Kamer­vragen aan de minister van Justitie over de strafmaat voor dieren­mis­han­deling


Vragen van het lid Thieme van de Partij voor de Dieren aan de minister van Justitie over de strafmaat voor dierenmishandeling

1. Kent u het bericht ‘Lachwekkende straf dierenmishandelaar’ (1)?

2. Bent u van mening dat de strafmaat in Nederland voor ernstige gevallen van dierenmishandeling correct is afgemeten aan het leed dat dieren wordt aangedaan en de maatschappelijke verontwaardiging en de aantasting van het rechtsgevoel van burgers die daarmee samenhangen? Zo ja, waarom en kunt u aangeven of en zo ja, waarom u deze strafmaat voldoende afschrikwekkend acht om dit soort dierenmishandelingen te voorkomen? Zo neen, op welke wijze wilt u daarin verandering brengen en binnen welke termijn?

3. Bent u bereid op korte termijn te onderzoeken of verhoging van de strafmaat en invoering van een houdverbod voor recidivisten een preventieve werking zou kunnen uitgaan naar potentiële daders? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet en welke maatregelen wilt u dan nemen om ernstige vormen van dierenmishandeling te voorkomen?

4. Deelt u de mening dat het openbaar ministerie meer prioriteit zou moeten geven aan vervolging van veroorzakers van dierenleed dan nu het geval is? Zo ja, op welke termijn en wijze? Zo neen, waarom niet?


(1) Telegraaf 5 juni 2007

Antwoorddatum: 2 jul. 2007

Antwoorden van de minister van Justitie op de vragen van het lid Thieme (PvdD) over de strafmaat voor dierenmishandeling.

Vraag 1
Kent u het bericht ‘Lachwekkende straf dierenmishandelaar’? (1)

Antwoord 1
Ja.

Vraag 2
Deelt u de mening, dat de strafmaat in Nederland voor ernstige gevallen van dierenmishandeling correct is afgemeten aan het leed dat dieren wordt aangedaan, de maatschappelijke verontwaardiging en de aantasting van het rechtsgevoel van burgers die daarmee samenhangen? Zo ja, waarom? Kunt u aangeven of, en zo ja, waarom u deze strafmaat voldoende afschrikwekkend acht om dit soort dierenmishandelingen te voorkomen? Zo neen, op welke wijze wilt u daarin verandering brengen en binnen welke termijn?

Vraag 3
Bent u bereid op korte termijn te onderzoeken of verhoging van de strafmaat en invoering van een houdverbod voor recidivisten een preventieve werking zou kunnen uitgaan naar potentiële daders? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze? Zo neen, waarom niet en welke maatregelen wilt u dan nemen om ernstige vormen van dierenmishandeling te voorkomen?

Antwoord 2 en 3
In artikel 36 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) is het verbod op dierenmishandeling opgenomen. Op grond van artikel 37 Gwwd is het de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden. Overtreders van deze artikelen kunnen sinds 1 februari 2006 worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of een geldboete van maximaal € 16.750. Daarvoor was een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren mogelijk. Bij uw Kamer is een initiatiefwetsvoorstel van het lid Waalkens (Kamerstukken II 2005/2006, 30 511, nr. 5) aanhangig waarin wordt voorgesteld om het strafmaximum voor degeen die opzettelijk en wederrechtelijk een dier dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, doodt, beschadigt, onbruikbaar maakt of wegmaakt te verhogen van twee naar drie jaren. Het is de bedoeling van de indiener om zo het strafmaximum voor overtreding van artikel 350, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht weer gelijk te trekken met het strafmaximum voor overtreding van de artikelen 36 en 37 Gwwd.
In reactie op uw vraag naar de invoering van een houdverbod, wijs ik op het hierboven al genoemde initiatiefwetsvoorstel Waalkens, waarin wordt voorgesteld om de al bestaande mogelijkheid van het opleggen van een houdverbod als bijzondere voorwaarde bij een geheel of ten dele voorwaardelijke veroordeling te verruimen. De indiener van het initiatiefwetsvoorstel stelt voor om de tijd waarvoor een houdverbod kan worden opgelegd te verruimen van drie naar tien jaren. Het ligt naar mijn mening in de rede de verdere behandeling van het initiatiefwetsvoorstel af te wachten.

Vraag 4
Deelt u de mening dat het Openbaar Ministerie meer prioriteit zou moeten geven aan vervolging van veroorzakers van dierenleed dan nu het geval is? Zo ja, op welke termijn en op welke wijze? Zo neen, waarom niet?

Antwoord 4
Zoals mijn ambtgenote van LNV uw Kamer in antwoord op vragen over de stijging van het aantal gevallen van dierenmishandeling (TK, 2006/2007, Aanhangsel 1695) heeft laten weten is de capaciteit bij de Algemene Inspectiedienst (AID) ten behoeve van controle van het dierenwelzijn fors uitgebreid. Er is een uitbreiding van 15 fte gerealiseerd gericht op landbouwhuisdieren bij de AID en de Voedsel en Waren Autoriteit (VWA) en een uitbreiding oplopend tot 6 fte gericht op gezelschapsdieren. Daarnaast heeft de toenmalige Minister van LNV vorig jaar de financiële steun voor de Landelijke Inspectie Dierenbescherming (LID) substantieel verhoogd. Voor de opsporing van dierenmishandeling en –verwaarlozing is dus meer capaciteit beschikbaar. De processen-verbaal die daarvoor door de opsporingsambtenaren worden opgemaakt, worden door het Openbaar Ministerie (OM) in behandeling genomen om te beoordelen of er tot vervolging kan worden overgegaan. Het vervolgingsbeleid van het OM is vastgelegd in de Richtlijn voor Strafvordering Regelgeving Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (Stcrt. 17 april 2007, nr. 74).

1) De Telegraaf, 5 juni 2006