Vragen over het jagen op vossen in het donker


Vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) aan de staatssecretaris van Economische Zaken en de minister van Veiligheid en Justitie over het jagen op vossen in het donker

1. Kent u de uitspraken 201012263/1/A3 en 201100944/1/A3-A van de Raad van State over de jacht op vossen en het gebruik van kunstlicht bij die jacht?

2. Deelt u de mening dat deze uitspraak een bevestiging vormt voor het absolute verbod op de jacht in nachtelijke uren en het gebruik van kunstlicht en restlichtversterkers tijdens jacht en andere vormen van afschot? Zo nee, waarom niet? Zo ja, onder welke voorwaarden is nachtjagen met kunstlicht wel toegestaan?

3. Hoeveel ontheffingen voor het jagen met kunstlicht op vossen of andere dieren zijn er door provincies gegeven en hoe beoordeelt u dat?

4. Op welke wijze gaat u waarborgen dat er geen vergunningen meer worden afgegeven die in strijd zijn met de Benelux-Overeenkomst?

5. Bent u bereid erop toe te zien dat provincies alle vergunningen die zijn verstrekt in strijd met de Benelux-Overeenkomst, zoals het jagen met kunstlicht, per direct worden ingetrokken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?

6. Wat vindt u van het oordeel van de Raad van State dat zowel het college van Noord-Holland als het college van Friesland onvoldoende heeft gemotiveerd dat er een noodzaak is om op vossen te jagen?

7. Deelt u de mening dat de argumentatie van de Raad van State eveneens van toepassing is op de landelijke vrijstelling van de vos? Zo nee, waarom niet?

Antwoorddatum: 12 dec. 2013

Geachte Voorzitter,

Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen die zijn gesteld door het lid Thieme (PvdD) over het jagen op vossen in het donker op 6 december 2013 onder nummer 2013Z24148.

1. Kent u de uitspraken 201012263/1/A3 en 201100944/1/A3-A van de Raad van State over de jacht op vossen en het gebruik van kunstlicht bij die jacht?

Antwoord: Ja, ik heb uw Kamer bij brief van 6 december 2013 nader geïnformeerd over de inhoud van de uitspraken en de gevolgen daarvan voor beheer en schadebestrijding.

2. Deelt u de mening dat deze uitspraak een bevestiging vormt voor het absolute verbod op de jacht in nachtelijke uren en het gebruik van kunstlicht en restlichtversterkers tijdens jacht en andere vormen van afschot? Zo nee, waarom niet? Zo ja, onder welke voorwaarden is nachtjagen met kunstlicht wel toegestaan?

Antwoord: De Benelux-overeenkomst Jacht en Vogelbescherming verbiedt het jagen in de nachtelijke uren en het gebruik van jachtmiddelen, anders dan de middelen die door het Comit├ę van Ministers van de Benelux Unie zijn aangewezen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State concludeert dat deze verboden ook van toepassing zijn op de uitvoering van beheer en schadebestrijding en dat de overeenkomst geen ruimte biedt aan de provincies om daar van af te wijken.

3. Hoeveel ontheffingen voor het jagen met kunstlicht op vossen of andere dieren zijn er door provincies gegeven en hoe beoordeelt u dat?

Antwoord: De ontheffingen waarover het in de uitspraken gaat, zijn ontheffingen van het verbod om beheer en schadebestrijding uit te voeren met behulp van kunstmatige lichtbronnen. Verschillende provincies hebben ontheffing verleend van dit verbod aan de faunabeheereenheden voor de bestrijding van vossen, maar ook voor de bestrijding van andere schadeveroorzakende dieren zoals konijnen en wilde zwijnen. Twee van die ontheffingen zijn afgelopen woensdag vernietigd. Een aantal andere ontheffingen is momenteel nog onderwerp van gerechtelijke procedures. Voor mijn oordeel verwijs ik u naar mijn brief van 6 december 2013.

4. Op welke wijze gaat u waarborgen dat er geen vergunningen meer worden afgegeven die in strijd zijn met de Benelux-Overeenkomst?

5. Bent u bereid erop toe te zien dat provincies alle vergunningen die zijn verstrekt in strijd met de Benelux-Overeenkomst, zoals het jagen met kunstlicht, per direct worden ingetrokken? Zo nee, waarom niet? Zo ja, op welke termijn en wijze?

6. Wat vindt u van het oordeel van de Raad van State dat zowel het college van Noord-Holland als het college van Friesland onvoldoende heeft gemotiveerd dat er een noodzaak is om op vossen te jagen?

7. Deelt u de mening dat de argumentatie van de Raad van State eveneens van toepassing is op de landelijke vrijstelling van de vos? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 4 t/m 7: Ik verwijs u naar mijn brief van 6 december 2013.

(w.g.) Sharon A.M. Dijksma

Staatssecretaris van Economische Zaken