Kamer­vragen aan de ministers van LNV en VROM over de bijen­sterfte


Vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en Volksgezondheid Ruimtelijke Ordening en Milieu over de bijensterfte

  1. Kent u de berichten ‘Insecticiden veroorzaken bijensterfte’1 en de in NRC gepubliceerde ingezonden brief ‘Nederlands toelatingsbeleid nieuwe generatie insecticiden verzuimt bijenvolken te beschermen’2?
  2. Kunt u aangeven waarom het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) de gebruiksmogelijkheden van de zogeheten ‘neonicotinoïde’ middelen heeft verruimd, terwijl meerdere Europese landen deze nieuwe generatie insectenbestrijdingsmiddelen al hebben verboden omdat deze middelen volgens Frans onderzoek kunnen leiden tot ineenstorting van de bijenstand?
  3. Deelt u de mening van de wetenschappers van de Universiteit van Utrecht dat door het dompelen van zaden de werkzame giftige stof in de hele plant wordt opgenomen en al in minieme concentraties giftig is voor insecten, zoals ook bijen? Zo neen, waarom niet?
  4. Deelt u de mening van de wetenschappers van de Universiteit van Utrecht dat de neveneffecten waaraan bijen lijden en uiteindelijk sterven (verlies van oriëntatievermogen met als gevolg dat een bijenvolk ondervoed raakt en vatbaarder is voor ziekten) niet worden gesignaleerd door toxiciteittests omdat die alleen directe sterfte meten? Zo neen, waarom niet?
  5. Hoe beoordeelt u dat producent Bayer 2 miljoen euro ter compensatie aan Duitse imkers heeft betaald voor het massale verlies aan bijenvolken? Is er zicht op enige compensatie voor Nederlandse bijenhouders voor de toepassing van neonicotinoïde? Zo ja, in welke vorm? Zo neen, waarom niet?
  6. Bent u bereid gevolg te geven aan de oproep van hoogleraar J. van der Sluijs van de Universiteit van Utrecht tot een verbod op neonicotinoïde insecticiden? Zo ja, binnen welke termijn? Zo neen, hoe kunt u het toestaan van deze insecticiden verantwoorden naar de land- en tuinbouw waarbinnen bijen juist een cruciale rol vervullen bij de bestuiving van de gewassen?
  7. Bent u met mij van mening dat met name de biologische landbouw gedupeerd wordt door de toelating van neonicotinoïde, omdat ze op geen enkele wijze profiteert van eventuele voordelen, maar wel te maken krijgt met de nadelen van toepassing zoals aangegeven door wetenschappers van de Universiteit van Utrecht? Zo ja, op welke wijze bent u van plan de biologische sector te compenseren voor de gevolgen van toelating? Zo neen, waarom niet?
  8. Kunt u aangeven of u in het ‘masterplan bijen’ dat u voornemens bent voor het zomerreces aan de Kamer te sturen ook ingaat op de effecten van insecticiden op bijen, waaronder ook de neonicotinoïde middelen? Zo ja, op welke wijze? Zo neen, waarom niet?

1 http://www.ad.nl/buitenland/3188962/rsquoInsecticiden_veroorzaken_bijensterftersquo.html
2 http://www.chem.uu.nl/nws/www/research/risk/bijensterfte/nrcbrief2mei2009.php

Antwoorddatum: 15 jun. 2009

Geachte Voorzitter,

Hierbij zend ik u, mede namens de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, de antwoorden op de vragen van het lid Thieme (PvdD) over bijensterfte en gewasbeschermingsmiddelen (nr. 2009Z08438).

1.
Kent u de berichten “Insecticiden veroorzaken bijensterfte” en de in NRC gepubliceerde ingezonden brief ‘Nederlands toelatingsbeleid nieuwe generatie insecticiden verzuimt bijenvolken te beschermen’?

Ja.

