Kamer­vragen aan de minister van LNV over de gevolgen van een eventueel vervoers­verbod


Vragen van het lid Thieme (Partij voor de Dieren) aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de gevolgen van een eventueel vervoersverbod

1. Kent u het bericht ‘Vervoersverbod moeilijker te overbruggen dan vroeger1 ’?

2. Is het waar dat een bedrijf per 100 aanwezige zeugen 75 vierkante meter noodruimte nodig heeft, en dat half gesloten of gesloten bedrijven maximaal 65 vierkante meter per 100 zeugen nodig hebben? Zo ja, welke status hebben deze normen, en op basis van welke onafhankelijke onderzoeken of welke inzichten komt het varkenshouderijnetwerk Bedrijfsnoodplan op deze oppervlaktes? Zo neen, wat zijn dan de benodigde oppervlaktes?

3. Welke oppervlaktes acht u noodzakelijk als noodruimte in de melkveehouderij, de vleeskalverbedrijven, de melkgeitenhouderij en de pluimveehouderij?

4. Kunt u inzicht geven in of de huidige stallen aan de benodigde noodruimtes inderdaad beschikbaar hebben, en hoeveel bedrijven hier niet over beschikken? Zo neen, waarom niet en bent u bereid dit spoedig te laten onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?

5. Deelt u de mening dat wanneer er onvoldoende noodruimte op bedrijven aanwezig is, dit in strijd is met de adviezen in het Beleidsdraaiboek Klassieke Varkenspest waarin wordt gesteld: “een bedrijf dient er te allen tijde rekening mee te houden dat het minstens zes weken voldoende huisvesting kan bieden, zonder dat afvoer van dieren mogelijk is 2”? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?

6. Is het waar dat wanneer ondernemers niet genoeg investeren in noodruimte om ook bij een eventueel toekomstig vervoersverbod hun dieren te kunnen huisvesten, dit zou betekenen dat er weer gezonde dieren gedood zouden moeten worden tijdens een uitbraak van een dierziekte waarbij vervoersverboden afgekondigd worden? Zo ja, deelt u de mening dat dit zeer onethisch en onwenselijk is en ten alle tijden dient te worden voorkomen? Zo neen, waarom niet?

7. Deelt u de mening dat het zeker op megabedrijven van groot belang is dat er voldoende noodruimte is, ook gezien de conclusies van de Raad door Dieraangelegenheden3 waarin zij waarschuwen dat “Met betrekking tot de aangifteplichtige dierziekten (..)er in geval van familiebedrijven sprake (is) van een relatief grote kans op een relatief kleine ramp en op megabedrijven sprake van een kleine kans op een absoluut heel grote ramp” en dat “In landbouwontwikkelingsgebieden waar veel grote bedrijven dicht bij elkaar liggen, (…) er daarom (…) een relatief grote kans op een grote ramp met betrekking tot diergezondheid (is)”?

8. Bent u bereid op korte termijn beleid te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat alle veehouderijen genoeg noodruimte beschikbaar hebben? Zo ja, op welke wijze wilt u dit vormgeven en op welke termijn kan de Kamer dit tegemoet zien? Zo neen, waarom niet?

1 http://www.boerderij.nl/1094874/Landbouw/Nieuws/Vervoersverbod-moeilijker-te-overbruggen-dan-vroeger.htm
2 Beleidsdraaiboek Klassieke Varkenspest, versie 2.1, December 2007
3 Raad voor Dieraangelegenheden, 2008. Dierenwelzijn en diergezondheid op Megabedrijven in Nederland

Antwoorddatum: 19 mrt. 2010

Geachte Voorzitter,

Hierbij zend ik u de antwoorden op de Kamervragen van het Kamerlid Thieme (PvdD) over de gevolgen van een eventueel vervoersverbod.


Vraag 1
Kent u het bericht “Vervoersverbod moeilijker te overbruggen dan vroeger”?

Antwoord
Ja.

Vraag 2
Is het waar dat een bedrijf per 100 aanwezige zeugen 75 vierkante meter nood­ruimte nodig heeft, en dat half gesloten of gesloten bedrijven maximaal 65 vier­kante meter per 100 zeugen nodig hebben? Zo ja, welke status hebben deze normen, en op basis van welke onafhankelijke onderzoeken of welke inzichten komt het varkenshouderijnetwerk Bedrijfsnoodplan op deze oppervlaktes? Zo nee, wat zijn dan de benodigde oppervlaktes?

Antwoord
Het varkenshouderijnetwerk Bedrijfsnoodplan heeft de benodigde oppervlaktes berekend op basis van de verwachte aanwas per 100 zeugen gedurende een periode van zes weken en de gebruikelijke hokbezetting op een bedrijf. Er is geen wettelijke verplichting voor varkensbedrijven om een noodopvang te hebben. Als er gebruik gemaakt wordt van noodopvang gelden hiervoor wel de reguliere opper­vlaktenormen zoals die vastgelegd zijn in het Varkensbesluit. Het document dat is opgesteld door het varkenshouderijnetwerk Bedrijfsnoodplan is dus een handvat voor veehouders om te bepalen hoeveel ruimte zij aan noodopvang nodig hebben, het heeft geen wettelijke status.

Vraag 3
Welke oppervlaktes acht u noodzakelijk als noodruimte in de melkveehouderij, de vleeskalverbedrijven, de melkgeitenhouderij en de pluimveehouderij?

Antwoord
In het beleidsdraaiboek mond-en-klauwzeer wordt aan veehouders het advies gegeven om een noodstalling te hebben in verband met het vervoersverbod voor gevoelige dieren (herkauwers en varkens). Voor deze noodstalling gelden de reguliere huisvestingsnormen, zoals opgesteld in het Varkensbesluit en het Kalverenbesluit. In het beleidsdraaiboek Aviaire Influenza is geen extra advies gegeven voor noodstalling, omdat overbevolking ten gevolge van een vervoers­verbod in deze sector niet of in veel mindere mate speelt. Noodopvang is in principe alleen nodig waarbij relevante aanwas van dieren plaatsvindt. In veel sectoren is hiervan geen sprake.

Vraag 4
Kunt u inzicht geven in of de huidige stallen aan de benodigde noodruimtes inderdaad beschikbaar hebben, en hoeveel bedrijven hier niet over beschikken? Zo nee, waarom niet en bent u bereid dit spoedig te laten onderzoeken en de Kamer hierover te informeren?

Antwoord
Het advies uit het beleidsdraaiboek is ten algemene bekend in de veehouderij.

Er is echter behoefte aan meer kennis over hoe dit in de praktijk vorm te geven. Daarom heeft genoemd netwerk met het bedrijfsnoodplan een aanzet daartoe gegeven. Ik ga ervan uit dat men met de adviezen beschreven in het bedrijfs­noodplan in de praktijk uit de voeten kan en men voor zes weken noodopvang kan zorgen als er een ziekte uitbreekt, zodat alle dieren op het bedrijf de juiste verzorging gegeven kan worden. Ik acht dit een verantwoordelijkheid van de sector zelf.

Vraag 5
Deelt u de mening dat, wanneer er onvoldoende noodruimte op bedrijven aan­wezig is, dit in strijd is met de adviezen in het beleidsdraaiboek Klassieke Varkenspest waarin wordt gesteld: “een bedrijf dient er ten alle tijden rekening mee te houden dat het minstens zes weken voldoende huisvesting kan bieden, zonder dat afvoer van dieren mogelijk is”? Zo ja, welke conclusies verbindt u hieraan?

Antwoord
Als niet aan deze noodruimte wordt voldaan, is dat inderdaad in strijd met het advies in het beleidsdraaiboek Klassieke Varkenspest (KVP). Noodruimte is echter geen wettelijke vereiste, dus aan dit feit worden geen consequenties verbonden. Veehouders hebben natuurlijk wel een wettelijk vastgelegde algemene zorgplicht. Het is veehouders bekend dat bij een uitbraak van KVP het vervoer zes weken stil­gelegd wordt en het is hun verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de dieren in die zes weken goed verzorgd kunnen worden en niet in hun welzijn worden aan­ge­tast.

Vraag 6
Is het waar dat, wanneer ondernemers niet genoeg investeren in noodruimte om ook bij een eventueel toekomstig vervoersverbod hun dieren te kunnen huisves­ten, dit zou betekenen dat er weer gezonde dieren gedood zouden moeten worden tijdens een uitbraak van een dierziekte waarbij vervoersverboden afgekondigd worden? Zo ja, deelt u de mening dat dit zeer onethisch en onwenselijk is en ten alle tijden dient te worden voorkomen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord
Mijn beleid op het terrein van dierziektebestrijding is erop gericht om het doden van gezonde dieren waar mogelijk te voorkomen. Ik zal me daar hard voor ma­ken, ook als tijdens een dierziektecrisis blijkt dat de bestaande noodopvang om wat voor reden dan ook onvoldoende is. Zo is in het beleidsdraaiboek KVP opge­nomen dat varkens tijdens het vervoersverbod onder bepaalde voorwaarden van het bedrijf verplaatst zouden kunnen worden als dit uit oogpunt van welzijn nood­zakelijk is.

Vraag 7
Deelt u de mening dat het zeker op megabedrijven van groot belang is dat er voldoende noodruimte is, ook gezien de conclusies van de Raad voor Dierenaan­gele­genheden waarin hij waarschuwt dat “Met betrekking tot de aangifteplichtige dierziekten (..) er in geval van familiebedrijven sprake is van een relatief grote kans op een relatief kleine ramp en op megabedrijven sprake is van een kleine kans op een absoluut heel grote ramp” en dat “In landbouwontwikkelingsgebieden waar veel grote bedrijven dicht bij elkaar liggen, (…) er daarom (…) een relatief grote kans is op een grote ramp met betrekking tot diergezondheid (is)”?

Antwoord
Ja, ik ben van mening dat het op elk varkensbedrijf van belang is om voldoende noodopvang te hebben, ook op megabedrijven.

Vraag 8
Bent u bereid op korte termijn beleid te ontwikkelen om ervoor te zorgen dat alle veehouderijen genoeg noodruimte beschikbaar hebben? Zo ja, op welke wijze wilt u dit vormgeven en op welke termijn kan de Kamer dit tegemoet zien? Zo nee, waarom niet?

Antwoord
Mijn beleid is er al op gericht om te zorgen dat varkensbedrijven voldoende nood­ruimte beschikbaar hebben, bijvoorbeeld door middel van het meefinancieren van initiatieven uit de sector zoals het varkenshouderijnetwerk Noodopvang. Eén van de doelstellingen van het netwerk was om bedrijven attent te maken op de nood­zaak van noodopvang. Het is volgens het netwerk niet noodzakelijk op bedrijven in noodopvang te voorzien, maar bedrijven moeten voorbereid zijn op vervoersverboden en noodopvang spoedig kunnen opzetten. Het netwerk wil dat bedrijven daar nu al over nadenken. Hierbij moet aandacht zijn voor welzijn, milieu, dierziektebestrijding en overlast richting de omgeving. InfoMil (een onder­deel van Agentschap NL) heeft hiervoor richtlijnen opgesteld voor de gemeentes.



DE MINISTER VAN LANDBOUW, NATUUR EN

VOEDSELKWALITEIT,


G. Verburg