Algemeen Overleg Landbouw- en Visse­rijraad / Visserij


10 april 2007

Inbreng Partij voor de Dieren, Esther Ouwehand

Voorzitter, ik moet een treurige constatering doen: wanneer we het hebben over de visserij komt het woord ‘roof’ de hele tijd bovendrijven. We roven de zeeën leeg, vangen vis om aan kalfjes te voeren die we hebben beroofd van hun moedermelk, en exploiteren met geïndustrialiseerde technieken de visgronden van ontwikkelingslanden waarmee we lokale vissers beroven van hun brood.

Daarbij komt dat er voor het welzijn van vissen nog geen enkele wetgeving is opgesteld, waardoor deze dieren letterlijk aan hun lot zijn overgelaten. Vrolijk word je er niet van.
Voordat ik inga op de punten die de minister heeft aangemerkt in de geannoteerde agenda een paar algemene opmerkingen. De feiten zijn dat het twee voor twaalf is. 90% van de grote vissoorten is de afgelopen 50 jaar verdwenen uit onze zeeën. Kabeljauw is commercieel uitgestorven in onze eigen Noordzee. De blauwvin tonijn is hetzelfde lot beschoren in de Middellandse Zee. We horen mooie woorden over de bestrijding van illegale visserij, er is een internationaal afgesproken ‘Plan of Action’, maar we zien nog geen concrete uitvoering, geen effectieve maatregelen, en tonnen illegaal gevangen vis die jaarlijks zonder problemen op de Nederlandse markt komen.
Er moet een betere inspanning worden geleverd door nationale overheden, de EU en de internationale gemeenschap om te voorkomen dat de voorspelling van de Verenigde Naties, namelijk een wereldwijd einde aan de commerciële visserij in 2050, bewaarheid wordt. Het behouden van internationale visstanden is een zaak die ons allen aangaat, ongeacht onze politieke achtergrond.

Europese Aal
De Partij voor de Dieren is het eens met de minister dat een akkoord NU nodig is om de Europese Aal te behouden.

Wel is het rijkelijk laat om nu nog te steggelen over zaken als doelstelling, tijdschaal en referentieperiode, terwijl het voorstel al in oktober 2005 is gepresenteerd door de Europese Commissie en toen is voorgesteld om het plan per 1 juli 2007 in werking te laten treden.

De minister schrijft dat het voorgestelde pakket voldoende flexibiliteit biedt voor een nationale invulling. Binnen deze flexibiliteit is er dus ruimte voor een voortrekkersrol van Nederland en ik wil van de minister weten of zij bereid is deze rol te vervullen.

Wetenschappers bevelen aan de huidige inspanningen als referentiepunt te nemen en geen ruimte te laten voor het vissen voor kwekerijen tijdens het sluitingsseizoen. De ICES (International Council for the Exploration of the Sea) stelt dat de exploitatie van de Europese aal zo dicht mogelijk naar 0 zou moeten gaan. Kunt u aangeven of u deze aanbevelingen zult volgen?

Dan nog even de claim dat de kosten van het aanpassen van pompen en turbines in sluizen en gemalen te hoog zouden zijn. Mijn vraag is hier: wil men de aal nu voor Europa behouden of niet?

Ik heb een aanvullende vraag aan de minister wanneer het gaat om de aal, beter bekend als paling. Het is onverteerbaar dat zoutbaden voor palingen nog altijd zijn toegestaan. De lange doodsstrijd die de dieren leveren, waarbij het zout hun slijm wegbrandt wat vergelijkbaar is met ernstige brandwonden bij de mens, staat symbool voor de ongebreidelde dodingsmethoden die worden gehanteerd in de visserijsector. Wij willen van de minister weten of zij op korte termijn met wetgeving komt voor het welzijn van vissen bij vangst en dood.

