Vervolg­vragen aan de ministers van LNV en VROM over mega­stallen (vervolg op vragen van deze leden over varkens­stallen; beant­woord op 10 juli)


Indiendatum: aug. 2007

Vervolgvragen van de leden Van Gent (GroenLinks) en Thieme (PvdD) aan de minister van LNV en de minister van VROM over megastallen
(vervolg op vragen van deze leden over varkensstallen; beantwoord op 10 juli)

1. Kent u het bericht ‘Hausse aan plannen voor varkensflats’ (1)?

2. Deelt u de mening dat deze hausse aan plannen voor varkensflats het onbedoelde effect is van de reconstructiewet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te voorkomen? Zo neen, waarom niet?
3. Welke definitie hanteert u van het begrip ‘duurzaam’ als voorwaarde voor een varkenshouderij om in een verwevingsgebied te mogen uitbreiden? In hoeverre worden hierbij dierenwelzijnsaspecten meegenomen en waar blijkt dat uit?

4. Deelt u het standpunt dat het begrip ‘duurzaam’ in dit kader onvoldoende is ingevuld, wat kan leiden tot ongewenste ontwikkelingen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit aanpakken en wanneer? Zo neen, waarom niet?

5. Mag een gemeente die géén specifieke voorschriften over bouwhoogte in het bestemmingsplan heeft opgenomen een vergunningaanvraag voor een varkensflat van (bijvoorbeeld) dertig verdiepingen hoog weigeren? Zo ja, hoe? Is het mogelijk om als weigergrond aan te voeren dat een dergelijke ontwikkeling in bouwhoogte niet was te voorzien of dat deze het agrarische karakter van het gebied aantast? Bij hoeveel verdiepingen ligt de ondergrens om een varkensflat op deze manier te kunnen weigeren? Zo neen, waarom niet?

6. Kunt u aangeven wat het maatschappelijk belang is van de vestiging van megabedrijven (meer dan 5.000 varkens) en welke argumenten er zijn om de vestiging van deze bedrijven in landbouwontwikkelinggebieden (log’s) met gunstige regelingen te ondersteunen?

7. Kunt u aangeven en verantwoorden waarom de samenleving kosten moet maken, zowel maatschappelijk (overlast, verkeersbewegingen, aantasting landschap) als financieel (gunstige vestigingsregelingen) om de vestiging van deze megabedrijven te ondersteunen?

8. Mag een gemeente een megastal of een andere grootschalige ontwikkeling in de veehouderij weren van een industrieterrein ook als dit type bedrijvigheid niet expliciet in het bestemmingsplan is uitgesloten? Zo ja, op grond waarvan? Zo nee, waarom niet?

9. Wie beoordeelt of een activiteit agrarisch is of industrieel? Wat is het formele, juridisch bindende onderscheid tussen een agrarisch bedrijf en een industrieel bedrijf? Hoe is dit in wet- en regelgeving verankerd?

10. Betekent het feit dat u met provincies en gemeenten gaat bespreken óf ruimtelijke uitgangspunten voor megaflats kunnen worden geformuleerd (2), dat u er niet van overtuigd ben dat dit kan? Zo ja, wat is het probleem en bent u bereid zo snel mogelijk stappen te ondernemen om te zorgen dat dit wel kan?

11. Wanneer komt het advies van de Rijksadviseurs over ruimtelijke uitgangspunten voor megaflats?

12. Bent u bereid ruimtelijke uitgangspunten voor grootschalige ontwikkelingen in de landbouw, zoals de bouw van megastallen, landelijk te verankeren in algemene regels op grond van de nieuwe Wro? Zo neen, waarom niet en bent u dan ten minste bereid gemeenten in het landelijk gebied op te roepen zo snel mogelijk bebouwingsvoorschriften voor landbouw in hun bestemmingsplan op te nemen? Zo neen, waarom niet?

(1) Volkskrant, 21 augustus 2007

(2) Zie antwoord 3 op de vragen van Thieme.

Indiendatum: aug. 2007
Antwoorddatum: 25 okt. 2007

Geachte Voorzitter,

In deze brief beantwoord ik mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) de vragen van de leden Van Gent (GroenLinks) en Thieme (PvdD) over megastallen.

