Kamer­vragen aan de minister van LNV over subsi­diering van Varkens in Zicht


Vragen van het lid Thieme van de Partij voor de Dieren aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over subsidiering van Varkens in Zicht

1) VPRO, 29 maart jongstleden

  1. Kent u de uitzending ‘Dierenduel’ waarin Benny Jolink en Jan Terlouw een zichtstal bezoeken van het project ‘Varkens in Zicht’? (1)
  2. Op de website van het project ‘Varkens in Zicht’ staat vermeld dat het Ministerie hiervoor een startsubsidie heeft verstrekt. Kunt u aangeven hoe hoog die startsubsidie is geweest en welke criteria u heeft verbonden aan de subsidieverstrekking? Kunt u aangeven wie deze criteria heeft opgesteld en wie de besteding van de subsidie heeft getoetst? Kunt u aangeven in hoeverre in de criteria is meegenomen dat het publiek op eerlijke wijze geïnformeerd zou worden over de omstandigheden waaronder gangbare varkens in Nederland leven en dat de zichtstal die situatie zou weergeven?
  3. Kunt u aangeven waarom u een startsubsidie heeft verstrekt aan een groep varkenshouders om naast hun gangbare productiebedrijf een etalage neer te zetten waarin de varkens onder betere omstandigheden worden gehouden dan hun soortgenoten in de andere buiten het zicht liggende stallen op datzelfde bedrijf?
  4. Bent u met ons van mening dat deze zichtstal een misleidende activiteit is van de gangbare varkenshouderij omdat zij de bezoeker een beeld schetst dat niet overeenkomt met de werkelijkheid? Zo ja, welke actie gaat u ondernemen om in de toekomst het verstrekken van onterechte subsidies te voorkomen? Zo neen, waarom niet?
  5. Bent u met ons van mening dat deze vorm van misleidende publieksinformatie zo snel mogelijk afgeschaft moet worden? Zo ja, welke actie gaat u daarop nemen? Zo neen, hoe strookt dit met uw beleid om eerlijke publieksvoorlichting te stimuleren?
  6. Bent u van mening dat consumenten over eerlijke en betrouwbare informatie moeten kunnen beschikken over de wijze waarop en onder welke omstandigheden dieren worden ingezet voor de productie van vlees ? Zo ja, op welke wijze garandeert uw ministerie dat informatie die zij zelf met subsidies ondersteunt voldoende betrouwbaar is, eerlijk is en een weerspiegeling van de werkelijkheid betreft?
  7. Bent u bereid een toetsingskader te ontwikkelen om subsidieaanvragen vanuit de sector en de keten te beoordelen op authenticiteit van de bedoelingen wat betreft het informeren van consumenten? Zo ja, hoe gaat u dit toetsingskader vormgeven en wanneer verwacht u het kader te implementeren? Zo neen, op welke wijze wilt u voorkomen dat met subsidies van het ministerie consumenten vals worden voorgelicht over de productiewijze van vlees?
  8. Bent u bereid meer in te zetten op eerlijke en authentieke overheidsinformatie over de productiewijze van dierlijke producten, waarbij ook aandacht is voor de minder leuke kanten zoals ingrepen bij varkens en kippen, de hokruimte en de welzijnsproblemen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat vormgeven? Zo neen, waarom niet?
  9. Vindt u het met ons van belang de consument ook kennis te laten maken met de negatieve aspecten van het kopen van vlees? Zo neen, hoe denkt u dan de vaak genoemde kloof tussen burger en consument te dichten waar het gaat om maatschappelijke keuzes?

Antwoorddatum: 7 jun. 2007

Geachte Voorzitter,

Hierbij doe ik u de antwoorden toekomen op de vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) over de subsidiëring van Varkens in Zicht.

1.
Kent u de uitzending ‘Dierenduel’ waarin Benny Jolink en Jan Terlouw een zichtstal bezoeken van het project ‘Varkens in Zicht’?

Ja.

2.
Kunt u aangeven hoe hoog de startsubsidie is geweest? Welke criteria heeft u verbonden aan de subsidieverstrekking? Kunt u aangeven wie deze criteria heeft opgesteld? Wie heeft de besteding van de subsidie getoetst? Kunt u aangeven in hoeverre in de criteria is meegenomen dat het publiek op eerlijke wijze geïnformeerd zou worden over de omstandigheden waaronder varkens in Nederland leven en dat de zichtstal de situatie zou weergeven?

