Kamer­vragen aan de ministers van Justitie en LNV over het achterwege laten van straf­ver­volging na dieren­mis­han­deling


Vragen van het lid Thieme aan de ministers van Justitie en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het achterwege laten van strafvervolging na dierenmishandeling

  1. Kent u het artikel ‘Man gooit kat van derde verdieping’1, waarin wordt bericht over een man die een kat uit het raam heeft gegooid vanaf de derde verdieping van zijn flat?
  2. Is het waar dat er geen verdere vervolging wordt ingesteld in deze zaak2? Zo ja, wat is hiervoor de reden? Zo neen, op welke wijze en op welke termijn zal de eigenaar van deze kat worden vervolgd?
  3. Deelt u de mening dat bij een dergelijke vorm van dierenmishandeling waarvan de oorzaak gezocht wordt in de verwarde toestand van de dader, strenge maatregelen noodzakelijk zijn om herhaling te voorkomen? Zo ja, bent u bereid de mogelijkheid te ontwikkelen een zelfstandig houdverbod in te stellen, zodat in deze gevallen een houdverbod als zelfstandige straf kan worden opgelegd? Zo neen, waarom niet en kunt u dit toelichten?

(1) http://www.ad.nl/rotterdam/drechtsteden/2235367/Man_gooit_kat_van_derde_verdieping.html
(2) http://www.ad.nl/rotterdam/drechtsteden/2239608/Poesje_Au_voelt_zich_weer_goed.html

Antwoorddatum: 7 mei 2008

Antwoorden van de minister van Justitie en LNV over het achterwege laten van strafvervolging na dierenmishandeling

1
Ja.

2
Nee, de verdachte is gedagvaard voor een zitting van de politierechter te Dordrecht ter zake overtreding van artikel 36 lid 1 van de Gezondheidsen welzijnswet voor dieren. Deze zitting dient nog plaats te vinden.

3
Dierenmishandeling is een misdrijf ingevolge artikel 36, eerste lid, juncto artikel 122, eerste lid, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Overtreders van dit artikel kunnen worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van ten hoogste € 18 500. In het initiatiefwetsvoorstel van het lid Waalkens (Kamerstukken II 2005/2006, 30 511, nr. 5) wordt voorts voorgesteld om de al bestaande mogelijkheid van het opleggen van een houdverbod als bijzondere voorwaarde bij een geheel of ten dele voorwaardelijke veroordeling te verruimen. De indiener van het initiatiefwetsvoorstel stelt voor om de tijd waarvoor een houdverbod kan worden opgelegd te verruimen van drie naar tien jaren. Het ligt naar mijn mening in de rede de verdere behandeling van het initiatiefwetsvoorstel af te wachten.

Met betrekking tot een zelfstandig houdverbod verwijs ik naar de beantwoording van eerdere vragen op 28 april 2008 (Kamerstukken II 2007/08, 31 389, nr. 5) en naar de Nota Dierenwelzijn (Kamerstukken II 2007/08, 28 286, nr. 76).