Kamer­vragen aan de minister van LNV over nieuwe weten­schap­pe­lijke inzichten ten aanzien van invloeden op broed­vo­ge­l­aan­tallen


Indiendatum: feb. 2010

Vragen van het lid Ouwehand (Partij voor de Dieren) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over nieuwe wetenschappelijke inzichten ten aanzien van invloeden op broedvogelaantallen

1. Bent u bekend met het promotieonderzoek van SOVON en de Radboud Universiteit over broedvogelontwikkeling in Nederland ?

2. Heeft u opgemerkt dat de onderzoekers hebben vastgesteld dat de intensivering van landbouw en vermesting tot de grootste bedreigende factoren voor broedvogels behoren? Zo ja, welke waarde kent u toe aan die bevinding?

3. Hoe beoordeelt u de constatering dat het verhogen van de grondwaterstand in grote, aaneengesloten gebieden een veel effectievere maatregel is voor de bescherming van weidevogels dan de huidige werkwijze waarbij individuele nesten worden beschermd en hier en daar later wordt gehooid? Welke conclusies verbindt u hieraan voor uw beleid, mede gelet op de hoge jaarlijkse kosten voor weidevogelbeheer?

4. Hoe beoordeelt u de aanbeveling om land in de nabijheid van broedgebieden te laten verruigen als effectief instrument in het beleid dat erop gericht is de grauwe ganzenpopulatie niet te laten groeien? Bent u bereid deze aanbeveling over te nemen? Zo ja, op welke termijn? Zo neen, waarom niet?

5. Hoe oordeelt u met de kennis van nu over de effectiviteit van het tot nu toe door u gevoerde beleid ter bescherming van broedvogels? Deelt u de mening dat het huidige beleid –met het oog op uw ambities voor de bescherming van biodiversiteit in het algemeen, en broedvogels in het bijzonder- dient te worden bijgesteld? Zo ja, op welke termijn mag de Kamer voorstellen daartoe verwachten? Zo neen, kunt u uitleggen waarom u de nieuwe wetenschappelijke inzichten ten aanzien van invloeden op broedvogelaantallen terzijde schuift?

6. Hoe beoordeelt u de conclusie uit het rapport dat beheer alleen effectief is als het gericht is op de soortspecifieke eigenschappen die de populatiegrootte bepalen, zoals de beschikbaarheid van goede nestlocaties en voedselvoorkeuren? Welke conclusies verbindt u hieraan?

1 Chris A.M. Van Turnhout et al., Life-history and ecological correlates of population change in Dutch breeding birds. Biological Conservation 143 (2010): 173–181.

Indiendatum: feb. 2010
Antwoorddatum: 8 mrt. 2010

Geachte Voorzitter,


Hierbij stuur ik u de antwoorden op vragen van het lid Ouwehand (PvdD) over nieuwe wetenschappelijke inzichten ten aanzien op broedvogelaantallen
(kenmerk 2010Z03525).



Vraag 1
Bent u bekend met het promotieonderzoek van de vereniging SOVON Vogelonderzoek Nederland (SOVON) en de Radboud Universiteit over broedvogelontwikkeling in Nederland?[1]

Antwoord
Ja.

Vraag 2
Heeft u opgemerkt dat de onderzoekers hebben vastgesteld dat de intensivering van landbouw en vermesting tot de grootste bedreigende factoren voor broedvogels behoren? Zo ja, welke waarde kent u toe aan die bevinding?

Antwoord
Ik onderken de conclusie van het rapport, met dien verstande dat het geldt voor grondbroeders die laat arriveren en over lange afstand migreren. In 2006 heb ik het initiatief genomen om het project ‘Het Weidevogelverbond’ te starten om in samenwerking met alle betrokken partijen (boeren, natuurbeheerders, provincies, gemeenten, waterschappen en belangenorganisaties) de effectiviteit van het beheer te verbeteren.

Vraag 3
Hoe beoordeelt u de constatering dat het verhogen van de grondwaterstand in grote, aaneengesloten gebieden een veel effectievere maatregel is voor de bescherming van weidevogels dan de huidige werkwijze, waarbij individuele nesten worden beschermd en hier en daar later wordt gehooid?

Welke conclusies verbindt u hieraan voor uw beleid, mede gelet op de hoge jaarlijkse kosten voor weidevogelbeheer?

Antwoord
Met de invoering van het Subisidiestelsel natuur- en landschapsbeheer is een meer intensief weidevogelbeheer ingevoerd. Het verbeterde beheer is een gevolg van het project Weidevogelverbond, en gaat uit van een gebiedsbenadering die effectiever is voor het behoud van weidevogels zonder daarbij aan andere gebiedsbelangen afbreuk te doen. Een hogere grondwaterstand wordt door de provincies meegenomen in deze afweging.

Vraag 4
Hoe beoordeelt u de aanbeveling om land in de nabijheid van broedgebieden te laten verruigen als effectief instrument in het beleid dat erop gericht is de grauwe ganzenpopulatie niet te laten groeien? Bent u bereid deze aanbeveling over te nemen? Zo ja, op welke termijn? Zo neen, waarom niet?

Antwoord
Het beleidskaderoverleg Faunabeheer heeft hiervoor een Handreiking voor beleid ten aanzien van de overzomerende ganzen[2] uitgebracht, die ik onderschrijf. In die Handreiking staan diverse maatregelen die genomen kunnen worden om de schade van de jaarrond verblijvende ganzen populatie te doen verminderen.
Twee van de maatregelen betreffen aanpassing van het habitat en waterpeil.

Vraag 5
Hoe oordeelt u met de kennis van nu over de effectiviteit van het tot nu toe door u gevoerde beleid ter bescherming van broedvogels? Deelt u de mening dat het huidige beleid -met het oog op uw ambities voor de bescherming van biodiversiteit in het algemeen, en broedvogels in het bijzonder, dient te worden bijgesteld? Zo ja, op welke termijn mag de Kamer voorstellen daartoe verwachten? Zo neen, kunt u uitleggen waarom u de nieuwe wetenschappelijke inzichten ten aanzien van invloeden op broedvogelaantallen terzijde schuift?

Antwoord
In de uitvoering en handhaving van het weidevogelbeheer zijn verbeteringen door te voeren. De implementatie van het weidevogelbeheer is een verantwoordelijk­heid van de provincies. Zij hebben per 1 januari 2010, met de invoering van het Subsidiestelsel natuur- en landschapsbeheer, een aantal verbeteringen door­gevoerd, zoals de invoering van het collectief weidevogelbeheer. Ik zal de in het genoemde inzichten onder aandacht van de provincies brengen.

Vraag 6
Hoe beoordeelt u de conclusie uit het rapport dat beheer alleen effectief is als het gericht is op de soortspecifieke eigenschappen die de populatiegrootte bepalen, zoals de beschikbaarheid van goede nestlocaties en voedselvoorkeuren? Welke conclusies verbindt u hieraan?

Antwoord
Ik onderschrijf deze conclusie uit het rapport en zie het als een ondersteuning van het reeds bestaande beleid.



DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN

VOEDSELKWALITEIT,


G. Verburg

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer