Bijdrag Partij voor de Dieren VROM Begroting


7 december 2009

(…)

De heer Samsom (PvdA):
Als het plan van de heer Poppe ertoe leidt dat alle woningen in zeven jaar worden bereikt, dan leidt ons plan tot een volledige verbouwing van alle woningen binnen zeven jaar, want wij doen er nog iets bij.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik sluit me een beetje aan bij de vele vragen die over dit plan gesteld zijn. Wat zijn voor de fractie van de Partij van de Arbeid de criteria en randvoorwaarden om dwingend in te grijpen in het leven van burgers, hun financiën en de manier waarop ze met hun beperkte middelen omgaan?

De heer Samsom (PvdA):
Ik ben blij dat ik zo'n vraag van mevrouw Ouwehand krijg. Ik heb toch een aantal moties van de Partij voor de Dieren voorbij zien komen; zij dient nogal veel moties tegelijkertijd in, dus ik kan ze niet allemaal beoordelen, maar het verbod op vissenkommen lijkt mij absoluut geen ingreep in het leven van de burger.
Laten wij elkaar nu niets wijsmaken. Autogordels zijn verplicht. Het dragen van een helm als je op een brommer rijdt, is verplicht. Er is een verbod op te hard rijden. Dat is ingrijpen in de vrijheid van de burger. Daar is mevrouw Ouwehand het toch mee eens? Laten wij nu geen principezaak maken van een voorstel, maar laten wij het voorstel zelf op zijn merites beoordelen. Wij vinden dat woningen met een G-label, waar de wind dwars doorheen waait, vanaf 2015 gelijkgesteld moeten worden met woningen die bijvoorbeeld een gat in het dak hebben of die een rot fundament hebben. Daarom behandelen wij ze als zodanig. Met dat rotte fundament kunnen kopers en verkopers onderling al decennialang uit de voeten. Dat is geen enkel probleem. Laten wij dit er nu aan toevoegen als stok achter de deur, met al die stimuleringsmaatregelen.
Ik heb net in het voorstel van GroenLinks het belastingvoordeel opgezocht ...

De voorzitter:
Nee, gaat u daar nu niet op in. Dat zal de heer Vendrik straks zelf toelichten.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Er worden veel woorden gebruikt. Ik vroeg natuurlijk niet om een opsomming van maatregelen die de overheid al genomen heeft, waarmee zij inderdaad ingrijpt in de vrijheden van burgers. De heer Samsom stelt voor om nu geen ideële discussie te voeren, maar dat wil ik juist wel. Ik wil graag van de fractie van de Partij van de Arbeid weten op welke gronden zij dat ingrijpen gerechtvaardigd vindt. De heer Samsom leest de moties van de Partij voor de Dieren structureel niet goed of hij wil ze verkeerd begrijpen, dat mag hij allemaal zelf weten. Maar het punt is dat wij deze discussie vaker hebben. Ik wil nu wel een klip-en-klaar antwoord van de heer Samsom.

De heer Samsom (PvdA):
Ik had het even niet in de gaten, maar via een omweg probeert mevrouw Ouwehand mij naar de "vleesmoties" te leiden. Daarin wordt natuurlijk ook gewoon verzocht om ingrijpen. Hier zit het algemene belang achter, het grote algemene belang van energiebesparing. Zoals wij ook te hard rijden verbieden, omdat je daarmee een ander direct in gevaar brengt als hij voor de auto loopt, zo zullen wij op een gegeven moment ook het isoleren van je huis verplichten, omdat je anderen in gevaar brengt als je dat niet doet. Niet nu, maar over 30 jaar; dat is een volgende generatie. Dat algemene belang noopt soms inderdaad tot extra maatregelen. Dat is niet uniek, zeker niet voor de Partij van de Arbeid, en eigenlijk ook niet voor het hele segment aan de linkerzijde, en soms ook niet voor het segment aan de rechterzijde van deze zaal. Deze keer hebben wij met dit algemeen belang in het achterhoofd deze afweging gemaakt. En nu gaat mevrouw Ouwehand zeggen: dan moet de PvdA ook de vleesmoties steunen.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik kan hier gewoon stilstaan, en dan verwoordt de heer Samsom wel wat ik allemaal wil zeggen.
Ik ben blij dat de heer Samsom heeft uitgelegd wat de overwegingen zijn. Ik denk dat dit van belang is. Ik denk dat de heer Samsom onze moties toch nog even beter moet lezen, want nergens verplichten wij mensen om bijvoorbeeld hun consumptie van vlees te matigen. Wij willen daar wel een schepje bovenop doen. Ik zal in mijn eigen termijn een aantal voorstellen doen. Let op: die hebben geen verplichtend karakter. Ik ben blij met de grondhouding van de Partij van de Arbeid. Dank u wel, mijnheer Samsom.

De heer Samsom (PvdA):
Dan zijn die moties al de winst van dit debat.

(…)

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Voorgaande sprekers hebben al gememoreerd dat de echte milieudeal de komende weken natuurlijk in Kopenhagen wordt gesloten, dat hopen wij tenminste. Als de aarde met meer dan twee graden opwarmt, is de schade niet te overzien en niet te betalen. Dat zijn prijzenswaardige woorden van deze minister. Het is een waarheid als een koe. Nederland speelt een belangrijke rol op het wereldtoneel in Kopenhagen. Dat siert ons, maar het is ook niet minder dan strikt noodzakelijk. Alle uitlekkende e-mails ten spijt, het klimaat warmt op door menselijke activiteiten. Dat moeten we snel en adequaat gaan aanpakken, willen we volgende generaties niet met de rekening opzadelen, en die rekening is hoog.
De Partij voor de Dieren is van mening dat die rekening ook omlaag kan en dat vinden andere partijen gelukkig ook. De vraag is dan wel welke keuzes we gaan maken. De meeste milieudoelen worden ondanks alle mooie ambities en formuleringen niet gehaald, zo blijkt uit de Milieubalans. Ik vind het voorstel dat de Partij van de Arbeid vandaag deed, interessant. Ik moet zeggen dat ik de grondhouding waardeer die zo-even in het interruptiedebatje werd verwoord. Als ik het goed vertaal, komt deze neer op: als het moet dan moet het. Dan moeten we kijken naar oplossingen die voorheen wellicht wat onconventioneel werden geacht, maar laten we kijken waar we heen kunnen.
De vraag is wel of dit nu precies is wat moet en of we niet andere kansen hebben laten liggen. Ik begrijp de insteek, maar de vraag is voor de fractie van de Partij voor de Dieren of dit wel de oplossing is. De kolencentrales zijn realiteit nummer een. De vrijblijvende convenanten met het bedrijfsleven zijn realiteit nummer twee. Kunnen we niet scherper aan de wind zeilen? Moeten we deze vrijblijvendheid laten bestaan, terwijl we nu wel tegen mensen gaan zeggen dat zij verplicht hun huis moeten isoleren, voordat zij het mogen verkopen? Dat weet ik zo net nog niet.
Het mag geen geheim heten dat de Partij voor de Dieren een warm voorstander is van een heel goedkope en makkelijke oplossing om de broeikasgassen terug te dringen. Een meer plantaardig dieet is een prachtige oplossing waarmee we de bossen behouden, wat belangrijk is om CO2 te binden, en de uitstoot van de zeer schadelijke broeikasgassen methaan en lachgas beperken. Deze zijn allebei minstens twintig keer zo sterk als CO2. Een vegetariër is zeven keer minder belastend voor het klimaat dan een vleeseter. Met dit gegeven moeten we ons voordeel gaan doen, en snel ook. De productie van een kilo vlees kost hetzelfde als drie uur autorijden, terwijl je thuis alle lichten laat branden. Tel uit je winst.
De Nederlandse bevolking is sinds een paar generaties gewend aan een enorme overvloed aan voedsel. De prijzen van voedsel zijn historisch laag, terwijl voedselproductie iets anoniems is geworden, een ver-van-mijn-bedshow, die plaatsvindt in andere landen of in grote loodsen en kassen die zijn afgesloten van de buitenwereld. De gevolgen daarvan gaan grotendeels aan het Westen voorbij, op problemen als Q-koorts en blauwtong na. De klimaatimpact van elke dag en vaak zelfs meerdere keren per dag vlees eten en zuivel nuttigen is niet zichtbaar voor de consument en daar moet verandering in komen.
Ik denk dat het belangrijk en nuttig is om het goede voorbeeld te geven. We hebben al een ex-Beatle, die morgen trouwens optreedt in het Gelredome en die oproept tot een Meat Free Monday. We hebben in het Europarlement gezien wat dit voor opschudding kan veroorzaken, vooral onder CDA-parlementariërs, die oproepen om in plaats daarvan een gehaktballetje over twee dagen uit te smeren. Als dat minder vleesproductie betekent, kan dat wel helpen, maar ik had niet de indruk dat dit het voorstel was van mevrouw De Lange.

