Kamer­vragen aan de Minister President en de minister van LNV over de uitla­tingen op het weblog van minister Verburg op de website van het minis­terie van LNV


Vragen van het lid Thieme en het lid Ouwehand (Partij voor de Dieren) aan de Minister President en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de uitlatingen op het weblog van minister Verburg op de website van het ministerie van LNV (www.minlnv.nl)

1. Kunt u aangeven of de minister van LNV haar weblog “LNV-ers leveren huzarenstukje ” zelf heeft geschreven? Zo ja, is het volgens u wenselijk dat een minister partijpolitieke uitlatingen doet en waarom? Zo neen, neemt u de verantwoordelijkheid voor het weblog van de minister en kunt u aangeven of het wenselijk is dat tekstschrijvers namens de minister partijpolitieke uitlatingen doen?

2. Is het gebruikelijk dat een minister zich in partijpolitieke zin uitlaat over de bijdragen die geleverd zijn door specifieke deelnemers aan het debat? Zo ja, welke criteria of richtlijnen worden gesteld aan het kunnen doen van partijpolitieke uitspraken en kunt u op basis hiervan aangeven of minister Verburg deze criteria al dan niet heeft nageleefd? Zo neen, kunt u aangeven of u de inhoud van het weblog en het doen van partijpolitieke uitspraken in een weblog afwijst?

3. Kunt u aangeven of u het doen van partijpolitieke uitlatingen op de officiële website van een ministerie wenselijk, gebruikelijk en toelaatbaar acht? Zo ja, waarom en hoe verhoudt zich dat tot het takenpakket van ministers c.q ministeries? Zo neen, waarom niet en op welke wijze voorkomt u dat ministers partijpolitieke uitlatingen doen op de websites van hun ministeries?

4. Kunt u aangeven vanuit welk oogpunt een lid van het kabinet zich in kwalitatieve zin kan uitlaten over debatbijdragen van specifieke partijen en of zij daarbij geoorloofd zijn kwalificaties van afkeuring te uiten?

5. Kunt u aangeven of er sprake is van een kabinetsstandpunt wanneer de minister zich een oordeel aanmeet over de wijze waarop wordt gedebatteerd en veronderstellingen uit over het oordeel dat kiezers van een specifieke partij daarover zouden kunnen hebben? Zo ja, acht u het bedrijven van partijpolitiek verenigbaar met het ministersambt? Zo neen, op welke wijze vallen de uitlatingen van de minister dan te duiden?

6. Kunt u aangeven op basis waarvan de minister stelt dat de Partij voor de Dieren “niet deelnam aan het debat” en op grond waarvan zij tot deze kwalificatie is overgegaan?

7. Is het u bekend dat op basis van de handelingen valt vast te stellen dat de Partij voor de Dieren als enige fractie met twee leden deelnam aan het debat en dat de leden van de Partij voor de Dieren gezamenlijk 4.198 woorden hebben bijgedragen aan het debat in de eerste termijn en 2.185 woorden in de tweede termijn (exclusief het indienen van moties)?

8. Is het bij u bekend dat in totaal door de politieke partijen 70.435 woorden zijn bijgedragen aan het debat over de nota Dierenwelzijn en dat de leden van de Partij voor de Dieren dus ruim 9% van de debatbijdrage van de Kamer hebben geleverd, terwijl zij gezien de zetelverdeling logischerwijs verantwoordelijk zouden zijn voor 1,3% ?

9. Kunt u aangeven of u het op basis van deze kwantitatieve berekening terecht vindt dat minister Verburg in haar weblog opmerkt dat de Partij voor de Dieren geen bijdrage heeft willen leveren aan het debat? Zo ja, waarom? Zo neen, op welke wijze gaat u de minister van LNV aanspreken op het verspreiden van onjuiste en tendentieuze informatie en binnen welke termijn?

10. Is het u bekend dat de Partij voor de Dieren voorafgaand aan het debat, in een schriftelijk overleg met de minister 358 vragen van de in totaal 478 vragen van alle politieke partijen tezamen heeft gesteld; 75% van het totaal?

11. Is het bij u bekend dat de minister het grootste deel van de vragen heeft geclusterd in zeer algemene antwoorden en dat zij nauwelijks tot niet inhoudelijk is ingegaan op de door de vraagstellers geconstateerde onduidelijkheden, knelpunten, omissies en tegenstrijdigheden in de Nota Dierenwelzijn? Wat is daarover uw oordeel?

12. Is het bij u bekend dat de minister ook in het mondelinge debat over de Nota Dierenwelzijn niet is ingegaan op de vele schriftelijke vragen en overwegingen van de Partij voor de Dieren en de andere politieke partijen? Wat is daarover uw oordeel?

13. Acht u gezien deze gebrekkige en incomplete beantwoording van vragen vanuit de Kamer het wenselijk en terecht dat de minister spreekt van een ‘huzarenstukje’ van haar LNV ambtenaren?

14. Hoe beoordeelt u de uitspraak van de minister van LNV dat ‘het voor burgers die speciaal op de partij voor de dieren hebben gestemd een enorme teleurstelling moet zijn dat, juist als het debat over welzijn en gezondheid van dieren gaat, ‘hun’ partij niet meedoet aan het debat’?

15. Acht u gezien het voorgaande het waar, terecht en wenselijk dat de minister van LNV haar weblog op de officiële website van het ministerie van LNV gebruikt voor het geven van een speculatief waardeoordeel over de Partij voor de Dieren en de overwegingen van haar kiezers?

16. Deelt u het vermoeden dat de minister van LNV elke mogelijkheid aangrijpt om de Partij voor de Dieren in een kwaad daglicht te stellen en hierbij grijpt naar middelen die een minister onwaardig zijn? Zo ja, op welke wijze gaat u de minister van LNV aanspreken en hoe bent u voornemens om dit soort praktijken in de toekomst te voorkomen? Zo neen, waarom niet en hoe verhoudt dit zich dit tot eerdere reprimandes van uw kant aan leden van het Kabinet?

17. Wat bedoelt de minister van LNV met haar zinsnede “dat de Partij voor de Dieren niet deelnam aan het debat”? Kan de minister van LNV aangeven of die kwalificatie louter gebaseerd is op een waardeoordeel over de wijze waarop de Partij voor de Dieren deelnam aan het debat, of dat zij tijdens het debat mogelijk niet heeft opgelet en verzuimd heeft de handelingen hierop na te slaan?

18. Kan de minister van LNV aangeven waarom zij in haar weblog de volgende constatering wil delen met de lezers: ‘het moet voor burgers die speciaal op de partij hebben gestemd een enorme teleurstelling zijn dat, juist als het debat over welzijn en gezondheid van dieren gaat, ‘hun’ partij niet meedoet aan het debat’? Kan de minister van LNV daarbij aangeven waarop zij deze negatieve kwalificatie van de Partij voor de Dieren baseert?

19. Kan de minister van LNV aangeven wat bedoeld wordt met de zin: “De pakweg dertig wilde dieren in het circus mogen blijven doen waar zij goed en gelukkig in zijn en daarmee duizenden mensen en vooral kinderen vermaken.”?

20. Waarop baseert de minister van LNV dat er slechts 30 wilde dieren worden gebruikt die in circussen die in Nederland optreden? Kan zij hierbij een overzicht produceren van de in Nederland optredende (wilde) dieren in circussen, hun aantallen en de frequentie waarmee zij Nederland aandoen?

21. Hoe is de minister tot de conclusie gekomen dat wilde dieren in circussen doen waar ze “goed en gelukkig in zijn”? Kan zij daarvan een wetenschappelijke onderbouwing geven en zoneen, op basis van welke informatie doet zij deze uitspraak?