Kabeljauw in de Oostzee
Over het voorstel voor een meerjarenplan voor kabeljauw in de Oostzee schrijft de minister dat Nederland in dit gebied geen vangstrechten heeft. Maar dat betekent voor de Partij voor de Dieren niet dat Nederland geen mede-verantwoordelijkheid draagt voor de visstand in de Oostzee. De kabeljauwstand in de Oostzee is, net zoals die in de Noordzee, in feite al volledig uitgeput. Maritieme ecosystemen zijn met elkaar verbonden en het is in ieders belang om te zorgen dat er een wereldwijd netwerk is van gezonde ecosystemen op zee. Graag een reactie van de minister op dit punt.

De Partij voor de Dieren is benieuwd naar de effectiviteit van de nieuwe maatregelen die vanaf 1 mei 2007 moeten helpen om de handel in illegale kabeljauw in Nederland tegen te gaan en verwacht nu concrete resultaten. Een aantal vragen:

  • Wanneer wordt de respons van de vlaggenstaat beschouwd als voldoende?
  • Wordt de bevestiging van quotum, vergunning, toegestane vangstgebied e.d. schriftelijk teruggekoppeld?
  • De lidstaten dienen ten minste 15% van aanvoer of overladingen te inspecteren. Vindt de Minister 15% wel voldoende, aangezien Greenpeace heeft vastgesteld dat meer dan 50% van alle schepen die (in de eerste helft van 2006) in Eemshaven kabeljauw aanlandden een verdacht verleden heeft?
  • Kan de Minister aangeven of deze nieuwe inspecties meteen per 1 mei worden toegepast op reeds lang verdachte schepen zoals bijvoorbeeld schepen die op de Noorse zwarte lijst voorkomen? En kan de Minister garanderen dat er vanaf 1 mei op korte termijn overeenstemming zal komen tussen de zwarte lijst van Noorwegen en die van de NEAFC?

Reactie Minister op Greenpeace rapport over liberalisering van de handel in vis (‘Trading Away Our Oceans’)
In reactie op het Greenpeace rapport over liberalisering van de handel in vis en visprodukten in WTO verband stelt de minister dat voor een goed beheer van visbestanden in ontwikkelingslanden moet worden vertrouwd op Regional Fisheries Management Organisations (RFMOs), de FAO en bilaterale akkoorden tussen de EU en ontwikkelingslanden. Deze benadering is al lange tijd toegepast en heeft geleid tot de situatie waar we ons nu in bevinden: een mondiale crisis in visbestanden, en het vooruitzicht - voorspeld door de FAO - dat er in 2050 überhaupt geen commerciële visvangst meer mogelijk zal zijn.

Destructieve Visserij
Op het punt van destructieve visserijpraktijken op volle zee wil ik het belang onderstrepen van het verkrijgen van informatie over de impact van diepzeevisserij op het ecosysteem.

Op 17 april voert de L&V Raad een informele discussie over VN resolutie 61/105, die in december 2006 met steun van Nederland is aangenomen, en waarin wordt bepaald dat nieuw te vormen RFMOs tot eind 2007 de tijd hebben om de kwetsbare diepzeegebieden in hun beheersgebied in kaart te brengen. Nederland is op dit moment betrokken bij het opstarten van een nieuwe RFMO voor de Stille Zuidzee, de zogenaamde South Pacific RFMO. Hier ligt bij uitstek een kans om aan genoemde VN resolutie te voldoen, maar de inzet van het Ministerie voor LNV is ronduit zwak. In de delegatie voor de onderhandelingen zitten geen vertegenwoordigers van de afdeling visserij van het ministerie, maar er is wel een sterke bedrijfsdelegatie van de Nederlandse visindustrie. Kan de Minister uitleggen waarom niemand van de directie natuur of visserij betrokken is bij de internationale onderhandelingen van deze RFMO? Op deze manier kan niet worden gewaarborgd dat kwetsbare diepzeegebieden binnen de nieuwe RFMO in kaart worden gebracht en de VN resolutie wordt uitgevoerd. De Partij voor de Dieren roept de Minister op om op dit punt een sterkere inspanning te leveren.