De heer Pieper (CDA):
Voorzitter. Ik wil graag onderstrepen dat wij ook voorstander zijn van een vleesloze dag, maar graag de vrijdag, want dat is voor katholieken sowieso al een verplichte vleesloze dag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. Ik vind het fijn dat de heer Pieper dit zo benoemt, maar ik vraag hem of hij dan in plaats van vlees een met uitsterven bedreigde vissoort op zijn bordje heeft, zoals gebruikelijk op vrijdag. Ik zou zeggen: laten we het een vegetarische dag noemen, dan weten we zeker dat het goed komt.
De minister heeft in antwoord op Kamervragen van mijn fractie gezegd dat dit idee haar wel aanspreekt. Daarom wil ik haar vragen om dan ook die stap te zetten. Laten we een voorbeeld geven. We hebben afgesproken wat de EU-inzet is op de klimaatconferentie, die al begonnen is. Laten we ervoor zorgen dat de minister in de wandelgangen zegt: let op, we gaan in Nederland een publiekscampagne voeren over de voordelen van een dagje in de week geen vlees eten en weet u wat, in alle overheidsgebouwen wordt op maandag vegetarisch gecaterd.
Wat zou dat een geweldig voorbeeld zijn. Mocht de minister alsnog Paul McCartney willen ontmoeten -- wij hebben haar dat voorstel gedaan -- dan kan dat morgenavond. Laat het ons weten, dan regelen wij dat. Wellicht doen wij haar daarmee een plezier.
Naast het afgeven van een signaal en het stellen van een goed voorbeeld kunnen wij een heel concrete klimaatwinst boeken. Binnenkort is in Europa de gloeilamp verboden. Deze maatregel stuit wellicht veel mensen tegen de borst, maar het kabinet neemt deze maatregel voor het klimaat. Prima. Als elke Nederlander een dagje minder vlees zou eten, bespaart dat twee keer zoveel broeikasgassen als wanneer wij alle gloeilampen vervangen door spaarlampen.
Een andere vergelijking. Als wij in Nederland op maandag geen vlees eten, besparen wij veel meer broeikasgassen dan wanneer wij met z'n allen een auto met een C- of D-energielabel vervangen door een auto met een B-energielabel. De sloopregeling die dat moest bewerkstelligen was nog zo'n concrete maatregel van het kabinet. Nog eentje. Een dag minder vlees staat gelijk aan evenveel besparing als wanneer wij onze huizen voorzien van dubbelglas en wanneer wij alle gloeilampen vervangen door spaarlampen. Dan heb je geen bouwvakkers in je huis en geen gedoe met vergunningen. Je hebt alleen iets anders in de pan.
Vlak voor dit debat hebben wij een brief van de minister van VROM gekregen over ammoniak. Ammoniak, afkomstig uit de mest van honderden miljoenen dieren in onze vee-industrie, vernietigt structureel kwetsbare natuurgebieden. Een continue overbelasting van ammoniak op de natuur zorgt ervoor dat bossen verdwijnen die belangrijk zijn om onze CO2-binding te garanderen. Wij kunnen ook afscheid nemen van heide en vennetjes. Wat houden wij over? Bramen en brandnetels.
Driekwart van onze natuurgebieden is te zwaar belast door ammoniak. Dat is al jarenlang het geval, en toch stelt de minister een gedoogbeleid voor. Dat heeft een nare geschiedenis. Het begon allemaal met de stapsgewijze uitholling van de Interimwet ammoniak en veehouderij en daarna de Wet ammoniak en veehouderij. Die wetten waren bedoeld om gebieden die erg gevoelig waren voor verzuring, onder andere door ammoniak, te beschermen tegen nog meer ammoniak. Dat ging over veel gebieden, dus werden de regels aangepast. Na de aanpassing ging het alleen nog maar over gebieden in de ehs en daarnaast werd de beschermingszone om de gebieden heen drastisch beperkt van drie kilometer naar nog maar 250 meter. Uithollingsslag volgde op uithollingsslag. Daarmee is de milieuwetgeving ten aanzien van ammoniak uitgehold.
Dat kwam terug via de natuurwetgeving, want wat blijkt: de uitstoot van ammoniak heeft niet alleen maar te maken met het landelijk op een acceptabel niveau houden van het NEC-plafond, maar met wat het precies doet met natuurgebieden. Dat is een realiteit waar wij niet omheen kunnen. De minister draagt daar samen met de minister van LNV verantwoordelijkheid voor.
Wij moeten concluderen dat, alle jurisprudentie ten spijt, dit kabinet met steun van de Kamer nog steeds opereert vanuit de gedachte dat de milieuvergunning hetzelfde is als een Nb-wetvergunning. Dat kan helemaal niet, want dat bleek in 2000 al. De Raad van State heeft daarover keer op keer uitspraken gedaan. Een ezel stoot zich in het algemeen niet twee keer aan dezelfde steen, maar de regering blijkbaar wel. Met het voorliggende gedoogbeleid wordt weer dezelfde fout gemaakt. Er wordt niet getoetst op de natuurdoelen, maar er wordt alleen gesteld dat je niet mag uitbreiden zolang je boven je depositie uit 2004 zit. Dat was de vraag niet. De vraag is niet hoeveel uitstoot je in 2004 had, maar de vraag is hoeveel schade je berokkent aan het natuurgebied.
Wij komen nog uitgebreid te spreken over dit gedoogbeleid, maar ik druk de minister op het hart dat wij niet langer om de natuurwaarde heen kunnen. Ik vraag haar om afstand te nemen van de pogingen om steeds maar weer op zoek te gaan naar de rek en ruimte en naar mogelijkheden om de veehouderij ongehinderd door te laten gaan. Er worden zelfs luchtwassers ingezet om de ammoniakproblematiek in de greep te houden, terwijl luchtwassers energieslurpers zijn die op hun beurt voor nieuwe problemen zorgen door vervuiling van het afvalwater.
Eind oktober sprak onze milieuminister lovende woorden rond de bijeenkomst van de Club van Rome, de club wetenschappers die in de jaren 70 al waarschuwde dat de bomen niet tot in de hemel groeien, maar eerder zullen verdwijnen wanneer wij geen rekening houden met de draagkracht van de aarde en de kwetsbaarheid van ons milieu.
De minister zei: de aarde warmt op door langdurige groei zonder stil te staan bij de uitstoot van CO2. Voedseltekorten ontstaan door een landbouwsysteem dat in zijn expansiedrift meestal de weg van de minste weerstand kiest. Scherp geanalyseerd, dacht ik nog. Goed zo! De minister legde verder volkomen terecht een verband tussen het klimaatprobleem, de voedselcrisis en het angstaanjagende verlies van biodiversiteit, ons kritisch natuurlijk kapitaal. De minister pleitte voor het organiseren van een Kopenhagentop voor het aanpakken van de voedselcrisis en voor een wereldwijd akkoord over biodiversiteit. Dat kan heel gemakkelijk, zei zij ook nog. Wij moeten afspreken dat er wereldwijd geen hectare landbouwgrond meer bijkomt. Verder zei zij iets over het veranderen van ons dieet. Daarover heb ik het zojuist al gehad.