22. Kan de minister van LNV aangeven of zij met haar uitspraak een voorschot wil nemen op het zojuist ingezette onderzoek naar het welzijn van wilde dieren in het circus? Zo ja, waarom en hoe verhoudt zich dit tot het zojuist gestarte onderzoek en de daarin gehanteerde vraagstelling? Zo neen, waarom niet?

23. Kan de minister aangeven of zij de uitkomsten van het onderzoek wenst te beïnvloeden door het doen van deze uitspraak en door het afzetten van het aantal dieren tegen het aantal bezoekers van het circus, daarmee het probleem bagatelliserend?

24. Is de minister van LNV bereid in het vervolg af te zien van diffamerende en/of feitelijk onjuiste partijpolitieke uitspraken zoals in casu gedaan? Zo neen, waarom niet?

Antwoorddatum: 12 mrt. 2008

Antwoord op schriftelijke vragen van de leden Thieme en Ouwehand aan de minister-president, minister van Algemene Zaken en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit over de uitlatingen op het weblog van minister Verburg op de website van het ministerie van LNV. (Ingezonden 22 februari 2008, nr. 2070812490)

1. Heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit haar weblog “LNV-ers leveren huzarenstukje 1)” zelf geschreven? Zo ja, is het volgens de minister-president, minister van Algemene Zaken wenselijk dat een minister partijpolitieke uitlatingen doet en waarom? Zo neen, kunt u aangeven of het wenselijk is dat tekstschrijvers namens de minister partijpolitieke uitlatingen doen?

Ja, de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is zelf verantwoordelijk voor de tekst van haar weblog.

Een bewindspersoon is, behalve lid van het kabinet, ook partijpoliticus. Vanuit die rol kan een minister bijdragen aan gedachtevorming in partijverband over de lange termijn, zolang duidelijk is dat dit in dat verband en in die context plaatsvindt.

2. Is het gebruikelijk dat een minister zich in partijpolitieke zin uitlaat over de bijdragen die geleverd zijn door specifieke deelnemers aan het debat? Zo ja, welke criteria of richtlijnen worden gesteld aan het kunnen doen van partijpolitieke uitspraken en kan de minister-president, minister van Algemene Zaken op basis hiervan aangeven of de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit deze criteria al dan niet heeft nageleefd? Zo neen, kunt u aangeven of u de inhoud van het weblog en het doen van partijpolitieke uitspraken in een weblog afwijst?

3. Acht de minister-president, minister van Algemene Zaken het doen van partijpolitieke uitlatingen op de officiële website van een ministerie wenselijk, gebruikelijk en toelaatbaar? Zo ja, waarom en hoe verhoudt zich dat tot het takenpakket van ministers c.q ministeries? Zo neen, waarom niet en op welke wijze kan de minister-president, minister van Algemene Zaken voorkomen dat ministers partijpolitieke uitlatingen doen op de websites van hun ministeries?

Het is niet gebruikelijk, noch gewenst dat een bewindspersoon zich in partijpolitieke zin uitlaat, anders dan in de onder het antwoord op vraag 1 beschreven omstandigheden.
Voor het weblog van een bewindspersoon geldt derhalve dat wanneer deze onderdeel is van de departementale website, hierin geen partijpolitieke uitspraken worden gedaan. De opmerkingen van minister Verburg in de bewuste aflevering van haar weblog over het debat over de Nota Dierenwelzijn beschouw ik echter niet als partijpolitiek van aard.

4. Kan de minister-president, minister van Algemene Zaken uiteenzetten vanuit welk oogpunt een lid van het kabinet zich in kwalitatieve zin kan uitlaten over debatbijdragen van specifieke partijen? Is het daarbij geoorloofd kwalificaties van afkeuring te uiten?

