Bijdrage Algemeen Overleg LNV over Recon­struc­tiewet


24 juni 2007

Voorzitter,

Tien jaar geleden heeft iedereen in Nederland met eigen ogen kunnen zien welke problemen we ons op de hals halen wanneer we ons kleine landje volstoppen met landbouwdieren.
De mannen in witte pakken, de grijpers en de varkens die met vrachtwagens tegelijk werden afgevoerd maakten pijnlijk duidelijk dat de intensieve veehouderij letterlijk op een dood spoor zit.
Het was duidelijk: zo kon het niet langer.

Maar in plaats van het aanpakken van het probleem bij de bron, is gekozen voor een geldverslindende symptoombestrijding en een heel nieuw vocabulaire die met begrippen als zonering, extensiveringsgebieden en bufferzones de aandacht moest afleiden van waar het werkelijk om gaat: we houden teveel varkens, teveel kippen, teveel koeien op een te klein oppervlak. En dat allemaal te dichtbij waardevolle natuurgebieden en te dichtbij woonomgevingen van burgers op het platteland. Om nog maar te zwijgen van de wereldwijde gevolgen voor milieu, mensenrechten, biodiversiteit en een eerlijke voedselverdediging.

Vandaag wordt de eerste balans opgemaakt en de conclusie luidt dat er wèl 400 miljoen euro is uitgegeven, en dat er nog veel meer belastinggeld zal volgen -de begroting is 7 miljard-, maar dat de doelen niet gehaald worden. Sterker nog, gaandeweg is de milieuwetgeving verder uitgekleed en zijn de milieu- en natuurambities fors verlaagd.
Een betere leefomgeving, en dat bedoel ik meer dan in één opzicht, staat verder van ons af dan ooit.
En de grootschalige bio-industrie profiteert, maar klaagt dat ze nergens welkom is.

In het licht van de milieuambities van dit kabinet, wil ik de ministers vragen of de milieudoeleinden binnen deze reconstructiewet wel kunnen worden gehaald (ammoniak, uitstoot broeikasgassen).

Een snelle en effectieve manier om de door het kabinet gestelde milieudoelen te bereiken is een inkrimping van de veestapel. Is de minister bereid deze oplossing uit te werken, en ruimte te bieden aan kleinschalige gezinsbedrijven in plaats van aan megabedrijven?

Voorzitter, wat opvalt in het reconstructiedebat is dat vooral de belangen van de intensieve veehouderij centraal staan. Burgers op het platteland en in kleine dorpen krijgen de problemen over de schutting gegooid, en wanneer zij deze problemen niet met open armen wordt met minachting gesproken over hun vermeende gebrek aan solidariteit.

Maar de vraag is: waarom zouden burgers solidair moeten zijn met een commerciële sector die een verwoestend effect heeft op onze leefomgeving? Graag een reactie van de minister.

En welke mogelijkheden hebben burgers eigenlijk om te protesteren tegen de komst van een eiwitveranderfabriek in hun achtertuin, waarin duizenden dieren achter gesloten deuren tot levende machines worden gedegradeerd? We weten het allemaal: je ziet ze niet, maar je ruikt ze wel.

Is de minister bereidt om gemeentes in Landbouwontwikkelingsgebieden die de komst van megabedrijven op het platteland willen tegenhouden, te ondersteunen met aanvullende regelgeving op het gebied van bijvoorbeeld maximale aantallen dieren, vervoersbewegingen, omvang en aantasting van landschap en leefklimaat?

Voor wat betreft de discussie over compartimentering sluit ik me aan bij de vraag van de PvdA. De Partij voor de Dieren vindt dat de compartimentering gehandhaafd moet blijven. Ook vanmorgen tijdens het rondetafelgesprek bleek dat hier breed draagvlak voor bestaat.

Verder bleek dat er onduidelijkheid bestaat over de subsidiëring van verplaatsingen naar verwevingsgebieden: dat is niet de bedoeling volgens de Reconstructiewet, maar lijkt wel te gebeuren. Kunt u dit toelichten?

Tot slot wil ik vraagtekens plaatsen bij het gebruik van luchtwassers. Vanmorgen bleek dat dit lapmiddel maar heel beperkt bijdraagt aan het halen van milieudoelen. Kan de minister hierop reageren en daarbij aangeven hoeveel subsidiegelden gemoeid zijn met de toepassing van luchtwassers?

Esther Ouwehand