Ik blijf even bij de landbouwgrond. Want wat schetst mijn verbazing? De analyses en de oplossingen van wereldwijde problemen door onze milieuminister werden een paar dagen later keihard onderuitgehaald door onze minister van Landbouw. Nee hoor, riep minister Verburg. Dat heeft minister Cramer helemaal niet zo bedoeld, met die landbouwgronden. Die gaan wij helemaal niet fixeren op het huidige areaal. Dat laat minister Cramer zich toch niet zeggen? Als de minister van VROM schrijft dat er met het oog op voedsel, biodiversiteit en klimaat wereldwijd geen hectare landbouwgrond meer bij mag komen, dan bedoelt zij toch dat er wereldwijd geen hectare landbouwgrond meer bij mag komen?
Dit voorbeeld illustreert wat er mis is in de verhouding tussen de departementen en binnen het kabinet. De milieuminister mag best analyses maken van de grootste duurzaamheidsproblemen van deze tijd, maar zij mag het niet te scherp aanzetten en al zeker geen oplossingen aandragen die indruisen tegen de vernietigings- en vervuilingsdriften van haar collega's die volop ruimte willen laten voor industrie, asfalt en intensieve veehouderij. Daar zit de crux natuurlijk. Geen landbouwgronden meer erbij? Waar moet Nederland dan zijn veevoer vandaan halen? De vee-industrie heeft veel ruimte nodig, nu al 80% van het totale wereldlandbouwareaal. Wij willen toch ook nog onze vlees- en zuivelproductie uitbreiden om die zielige kindertjes in China te kunnen voorschrijven wat zij zouden moeten eten en drinken? Dat gaat allemaal niet lukken als wij van de milieuminister niet meer grond mogen claimen voor landbouw.
De milieuminister had het echter goed gezien. De landbouw kiest in zijn expansiedrift meestal de weg van de minste weerstand. Dat is waar wij een krachtige hoeder van de grenzen van een duurzame samenleving nodig hebben; een minister die tegen haar vakcollega's zegt: het kan mij niet schelen welke plannen je hebt met je ministerie, als jouw activiteiten mijn duurzaamheidstoets niet kunnen doorstaan dan houdt het op. Op dit moment is de milieuminister niet in die positie. Dat ligt niet alleen aan de grote CDA-vervuilers die haar gevangen houden, maar ook aan de statuur van dit ministerschap en aan de verantwoordelijkheid voor kwetsbare waarden zoals natuur, milieu en dierenwelzijn, die nu verspreid liggen over de departementen. Daarom doe ik namens de Partij voor de Dieren een voorstel voor herinrichting van de departementale structuren om duurzame waarden daadwerkelijk te kunnen borgen in toekomstig regeringsbeleid. Ook fijn in het kader van de heroverweging en de geplande bezuiniging.
Ik wil de minister uitnodigen om heel goed te luisteren. Dit plannetje bevalt haar wellicht. Wij willen de minister promotie geven. Als het aan ons ligt, wordt zij vicepremier. Dat is nodig om daadwerkelijke groei binnen grenzen te kunnen bewerkstelligen en te kunnen borgen. Er gaan op dit moment een aantal dingen structureel mis. Wij hebben zowel een economische crisis als een veel diepere ecologische crisis. De Partij voor de Dieren vindt dat er nog niet fundamenteel genoeg wordt nagedacht over een koppeling. Zolang wij de oplossing voor de economische crisis niet zien binnen de grenzen van onze planeet, zullen wij geen stabiele systemen kennen. Schaarse grondstoffen zullen altijd conflicten blijven veroorzaken. Oneerlijke verdeling van schaarse hulpbronnen zal nooit duurzame vrede bewerkstelligen. Het afwentelen van onze problemen op de toekomst is een garantie voor het falen van welk beleid dan ook. Tijd dus voor een structurele herziening.

