Vragen Vestering over de schijn­op­lossing van mest­fa­brieken voor het mest­pro­bleem


Indiendatum: 31 mrt. 2021

Schriftelijke vragen van het lid Vestering (Partij voor de Dieren) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de schijnoplossing van mestfabrieken voor het mestprobleem (vervolgvragen)

  1. Kent u het bericht ‘Flink meer mestfabrieken nodig, maar niemand wil ‘m in z’n buurt’?[1]
  2. Kunt u bevestigen dat de veehouderij in Nederland zo intensief is dat we dertig tot veertig procent van de geproduceerde mest niet op het land kwijt kunnen, waardoor we met een gigantisch overschot kampen?[2]
  3. Kunt u bevestigen dat mestfabrieken een noodgreep zijn in een poging om dit mestoverschot weg te werken zonder het aantal gehouden dieren hiervoor te verminderen? Zo nee, waarom niet?
  4. Kunt u bevestigen dat indien het toekomstige mestbeleid zo wordt vormgegeven als u schrijft in uw Kamerbrief ‘contouren toekomstig mestbeleid’,[3] er een flinke uitbreiding van het aantal mestfabrieken nodig zal zijn?
  5. Hoeveel meer mestverwerkingscapaciteit zal er in totaal nodig zijn om alle mest uit de intensieve veehouderij af te voeren, wanneer het aantal dieren dat in de veehouderij wordt gefokt en geslacht niet wordt verminderd?
  6. Kunt u bevestigen dat het in Noord-Brabant om een toename van ongeveer dertig procent zal gaan?
  7. Deelt u het inzicht dat vrijwel elke nieuw geplande mestfabriek stuit op lokaal verzet van omwonenden vanwege stankoverlast, ontploffingsgevaar en gezondheidsklachten en dat mestfabrieken omgeven zijn van fraude en criminaliteit?[4]
  8. Zo nee, kunt u dan een voorbeeld geven van een gemeente die zich vrijwillig bij u heeft gemeld omdat het bereid is om nieuwe mestfabrieken binnen de gemeentegrenzen te laten bouwen?
  9. Kunt u bevestigen dat er in Horst aan de Maas (Limburg) een mestverwerker staat waarvan de wethouder aangeeft dat het al jarenlang vier keer zoveel mest verwerkt als toegestaan in de vergunning?
  10. Hoe beoordeelt u het dat de verantwoordelijke gedeputeerde Burlet niet alleen weigert hierop te handhaven, maar het in overtreding zijnde bedrijf in de media zelfs verdedigt door te zeggen dat het “een goed initiatief” is?
  11. Welke actie kunt u ondernemen ter ondersteuning van de verantwoordelijke wethouder, om deze gedeputeerde ertoe te bewegen te handhaven op deze illegale situatie? Welke actie heeft u ondernomen?
  12. Kunt u bevestigen dat het energetisch rendement van (mono)mestvergisting 10% is en dus nauwelijks ‘groen gas’ oplevert?[5]
  13. Kunt u bevestigen dat de energie die opgewekt wordt bij mono- of co-vergisting dikwijls gebruikt wordt voor de verdere verwerking van de overgebleven meststoffen (het digestaat) om het geschikt te maken voor de export, zoals u heeft geantwoord op eerdere Kamervragen? [6] Waarom vindt u dit een nuttige toepassing van de opgewekte energie?
  14. Deelt u het inzicht van oud-landbouwminister Veerman dat “het verkoopargument ‘groene energie’ natuurlijk heel wat positiever [is], marketingtechnisch, om aan de man […] en aan de politiek te brengen dan dat je zegt ‘we moeten van de mest af en we hebben wat gevonden’”?[7]
  15. Kunt u bevestigen dat de werkelijke bestaansreden van mestfabrieken niet het opwekken van energie is, maar het makkelijker en goedkoper maken van de mestexport, omdat het verwerkte digestaat lichter is om te vervoeren dan verse dierlijke mest?
  16. Zo nee, waarom denkt u dat oud-landbouwminister Veerman dit verklaart? Zo ja, erkent u dan dat de opgewekte energie geen toegevoegde waarde heeft voor de samenleving (een ‘nuttige toepassing’) en daarom niet subsidiabel zou moeten zijn onder de SDE++-subsidie? Gaat u dit aanpassen?
  17. Beaamt u dat het aantal dieren dat in Nederland wordt gefokt, gebruikt en gedood op korte termijn drastisch zal moeten verminderen in het licht van de urgente stikstof- en klimaatcrises? Zo nee, waarom niet?
  18. Deelt u de mening dat het weggegooid geld is om nu in nieuwe mestfabrieken te investeren wanneer op de korte of middellange termijn de mestproductie drastisch af zal nemen?
  19. Deelt u het inzicht dat wanneer u het aantal dieren drastisch laat krimpen, er minder mest geproduceerd zal worden, waardoor alle mest weer op het land gebruikt kan worden, waarmee de mestkringloop gesloten wordt en mestfabrieken en –export overbodig zijn?
  20. Komt deze duurzame oplossingsrichting overeen met uw visie voor kringlooplandbouw? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom wijzen de door u geschetste contouren voor het toekomstige mestbeleid in een geheel andere richting?
  21. Bent u bereid de door u geschetste contouren voor het toekomstige mestbeleid te herzien, zodat deze in lijn gebracht wordt met de kringlooplandbouwvisie en u of uw opvolger voorbereid is om de mestproblematiek op de enige echt duurzame wijze aan te pakken, namelijk door vermindering van de productie? Zo nee, waarom niet?
  22. Kunt u deze vragen een voor een beantwoorden, binnen de gestelde termijn?


[1] NOS Nieuwsuur, 29-03-2021, Flink meer mestfabrieken nodig, maar niemand wil ‘m in z’n buurt | Nieuwsuur (nos.nl)

[2] https://www.natuurenmilieu.nl/wp-content/uploads/2016/02/NM-Mestmarathon_webversie.pdf, p. 2

[3] Kamerstuk 33037-374

[4] https://www.nrc.nl/nieuws/2021/02/11/internationaal-onderzoek-naar-mestfraude-in-belgie-en-nederland-a4031432

[5] Natuur & Milieu, https://edepot.wur.nl/177055 p. 19

[6] Zoals u heeft geantwoord op schriftelijke vragen van de leden Van Raan en Wassenberg, Kamernummer 2021D11407

[7] In de uitzending van KRO-NCRV De Vuilnisman, 14-03-2021