1
Kent u het bericht ‘Hausse aan plannen voor varkensflats’?

Ja.

2
Deelt u de mening dat deze hausse aan plannen voor varkensflats het onbedoelde effect is van de Reconstructiewet? Zo ja, welke maatregelen gaat u nemen om dit te voorkomen? Zo neen, waarom niet?

Nee, de schaalvergroting in de landbouw is een ontwikkeling die zich al jaren in heel Nederland voordoet. De Reconstructiewet was bedoeld om enerzijds de intensieve veehouderij de ruimte te bieden zich te ontwikkelen en anderzijds kwetsbare gebieden te beschermen. Via een ruimtelijke zonering met landbouwontwikkelingsgebieden, verwevingsgebieden en extensiveringsgebieden wordt gewerkt aan het afbouwen van milieudruk op woon- en natuurgebieden. Eén van de middelen hierbij is bedrijfsverplaatsing vanuit extensiveringsgebieden naar landbouwontwikkelingsgebieden.

3
Welke definitie hanteert u van het begrip ‘duurzaam’ als voorwaarde voor een varkens¬houderij om in een verwevingsgebied te mogen uitbreiden? In hoeverre worden hierbij dierenwelzijnsaspecten meegenomen? Waar blijkt dat uit?

Er zijn door het Rijk geen aanvullende duurzaamheidseisen (bovenop de generieke eisen) gesteld. Vanzelfsprekend moeten uitbreidingen van varkensbedrijven aan de vigerende welzijnseisen voldoen.

Wel is duidelijk dat in verwevingsgebieden de landbouw moet kunnen samengaan met andere functies in het landelijk gebied zoals natuur, landschap, recreatie etc. De afweging hiervoor ligt bij provincies en gemeenten.

4
Deelt u het standpunt dat het begrip ‘duurzaam’ in dit kader onvoldoende is ingevuld, wat kan leiden tot ongewenste ontwikkelingen? Zo ja, op welke wijze gaat u dit aanpakken en wanneer? Zo neen, waarom niet?

Nee, zie antwoord op vraag 3.

5
Mag een gemeente, die géén specifieke voorschriften over bouwhoogte in het bestemmingsplan heeft opgenomen, een vergunningaanvraag voor een varkensflat van bijvoorbeeld dertig verdiepingen hoog weigeren? Zo ja, hoe?

6
Is het mogelijk om als weigergrond aan te voeren dat een dergelijke ontwikkeling in bouwhoogte niet was te voorzien of dat deze het agrarische karakter van het gebied aantast? Bij hoeveel verdiepingen ligt de ondergrens om een varkensflat op deze manier te kunnen weigeren? Zo neen, waarom niet?

Indien een bouwplan voor een grootschalige vorm van intensieve veehouderij wordt ingediend, dient de gemeente te toetsen of dit plan in de vigerende bestemmingsplan¬voorschriften past. Als de gemeente ervoor gekozen heeft géén specifieke voorschriften over bouwhoogte in het bestemmingsplan op te nemen, mag zij dit niet als toetscriterium hanteren. Als het bouwplan voldoet aan de bepalingen in het bestemmingsplan, zijn er voor de verlening van de bouwvergunning door de gemeente geen planologische belemmeringen. Ook geldt dat als een bouwplan niet binnen de geldende bestemmings¬planvoorschriften past, de bouwvergunning door de gemeente moet worden geweigerd, indien en voor zover aan het initiatief niet kan worden tegemoetgekomen door een vrijstelling of herziening van het bestemmingsplan.
Voortschrijdend inzicht kan niet worden opgevoerd als weigergrond voor een bouw¬aanvraag. Indien een gemeente een ontwikkeling bij nader inzien als ongewenst beschouwt, dan zal zij het bestemmingsplan moeten herzien. Om te voorkomen dat zich in de proceduretijd van het bestemmingsplan ongewenste ontwikkelingen voordoen, kan de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit nemen.

7
Kunt u aangeven wat het maatschappelijk belang is van de vestiging van megabedrijven met meer dan 5.000 varkens? Welke argumenten zijn er om de vestiging van deze bedrijven in landbouwontwikkelinggebieden (log’s) met gunstige regelingen te ondersteunen?

