Kamer­vragen aan ministers van LNV, VROM en VWS over invasie tijgermug


Indiendatum: mrt. 2007

Vragen van lid Ouwehand aan de ministers van VWS, VROM en LNV over de aanpak van de invasie van de tijgermug

  1. Kent u de artikelen “Bestrijding Chinese Tijgermug onvoldoende; Aziatische muggen liften mee met importbamboe” (1) en “Bio-invasies bedreiging voor volksgezondheid; opgepast voor Aziatische tijgermug” (2) ?
  2. Bent u van mening dat de voortdurende (ongewenste en onbedoelde) invoer van de tijgermug via de import van Lucky bamboo het welzijn van de Nederlandse bevolking zal aantasten, economische schade zal opleveren en gevaren kan opleveren voor de volksgezondheid en de biodiversiteit en dat daarbij er een groot risico is dat een onomkeerbare situatie zal ontstaan en de tijgermug niet meer uit te roeien is? Zo neen, kunt u dit toelichten?
  3. Bent u van mening dat - gezien de onder vraag 2 genoemde aspecten en mede gelet op artikel 8 onder H van het Verdrag op de biodiversiteit - onmiddellijk maatregelen nodig zijn om de invoer van tijgermuggen te stoppen, teneinde te voorkomen dat de tijgermug zich blijvend in Nederland zal vestigen en verspreiden?
  4. Acht u het correct dat in het persbericht dat het ministerie van VWS uitbracht naar aanleiding van het sluiten van een convenant met importeurs van Lucky bamboo om de invoer van de muggen te stoppen, gesuggereerd werd dat alle importeurs het convenant hadden ondertekend en dat de preventieve maatregelen direct zouden worden getroffen?
  5. Acht u het convenant, dat in feite met slechts ongeveer de helft van de importeurs is afgesloten en waarbij zij van VWS minimaal tot 1 november 2008 de tijd krijgen om zich in te spannen om bij invoer van Lucky bamboo op water een muggenvrije situatie te bereiken, een adequaat instrument om het hierboven genoemde doel te bereiken?
  6. Heeft de nota van 13 november 2006 waarin de Plantenziektenkundige Dienst aan het Ministerie van VWS meldt dat 75% van de muggen werd aangetroffen op bedrijven die het convenant niet hadden ondertekend en dat 98 % van de muggen werd aangetroffen op bedrijven die de plantjes op gel invoerden, geleid tot een wijziging van het beleid? Zo neen, bent u op grond van deze gegevens er inmiddels van overtuigd dat er zo spoedig mogelijk wettelijke voorschriften moeten worden uitgevaardigd, op grond waarvan alle importeurs van Lucky bamboo onmiddellijk maatregelen moeten treffen om te voorkomen dat er tijgermuggen worden ingevoerd?
  7. Op 19 mei 2006 heeft de Minister van VROM op verzoek van de Minister van VWS een tijdelijke vrijstelling verleend van het verbod om een bestrijdingsmiddel (BTI) te gebruiken voor de bestrijding van de larven van de tijgermug in Lucky bamboo op water (Stcrt 2006, nr 102) . Is het waar dat een dergelijke vrijstelling op grond van artikel 16a van de Bestrijdingsmiddelenwet voor hoogstens 120 dagen mag worden verleend, en dat de wet niet de mogelijkheid biedt om deze termijn te verlengen?
  8. Kunt u aangeven of u naar aanleiding hiervan snel adequate maatregelen gaat nemen om de invoer van tijgermuggen te stoppen, zodat de vrijstelling – in strijd met de wet al twee maal toe is verlengd (Stcrt. 2006, nr. 180 en Stcrt 2007, nr 45)- niet meer nodig is?
  9. Bent u van mening dat het voortdurend verlengen van de vrijstelling in strijd is met het beginsel dat het weren van organismen de voorkeur verdient boven het bestrijden ervan met bestrijdingsmiddelen?
  10. Deelt u de zorg dat een eventuele vestiging en verspreiding van tijgermuggen in Nederland ertoe zal leiden dat aanzienlijke hoeveelheden bestrijdingsmiddelen zullen moeten worden gebruikt om de hinder enigszins in te perken (zoals bijvoorbeeld ook in Italië en het oosten van de VS het geval is)?
  11. Bent u van mening dat het invoeren van tijgermuggen die zich vanuit de kassen naar de omgeving kunnen verspreiden kan worden aangemerkt als een handeling die nadelige gevolgen heeft voor het milieu, in de zin artikel 1.1.a van de Wet milieubeheer en bijlage 2 paragraaf 1.9. van het Besluit glastuinbouw? Zo neen, kunt u dit toelichten? Zo ja, bent u van mening dat hierin mogelijkheden gevonden kunnen worden waarlangs de problematiek (mede) zou kunnen worden aangepakt?