De heer Van der Ham (D66):
Ik vind het heel belangrijk dat mevrouw Ouwehand de minister en het milieu zo hoog heeft zitten. Maar vicepremier maken? Kijk wel een beetje uit met wat je zegt. Ik weet niet precies wat zij vindt van de heer Rouvoet. Die is ook vicepremier. Moet ik aan dat niveau denken?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dank voor deze vraag. Ik denk eerder aan het niveau en de statuur van de minister van Financiën. Die legt de kaders vast van de hoeveelheid geld die er is. Als vakministers plannen en beleid willen uitvoeren, moet de minister van Financiën bekijken of dat betaalbaar is. De minister van milieu moet bekijken of het binnen de grenzen van de draagkracht van de aarde blijft. Dat is ons voorstel.

De heer Van der Ham (D66):
Een coördinerende rol voor de minister van Milieu bij infrastructuur en landbouw enzovoorts, vind ik een heel aantrekkelijk idee. Ik ben dus een beetje gerustgesteld dat het niet zo'n portefeuille is als die van minister Rouvoet. Dat willen we toch niet?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Nee!

De heer Vendrik (GroenLinks):
We zijn in de gelukkige omstandigheid dat het kabinet al twee vicepremiers heeft. Moet er een van die twee wijken?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De heer Van der Ham deed zojuist een goede suggestie, als ik het vrij vertaal. Ik vind: hoe sneller, hoe beter. Maar ik denk eerder aan een nieuwe structuur bij een volgend kabinet. Deze minister van milieu mag wat mij betreft veel meer de touwtjes in handen krijgen en haar collega's tot de orde roepen. Ik betwijfel echter of het reëel is dat dit nog binnen de huidige kabinetsperiode veranderd zal worden.

De heer Vendrik (GroenLinks):
Is in het voorstel van mevrouw Ouwehand ook besloten dat de ministeries van EZ en LNV met grote vaart opgeheven zullen worden? Dan kunnen we één groot departement maken voor duurzame ontwikkeling, ruimte en energie.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De heer Vendrik raadt mijn gedachten.

De heer Poppe (SP):
Mijn eerste vraag: gelooft de Partij voor de Dieren nu echt dat als er ''mensjes'' verwisseld worden in het kabinet, dat daarmee dan de wereld verbetert?
Dan mijn tweede vraag. Mijn kritiek op de minister was juist dat zij al te vaak roept: daar ga ik niet over, omdat alles gedirigeerd is naar de markt. Dat betekent nog meer marktverantwoordelijkheid, producentenverantwoordelijkheid en we hebben ook de gemeenten en provincies. Als je dus een minister hebt die alles uit handen geeft of een andere plaats geeft, dan blijft het dus wel uit handen. Wat wil mevrouw Ouwehand nu eigenlijk precies?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik herken de problemen die de heer Poppe schetst. Er zijn verschillende bevoegdheden naar gemeenten en provincies gedelegeerd, waarmee mijn fractie lang niet altijd gelukkig is. Ik noem als voorbeeld de uitvoering van de ehs. Het gaat de fractie van de Partij van de Dieren om het verstevigen van de positie van de milieuminister en het toekennen van verantwoordelijkheden voor bijvoorbeeld natuur en duurzame ontwikkeling. Daardoor kan zij op het niveau van de minister van Financiën duurzaamheid- en ecologische toetsen uitvoeren op het beleid van de vakministers. Zij staat daar dan dus boven en geeft wel of niet haar fiat.

De voorzitter:
Tot slot de heer Poppe.

De heer Poppe (SP):
Als ik het goed begrijp, vindt de Partij voor de Dieren dus echt dat als je in het kabinet wat schuift, dat het dan een stuk beter zal gaan in de wereld.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik vind het in elk geval een goed begin. Ik weet niet of de heer Poppe wel eens het genoegen heeft gehad om met de minister van Landbouw een debat te voeren. Zij is verantwoordelijk voor zowel landbouw als natuur. Ik zeg tegen de heer Poppe dat de natuur er zeer bekaaid vanaf komt. Als we die verantwoordelijkheid toekennen aan de minister die ook verantwoordelijk is voor het milieu, zal er in elk geval scherper op basis van natuurbelangen worden gedacht, in plaats van dat de natuur als vijand wordt gezien voor het andere onderdeel dat binnen dat departement past: de uitbreiding van de landbouwsector. Het gaat dan vooral om de veehouderij, want die is daarbij de grootste boosdoener.

Ik dank de collega's voor deze gedachtewisseling. Ik vind het erg inspirerend als in elk geval in een volgende kabinetsperiode met een andere departementale structuur gewerkt zou worden. De grote uitdaging van de 21ste eeuw is namelijk het bewerkstelligen van een transitie in het denken over beschikbare middelen en de doelen en waarden die nagestreefd worden. Dat past volgens mij in een drieluik van fundamentele vragen die we in Nederland zouden moeten stellen. Dat drieluik begint met de vraag: welke grondstoffen en hulpbronnen zijn er beschikbaar voor de Nederlandse bevolking, als je op wereldniveau een werkelijk eerlijke verdeling zou maken? Daaraan gekoppeld vraag ik de minister: hoe staat het met de toezegging om eens te kijken naar de mogelijkheden van een wereldwijde quotering van natuurlijke hulpbronnen? Ik ben erg benieuwd hoe het daarmee staat.

Mijn tweede vraag luidt als volgt: welke behoeften zijn er? Wat hebben we nodig om een gelukkig leven te leiden in goede welvaart en goed welzijn en welke prioriteiten geven we daaraan?

Tot slot, welke waarden vinden wij belangrijk? Hoe willen wij dat er wordt omgegaan met onze eigen bevolking, met de andere mensen op deze planeet en met de dieren- en plantenwereld? Hierbij kun je inderdaad denken aan waarden als eerlijke handel en natuurlijk aan dierenwelzijn.

De antwoorden op deze vragen leveren een bepaalde speelruimte op binnen ecologische, economische en ethische kaders. Binnen deze speelruimte, noem het de milieugebruiksruimte, dat maakt mij niet uit, is het mogelijk om werkelijk duurzame producten en plannen te maken en binnen die kaders is het mogelijk om werkelijk van welvaart naar welzijn te gaan. De vragen uit het drieluik geven al aan dat over de ecologische, economische en ethische randvoorwaarden niet gepolderd kan worden. Dit zijn gegevens, weliswaar geen statische, maar toch het zijn gegevens, die niet op basis van machtsverhoudingen onderhandelbaar kunnen zijn. Dat wil zeggen dat het dan ook niet aan individuele bedrijven of burgers kan zijn om die randvoorwaarden te stellen. De markt zorgt niet voor een rechtvaardige verdeling, dat weten wij al lang, dat is een overheidstaak.
Daarom stelt de Partij voor de Dieren voor om de minister van "milieu" samen met de minister van Financiën boven de andere kerntaken van de overheid, zoals onderwijs, volksgezondheid en buitenlandse zaken, te plaatsen. De begrotingen van andere departementen moeten in de huidige vorm al langs de minister van Financiën; die moeten dan ook langs de minister van "milieu" vanwege de bredere taakopvatting, om te kijken of het allemaal wel kan, gezien de draagkracht en de waarde van de aarde, die wij belangrijk vinden. Heel graag verneem ik hierop de reactie van de minister. Als zij het plan omarmt, zou ik zeggen: solliciteer alvast naar die functie in een volgend kabinet.