Schaalvergroting maakt het economisch gezien beter mogelijk om te innoveren en te investeren in extra maatregelen voor milieu, dierenwelzijn en fysieke inpassing van stallen.

Daar staat tegenover dat in de beeldvorming van de samenleving in grote stallen minder aandacht is voor het individuele dier en de menselijke maat verloren dreigt te gaan. Naar mijn mening zal de veehouderijsector op lokaal en regionaal niveau in overleg met provincie, gemeente en maatschappelijke organisaties tot een nieuwe balans en afweging moeten komen. Samen met de minister van VROM zal ik daarbij een stimu¬lerende rol spelen richting betrokken partijen.

Overigens faciliteert het Rijk met financiële middelen de bedrijfsverplaatsing vanuit extensiveringsgebieden (gebieden rondom kwetsbare natuur) naar duurzame locaties in landbouwontwikkelingsgebieden met het oog op de bescherming van kwetsbare natuur. Dit gebeurt onder de voorwaarde dat er sprake is van meervoudige doelrealisatie en van een aanzienlijke vermindering van de ammoniakbelasting op de vertreklocatie.

8
Kunt u aangeven en verantwoorden waarom de samenleving kosten moet maken, zowel maatschappelijk (overlast, verkeersbewegingen, aantasting landschap) als financieel (gunstige vestigingsregelingen), om de vestiging van deze megabedrijven te ondersteunen?

Op dit moment zijn er geen gunstige vestigingsregelingen specifiek gericht op mega¬bedrijven. De maatschappelijke kosten van zulke megabedrijven in de vorm van overlast, verkeersbewegingen en aantasting van het landschap zullen zoveel mogelijk per specifiek geval moeten worden beoordeeld door provincies en gemeenten in hun omgevingsbeleid. Zelf laat ik op dit moment een onderzoek uitvoeren naar de maatschappelijke kosten en baten van de intensieve veehouderij. In dat rapport zal het vraagstuk van de megabedrijven worden geadresseerd. Het rapport zal naar verwachting in maart 2008 gereed zijn.

9
Mag een gemeente een megastal of een andere grootschalige ontwikkeling in de veehouderij weren van een industrieterrein, ook als dit type bedrijvigheid niet expliciet in het bestemmingsplan is uitgesloten? Zo ja, op grond waarvan? Zo neen, waarom niet?

In de bestemmingsplanpraktijk wordt bijna altijd onderscheid gemaakt tussen bestemmingen voor bedrijfsdoeleinden/bedrijventerreinen en bestemmingen voor agrarische doeleinden. Aan de bestemming bedrijfsdoeleinden wordt veelal een staat van bedrijfsactiviteiten verbonden, die aangeeft welke bedrijfstypen aan die bestemming beantwoorden. Het komt - voor zover wij weten - in de praktijk niet voor, dat een bestemmingsplan met de bestemming bedrijfsdoeleinden/bedrijventerrein de vestiging mogelijk maakt van een agrarisch bedrijf in de vorm van een intensief veehouderijbedrijf. Maar als een bestemmingsplan de vestigingsmogelijkheden van een intensief veehouderijbedrijf op een bedrijventerrein niet uitsluit, dan zou in dat geval die vestiging niet op planologische gronden kunnen worden geweigerd. Zie ook het antwoord op de vragen 5 en 6.

10
Wie beoordeelt of een activiteit agrarisch of industrieel is? Wat is het formele, juridisch bindende onderscheid tussen een agrarisch bedrijf en een industrieel bedrijf? Hoe is dit in wet- en regelgeving verankerd?

Het onderscheid tussen ‘agrarisch’ en ‘industrieel’, respectievelijk ‘agrarisch bedrijf’ en ‘industrieel bedrijf’ is in de planologisch-juridische praktijk niet relevant. Relevant is de beschrijving van bedrijfsactiviteiten in het bestemmingsplan en de toelaatbaarheid van zulke activiteiten binnen het bestemmingsplangebied of delen daarvan.
Het is aan de gemeenteraad om bij de vaststelling van een bestemmingsplan de afweging te maken welke mogelijkheden en beperkingen in het bestemmingsplan worden opgenomen voor grootschalige vormen van intensieve veehouderij met het oog op een goede ruimtelijke ordening in dat plangebied.