2.
Kunt u aangeven waarom het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) de gebruiksmogelijkheden van de zogeheten ‘neonicotinoïde’ middelen heeft verruimd, terwijl meerdere Europese landen deze nieuwe generatie insectenbestrijdingsmiddelen al hebben verboden omdat deze middelen volgens Frans onderzoek kunnen leiden tot ineenstorting van de bijenstand?

Het College voor Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden (Ctgb) beoordeelt de toelatingsaanvragen van gewasbeschermingsmiddelen volledig conform de Europese en nationale wetgeving. De Nederlandse toelatingen van ‘neonicotinoïden’- middelen voldoen dus aan alle van toepassing zijnde eisen.

Enkele lidstaten hebben op basis van een ondeugdelijke methode van zaadcoating (met als gevolg een slechte hechting van het middel op het zaad) en toepassingswijze (met als gevolg dat slecht gehecht middel in het milieu terecht komt) de toelating van enkele ‘neonicotinoïden’- middelen opgeschort (in Frankrijk met name voor gebruik op maïs­zaad). Met toepassingswijze wordt bedoeld het machinaal uitzaaien van het behandelde zaad op de akker. De toelating voor zonnebloemzaad was al eerder ingetrokken in Frankrijk omdat dit een bloeiend gewas is (in tegenstelling tot maïs, granen en bieten).
De lidstaten die deze ondeugdelijke methoden hebben toegepast zijn Frankrijk, Italië, Slovenië en Duitsland. Als gevolg van deze ondeugdelijke methoden is bijensterfte opgetreden.
Gelet op deze ondeugdelijke methoden heeft de Europese Commissie bij de besluit­vorming over de plaatsing van imidacloprid op Annex I van de gewasbeschermings­richtlijn (91/414) aangegeven dat zaadcoating met deze stof is toegestaan, maar alleen mag plaatsvinden in professionele zaadverwerkingsinstallaties (waardoor een goede hechting van het middel op het zaad gewaarborgd is). Deze richtlijn is op 15-12-2008 gepubliceerd en treedt op 1 augustus a.s. in werking.
Frankrijk heeft aangegeven dat de opschorting van de betreffende toelatingen zullen worden heroverwogen als de Europese Commissie een besluit heeft genomen over imidacloprid. Dat is, zoals aangegeven, inmiddels gebeurd.
Middelen op basis van neonicotinoïden voor volvelds-gewasbehandeling (onder andere fruitteelt) zijn ook in Frankrijk, Duitsland, Italië en Slovenië nog steeds toegelaten.

Het Franse onderzoek waaraan in de ingezonden brief in NRC wordt gerefereerd, is een verouderd onderzoek van het Franse Comité Scientifique et Technique uit 2004. Een meer recent onderzoek van het Franse AFSSA is in 2008 gepubliceerd. Dit rapport geeft een veel genuanceerder beeld van de mogelijke oorzaken van bijensterfte. Daarin wordt de varroa-mijt als belangrijkste oorzaak van bijensterfte genoemd. Daarin staat tevens dat bijen­sterfte in de zomer veroorzaakt wordt door “agricultural misuse of certain plant protection products”, m.a.w. ondeugdelijke methoden.

3.
Deelt u de mening dat door het dompelen van zaden de werkzame giftige stof in de hele plant wordt opgenomen en al in minieme concentraties giftig is voor insecten, zoals ook bijen? Zo nee, waarom niet?

Het behandelen van zaden met middelen op basis van neonicotinoïden (zaadcoating) gebeurt in Nederland in professionele zaadverwerkingsinstallaties. De toegelaten middelen zijn, zoals bij het antwoord op vraag 2 reeds is aangegeven, beoordeeld conform de Europese en nationale wetgeving. De middelen worden inderdaad door de hele plant verspreid, maar zijn alleen toegelaten voor niet-bloeiende gewassen (of op gewassen die in de praktijk bewust niet tot bloei worden gebracht), zoals maïs- en bietenzaad, maar bijvoorbeeld niet voor koolzaad of zonnebloemen. Er zijn voor deze toepassing geen onaanvaardbare effecten voor bijen bekend.

4.
Deelt u de mening dat de neveneffecten waaraan bijen lijden en uiteindelijk sterven (verlies van oriëntatievermogen met als gevolg dat een bijenvolk ondervoed raakt en vatbaarder is voor ziekten) niet worden gesignaleerd door toxiciteittests omdat die alleen directe sterfte meten? Zo nee, waarom niet?

Ik deel deze mening niet, omdat bijensterfte vele mogelijke oorzaken kent. Het kan, naast gewasbeschermingsmiddelen, gaan om ziekten en plagen zoals mijten , virussen, schimmels e.d., de huidige imkerpraktijk (met veel hobby-imkers) en klimaatomstandig­heden.
De daadwerkelijke oorzaken van (verhoogde) bijensterfte zijn per geval lastig vast te stellen. Er bestaat al een natuurlijke (winter)sterfte van circa 10-15%.
Er wordt al jaren onderzoek gedaan naar de oorzaken. In 2008 heeft EFSA een inventarisatie gemaakt van de oorzaken van bijensterfte in 22 Europese landen. In Duitsland is gedurende enkele jaren een grote monitoringsstudie uitgevoerd naar verbanden tussen bijensterfte en mogelijk oorzaken. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de primaire oorzaak van de bijensterfte de varroamijt is.
In januari jl. heeft WUR-PRI een rapport gepubliceerd over het belang van bijen bij de bestuiving en de bedreigingen van de bijenhouderij in Nederland (Visie bijenhouderij en insectenbestuiving, WUR-PRI, rapport 227, januari 2009). Dit rapport heb ik op 29 mei jl. met mijn reactie aan uw Kamer verzonden. In dit rapport wordt de mogelijkheid genoemd van niet-dodelijke (sub-lethale) effecten van middelen op basis van neonicotinoïden. Dergelijke effecten vallen inderdaad niet uit toxiciteitstesten af te leiden. Echter het Ctgb beoordeelt deze middelen ook op de uitkomsten van (semi)veldstudies, waarin vlieg- en fourageergedrag, invloed op broed e.d. worden meegenomen.
Een trendmatige toename van de jaarlijkse bijensterfte is in Nederland niet waargenomen. Het PRI-rapport geeft aan dat de frequentie van jaren met veel sterfte mogelijk toeneemt. Harde getallen ontbreken echter. Een van de aanbevelingen van het onderzoek van AFSSA uit 2008 is nader onderzoek naar de invloed van gewasbeschermingsmiddelen en ziekte­verwekkers op de bij en bijenvolken.
Januari jl. is, in opdracht van EFSA, een vervolgonderzoek gestart naar verhoogde bijen­sterfte, de zgn. “verdwijnziekte” (Colony Collapse Disorder, kortweg CCD), geleid door AFSSA. Het onderzoek wordt dit najaar afgerond.

5.
Hoe beoordeelt u dat producent Bayer 2 miljoen euro ter compensatie aan Duitse imkers heeft betaald voor het massale verlies aan bijenvolken? Is er zicht op enige compensatie voor Nederlandse bijenhouders voor de toepassing van neonicotinoïde? Zo ja, in welke vorm? Zo nee, waarom niet?

De compensatiebetaling aan Duitse imkers is een specifiek geval. Het betrof een hogere dosering (dan toegestaan) op maïszaad met een neonicotinoïde-middel ten behoeve van een verplichte bestrijding van een uitbraak van de maïswortelkever in Zuid-Duitsland in 2007. De zaadbehandeling en de toepassingswijze (het uitzaaien op de akker) werden op ondeugdelijke wijze uitgevoerd (net als in Frankrijk, zie antwoord op vraag 2). Hierdoor kwam het middel in hoge concentraties in het milieu terecht met bijensterfte als gevolg. De concentraties in het milieu waren hoog omdat een veel hogere dosering van het middel was toegepast dan door Bayer was voorgeschreven. De concentraties in het milieu die ontstaan bij normale toepassing van middelen die op het gewas worden gebracht, leiden niet tot onaanvaardbare effecten voor bijen.
Omdat de getroffen imkers buiten hun schuld werden gedupeerd, en een rechtstreeks verband werd aangetoond met het (onjuiste) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, heeft Bayer hen gecompenseerd voor de geleden schade.
In Nederland is een dergelijke situatie nooit voorgekomen, omdat zaadbehandeling altijd onder professionele omstandigheden heeft plaatsgevonden en nog steeds op deugdelijke wijze plaats vindt. Daardoor hebben zich in Nederland geen situaties voorgedaan van verhoogde bijensterfte als gevolg van de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.

6.
Bent u bereid gevolg te geven aan de oproep van hoogleraar J. van der Sluijs van de Universiteit van Utrecht tot een verbod op neonicotinoïde insecticiden? Zo ja, binnen welke termijn? Zo nee, hoe kunt u het toestaan van deze insecticiden verantwoorden naar de land- en tuinbouw waarbinnen bijen juist een cruciale rol vervullen bij de bestuiving van de gewassen?

De toelating van middelen is opgedragen aan het Ctgb. In het uiterste geval kan het Ctgb een toelating beperken of intrekken als daar aanleiding voor is. De betreffende neonocotinoïden zijn geplaatst op Annex I van richtlijn 91/414.
Op dit moment is er geen aanleiding toelatingen in te trekken of te beperken omdat er zich geen bestuivingsproblemen voordoen. Voor toegelaten neonocotinoïde-middelen voor openveld-toepassingen zijn risicobeperkende maatregelen voorgeschreven die onnodige bijensterfte moeten voorkomen: geen gebruik op in bloei staande gewassen, op plaatsen waar bijen actief naar voedsel zoeken en in de buurt van in bloei staand onkruid.
Jaarlijks wordt gemonitord hoeveel gevallen van bijensterfte gerelateerd aan het (onjuist) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen er zijn. Hieruit komt naar voren dat bijensterfte als gevolg van onjuist gebruik van gewasbeschermingsmiddelen de laatste jaren minimaal is.

7.
Deelt u de mening dat met name de biologische landbouw gedupeerd wordt door de toelating van neonicotinoïde, omdat ze op geen enkele wijze profiteert van eventuele voordelen, maar wel te maken krijgt met de nadelen van toepassing zoals aangegeven door wetenschappers van de Universiteit van Utrecht? Zo ja, op welke wijze bent u van plan de biologische sector te compenseren voor de gevolgen van toelating? Zo nee, waarom niet?

Ik deel deze mening niet. Bijensterfte kan, zoals reeds aangegeven, vele oorzaken hebben. Telers (gangbare en biologische) die afhankelijk zijn van bijen voor de bestuiving van hun teelt dienen daar zelf zorg voor te dragen. Daarvoor kunnen zij hobby-imkers inzetten of een beroep doen op de professionele bijenhouders.

8.
Kunt u aangeven of u in het ‘masterplan bijen’, dat u voornemens bent voor het zomerreces aan de Kamer te sturen, ook ingaat op de effecten van insecticiden op bijen, waaronder ook de neonicotinoïde middelen? Zo ja, op welke wijze? Zo nee, waarom niet?

In mijn visie aangaande bijensterfte wordt ingegaan op de oorzaken en een aanpak van de bijensterfte in ons land. Zoals reeds gezegd is de oorzaak van bijensterfte niet één maar een complex aan factoren.

De invloed van gewasbeschermingsmiddelen, zoals neonicotinoïde, komen, net als de andere mogelijke oorzaken in deze visie, aan bod.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,


G. Verburg