1) verschenen in Bionieuws van 3 februari 2007

2) verschenen in de Telegraaf van 24 februari 2007

Indiendatum: mrt. 2007
Antwoorddatum: 8 jun. 2007

Antwoorden op Kamervragen van het Kamerlid Ouwehand over de aanpak van de invasie van de tijgermug.
(2060710860)


1.
Kent u de artikelen ‘Bestrijding Chinese Tijgermug onvoldoende; Aziatische muggen liften mee met het inportbamboe’ en Bio-invasies bedreiging voor de volksgezondheid; opgepast voor Aziatische tijgermug’.

1.
Ja


2.
Deelt u de mening dat de voortdurende (ongewenste en onbedoelde) invoer van de tijgermug via de import van Lucky Bamboo het welzijn van de Nederlandse bevolking zal aantasten, economische schade zal opleveren en gevaren kan opleveren voor de volksgezondheid en de biodiversiteit, en dat daarbij een groot risico bestaat dat een onomkeerbare situatie zal ontstaan en de tijgermug niet meer uit te roeien is? Zo neen, kunt u dit toelichten?

10.
Deelt u de zorg dat een eventuele vestiging en verspreiding van de tijgermuggen in Nederland ertoe zal leiden dat aanzienlijke hoeveelheden bestrijdingmiddelen zullen moeten worden gebruikt om de hinder enigszins in te perken (zoals bijvoorbeeld ook in Italië en het oosten van de Verenigde Staten het geval is)?

2 en 10.
Naar aanleiding van de aanwezigheid van de Aziatische tijgermug in Nederland is het Centrum voor Infectieziektenbestrijding (CIb) in juli 2006 gestart met een onderzoek naar de Aziatische tijgermug. Dit onderzoek eindigt per juli 2008 en moet antwoord geven op de volgende vragen:
a. wat is de verspreiding van de Aziatische tijgermug in Nederland?
b. kunnen Aziatische tijgermuggen overleven en zich verspreiden in Nederland?
c. dragen de in Nederland aangetroffen Aziatische tijgermuggen het denguevirus bij zich?
d. zijn er medewerkers op bedrijven die Lucky bamboo importeren, besmet met het denguevirus door in Nederland aangetroffen Aziatische tijgermuggen en wat is de overlast door deze muggen?
Uit de tussentijdse rapportage van het CIb blijkt dat de Aziatische tijgermug voornamelijk in de kassen van de importeurs van Lucky bamboo is aangetroffen en een enkele keer buiten de bedrijven. De voorlopige resultaten wijzen niet op vestiging van de tijgermug in Nederland buiten de kassen. Ook is het denguevirus tot op heden niet aangetroffen in de onderzochte muggen en is bij de tot nu toe onderzochte medewerkers geen besmetting met het denguevirus in het bloed aangetroffen.
De voorlopige onderzoeksresultaten geven mij geen aanleiding de mening over de in de vraag genoemde gevolgen te delen. Een gebruik van aanzienlijke hoeveelheden bestrijdingsmiddelen is nu ook niet aan de orde.


3.
Deelt u de mening dat –gezien de onder vraag 2 genoemde aspecten en mede gelet op artikel 8, onder H, van het Verdrag op de biodiversiteit- onmiddellijk maatregelen nodig zijn om de invoer van tijgermuggen te stoppen, teneinde te voorkomen dat de tijgermug zich blijvend in Nederland zal vestigen en verspreiden?

