Kamer­vragen aan de minister van VROM over de noodzaak van milieu-effect­rap­por­tages (MER) bij uitbreiding van varkens­hou­de­rijen


Kamervragen van het lid Thieme aan de minister van Volksgezondheid, Ruimtelijke Ordening en Milieu over de noodzaak van milieu-effectrapportages (MER) bij uitbreiding van varkenshouderijen

  1. Bent u bekend met de volgende Uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State:

    (a) Uitspraak in een voorlopige voorziening van 24 augustus 2007 in een geding tussen Zuiderzee B.V., gevestigd te Creil, gemeente Noordoostpolder en het College van Gedeputeerde Staten van Flevoland tegen het besluit van College van Gedeputeerde Staten van Flevoland om de ingediende aanvraag om een revisievergunning voor uitbreiding van een varkenshouderij van 9768 naar 11520 mestvarkens niet in behandeling te nemen vanwege het ontbreken van een milieu-effectrapportage (Zaaknummer 200704891/1)?

    (b) Uitspraak in een voorlopige voorziening van 20 december 2007 in een geding tussen Zuiderzee B.V., gevestigd te Creil, gemeente Noordoostpolder en het College van Gedeputeerde Staten van Flevoland tegen een besluit van College van Gedeputeerde Staten van Flevoland om het bezwaar tegen het hierboven genoemde besluit ongegrond te verklaren (Zaaknummer 200708006/2)?

    (c) Uitspraak van 26 maart 2008 in een geding tussen Zuiderzee B.V., gevestigd te Creil, gemeente Noordoostpolder en het College van Gedeputeerde Staten van Flevoland tegen een besluit van College van Gedeputeerde Staten van Flevoland om het bezwaar tegen het hierboven genoemde besluit ongegrond te verklaren (Zaaknummer 200708006/1)?
  2. Is het waar dat voor dit bedrijf nog niet eerder een MER is opgesteld en dat De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij voorlopige voorziening heeft uitgesproken dat bij de uitbreiding naar 11520 mestvarkens geen MER nodig is?
  3. Acht u het gewenst dat een varkenshouderij van deze omvang in bedrijf is zonder dat er ooit een MER is opgesteld? Zo ja, waarom? Zo neen, welke maatregelen gaat u nemen om uitbreidingen van varkensstallen vergunningsplichtig te maken en binnen welke termijn?
  4. Betekenen de uitspraken van de Raad van State dat het mogelijk is een grote varkenshouderij op te richten zonder MER of MER-beoordeling door het aantal mestvarkens telkens uit te bereiden in stappen van minder dan 3000 of 2200, of het aantal zeugen uit te breiden in stappen van minder dan 900 of 350?
  5. Acht u het gewenst dat deze uitspraken de mogelijkheid laat voorbestaan om deze opknip- of salamitactiek toe te passen bij de oprichting van grote varkenshouderijen? Zo ja, waarom en hoe verhoudt dit zich tot het milieubeleid? Zo neen, waarom niet en welke maatregelen gaat u nemen binnen welke termijn om deze praktijken te voorkomen?
  6. Kunt u aangeven waarom bij het Besluit van 16 augustus 2006 tot wijziging van het Besluit Milieu-effectrapportage 1994 de omschrijving van de activiteit van Categorie 14 in onderdelen C en D van de Bijlage is gewijzigd van “De oprichting van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens” in “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens” en wat de reden voor en draagwijdte van deze verandering is? Kunt u aangeven waarom deze verandering aangebracht is, op wiens initiatief en wie daarvan profiteren?
  7. Is het waar dat bij regulier ambtelijk overleg tussen m.e.r.-coordinatoren van de provincies en vertegenwoordigers van het ministerie van VROM, waarbij ook vertegenwoordigers van Infomil en van de Commissie voor de milieu-effectrapportage betrokken waren, eenduidig uitgesproken is dat, vanwege het Besluit op 16 augustus 2006, voor elke wijziging of uitbreiding van de bedrijven genoemd in de Bijlage, onderdeel C, categorie 14 van het Besluit Milieu-effectrapportage een MER dient te worden geëist?
  8. Betekent deze uitkomst van het regulier ambtelijk overleg dat de Uitspraken genoemd bij Vraag 1 een andere interpretatie van dit onderdeel van het gewijzigde Besluit Milieu-effectrapportage geeft dan u bij Besluit van 16 augustus 2006 had bedoeld? Zo ja, heeft dat gevolgen voor uw beleid?
  9. Is het waar dat in het Besluit Milieu-effectrapportage onder het begrip “capaciteit” verstaan wordt een “redelijkerwijs voorzienbare uitbreiding van de capaciteit” en onder “oppervlakte” een “redelijkerwijs binnen afzienbare tijd voorzienbare uitbreiding van de oppervlakte” en dat die begrippen aanleiding zijn voor de vergunningverlener en rechter om bij uitbreidingen te toetsen op het toepassen van een opknip- of salamitactiek bij activiteiten of plannen?
  10. Zou u het gewenst achten als de mogelijkheid van deze toetsing op het toepassen van deze opknip- of salamitactiek zou ontbreken bij inrichtingen voor intensieve veehouderij? Zo ja, welke maatregelen gaat u realiseren op welke termijn? Zo neen, waarom niet?
  11. In het Besluit Milieu-effectrapportage worden geen andere vormen van intensieve veehouderij genoemd dan pluimvee of varkens. Betekent dit dat er bij grote bedrijven met melkvee, vleeskalveren of pelsdieren nooit een MER of MER-beoordeling vereist is, ongeacht de omvang van de bedrijven? Acht u dat gewenst?

Antwoorddatum: 14 aug. 2008

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u de antwoorden toekomen op de vragen van het kamerlid Thieme over de noodzaak van milieu-effectrapportages (MER) bij uitbreiding van varkenshouderijen (ingezonden 15 juli 2008).

Kamervragen 2070825300

1
Bent u bekend met de volgende Uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State:

a)
Uitspraak in een voorlopige voorziening van 24 augustus 2007 in een geding tussen Zuiderzee B.V., gevestigd te Creil, gemeente Noordoostpolder en het college van gedeputeerde staten van Flevoland tegen het besluit van college van gedeputeerde staten van Flevoland om de ingediende aanvraag om een revisievergunning voor uitbreiding van een varkenshouderij van 9768 naar 11520 mestvarkens niet in behandeling te nemen vanwege het ontbreken van een milieu-effectrapportage (Zaaknummer 200704891/1)?

b)
Uitspraak in een voorlopige voorziening van 20 december 2007 in een geding tussen Zuiderzee B.V., gevestigd te Creil, gemeente Noordoostpolder en het college van gedeputeerde staten van Flevoland tegen een besluit van college van gedeputeerde staten van Flevoland om het bezwaar tegen het hierboven genoemde besluit ongegrond te verklaren (Zaaknummer 200708006/2)?

c)
Uitspraak van 26 maart 2008 in een geding tussen Zuiderzee B.V., gevestigd te Creil, gemeente Noordoostpolder en het college van gedeputeerde staten van Flevoland tegen een besluit van college van gedeputeerde staten van Flevoland om het bezwaar tegen het hierboven genoemde besluit ongegrond te verklaren (Zaaknummer 200708006/1)?

Antwoord
Ja


2
Is het waar dat voor dit bedrijf nog niet eerder een MER is opgesteld en dat de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State bij voorlopige voorziening heeft uitgesproken dat bij de uitbreiding naar 11520 mestvarkens geen MER nodig is?

Antwoord:
Het college van gedeputeerde staten van Flevoland besloot op 16 mei 2007 de aanvraag van Zuiderzee B.V. voor uitbreiding van de varkenshouderij te Creil van 9.768 tot 11.520 mestvarkens niet in behandeling te nemen vanwege het ontbreken van een milieu-effectrapportage. Op 26 maart 2008 verklaarde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het daartegen ingestelde beroep gegrond en vernietigde het besluit van het college. Naar het oordeel van de Afdeling Bestuursrechtspraak is op grond van het Besluit milieu-effectraportage 1994 pas bij een voorgenomen uitbreiding met meer dan 3.000 mestvarkens een milieu-effectrapport verplicht. Eerder was de Voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak bij de in vraag 1 genoemde voorlopige voorzieningen van 24 augustus en 20 december 2007 tot eenzelfde oordeel gekomen.