Het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) heeft eind 2006 een eenmalige subsidie van € 100.000,= verstrekt aan de stichting Varkens in Zicht. Hiermee wordt een deel van de kosten voor het opstarten van de driejarige publiekscampagne ‘Stap in de stal’ gefinancierd. Deze campagne gaat van start bij de opening van de tiende zichtstal op 15 mei a.s. Zij bestaat uit een reclamecampagne op de radio, waarin burgers worden uitgenodigd een zichtstal te bezoeken, de organisatie van het ‘Weekend van het varken’ op 26 en 27 mei a.s. en het opzetten van een nieuwe website.
Het ministerie van LNV heeft drie criteria gehanteerd voor het verstrekken van de subsidie. In de eerste plaats moeten de middelen worden ingezet als bijdrage in de kosten van de voorbereiding van de publiekscampagne. Een tweede voorwaarde is dat het agrarisch bedrijfsleven en de varkenshouders de overige voorbereidingskosten voor hun rekening moeten nemen. Ten derde moet de stichting elk jaar een effectmeting uitvoeren. Er zijn geen criteria gehanteerd over de wijze van informatieverstrekking.
De besteding van de subsidie zal door het ministerie worden getoetst na afronding van het project op basis van de aanvraag voor de definitieve vaststelling van de subsidie.

3.
Kunt u aangeven waarom u een startsubsidie heeft verstrekt aan een groep varkenshouders om naast hun gangbare productiebedrijf een etalage neer te zetten, waarin de varkens onder betere omstandigheden worden gehouden dan hun soortgenoten in de andere buiten het zicht liggende stallen op datzelfde bedrijf?

De subsidie van mijn ministerie is uitsluitend verstrekt ter medefinanciering van de campagne Stap in de stal en is niet ingezet voor het realiseren van de zichtstallen. De kosten van het bouwen en het beheer van de zichtstallen worden gefinancierd door het agrarisch bedrijfsleven en de betreffende varkenshouders. Verder verwijs ik naar de antwoorden op vraag 4 en 5.

4.
Deelt u de mening dat deze zichtstal een misleidende activiteit is van de gangbare varkenshouderij omdat zij de bezoeker een beeld schetst dat niet overeenkomt met de werkelijkheid? Zo ja, welke actie gaat u ondernemen om in de toekomst het verstrekken van onterechte subsidies te voorkomen? Zo neen, waarom niet?

5.
Deelt u de mening dat deze vorm van misleidende publieksinformatie zo snel mogelijk afgeschaft moet worden? Zo ja, welke actie gaat u daarop nemen? Zo neen, hoe strookt dit met uw beleid om eerlijke publieksvoorlichting te stimuleren?

Ik ben van mening dat de campagne Stap in de stal een evenwichtig beeld laat zien van de moderne op de toekomst gericht deel van de varkenshouderij. De wettelijke normen voor dierenwelzijn zijn het uitgangspunt voor de stichting Varkens in Zicht. De meeste zicht¬stallen voldoen aan de wettelijk vastgelegde eindnormen voor 2013, zoals groepshuis¬vesting voor fokvarkens. De burger krijgt zo een beeld van hoe de gehele varkenshouderij over een aantal jaren moet werken na het verstrijken van de wettelijke overgangs¬termijnen. Overigens blijkt uit het feit dat thans circa 35% van de fokvarkensbedrijven groepshuisvesting toepast dat de zichtstallen geen buitenbeentje zijn.
Verder geven de zichtstallen een beeld van de verschillende toegestane houderijsystemen (stallen met en zonder stro). Tenslotte zijn vanwege de strenge hygiënische voorschriften en de bouwkundige situatie, op een aantal bedrijven met een zichtstal niet alle aanwezige stallen te bezoeken. Op deze bedrijven hebben de bezoekers de gelegenheid om door middel van een film een completer beeld van de varkenshouderij te krijgen. De stallen op de zichtbedrijven, die niet toegankelijk zijn, voldoen aan de huidige welzijnsnormen en zullen binnen de wettelijke overgangsperioden worden aangepast.

De varkenshouderijsector neemt met deze campagne haar verantwoordelijkheid en levert een vernieuwende bijdrage aan het transparant maken van de moderne varkenshouderij en de noodzakelijke dialoog met de samenleving. Ik ben van mening dat dit de afgelopen jaren onvoldoende gebeurd is.

Uit een recent onderzoek van Wageningen Universiteit blijkt dat er een aantal positieve effecten zijn als burgers de gelegenheid krijgen agrarische bedrijven te bezoeken en als agrarisch ondernemers de dialoog aangaan met burgers. Burgers en agrarische onder¬nemers krijgen meer begrip voor elkaar, nieuwe verbindingen worden gelegd en onder¬nemers voelen zich zekerder en trotser door de contacten met burgers. Verder blijkt dat de maatschappelijke wensen van de bezoekers aanleiding zijn tot wederzijdse reflectie op de bedrijfsvoering.

Ik vind het van groot belang dat er een reëel beeld van de moderne varkenshouderij wordt geschetst. Het alleen maar laten zien van elementen die als positief worden ervaren, zal juist een averechtse werking hebben op het imago van de sector.

6.
Deelt u de mening dat consumenten over eerlijke en betrouwbare informatie moeten kunnen beschikken over de wijze waarop en onder welke omstandigheden dieren worden ingezet voor de productie van vlees? Zo ja, op welke wijze garandeert u dat informatie die met subsidies wordt ondersteund voldoende betrouwbaar is, eerlijk is en een weerspiegeling van de werkelijkheid betreft?

7.
Bent u bereid een toetsingskader te ontwikkelen om subsidieaanvragen vanuit de sector en de keten te beoordelen op authenticiteit van de bedoelingen wat betreft het informeren van consumenten? Zo ja, hoe gaat u dit toetsingskader vormgeven en wanneer verwacht u het kader te implementeren? Zo neen, op welke wijze wilt u voorkomen dat met uw subsidies consumenten vals worden voorgelicht over de productiewijze van vlees?

8.
Bent u bereid meer in te zetten op eerlijke en authentieke overheidsinformatie over de productiewijze van dierlijke producten, waarbij ook aandacht is voor de minder leuke kanten zoals ingrepen bij varkens en kippen, de hokruimte en de welzijnsproblemen? Zo ja, op welke wijze wilt u dat vormgeven? Zo neen, waarom niet?

9.
Vindt u het van belang de consument ook kennis te laten maken met de negatieve aspecten van het kopen van vlees? Zo neen, hoe denkt u dan de vaak genoemde kloof tussen burger en consument te dichten waar het gaat om maatschappelijke keuzes?

Ik vind het vanzelfsprekend dat informatie aan consumenten eerlijk en betrouwbaar moet zijn. Ik acht het derhalve niet nodig op dat punt een algemeen toetsingskader te ontwikkelen.
De voorwaarden waaronder een subsidie wordt verstrekt, zijn opgenomen in een individuele subsidiebeschikking.
Ik neem een aantal initiatieven om burgers en consumenten meer informatie te ver¬strekken over de wijze waarop dierlijke producten worden geproduceerd.
Het Voedingscentrum lanceert binnenkort een grote campagne rond het thema dieren¬welzijn. Deze campagne wordt door mijn departement gefinancierd. De boodschappen in deze campagne zijn gebaseerd op onafhankelijke, wetenschappelijk onderbouwde kennis. Het doel hiervan is om het thema dierenwelzijn bewuster door consumenten mee te laten wegen in hun voedselkeuze voor dierlijke producten. Voor zover dit bijdraagt aan het bereiken van dit doel zal er ook aandacht zijn voor de actuele welzijnsknelpunten in de veehouderij.

Verder is mijn departement recent een project gestart met als doelstelling meer objectieve informatie te geven over alle gangbare huisvestingssystemen in de verschillende vee¬houderijsectoren. De wijze waarop deze informatie verstrekt zal gaan worden wordt op dit moment uitgewerkt. Eén van de mogelijkheden waaraan gedacht wordt is om de huisvestingssystemen als zodanig zichtbaar te maken op de website van LNV en inzichte¬lijk te maken waarom aan hetzelfde product (vlees of eieren) een verschillend prijskaartje hangt. Ik streef ernaar om deze informatie begin 2008 op de LNV-website te zetten.

Tenslotte worden ook in EU-verband initiatieven ontplooid over het etiketteren van dierenwelzijn. Het Duitse voorzitterschap hield op 28 maart jl. een conferentie met als onderwerp: "Improving animal welfare by labelling". Het recente advies van het Economisch en Sociaal Comité over etikettering en dierenwelzijn vormde een belangrijke bouwsteen voor deze conferentie. Het algemene beeld was dat etikettering de consument kan stimuleren om producten te kopen die onder dierwelzijnsvriendelijke omstandig¬heden zijn geproduceerd. Een concreet vervolg op EU-niveau is denkbaar. Het is niet geheel duidelijk op welke wijze de Commissie dit denkt te doen. Wel moet er nog verder onderzoek en discussie plaatsvinden. Goede objectieve normen voor dierenwelzijn moeten eraan ten grondslag liggen. Maar ook de inpasbaarheid in de WTO-regels is een belangrijk aandachtspunt. Nederland blijft vanuit een positieve insteek betrokken bij dergelijke initiatieven op EU-niveau.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,

G. Verburg