3.
Neen. De maatregelen die momenteel genomen worden ter preventie van de introductie van de Aziatische tijgermug in de Nederlandse natuur zijn in overeenstemming met de nieuwe beleidsvoornemens voor invasieve exoten. Onder een exoot wordt verstaan een soort die ons land vanuit het natuurlijke verspreidingsgebied door menselijk handelen heeft bereikt en zich sindsdien heeft gevestigd. Exoten die nieuw worden geïntroduceerd vormen in de meeste gevallen geen grote problemen. Slechts een beperkt aantal exoten vormt een invasie. Van een invasie is sprake wanneer soorten zich explosief ontwikkelen en op die manier inheemse planten en dieren verdringen of wegconcurreren. Nieuwe soorten kunnen op die manier een bedreiging vormen voor de biodiversiteit.

Nederland is deelnemer aan het Biodiversiteitsverdrag. Dit Verdrag verplicht deelnemende landen een beleid te ontwikkelen om de introductie van soorten te voorkomen, die inheemse soorten of ecosystemen kunnen bedreigen. Op dit moment loopt een officiële consultatieronde over de beleidsvoornemens voor invasieve exoten langs maatschappelijke organisaties, bedrijfsleven, natuurbeheerders, overheden en kennisinstellingen. Hierna zal de beleidsnota Invasieve Exoten aangeboden worden aan de Tweede Kamer.
Het Rijk wil zich vooral inzetten op preventie, maar niet door onnodige extra regelgeving. Het streven is om op vrijwillige basis tot afspraken met het bedrijfsleven te komen om de omstandigheden tegen te gaan waaronder introductie van de Aziatische tijgermug plaats kan vinden.


4.
Acht u het correct dat in het persbericht dat het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uitbracht naar aanleiding van het sluiten van een convenant met importeurs van Lucky Bamboo om de invoer van muggen te stoppen, gesuggereerd werd dat alle importeurs het convenant hadden ondertekend en dat de preventieve maatregelen direct zouden worden getroffen?

5.
Acht u het convenant, dat in feite slechts met ongeveer de helft van de importeurs is afgesloten en waarbij zij van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport minimaal tot 1 november 2008 de tijd krijgen zich in te spannen bij invoer van Lucky Bamboo op water een muggenvrije situatie te bereiken, een adequaat instrument om het hierboven genoemde doel te bereiken?

6.
Heeft de nota van de Plantenziektenkundige Dienst van 13 november 2006 waarin aan het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport wordt gemeld dat 75% van de muggen werd aangetroffen op bedrijven die het convenant niet hadden ondertekend en dat 98% van de muggen werd aangetroffen op bedrijven die de plantjes op gel invoerden, geleid tot wijziging van het beleid? Zo neen, bent u op grond van deze gegevens er inmiddels van overtuigd dat zo spoedig mogelijk wettelijke voorschriften moeten worden uitgevaardigd, op grond waarvan alle importeurs van Lucky Bamboo onmiddellijk maatregelen moeten treffen om te voorkomen dat er tijgermuggen worden ingevoerd?

4, 5 en 6.
Van de enkele vermelding in het persbericht van VWS van 19 oktober 2006 dat op die dag het convenant werd getekend en wie de importeurs zijn van Lucky bamboo op waterbasis, gaat niet de suggestie uit dat alle importeurs het convenant hadden ondertekend en dat de preventieve maatregelen direct in plaats van per 1 november 2006 zouden worden getroffen.
In verband met het gebrek aan voldoende gekwalificeerde en gekwantificeerde gegevens over de aanwezigheid van de tijgermug in Nederland is gekozen voor het instrument van een convenant om de risico’s voor de volksgezondheid te beheersen. Tijdens het overleg met het bedrijfsleven over het convenant is duidelijk naar voren gebracht dat indien het convenant niet zou blijken te werken, een verbod bij wet aan de orde zou zijn.
De voorlopige onderzoeksresultaten geven tot nu toe geen aanleiding over te gaan tot een wettelijk verbod. Het beleid wordt daarom in deze zin gewijzigd dat er ook een convenant zal komen om de import van Lucky bamboo op gel per uiterlijk 1 november 2008 vrij te krijgen van tijgermuggen en de larven en eitjes van deze mug.