Voor de betrokken varkenshouderij is nog niet eerder een milieu-effectrapport gemaakt. Toen het bedrijf in 1997 een aanvraag voor oprichting van een varkenshouderij met 10.560 mestvarkens indiende, was de gemeente Noordoostpolder (toen het bevoegde gezag) overigens wel van mening dat een milieu-effectrapport moest worden gemaakt. Omdat een dergelijk rapport ontbrak, werd de aanvraag niet in behandeling genomen. Het daartegen ingestelde beroep werd evenwel door de Afdeling Bestuursrechtspraak gegrond verklaard (uitspraak van 11 september 1998, nr. E03.98.0725). De Afdeling Bestuursrechtspraak was van oordeel dat in dat geval niet was aangetoond dat vanwege bijzondere omstandigheden het opstellen van een milieu-effectrapport noodzakelijk was. Hierbij moet worden opgemerkt dat op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 zoals dat in 1997 luidde, voor dergelijke grote varkenshouderijen nog geen verplichting tot het maken van een milieu-effectrapport gold, maar slechts de verplichting voor het bevoegd gezag om te beoordelen of er – vanwege bijzondere omstandigheden – een milieu-effectrapport moest worden gemaakt.

3
Acht u het gewenst dat een varkenshouderij van deze omvang in bedrijf is zonder dat er ooit een MER is opgesteld? Zo ja, waarom? Zo neen, welke maatregelen gaat u nemen om uitbreidingen van varkensstallen vergunningsplichtig te maken en binnen welke termijn?

Antwoord:
Dat in het geval van de betrokken varkenshouderij bij de oprichting geen milieu-effectrapport is opgesteld, is het logische gevolg van de wetgeving zoals die op dat moment gold. Het Besluit is ondertussen gewijzigd. Op grond van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 zoals dat thans luidt, moet bij de oprichting, wijziging of uitbreiding van een varkenshouderij met meer dan 3.000 mestvarkens altijd een milieu-effectrapport worden gemaakt en moet het bevoegd gezag bij een oprichting, wijziging of uitbreiding met meer dan 2.200 mestvarkens beoordelen of – vanwege bijzondere omstandigheden - een milieu-effectrapport noodzakelijk is (onderdeel C, activiteit 14, respectievelijk onderdeel D, activiteit 14, van de bijlage).
Afgezien van de MER-(beoordelings)plicht is voor een uitbreiding van het aantal dieren in beginsel een milieuvergunning vereist.Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden waarmee het milieu wordt beschermd. Zonodig kan de vergunning worden geweigerd.

4
Betekenen de uitspraken van de Raad van State dat het mogelijk is een grote varkenshouderij op te richten zonder MER of MER-beoordeling, door het aantal mestvarkens telkens uit te bereiden in stappen van minder dan 3000 of 2200, of het aantal zeugen uit te breiden in stappen van minder dan 900 of 350?

Antwoord:
Ja

5
Acht u het gewenst dat deze uitspraken de mogelijkheid laten voorbestaan om deze opknip- of salamitactiek toe te passen bij de oprichting van grote varkenshouderijen? Zo ja, waarom? Hoe verhoudt dit zich tot het milieubeleid? Zo neen, waarom niet? Welke maatregelen gaat u nemen binnen welke termijn om deze praktijken te voorkomen?

Antwoord:
De bedoelingen van de richtlijn én de wetgever zijn dat bij substantiële wijzigingen, die aanzienlijke effecten op het milieu kunnen hebben, een MER of MER-beoordeling plaatsvindt. Als objectief blijkt dat binnen afzienbare tijd verdere uitbreiding zal plaatsvinden, dan kan het bevoegd gezag in het kader van de vergunningverlening maatregelen treffen.

6
Kunt u uiteenzetten waarom bij het Besluit van 16 augustus 2006 tot wijziging van het Besluit Milieu-effectrapportage 1994 de omschrijving van de activiteit van Categorie 14 in onderdelen C en D van de Bijlage is gewijzigd van “De oprichting van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens” in “De oprichting, wijziging of uitbreiding van een inrichting voor het fokken, mesten of houden van pluimvee of varkens” en wat de reden voor en draagwijdte van deze verandering is? Kunt u uiteenzetten waarom deze verandering aangebracht is, op wiens initiatief en wie daarvan profiteren?

Antwoord:
Deze omzetting is het gevolg van de implementatie van Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 met het oog op een betere bescherming van het milieu. Het initiatief is dan ook genomen door mijn ministerie. Omwonenden profiteren van de wijziging, maar ook het bevoegd gezag die nu een goed hulpmiddel heeft om in geval van wijziging of uitbreiding de aanvaardbaarheid voor het milieu te beoordelen.

7
Is het waar dat bij regulier ambtelijk overleg tussen MER-coordinatoren van de provincies en vertegenwoordigers van het ministerie van VROM, waarbij ook vertegenwoordigers van Infomil en van de Commissie voor de milieu-effectrapportage betrokken waren, eenduidig uitgesproken is dat, vanwege het Besluit op 16 augustus 2006, voor elke wijziging of uitbreiding van de bedrijven genoemd in de Bijlage, onderdeel C, categorie 14 van het Besluit Milieu-effectrapportage, een MER dient te worden geëist?

Antwoord:
Bedoeld overleg is informeel van aard. Ik ga niet in op informele ambtelijke overleggen. Zie verder het antwoord op vraag 8.

8
Betekent deze uitkomst van het regulier ambtelijk overleg dat de uitspraken genoemd bij Vraag 1 een andere interpretatie van dit onderdeel van het gewijzigde Besluit Milieu-effectrapportage geven dan u bij Besluit van 16 augustus 2006 had bedoeld? Zo ja, heeft dat gevolgen voor uw beleid?

Antwoord:
In de door u genoemde uitspraken bij vraag 1 heeft de rechter het Besluit m.e.r. geïnterpreteerd. Het geeft mij geen aanleiding tot bijstelling van mijn beleid of tot wijziging van het Besluit.

9
Is het waar dat in het Besluit Milieu-effectrapportage onder het begrip “capaciteit” verstaan wordt een “redelijkerwijs voorzienbare uitbreiding van de capaciteit” en onder “oppervlakte” een “redelijkerwijs binnen afzienbare tijd voorzienbare uitbreiding van de oppervlakte” en dat die begrippen aanleiding zijn voor de vergunningverlener en rechter om bij uitbreidingen te toetsen op het toepassen van een opknip- of salamitactiek bij activiteiten of plannen?

Antwoord:
ja. Overigens worden deze begrippen voor andere categorieën gebruikt dan intensieve varkens- en pluimveehouderijen (zie verder het antwoord op vraag 10).

10
Zou u het gewenst achten als de mogelijkheid van deze toetsing op het toepassen van deze opknip- of salamitactiek zou ontbreken bij inrichtingen voor intensieve veehouderij? Zo ja, welke maatregelen gaat u realiseren en op welke termijn? Zo neen, waarom niet?

Antwoord:
In de betreffende categorieën C 14 en D14 (intensieve varkens- en pluimveehouderijen) van het Besluit m.e.r. staan de begrippen “capaciteit” en “ oppervlakte” niet specifiek genoemd. Dat betekent dat deze begrippen niet direct gebruikt kunnen worden om te toetsen op het zich voordoen van een “opknip- of salamitactiek”. Op grond van jurisprudentie is wel duidelijk dat bij niet-concrete plannen tot uitbreiding van de inrichting, het bevoegd gezag de dieraantallen van de latere uitbreidingen niet mag optellen bij de aangevraagde aantallen om te toetsen aan de MER-(beoordelings)drempels. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat dit bij concrete plannen wel mag. Er zijn echter geen uitspraken bekend waaruit dit glashelder blijkt. Wanneer er geen concrete plannen zijn, is in geval van een latere uitbreiding daarvoor in beginsel een milieuvergunning vereist. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden waarmee het milieu wordt beschermd. Zonodig kan de vergunning worden geweigerd.

11
Betekent het feit dat in het besluit Milieu-effectrapportage geen andere vormen van intensieve veehouderij worden genoemd dan pluimvee of varkens, dat er bij grote bedrijven met melkvee, vleeskalveren of pelsdieren nooit een MER of MER-beoordeling vereist is, ongeacht de omvang van de bedrijven? Acht u dat gewenst?

Antwoord:
Op grond van het Besluit m.e.r. 1994 geldt de verplichting om een milieu-effectrapport op te stellen (onderdeel C, activiteit 14, van de bijlage) of de verplichting voor het bevoegd gezag om te beoordelen of een zodanig rapport moet worden gemaakt (onderdeel D, activiteit 14, van de bijlage) alleen ten aanzien van intensieve varkens- en pluimveebedrijven. Ten aanzien van andere vormen van intensieve veehouderij zoals vleeskalveren en pelsdieren, bevat het toetsingskader van de Wet milieubeheer in beginsel voldoende aanknopingspunten om te waarborgen dat bij de vergunningverlening alle relevante milieugevolgen bij de beoordeling van de aanvraag in beschouwing worden genomen.



Hoogachtend,
de Minister van Volkhuisvesting,
Ruimtelijke ordening en Milieubeheer,



dr. Jacqueline Cramer