5. Kan de minister-president, minister van Algemene Zaken uiteenzetten of er sprake is van een kabinetsstandpunt wanneer een minister zich een oordeel aanmeet over de wijze waarop wordt gedebatteerd en veronderstellingen uit over het oordeel dat kiezers van een specifieke partij daarover zouden kunnen hebben? Zo ja, acht hij het bedrijven van partijpolitiek verenigbaar met het ministersambt? Zo neen, op welke wijze vallen de uitlatingen van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dan te duiden?

15. Acht de minister-president, minister van Algemene Zaken het, gezien het voorgaande, waar, terecht en wenselijk dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit haar weblog op de officiële website van het ministerie Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van gebruikt voor het geven van een speculatief waardeoordeel over de Partij voor de Dieren en de overwegingen van haar kiezers?

In haar weblog merkt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op het jammer te vinden dat de Partij voor de Dieren niet deelnam aan het debat, vanuit het perspectief van de burgers die op de Partij voor de Dieren hebben gestemd. Ik zie hierin geen uitlating in kwalitatieve zin in over de debatbijdrage van een specifieke partij. Door zich te verplaatsen in deze burgers toont de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit juist oprechte betrokkenheid bij al die mensen die zich bezorgd getoond hebben over het welzijn van de dieren in Nederland. Tevens laat zij hiermee zien deze zorgen serieus te nemen.

6. Kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit uiteenzetten op basis waarvan zij stelt dat de Partij voor de Dieren “niet deelnam aan het debat” en op grond waarvan zij tot deze kwalificatie is overgegaan?

7. Is het de minister-president, minister van Algemene Zaken en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bekend dat op basis van de Handelingen valt vast te stellen dat de Partij voor de Dieren als enige fractie met twee leden deelnam aan het debat en dat deze leden gezamenlijk 4.198 woorden hebben bijgedragen aan het debat in de eerste termijn en 2.185 woorden in de tweede termijn (exclusief het indienen van moties)?

8. Is het de minister-president, minister van Algemene Zaken en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bekend dat in totaal door de politieke partijen 70.435 woorden zijn bijgedragen aan het debat over de nota Dierenwelzijn en dat de leden van de Partij voor de Dieren dus ruim 9% van de debatbijdrage van de Kamer hebben geleverd, terwijl zij gezien de zetelverdeling logischerwijs verantwoordelijk zouden zijn voor 1,3%?

9. Kan de minister-president, minister van Algemene Zaken uiteenzetten of hij het op basis van deze kwantitatieve berekening terecht vindt dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in haar weblog opmerkt dat de Partij voor de Dieren geen bijdrage heeft willen leveren aan het debat? Zo ja, waarom? Zo neen, op welke wijze gaat u hij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aanspreken op het verspreiden van onjuiste en tendentieuze informatie en binnen welke termijn?

14. Hoe beoordeelt de minister-president, minister van Algemene Zaken uitspraak van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dat ‘het voor burgers die speciaal op de partij voor de dieren hebben gestemd een enorme teleurstelling moet zijn dat, juist als het debat over welzijn en gezondheid van dieren gaat, ‘hun’ partij niet meedoet aan het debat’?

17. Wat bedoelt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit met haar zinsnede “dat de Partij voor de Dieren niet deelnam aan het debat”? Kan de minister aangeven of die kwalificatie louter gebaseerd is op een waardeoordeel over de wijze waarop de Partij voor de Dieren deelnam aan het debat, of heeft zij tijdens het debat mogelijk niet opgelet en verzuimd de handelingen hierop na te slaan?

18. Kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit uiteenzetten waarom zij in haar weblog de volgende constatering wil delen met de lezers: ‘het moet voor burgers die speciaal op de partij hebben gestemd een enorme teleurstelling zijn dat, juist als het debat over welzijn en gezondheid van dieren gaat, ‘hun’ partij niet meedoet aan het debat’? Kan de minister aangeven waarop zij deze negatieve kwalificatie van de Partij voor de Dieren baseert?

Met “niet deelnam aan het debat” bedoelt de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dat de Partij voor de Dieren in eerste termijn haar spreektijd alleen heeft gebruikt voor het stellen van één algemene vraag en haar spreektijd in de tweede termijn geheel heeft gebruikt voor het oplezen van 41 Kamermoties. Zij stelt daarom vast dat de Partij voor de Dieren een relatief weinig actieve rol heeft gespeeld in het debat over de nota Dierenwelzijn. Daarmee wil zij niet gezegd hebben dat de Partij voor de Dieren op geen enkel moment het woord zou hebben gevoerd. Dit is wel gebeurd, zoals ook blijkt uit de Handelingen van uw Kamer.
Overigens merk ik op dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ook tijdens het debat zelf al heeft gewezen op het belang van het debat in de rolverdeling tussen Kamer en regering. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat zij het noodzakelijk acht dat er een gedachtewisseling, een debat plaatsvindt waarin Kamer en regering elkaar op basis van argumenten proberen te overtuigen, met een zorgvuldig hoor en wederhoor. De minister gaf aan het juist daarom zo jammer te vinden dat zo’n debat op dit punt niet heeft kunnen plaatsvinden.

10. Is het beide bewindslieden bekend dat de Partij voor de Dieren voorafgaand aan het debat, in een schriftelijk overleg met de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit 358 vragen van de in totaal 478 vragen van alle politieke partijen tezamen heeft gesteld; 75% van het totaal?

Ja.

11. Is het bij de minister-president, minister van Algemene Zaken bekend dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het grootste deel van de vragen heeft geclusterd in zeer algemene antwoorden en dat zij nauwelijks tot niet inhoudelijk is ingegaan op de door de vraagstellers geconstateerde onduidelijkheden, knelpunten, omissies en tegenstrijdigheden in de Nota Dierenwelzijn? Wat is daarover uw oordeel?

Gezien de aard en de hoeveelheid schriftelijke vragen naar aanleiding van de Nota Dierenwelzijn was het logisch om vragen die betrekking hadden op hetzelfde onderwerp zoveel mogelijk te clusteren. Hierdoor kon tevens ook de samenhang in de antwoorden beter worden bewaakt en werd versnippering voorkomen. De inhoudelijke kwaliteit van de antwoorden was van een adequaat niveau.

12. Is het bij de minister-president, minister van Algemene Zaken bekend dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit ook in het mondelinge debat over de Nota Dierenwelzijn niet is ingegaan op de vele schriftelijke vragen en overwegingen van de Partij voor de Dieren en de andere politieke partijen? Wat is daarover uw oordeel?

Het vooraf stellen van schriftelijke vragen heeft tot doel de kwaliteit van het debat te verhogen en het de leden van uw Kamer mogelijk te maken om alvast standpunten in te nemen. Het is niet gebruikelijk dat een bewindspersoon tijdens het behandelen van een nota alsnog mondeling ingaat op vooraf gestelde schriftelijke vragen.
Het is mij bekend dat het debat met uw Kamer over de Nota Dierenwelzijn ruim 15 uren geduurd heeft. Een fors deel van die tijd is door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit besteed aan de vele mondelinge vragen van alle betrokken politieke partijen. Ik wil daarbij opmerken dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op alle opmerkingen, vragen en moties van de Partij voor de Dieren een reactie heeft gegeven. Gezien de tijd die haar ter beschikking stond heeft de minister zich bekwaam en gewetensvol van haar taak gekweten.

13. Acht de minister-president, minister van Algemene Zaken gezien deze gebrekkige en incomplete beantwoording van vragen vanuit de Kamer het wenselijk en terecht dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit spreekt van een ‘huzarenstukje’ van haar ambtenaren?

Het ‘huzarenstukje’ van haar ambtenaren heeft betrekking op de constatering door de minister dat op de Nota Dierenwelzijn nauwelijks wijzigingen zijn aangebracht, ondanks de veelheid van moties en vragen. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat de Nota kan rekenen op een breed draagvlak binnen uw Kamer. Tegen die achtergrond geeft de minister in haar weblog een compliment aan haar ambtenaren.

16. Deelt minister-president, minister van Algemene Zaken het vermoeden dat de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit elke mogelijkheid aangrijpt om de Partij voor de Dieren in een kwaad daglicht te stellen en hierbij grijpt naar middelen die een minister onwaardig zijn? Zo ja, op welke wijze gaat hij de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aanspreken en hoe is hij voornemens om dit soort praktijken in de toekomst te voorkomen? Zo neen, waarom niet en hoe verhoudt dit zich dit tot eerdere reprimandes van zijn kant van leden van het kabinet?

Nee. Reprimandes zijn daarom op geen enkele manier aan de orde.

19. Kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit uiteenzetten wat bedoeld wordt met de zin: “De pakweg dertig wilde dieren in het circus mogen blijven doen waar zij goed en gelukkig in zijn en daarmee duizenden mensen en vooral kinderen vermaken”?

20. Waarop baseert de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit dat er slechts 30 wilde dieren worden gebruikt in circussen in Nederland? Kan zij hierbij een overzicht produceren van de in Nederland optredende (wilde) dieren in circussen, hun aantallen en de frequentie waarmee zij Nederland aandoen?

21. Hoe is de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit tot de conclusie gekomen dat wilde dieren in circussen doen waar ze “goed en gelukkig in zijn”? Kan zij daarvan een wetenschappelijke onderbouwing geven? Zo neen, op basis van welke informatie doet zij deze uitspraak over wilde dieren in circussen?

22. Kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit uiteenzetten of zij met haar uitspraak een voorschot wil nemen op het zojuist ingezette onderzoek naar het welzijn van wilde dieren in het circus? Zo ja, waarom en hoe verhoudt zich dit tot het zojuist gestarte onderzoek en de daarin gehanteerde vraagstelling? Zo neen, waarom niet?

23. Kan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit uiteenzetten of zij de uitkomsten van het onderzoek wenst te beïnvloeden door het doen van deze uitspraak en door het afzetten van het aantal dieren tegen het aantal bezoekers van het circus, daarmee het probleem bagatelliserend?

De Animal Science Group van Wageningen Universiteit en Researchcentrum heeft onlangs een eerste inventarisatie gedaan naar de situatie van circusdieren, waarbij ook is gekeken naar het aantal dieren. In totaal worden in Nederlandse circussen zo’n honderd dieren gebruikt, waarvan er een dertigtal aan te duiden zijn als ‘wilde dieren’. Als bijlage treft u aan een tabel met de resultaten van deze eerste inventarisatie.
Het tweede deel van deze zin refereert aan de positieve, persoonlijke associatie van de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij het circus, waarvan optredende dieren van oudsher deel uit maken, een positieve associatie die de minister deelt met talloze landgenoten. Dit laat onverlet de toezegging aan uw Kamer inzake het onderzoek naar het welzijn van circusdieren, waarvan het projectvoorstel u is toegestuurd op 19 februari jl. Ik wil hier graag benadrukken dat de wetenschappelijke onafhankelijkheid en integriteit van de Animal Science Group, ook wat betreft dit onderzoek, op geen enkele manier ter discussie staat.

24. Is de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bereid in het vervolg af te zien van diffamerende en/of feitelijk onjuiste partijpolitieke uitspraken zoals in casu gedaan? Zo neen, waarom niet?

In het licht van de antwoorden op de voorgaande vragen moge duidelijk zijn dat de minister-president en de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van opvatting zijn dat de tekst op het weblog van de minister op geen enkele manier diffamerend is of feitelijk onjuiste partijpolitieke uitspraken bevat.


1) www.minlnv.nl, 18 februari 2008 http://www.minlnv.nl/portal/page?_pageid=116,1647800&_dad=portal&_schema=PORTAL&p_news_item_id=23078


Bron: Animal Science Group, Wageningen Universiteit en Researchcentrum