Kamer­vragen aan de minister van LNV over het afschot van duiven


Vragen van het lid Thieme aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over het afschot van duiven

  1. Kunt u aangeven waarop u baseert dat voor afschot van verwilderde duiven geen ontheffing nodig is ? Hoe verhoudt zich dit tot artikel 52 van de Flora- en faunawet? Indien u betreffende vraag fout beantwoordde, waardoor werd die foute beantwoording dan ingegeven?1
  2. Is het waar dat jachtaktehouders, op grond van artikel 52 van de Flora- en faunawet, hun geweer alleen mogen gebruiken voor het uitoefenen van jacht en/of schadebestrijding wanneer zij daarvoor expliciet toestemming hebben gekregen op grond van artikel 65, 67 of 68? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of de betreffende jachthouders in Kapelle toestemming hebben gekregen op grond van één van deze artikelen voor afschot van verwilderde duiven in hun jachtgebied? Zo neen, waarom niet?
  3. Bent u bereid om de landelijke vrijstelling op grond van artikel 75 voor het vangen van duiven in de bebouwde kom in te trekken? Zo ja, binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?
  4. Bent u bereid om ook bij overlast van verwilderde duiven binnen de bebouwde kom de gemeenten aan te sporen diervriendelijke maatregelen te treffen om deze overlast tegen te gaan, bijvoorbeeld door het gebruik van elektrostatische systemen of ultrasone geluiden en nieuwe methodes te onderzoeken. Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?
  5. Deelt u de mening dat er buiten de bebouwde kom geen sprake kan zijn van overlast van verwilderde duiven anders dan geringe landbouwschade? Zo ja, deelt u de mening dat het verlenen van ontheffingen voor afschot op die gronden dan ook onterecht is? Zo neen, waarom niet en kunt u dan aangeven wat voor schade duiven buiten de bebouwde kom veroorzaken, wat de kosten zijn van deze schade en wat de economische gevolgen ervan zijn?

(1) Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2007-2008, nr. X (Antwoorden Kamervragen over jacht op verwilderde duiven, ontvangen op 8-5-2008, nog geen nummer bekend)

Antwoorddatum: 29 jun. 2008

Geachte Voorzitter,

Hierbij geef ik antwoord op de schriftelijke vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) over afschot van duiven.

1
Kunt u uiteenzetten waarop u baseert dat voor afschot van verwilderde duiven geen ontheffing nodig is? Hoe verhoudt zich dit tot artikel 52 van de Flora- en faunawet? Indien u betreffende vraag fout beantwoordde, waardoor werd die foute beantwoording dan ingegeven?

Voor verwilderde duiven gelden de algemene verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet voor beschermde inheemse diersoorten niet. Gedomesticeerde duiven behoren immers niet tot de beschermde inheemse diersoorten. Dit betekent dat er voor de bestrijding van deze dieren geen ontheffing noodzakelijk is van de betrokken verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. De middelen waarmee dieren mogen worden gevangen of gedood zijn wel gereguleerd op grond van de Flora- en faunawet, ondermeer in artikel 52 van de Flora- en faunawet. Gebruik van het geweer voor afschot van verwilderde duiven kan alleen als sprake is van beheer en schadebestrijding. Gelet op het bovenstaande was de beantwoording van de vragen over verwilderde duiven van 7 mei 2008 niet volledig, omdat ik daar wel ben ingegaan op het niet van toepassing zijn van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet, maar niet op de regulering van de middelen waarmee verwilderde duiven mogen worden gedood.


2
Is het waar dat jachtaktehouders, op grond van artikel 52 van de Flora – en faunawet, hun geweer alleen mogen gebruiken voor het uitoefenen van jacht en/of schadebestrijding wanneer zij daarvoor expliciet toestemming hebben gekregen op grond van artikel 65, 67 of 68? Zo ja, bent u bereid te onderzoeken of de betreffende jachthouders in Kapelle toestemming hebben gekregen op grond van één van deze artikelen voor afschot van verwilderde duiven in hun jachtgebied? Zo neen, waarom niet?

Zie mijn antwoord op vraag 1. Gedeputeerde Staten kunnen toestemming verlenen voor het inzetten van de middelen voor beheer en schadebestrijding op grond van de artikelen 65, 67 of 68. Uit navraag bij de provincie Zeeland blijkt dat de jachthouders in Kapelle de benodigde toestemming hadden gekregen.

3.
Bent u bereid de landelijke vrijstelling op grond van artikel 75 voor het vangen van duiven in de bebouwde kom in te trekken? Zo ja, binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?

Ik neem aan dat u doelt op de vrijstelling die is opgenomen in artikel 16f van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten. Ik ben niet bereid deze vrijstelling in te trekken. Zoals bij vraag 1 aangegeven zijn de middelen waarmee dieren mogen worden gevangen of gedood gereguleerd op grond van de Flora- en faunawet. Zo geldt op grond van artikel 15, tweede lid, een verbod om zich buiten gebouwen te bevinden met bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen die geschikt zijn voor het doden of vangen van dieren. Hieronder vallen ook niet-beschermde dieren. In artikel 11 van het Besluit beheer en schadebestrijding dieren zijn deze verboden middelen aangewezen. De aanwijzing geldt volgens het derde lid van artikel 11 van het voornoemde besluit niet, als de houder aan kan tonen dat hij de middelen gebruikt in het kader van beheer en schadebestrijding bij of krachtens artikel 65 tot en met 70 van de Flora- en faunawet. Duiven kunnen binnen de bebouwde kom overlast veroorzaken. Artikel 67 van de Flora- en faunawet noemt overlast niet als belang met het oog waarop verwilderde duiven bestreden mogen worden. Artikel 11, derde lid, is dus niet van toepassing. Om het gebruik van de vangkooi toch mogelijk te maken, is een vrijstelling opgenomen in artikel 16f van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten, gebaseerd op artikel 75 van de Flora- en faunawet.

4.
Bent u bereid ook bij overlast van verwilderde duiven binnen de bebouwde kom de gemeenten aan te sporen diervriendelijke maatregelen te treffen om deze overlast tegen te gaan, bijvoorbeeld door het gebruik van elektrostatische systemen of ultrasone geluiden en nieuwe methodes te onderzoeken. Zo ja, op welke wijze en binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?

Hiervoor verwijs ik naar mijn antwoord op de vragen 4 en 6 van mijn brief van 7 mei 2008 waarin ik uw eerdere vragen over afschot van verwilderde duiven beantwoord.

5.
Deelt u de mening dat er buiten de bebouwde kom geen sprake kan zijn van overlast van verwilderde duiven anders dan geringe landbouwschade? Zo ja, deelt u de mening dat het verlenen van ontheffingen voor afschot op die gronden dan ook onterecht is? Zo neen, waarom niet en kunt u dan uiteenzetten wat voor schade duiven buiten de bebouwde kom veroorzaken, wat de kosten zijn van deze schade en wat de economische gevolgen ervan zijn?

Nee. Verwilderde duiven veroorzaken wel landbouwschade. Deze schade doet zich met name voor op velden met pas gezaaide erwten en bonen en nagenoeg oogstbare erwten en bonengewassen. Het Faunafonds kan alleen een tegemoetkoming in de schade verlenen voor beschermde inheemse diersoorten. Zoals ik in het antwoord op vraag 1 heb aangegeven, behoren gedomesticeerde duiven hier niet toe. Het Faunafonds kan dus voor schade door verwilderde duiven geen tegemoetkoming verlenen. Daarom heb ik geen gegevens over schade van verwilderde duiven.


DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN
VOEDSELKWALITEIT,


G. Verburg