11
Betekent het feit dat u met provincies en gemeenten gaat bespreken óf ruimtelijke uitgangspunten voor megaflats kunnen worden geformuleerd, dat u er niet van overtuigd bent dat dit kan? Zo ja, wat is het probleem? Bent u bereid zo snel mogelijk stappen te ondernemen om te zorgen dat dit wel kan?

De Reconstructiewet bevat een zonering in drie zones met regels voor vestiging en uitbreiding van intensieve veehouderijbedrijven. De bijlage bij de Reconstructiewet bevat rijksuitgangspunten voor de reconstructieplannen. De uitwerking is overgelaten aan provincies en gemeenten met de provinciale reconstructieplannen als voertuig.
Welke uitgangspunten van rijkszijde met een gelijke werking in alle reconstructiegebieden en daarbuiten zinvol kunnen worden toegevoegd, is onderwerp van overleg. De structuur van de varkensbedrijven en van het landschap in ons land vertonen zoveel variatie, dat eenvorminge rijksuitgangspunten niet eenvoudig tot stand kunnen komen.

12
Wanneer komt het advies van de Rijksadviseurs over ruimtelijke uitgangspunten voor megaflats?

Het advies van de Rijksadviseurs over megastallen is te verwachten in november van dit jaar.

13
Bent u bereid ruimtelijke uitgangspunten voor grootschalige ontwikkelingen in de landbouw, zoals de bouw van megastallen, landelijk te verankeren in algemene regels op grond van de nieuwe Wet op de ruimtelijke ordening (Wro)? Zo neen, waarom niet en bent u dan ten minste bereid gemeenten in het landelijk gebied op te roepen om zo snel mogelijk bebouwingsvoorschriften voor landbouw in hun bestemmingsplan op te nemen? Zo neen, waarom niet?

Of en zo ja hoe er ruimtelijke uitgangspunten voor groot¬schalige vormen van intensieve veehouderij kunnen worden geformuleerd, is onderwerp van gesprek. Wij schakelen daarbij de Rijksadviseurs in en voeren overleg met provincies en gemeenten.
De nieuwe Wet Ruimtelijke Ordening maakt het mogelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellen omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, indien nationale belangen met het oog op een goede ruimtelijke ordening dat noodzakelijk maken. Thans is de vraag of de ontwikkeling van grootschalige vormen van intensieve veehouderij zulke nationale belangen van de ruimtelijke ordening raken, onderwerp van studie en overleg.

In de Nota Ruimte staat dat het rijksbeleid gericht is op de bundeling van niet-grondgebonden en/of kapitaalintensieve landbouw in landbouwontwikkelingsgebieden vanuit het oogpunt van economie, milieu, landschappelijke kwaliteit en infrastructuur (verkeer, water, energie, logistiek). In deze gebieden wordt ruimte geboden voor nieuwvestiging en uitbreiding van bedrijven in een specifieke sector of een combinatie van sectoren, waarbij het zowel om agro-gerelateerde bedrijven als om bedrijven uit de agrokolom gaat. In dat kader is het aan de provincies zulke gebieden aan te wijzen en te begrenzen, en voor zover er sprake is van provinciale belangen eisen te stellen aan de inhoud van bestemmingsplannen in die gebieden. Die eisen zouden betrekking kunnen hebben op de toelaatbaarheid en landschappelijke inpassing van grootschalige vormen van intensieve veehouderij. Dit beleid is mede gericht op het tegengaan van de ontwikkeling van niet-grondgebonden en/of kapitaalsintensieve landbouw buiten die gebieden. Ook wanneer provincies hun verantwoordelijkheid niet of niet voldoende oppakken, komt het nationale belang in het geding. De betrokken provincies zijn thans volop bezig dit beleid uit te voeren.

De betrokken provincies en gemeenten zijn zich inmiddels scherp bewust van het belang van toereikende bestemmingsplannen voor het landelijk gebied.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,


G. Verburg

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer