft, zeker als het een hoger rendement oplevert als je het veld breder inzet. Kennelijk verschillen mevrouw Ouwehand en ik van mening over die rendementsvraag, maar ik houd overeind dat de ambitie om van 42% naar 52% te gaan met de inzameling en verwerking van kunststof buitengewoon hoog ligt. Mevrouw Ouwehand mag zeggen dat dit niks is, maar ik hoop dat wij dit met zijn allen gaan realiseren. Dat is een-op-een gekoppeld aan de afspraak die inmiddels ook al bevestigd. Daaronder valt ook het upcyclen van de petfles als zodanig. Ik deel de opvatting van mevrouw Ouwehand dus niet. Het bedrijfsleven steekt wel degelijk zijn nek uit.

Mevrouw Ouwehand (PvdD): Ik doel niet op het duurzaam maken van verpakkingen. Dat kan alleen als je zeker weet dat de dingen die je dan doet, passen binnen de draagkracht van de aarde en onze capaciteit om al dat zwerfafval op te ruimen. De vraag is dus of de staatssecretaris hiermee ontkent dat daar een probleem ligt. Wat mevrouw Verburg wat dit betreft heeft gedaan, in navolging van de PvdD, is prachtig. Laten wij dus gewoon water uit de kraan drinken. Daar hebben wij flesjes voor. Kinderen krijgen drinkkartonnetjes mee naar school, maar je kunt ook een beker meegeven, want die kun je elke dag vullen. Je moet sturen op dat soort maatregelen, positief en stimulerend. Je moet niets verplichtend opleggen, maar je moet het wel doen. De staatssecretaris ontkent dit echter. Hij denkt vanuit een soort wensdenken dat de wereld een oneindige voorraadkast is waaruit wij altijd kunnen blijven putten. Dat zijn echter verhalen uit de Bijbel, maar het is niet de realiteit.

Staatssecretaris Atsma: Het verschil is dat ik wel in de Bijbel geloof, maar niet in de verhalen van mevrouw Ouwehand. Wat zij zegt, klopt niet. Voor preventieve acties en preventieve maatregelen in de vorm van voorlichtingscampagnes hebben wij tal vaninstrumenten tot onze beschikking. Mede dankzij de afspraken die wij hebben gemaakt, kunnen die handen en voeten krijgen. Mevrouw Ouwehand vindt dat echter nog niet genoeg. Zij vindt dat ik meer moet doen. Ik ben naar de retail gegaan om te praten over de plastic zakjes. Wij hebben daar afspraken over gemaakt. Wij zijn naar de uitgevers gegaan om te kijken of de verpakkingen rondom drukwerk anders zouden kunnen. Dat gaat stap voor stap.
Het kan niet allemaal van vandaag op morgen, maar het zijn wel stappen die ertoe leiden dat wat mevrouw Ouwehand wil misschien wel twee, drie, vier of vijf stappen dichterbij komt.
Wat zij stelt, kan zij echter niet staven met de werkelijkheid.