7.
Is het waar dat een tijdelijke vrijstelling van het verbod om een bestrijdingsmiddel (BTI) te gebruiken voor de bestrijding van de larven van de tijgermug in Lucky Bamboo op water die de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer op 19 mei 2006 op verzoek van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft verleend op grond van artikel 16a van de Bestrijdingsmiddelenwet voor ten hoogste 120 dagen mag worden verleend, en dat de wet niet de mogelijkheid biedt deze termijn te verlengen?

8.
Kunt u aangeven of u naar aanleiding hiervan snel adequate maatregelen gaat nemen om de invoer van tijgermuggen te stoppen, zodat de vrijstelling –die in strijd met de wet al tweemaal toe is verlengd, - niet meer nodig is?

9.
Deelt u de mening dat het voortdurend verlengen van de vrijstelling in strijd is met het beginsel dat het weren van organismen de voorkeur verdient boven het bestrijden ervan met bestrijdingsmiddelen?

7, 8 en 9.
Op basis van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Bmw 1962) kan de minister een ontheffing of vrijstelling verlenen voor maximaal 120 dagen. Er moet dan sprake zijn van een onvoorzien, niet op andere wijze te bestrijden gevaar. De bestrijding van de larven van de tijgermug voldoet aan deze wettelijke criteria. Er is inmiddels drie keer vrijstelling verleend. Het feit dat de vrijstelling betrekking heeft op hetzelfde bestrijdingsmiddel doet niets af aan de verplichting om bij ieder verzoek om vrijstelling opnieuw te toetsen of wordt voldaan aan de in de Bmw 1962 opgenomen criteria. Deze toetsing leidt daarom tot een nieuwe vrijstelling en kan niet worden beschouwd als een verlenging.
Het convenant met het bedrijfsleven moet er toe leiden dat de invoer van tijgermuggen stopt. In dit verband is het convenant dus het instrument waarmee de tijgermug uit Nederland moet worden geweerd. Daarnaast is nodig dat in Nederland aanwezige muggen en larven en eitjes van de mug worden bestreden. Voor het bestrijden van de tijgermuggen is het huidige toegelaten middelenpakket, op basis van de Bmw 1962, afdoende.
De vrijstelling is nodig om ook de larven te bestrijden. Voor de bestrijding van in Nederland aanwezige larven zal ik nagaan welke structurele mogelijkheden de bestrijdingsmiddelenwetgeving biedt.
De bestrijding van de muggen en larven en het convenant zijn de twee sporen waarlangs de tijgermug wordt aangepakt en in het licht van de voorlopige onderzoeksresultaten zijn dit vooralsnog adequate maatregelen om de tijgermug aan te pakken.


11.
Deelt u de mening dat het invoeren van tijgermuggen die zich vanuit de kassen naar de omgeving kunnen verspreiden kan worden aangemerkt als een handeling die nadelige gevolgen heeft voor het milieu, in de zin van artikel 1.1a van de Wet milieubeheer en bijlage 2, paragraaf 1.9, van het Besluit glastuinbouw? Zo ja, deelt u de mening dat hierin mogelijkheden gevonden kunnen worden waarlangs de problematiek (mede) zou kunnen worden aangepakt? Zo neen, kunt u dit toelichten?

11.
Artikel 1.1a, eerste lid van de Wet milieubeheer bepaalt dat een ieder voldoende zorg voor het milieu in acht moet nemen. Het tweede lid bepaalt vervolgens, kort gezegd, dat een ieder die kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu optreden dat achterwege moet laten, voorzover dat in redelijkheid van hem kan worden gevergd.
Paragraaf 1.9 van het Besluit glastuinbouw bepaalt dat indien de voorschriften uit het Besluit glastuinbouw een ontoereikende milieubescherming bieden, het glastuinbouwbedrijf de zorg draagt voor aanvullende maatregelen.
Het convenant is in lijn met de zorgplicht die in deze artikelen wordt geformuleerd. De maatregelen die daarin zijn

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer