Aanvul­lende vragen over het gebruik van levende dieren bij militaire oefe­ningen


Aanvullende vragen van het lid Thieme (PvdD) en het lid Ouwehand (PvdD) aan de ministers van Defensie en van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van Economische Zaken over het gebruik van levende dieren bij militaire oefeningen

1. Bent u op de hoogte van recent wetenschappelijke onderzoek[1] over het gebruik van levende dieren voor militaire, medische trainingen? Onderschrijft u de conclusies van deze recente wetenschappelijke onderzoeken dat het gebruik van levensechte, menselijke simulators effectiever is dan trainingspraktijken waarbij dieren worden gebruikt? Zo nee, op basis van welke wetenschappelijke argumentatie vindt u het verantwoord om levende dieren voor militaire, medische oefeningen te gebruiken terwijl er al alternatieven voor handen zijn?

2. Kunt u beargumenteren waarom u de conclusies uit deze rapporten terzijde schuift door in Nederland gedateerde, dieronvriendelijke trainingspraktijken toe te staan? Zo nee, waarom niet?

3. Kunt u bevestigen dat 80 procent van de NAVO-landen het gebruik van dieren voor militaire, medische doeleinden vervangen heeft door alternatieven zoals levensechte, menselijke simulators[2]? Zo nee, kunt u aangeven hoeveel NAVO-landen dan wel zijn overgestapt op alternatieven?

4. Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse defensie het gebruik van levende dieren voor militaire, medische doeleinden nog niet vervangen heeft met alternatieven, zoals vele NAVO-landen dat al veel eerder hebben gedaan? Vindt u het getuigen van innovatie en diervriendelijkheid dat Nederland achterloopt in het toepassen van alternatieven voor militaire, medische trainingspraktijken? Zo nee, waarom niet?

5. Erkent u dat de Nederlandse defensie met het gebruik van dieren zoals hier bedoeld, de Europese regelgeving overtreedt (2010/63/EU art. 4.1) aangezien alternatieven voor het gebruik van dieren in militaire, medische trainingen wel degelijk aanwezig zijn? Zo nee, waarom niet?

6. Bent u alsnog bereid om het gebruik van dieren ten behoeve van militaire, medische trainingen in Nederland te verbieden en te voorkomen dat Nederlandse militairen elders deze trainingen volgen? Zo nee, waarom niet?

7. Kunt u aangeven welke specifieke, praktische vaardigheden getraind worden tijdens de trainingen traumachirurgie? Kunt u aangeven hoeveel medische specialisten er jaarlijks deelnemen aan deze trainingen? Zo nee, waarom niet?

8. Bent u op de hoogte van de gevoerde mailwisseling in 2011, tussen een woordvoerder van het ministerie van Defensie en de dierenwelzijnsorganisatie PETA US, over het gebruik van dieren ten behoeve van militaire , medische trainingen door het ministerie van Defensie? Kunt u aangeven waarom de desbetreffende woordvoerder van het ministerie van Defensie heeft bevestigd dat de Nederlandse defensie geen dieren gebruikt ten behoeve van militaire, medische trainingen terwijl uit uw beantwoording (ingezonden 25 februari 2014 met kenmerk 2014 Z03546) blijkt dat dit wel degelijk het geval is? Zo nee, waarom niet?

Toelichting: Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Thieme en het lid Ouwehand (beiden PvdD) van 25 februari 2014 (kenmerk 2014 Z03546)

[1] Hall AB, et al. (2014). Comparison of self-efficacy and its improvement after artificial simulator or live animal model emergency procedure training. Military Medicine, 179(3):320–323, Sergeev I, et al. (2012). Training modalities and self-confidence building in performance of life-saving procedures. Military Medicine, 177(8):901–906, Ali J, et al. (2012). Teaching emergency surgical skills for trauma resuscitation-mechanical simulator versus animal model. ISRN Emergency Medicine, 2012:1–6.

[2] Hall AB, et al. (2014). Comparison of self-efficacy and its improvement after artificial simulator or live animal model emergency procedure training. Military Medicine, 179(3):320–323, Sergeev I, et al. (2012).

Antwoorddatum: 22 mei 2014

Antwoorden op de vragen van de leden Thieme en Ouwehand (beiden PvdD) aan de ministers van Defensie en van Buitenlandse Zaken en de staatssecretaris van Economische Zaken over het gebruik van levende dieren bij militaire oefeningen (ingezonden 25 april 2014 met kenmerk 2014Z07814).

1. Bent u op de hoogte van recent wetenschappelijke onderzoek[1] over het gebruik van levende dieren voor militaire, medische trainingen? Onderschrijft u de conclusies van deze recente wetenschappelijke onderzoeken dat het gebruik van levensechte, menselijke simulators effectiever is dan trainingspraktijken waarbij dieren worden gebruikt? Zo nee, op basis van welke wetenschappelijke argumentatie vindt u het verantwoord om levende dieren voor militaire, medische oefeningen te gebruiken terwijl er al alternatieven voor handen zijn?

2. Kunt u beargumenteren waarom u de conclusies uit deze rapporten terzijde schuift door in Nederland gedateerde, dieronvriendelijke trainingspraktijken toe te staan? Zo nee, waarom niet?

4. Kunt u uitleggen waarom de Nederlandse Defensie het gebruik van levende dieren voor militaire, medische doeleinden nog niet vervangen heeft met alternatieven, zoals vele NAVO-landen dat al veel eerder hebben gedaan? Vindt u het getuigen van innovatie en diervriendelijkheid dat Nederland achterloopt in het toepassen van alternatieven voor militaire, medische trainingspraktijken? Zo nee, waarom niet?

Ja, ik ben op de hoogte van bovengenoemde wetenschappelijke onderzoeken. Het ministerie van Defensie onderschrijft de conclusies van deze onderzoeken. Het gebruik van levensechte, menselijke simulators is effectief voor het oefenen van levensreddende handelingen. Voor het aanleren van de levensreddende handelingen door militaire artsen, verpleegkundigen en overig medisch hulppersoneel, worden in Nederland geen levende dieren gebruikt, maar wordt op simulatiepoppen geoefend en op dode kadavers. Alleen traumachirurgen en anesthesisten/intensivisten van Defensie zijn verplicht om de cursus Definitive Surgical Trauma Care (DSTC) en Definitive Anaesthetic Trauma Care (DATC) te volgen, waarbij proefdieren onder narcose worden gebracht. Hiervoor is geen effectief alternatief.

3. Kunt u bevestigen dat 80 procent van de NAVO-landen het gebruik van dieren voor militaire, medische doeleinden vervangen heeft door alternatieven zoals levensechte, menselijke simulators?[2] Zo nee, kunt u aangeven hoeveel NAVO-landen dan wel zijn overgestapt op alternatieven?

Deze informatie is mij niet bekend. Er zijn geen internationale afspraken of verplichtingen inzake dergelijke rapportages en ook in de praktijk wordt deze informatie niet uitgewisseld.

5. Erkent u dat de Nederlandse Defensie met het gebruik van dieren zoals hier bedoeld, de Europese regelgeving overtreedt (2010/63/EU art. 4.1) aangezien alternatieven voor het gebruik van dieren in militaire, medische trainingen wel degelijk aanwezig zijn? Zo nee, waarom niet?

Nee, het ministerie van Defensie stelt wel de in het antwoord op vraag 1 genoemde cursussen verplicht, maar overtreedt daarmee niet de huidige Nederlandse regelgeving (Wet op dierproeven). De cursussen worden gegeven in het Studiecentrum Medische Wetenschappen van de Radboud Universiteit Nijmegen. Zoals ik heb vermeld in mijn antwoorden van 1 april jl. (Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013-2014, nr. 1786), vindt dit plaats onder toezicht van deze universiteit.

6. Bent u alsnog bereid om het gebruik van dieren ten behoeve van militaire, medische trainingen in Nederland te verbieden en te voorkomen dat Nederlandse militairen elders deze trainingen volgen? Zo nee, waarom niet?

Nee, de genoemde cursussen zijn een verplicht onderdeel van de opleidingen voor traumachirurgen en anesthesisten. De vaardigheden kunnen niet op een andere manier getraind worden.

7. Kunt u aangeven welke specifieke, praktische vaardigheden getraind worden tijdens de trainingen traumachirurgie? Kunt u aangeven hoeveel medische specialisten er jaarlijks deelnemen aan deze trainingen? Zo nee, waarom niet?

De vaardigheden die getraind worden, zijn het stelpen van grote, massale bloedingen in de buik, het dichten van darmperforaties, het behandelen van grote verwondingen aan hart en longen en nek- en hoofdverwondingen. Vanuit de kwaliteit van zorg is het essentieel dat de chirurg en anesthesist de vaardigheden bezitten, die tijdens de cursus in Nijmegen worden aangeleerd. Er bestaat hiervoor geen alternatief.
De DSTC-cursus omvat maximaal 24 chirurgen en twaalf OK-assistenten en de DATC omvat 24 anesthesisten/intensivisten. Vanuit het ministerie van Defensie nemen er jaarlijks meestal twee tot vier chirurgen, twee tot vier anesthesisten en vier OK-assistenten deel.

8. Bent u op de hoogte van de gevoerde mailwisseling in 2011, tussen een woordvoerder van het ministerie van Defensie en de dierenwelzijnsorganisatie PETA US, over het gebruik van dieren ten behoeve van militaire , medische trainingen door het ministerie van Defensie?[3] Kunt u aangeven waarom de desbetreffende woordvoerder van het ministerie van Defensie heeft bevestigd dat de Nederlandse Defensie geen dieren gebruikt ten behoeve van militaire, medische trainingen terwijl uit uw beantwoording[4] blijkt dat dit wel degelijk het geval is? Zo nee, waarom niet?

Ja, hiervan ben ik op de hoogte. Het gegeven antwoord door de woordvoerder aan PETA US was op basis van de informatie die de woordvoerder op dat moment voorhanden had. Helaas kwam dit antwoord niet overeen met de praktijk.

[1] Hall AB, et al. (2014). Comparison of self-efficacy and its improvement after artificial simulator or live animal model emergency procedure training. Military Medicine, 179(3):320–323, Sergeev I, et al. (2012). Training modalities and self-confidence building in performance of life-saving procedures. Military Medicine, 177(8):901–906, Ali J, et al. (2012). Teaching emergency surgical skills for trauma resuscitation-mechanical simulator versus animal model. ISRN Emergency Medicine, 2012:1–

[2] Hall AB, et al. (2014). Comparison of self-efficacy and its improvement after artificial simulator or live animal model emergency procedure training. Military Medicine, 179(3):320–323, Sergeev I, et al. (2012).

[3] Bijlage onderhands verzonden aan departement

[4] Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2013-2014, nr. 1786