Kamer­vragen aan de ministers van LNV en Justitie over de ontheffing aan het bedrijf Lion Gaz om graaf­werk­zaam­heden te verrichten bij een broed­ko­lonie meeuwen


Vragen van het lid Thieme aan de minister van LNV en Justitie over de ontheffing aan het bedrijf Lion Gaz om graafwerkzaamheden te verrichten bij een broedkolonie meeuwen


1. Is het waar dat u in uw brief aan Lion GAZ (Brief minister LNV, kenmerk: F&F 75C.06.afw.0261ck, dd 1 december 2006) heeft vermeld dat graafwerkzaamheden zonder ontheffing mogen worden uitgevoerd vóórdat de vogels tot broeden komen?

2. Kunt u aangeven op welke gronden u heeft besloten dat graafwerkzaamheden zonder ontheffing mogen plaatsvinden door het bedrijf Lion GAZ in een gebied dat bekend staat als het broedgebied van beschermde vogels?

3. Kunt u aangeven op welke wijze u heeft getoetst of de graafwerkzaamheden zonder ontheffing in overeenstemming waren met de voorschriften uit de Flora- en Faunawet? Kunt u uw afwegingen ter zake met ons delen?

4. Kunt u aangeven op welke wijze u heeft getoetst of het bedrijf Lion Gaz zich aan het voorschrift hield om alleen graafwerkzaamheden voor het broedseizoen uit te voeren?

5. Bent u op de hoogte van het feit dat Lion Gaz ook tijdens het broedseizoen graafwerkzaamheden heeft verricht en dat hierover aangifte is gedaan door de Faunabescherming en dat het kamerlid van Gent op 16 april hierover kamervragen heeft gesteld?

6. Bent u op de hoogte van de uitspraak van de Officier van Justitie dat naar aanleiding van de aangifte van de Faunabescherming van het overtreden van de Flora- en Faunawet in het Rotterdams Havengebied niet zal worden opgetreden omdat het geen natuurgebied betreft?

7. Kunt u aangeven of handhaving van de Flora- en Faunawet andere prioritering heeft buiten natuurgebieden dan daarbinnen, waarom deze bepaling is opgenomen en of dit ook geldt voor beschermde soorten? Uit welke artikelen blijkt dat?

8. Bent u van mening dat de uitspraak van de Officier van Justitie een juiste interpretatie is van de Flora en Faunawet en dat op deze wijze de zorgplicht van mensen jegens in het wild levende dieren voldoende in acht is genomen? Zo, ja uit welke artikelen van de Flora- en Faunawet blijkt dat? Zo neen, bent u bereid alsnog proces verbaal op te doen maken en tot vervolging over te gaan en zo neen waarom niet?

9. Bent u bereid om de verstoringen van de grootste meeuwenkolonie van Europa in het Havengebied van Rotterdam te reguleren op een wijze die recht doet aan de Flora en Faunawet en de zorgplicht van mensen jegens dieren in acht neemt? Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?

10. Bent u bereid om de voortdurende verstoringen door werkzaamheden alsnog te stoppen zodat de meeuwenkolonie tot broeden kan overgaan? Zo ja, binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?

Antwoorddatum: 16 okt. 2007

Antwoord van minister Verburg (Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit), mede namens de minister van Justitie.

1. Ja.

2. Ontheffingen voor verstorende werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden in beginsel niet
verleend. Nesten van de meeste vogelsoorten zijn in de zin van artikel 11 van de Flora- en faunawet slechts nesten zo lang deze gedurende het broedseizoen werkelijk als nest in gebruik zijn. Dat geldt ook voor de nesten van meeuwen. De bescherming van artikel 11 van de Flora- en faunawet geldt daarom voor broedgebieden van meeuwen slechts gedurende het broedseizoen. In dit geval is echter sprake van werkzaamheden buiten het broedseizoen.

3. Bij het bepalen of er voor het voorgenomen project een ontheffing nodig is voor vogels, dient te worden vastgesteld of er sprake is van een overtreding van de verbodsbepalingen zoals genoemd in
artikel 11 van de Flora- en faunawet. De aanvrager van de ontheffing heeft aangegeven dat werkzaamheden die betrekking hebben op het verwijderen van vegetatie en grondwerkzaamheden buiten het broedseizoen worden uitgevoerd. Omdat buiten het broedseizoen geen sprake is van het overtreden van verbodsbepalingen uit artikel 11 van de Flora- en faunawet, is geoordeeld dat een ontheffing voor de kleine mantelmeeuw in dit geval niet nodig is.

4. Het toezicht op de naleving van de Flora- en faunawet berust in dergelijke gevallen bij de politie en de
Algemene Inspectiedienst van mijn ministerie.

5. Ja, de aangifte is mij bekend.

6. Deze uitspraak is mij als zodanig niet bekend. Mogelijk wordt in deze vraag gedoeld op de motivering van de beslissing van het Openbaar Ministerie, zoals verwoord in de brief van de officier van justitie van
21 mei 2007 aan de stichting De Faunabescherming, om naar aanleiding van de aangiften van de
voornoemde stichting van 24 april 2007 en 1 mei 2007, geen strafvervolging in te stellen. In het
antwoord op de kamervragen van 7 mei 2007 over dit onderwerp bent u reeds geïnformeerd over
(de motivering van) deze vervolgingsbeslissing van het Openbaar Ministerie (aanhangsel 1716).