Kamer­vragen aan de minister van LNV over het stoppen van de afschot van ganzen in weide­vo­gel­ge­bieden


Indiendatum: mrt. 2010

Vragen van het lid Ouwehand (Partij voor de Dieren) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het stoppen van de afschot van ganzen in weidevogelgebieden

1. Bent u op de hoogte van de stellingname van LTO Noord dat de provincie in de broedperiode geen ontheffing meer moet verlenen van afschot van ganzen in weidevogelgebieden?1

2. Deelt u de mening dat afschot in weidevogelgebieden in de broedperiode voor weidevogels ongewenst is? Zo ja, bent u bereid aanvullende regels ten aanzien van afschot in weidevogelgebieden in te stellen? Zo neen, waarom niet?

3. Onderschrijft u de uitkomst van de Weidevogelbalans 2010 dat de toegenomen mestgift een belangrijke factor is bij de achteruitgang van de weidevogels?2

4. Deelt u de opvatting dat ganzen juist foerageren in de weidevogelgebieden door de voedselrijkheid van de graslanden? Zo neen, waar baseert u dat op?

5. Ziet u naar aanleiding van het bovenstaande redenen om de mestgift op weidevogelgebieden te beperken? Zo neen, waarom niet?

6. Hoe succesvol vindt u, mede gelet op het bovenstaande, uw weidevogelbeleid tot nu toe? Kunt u dat toelichten?

7. Acht u het denkbaar dat een scherper mestbeleid zowel de weidevogelstand ten goede komt als de ‘problemen’ met foeragerende ganzen vermindert, tegen geringere maatschappelijke kosten? Zo ja, bent u bereid uw beleid naar deze inzichten aan te passen? Zo neen, waarom niet?

1 http://www.agd.nl/1096198/Nieuws/Artikel/Geen-afschot-van-ganzen-in-weidevogelgebieden.htm
2 SOVON, Weidevogelbalans 2010

Indiendatum: mrt. 2010
Antwoorddatum: 29 apr. 2010

Geachte Voorzitter,

Hierbij stuur ik u de antwoorden op vragen van het lid Ouwehand (PvdD) over het stoppen van de afschot van ganzen in weidevogelgebieden (kenmerk 2010Z04215).

Vraag 1
Bent u op de hoogte van de stellingname van LTO Noord dat de provincie in de broedperiode geen ontheffing meer moet verlenen van de afschot van ganzen in weidevogelgebieden?[1]

Antwoord
Ja.

Vraag 2
Deelt u de mening dat afschot in weidevogelgebieden in de broedperiode voor weidevogels ongewenst is? Zo ja, bent u bereid aanvullende regels ten aanzien van afschot in weidevogelgebieden in te stellen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord
Het afgeven van een dergelijke ontheffing is een aangelegenheid van de provincies, het is dan ook aan hen hierover te beslissen. Richtinggevend moet zijn dat de weidevogels niet verstoord worden.

Vraag 4
Deelt u de opvatting dat ganzen juist foerageren in weidevogelgebieden vanwege de voedselrijkheid van graslanden? Zo nee, waar baseert u dat op?

Antwoord
Grasetende ganzen (Brandgans, Kolgans, Kleine Rietgans en Rotgans) komen in sterke mate in dezelfde gebieden voor als de weidevogels en dit geldt met name voor steltlopers. De Grauwe gans en Rietgans komen met name voor in gebieden met hoge dichtheden zangvogels (Gele Kwikstaart, Graspieper en Veldleeuwerik). Habitatvoorkeur van de weidevogels en foerageerstrategie van de ganzen lijken hierin bepalend te zijn.[2]

Vraag 6
Hoe succesvol vindt u, mede gelet op het bovenstaande, uw weidevogelbeleid tot nu toe? Kunt u dat toelichten?

Antwoord
Het initiatief om de achteruitgang een halt toe te roepen, is in 2006 genomen met de oprichting van het Weidevogelverbond. In dit verbond wordt de samenwerking van alle betrokken partijen; onder anderen boeren, natuurbeheerders, weide­vogelbeherende organisaties, kennisinstellingen, provincies, gebundeld om te komen tot een succesvol weidevogelbeleid. Met de invoering van het nieuwe Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer, onder regie van de provincies, wordt een intensiever weidevogelbeheer gevoerd. Dit beleid gaat uit van een gebiedsgerichte benadering die effectiever is voor het behoud van weidevogels. Door samen te blijven werken in de gebieden waar de weidevogels de meeste kans hebben te overleven, zie ik de toekomst voor weidevogels positief tegemoet. De afgelopen jaren is de weidevogelstand nog gedaald, maar ik ben van oordeel dat we de goede weg zijn ingeslagen met het gevoerde weidevogelbeleid.

Vraag 3
Onderschrijft u de uitkomst van de Weidevogelbalans 2010 dat de toegenomen mestgift een belangrijke factor is bij de achteruitgang van de weidevogels?[3]

Vraag 5
Ziet u naar aanleiding van het bovenstaande redenen om de mestgift op weidevogelgebieden te beperken? Zo nee, waarom niet?

Vraag 7
Acht u het denkbaar dat een scherper mestbeleid zowel de weidevogelstand ten goede komt als de ‘problemen’ met foeragerende ganzen vermindert, tegen geringere maatschappelijke kosten? Zo ja, bent u bereid uw beleid naar deze inzichten aan te passen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord vraag 3, 5 en 7
Ten aanzien van de foeragerende ganzen is geen directe relatie aangetoond tussen het mestbeleid en het aantal ganzen. Het is mij bekend dat onderzoek een relatie indiceert tussen de weidevogelstand en de mestgift; de Weidevogelbalans verwijst daarnaar. Aangetoond is dat het intensieve agrarische grondgebruik bijdraagt aan de achteruitgang van de weidevogels. Mestgift heeft zijn weerslag op de weidevogelstand. Echter niet alleen de mestgift zorgt voor deze achteruitgang, ook de toename van het aantal predatoren en de grondwaterstand zijn belangrijke factoren.

Vanaf 2010 heeft er een stelselwijziging plaatsgevonden van de agromilieu­verbintenissen. De Provinciale Subsidieregeling Agrarisch Natuurbeheer (2007-2009) is vervangen door het Provinciale Subsidiestelsel Natuur- en Landschaps­beheer. Op basis van de opgedane ervaringen zijn in dit nieuwe stelsel een aantal verbeteringen doorgevoerd, die betrekking hebben op het mestbeleid. Eén van de verbeteringen is de uitbreiding van de rustperioden in het beheer­pakket ‘Weidevogelgrasland met rustperiode’. In deze rustperiode wordt het land niet bemest. Ik wacht de resultaten van de doorgevoerde verbeteringen af. Verder wijs ik op de maatregelen die in het kader van het mestbeleid worden genomen ten behoeve van de verbeteringen van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewater. In het vierde actieprogramma Nitraatrichtlijn heb ik verdere aanscherpingen aangekondigd om het mestgebruik terug te dringen.

DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN

VOEDSELKWALITEIT,

G.

Wij zijn tegen:

Help mee aan een betere wereld

    Word lid Doneer