Opinie: Lezing Het gelijk van de dieren het geluk van de mensen september 2009


24 september 2009

Het leven op aarde manifesteert zich in heel veel vormen. Alleen al het aantal diersoorten bedraagt al meer dan een miljoen. Iedere levensvorm probeert zichzelf optimaal in stand te houden, ook indien dit ten koste gaat van andere levensvormen. Diersoorten kunnen elkaars concurrent zijn of in een jager-prooirelatie tot elkaar staan. Alle levensvormen tezamen maken deel uit van het wereldwijde ecosysteem, dat zich in een natuurlijk, dynamisch evenwicht bevindt. Het leven op aarde is hierdoor niet een vredig paradijs, maar een permanente strijd die bij alle betrokkenen leed veroorzaakt, tot aan de dood toe.
De mens is onderdeel van het aardse ecosysteem, maar door zijn mentale ontwikkeling, ethisch besef en de daaruit voortgekomen cultuur is hij in staat zijn eigen belangen ten koste van andere levensvormen intensiever en grootschaliger te behartigen dan welk ander levend wezen ook. Door die zelfde mentale ontwikkeling heeft hij echter ook de vrijheid om andere levensvormen alsook zijn eigen soortgenoten in heden en toekomst geen onnodig leed en schade te berokkenen. Dit respect voor de lichamelijke en mentale integriteit van alle levensvormen op aarde vormt de basis voor een meer vreedzame wijze waarop mensen met elkaar, met de dieren en met de natuur in het algemeen kunnen omgaan.
Dit respect voor het leven is onder mensen nog onvoldoende ontwikkeld. Dit heeft geleid en leidt steeds opnieuw tot grote ruwheid en onzorgvuldigheid in het gedrag van mensen. Daardoor verdwijnen in hoog tempo natuurgebieden, sterven diersoorten uit, wordt het mondiale ecosysteem zwaar belast en ontwricht, en worden grote bevolkingsgroepen in hun voortbestaan bedreigd.
Het is moreel onacceptabel dat de mens de natuur zo intensief exploiteert dat hierdoor de leefomstandigheden op aarde dramatisch veranderen en de biotoop van de mens zelf en van andere levensvormen verslechtert, kleiner wordt of zelfs verdwijnt. Toekomstige generaties zullen met de gevolgen hiervan nog meer geconfronteerd worden dan de huidige generatie. Het is daarom van groot belang dat de mens, in het bijzonder de mens met ethisch besef, zichzelf aanzienlijke ecologische beperkingen oplegt. Die dienen gericht te zijn op het reduceren van het gebruik van ruimte, grondstoffen, energie, planten en dieren.

Het menselijk onvermogen om datgene wat hen onderscheidt van de dieren, namelijk de mogelijkheid tot het maken van moreel-ethische afwegingen en het maken van een langetermijnplanning om dat aan te wenden voor een duurzame toekomst, blijkt keer op keer de oorzaak te zijn van de crises die mens, dier, natuur en milieu treffen.

Er wordt vaak gezegd: verbeter de wereld, begin bij jezelf. Wat kunnen wij zelf ondernemen? In onze omgang met dieren kunnen we ervaring opdoen met een bijzondere deugd: de deugd van het mededogen met alles wat leeft.
In de menscentrale ethiek telt het dier niet mee. Alles richt zich op de eigen soort. Met zoveel verschillende soorten dieren zoals productiedieren, in het wild levende dieren, zogenaamde ‘schadedieren’, en natuurlijk de gezelschapsdieren en andere landbouwdieren is deze toch wel beperkte ethiek niet vol te houden en zullen we verder moeten kijken dan alleen de menselijke belangen. Het zijn levende wezens met gevoelens van pijn en angst die, net als wij mensen, recht hebben op leven en welzijn. Het wordt tijd dat we in dat opzicht ons blikveld drastisch verruimen.
Dieren hebben geen enkele morele status. Er kan van alles met ze gebeuren, en er gebeurt dan ook van alles met ze. Je kunt er de meest onwaardige experimenten mee doen, bijvoorbeeld levende varkens bewerken met vlammenwerpers in defensieproeven voor nieuw wapentuig, je kunt ze onderwerpen aan de hel van de bio-industrie waar hun enige gewicht dat ze in de schaal leggen hun slachtgewicht is, je kunt dieren laten opdraven in de amusementsindustrie, je kunt ze op allerlei manieren lichamelijk en geestelijk mishandelen, vernederen en beroven van hun identiteit. Een dier is tenslotte maar een dier.
Vooral wanneer het gebruik van dieren een commercieel doel dient, lijkt alles, werkelijk alles, geoorloofd. Geld is belangrijker geworden dan leven. Alleen maar oog hebben voor economische belangen zonder oog te hebben voor onze leefomgeving is een misdadige vorm van onachtzaamheid.
Het wordt tijd dat we de ethiek van de medemenselijkheid laten uitmonden in de ethiek van het mededogen met andere levende wezens, of in de ethiek van eerbied voor de aarde en eerbied voor het leven.
Het respecteren van dieren en zorgen voor onze aarde zijn een logisch begin om ons in deze ethiek te oefenen.
Wij, mensen, zijn de enige soort op aarde die zijn eigen leefomgeving vernietigt. Wij zorgen voor de opwarming van de aarde, die leidt tot overstroming en hongersnood. Erst kommt das Fressen, und dann die Moral, schreef Bertold Brecht in 1928 en dat is meer dan ooit waar voor onze tijd.
Nooit eerder in de geschiedenis vormde de veehouderij zo’n geperfectioneerd vernietigingssysteem. Nooit eerder doodde de mens zulke aantallen dieren als nu het geval is. Nooit eerder gebeurde dat na dieren slechts een kort en ellendig leven te gunnen dat letterlijk het daglicht niet kan verdragen.
We gebruiken als meest veedichte land ter wereld een veelvoud van het oppervlak van ons eigen land, door in arme landen (waar veelal honger heerst) veevoer te verbouwen voor ons eigen vee. Dat kan niet doorgaan op de schaal waarop we dat nu doen. De vlees- en zuivelindustrie veroorzaakt door de massale veevoerteelt ontbossing in Latijns-Amerika, verspilt brandstoffen om het veevoer hierheen te krijgen, verspilt watervoorraden, stoot de schadelijkste broeikasgassen uit in de vorm van methaan, vernietigt de bodem met mestoverschotten en ammoniak, veroorzaakt pandemieën van zoönosen zoals de Qkoorts, de Mexicaanse griep etc., zorgt voor resistente bacteriën vanwege overmatig preventief gebruik van antibiotica om de dieren in een onnatuurlijke situatie in leven te houden. Is kortom slecht voor mens, dier, natuur, milieu en klimaat.
Nu er alle aanleiding is de CO2-uitstoot te beperken wordt de besparing alleen maar gezocht bij verkeer en vervoer, terwijl de vleesindustrie maar liefst 40% meer broeikasgassen uitstoot dan al het verkeer en vervoer samen.
Waarom is er met name in de politiek zoveel weerstand om de vervuiler te betalen als het gaat om de vleesconsumptie met de zogeheten vleestax? Heeft het te maken met het merkwaardige idee dat dierlijke eiwitten nu eenmaal niet weg te denken zouden zijn uit ons voedselpatroon? Met de gedachte dat vlees een onaantastbare verworvenheid is die nauw raakt aan ons niveau van welvaart?
Hoeveel leed mogen we dieren aandoen om onze smaakpapillen hooguit enkele plezierige minuten te bezorgen? We zouden de hele wereld van voedsel kunnen voorzien, maar doen dat niet omdat we vinden dat de grondstofvoorraden vooral bedoeld zijn voor óns gedeelte van de wereld. Voor de productie van één kilo vlees is 7 kilo plantaardige eiwitten nodig. Wat een verspilling! Bijna de helft van de wereldgraanoogst wordt opgevoerd aan de bio-industrie, beste mensen. Terwijl 1 miljard mensen jaarlijks met honger naar bed gaan.

Mededogen en duurzaamheid vragen om een paradigmaverandering waarin we inzetten op een efficiëntere productie die schoner is en meer mensen van voedsel kan voorzien. We moeten inzetten op eerstehandsvoedsel, dat vers van het land geconsumeerd kan worden zonder dat het maag-darmkanaal van dieren eraan te pas gekomen is. Zodoende verspillen we niet meer negentig procent van de energie die in plantaardig voedsel te vinden is.
De grootschalige productie van dierlijke eiwitten getuigt van grote decadentie en is in een wereld die zucht onder vervuilings-, klimaat- en verdelingsvraagstukken niet langer verantwoord. We zullen moeten inzetten op regionale productie waarmee de eigen voedselvoorziening op hoogkwalitatieve wijze vorm kan krijgen, waarmee consumenten weer contact krijgen met de wijze waarop hun voedsel geproduceerd wordt en waarmee weer de bereidheid groeit een fatsoenlijke prijs te betalen voor onze voeding.
Er is alles voor te zeggen om meer te kiezen voor plantaardig voedsel, waarvoor geen levende wezens gedood hoeven te worden.

Wanneer we de tachtig procent van het landbouwareaal die nu wordt ingezet voor de veehouderij, zouden inzetten voor de productie van plantaardige eiwitten ten behoeve van menselijke consumptie of voor bijvoorbeeld biobrandstoffen van de tweede of derde generatie, zal dat louter voordelen opleveren:
We kunnen meer mensen voeden.
De rechten van dieren kunnen meer gerespecteerd worden dan nu het geval is.
Het welzijn van dieren zal in hoge mate verbeteren.
Er zullen geen dierziekten meer zijn in de omvang zoals we die nu kennen.
Het aantal welvaartsziekten zal drastisch afnemen.
De vervuiling van lucht, bodem en water zal gedecimeerd worden.
De kap van het regenwoud kan stoppen.
De natuur zal zich kunnen herstellen van de aanslagen die we in de afgelopen decennia gepleegd hebben op onze natuurlijke hulpbronnen.
De biodiversiteit zou zich kunnen herstellen.
De resistentie tegen antibiotica zal in snel tempo ingedamd kunnen worden.
We kunnen onze klimaatdoelstellingen gemakkelijk bereiken.
We zullen eindelijk doorbraken bereiken in de strijd tegen het overgewicht.
Kortom, we zullen gelukkiger mensen zijn.

Beste mensen, dieren bezitten vaak eigenschappen die hen in positieve zin onderscheiden van de mensen. Vaak zijn ze sterker, hebben ze een beter ontwikkeld gehoor- of reukorgaan, zijn ze trouwer aan hun intuïtie wat hun leefstijl duurzamer maakt en zelden zijn ze onmatig.

Het is niet nodig dieren superieur te verklaren om te kunnen erkennen dat we veel van ze kunnen leren. Jan Wolkers, lijstduwer van de Partij voor de Dieren, zei kort voor z’n dood: ‘Als er geen mensen zouden zijn, zou ik wél in god kunnen geloven.’ Ik kan dat begrijpen. Mensen vormen zo’n plaag voor dieren, natuur en milieu, en daarmee ook voor zichzelf en hun soortgenoten, dat we moeten vaststellen dat het de mens is die niet wil leren van de perfectie van de natuur.

In mijn boek De Eeuw van het Dier heb ik het volgende geschreven:

‘De mens is voortdurend op zoek naar andere vormen van leven, op andere planeten. Zelfs een vermoeden van water op Mars brengt wetenschappers in extase, terwijl hoogontwikkelde levensvormen op onze eigen planeet, genetisch gezien nauwelijks afwijkend van de mens, op niet meer kunnen rekenen dan totale onachtzaamheid of louter selectieve aandacht. De hond of de kat worden gekoesterd, maar het nota bene aanzienlijk intelligentere varken wordt ten diepste vernederd en misbruikt. Er schuilt zoveel tegenstrijdigs in de wijze waarop wij mensen met ander leven en met onze leefomgeving omspringen, dat het voor de hand ligt om een totale herijking te overwegen. Zou het denkbaar zijn dat, wanneer we leven op Mars zouden ontdekken van het niveau van het varken, we dat leven direct zouden onderwerpen aan onze eigen opvattingen en behoeften? Zouden we dergelijke Marsbewoners kunnen domesticeren en onderbrengen in grootschalige concentratiekampen, waar ze zouden worden vetgemest en gedood, louter voor onze eigen lustbeleving? Met welk recht zouden we zoiets doen, en wat zou het zeggen over ons eigen niveau van beschaving en ontwikkeling? Aan welke criteria zullen andere mogelijke bewoners van het heelal door ons getoetst worden? Hoe zullen we bepalen of ze in leven mogen blijven en/of hun zelfstandigheid mogen behouden? En zullen wij ,aardbewoners, mogelijk ook ooit op soortgelijke gronden getoetst worden door hen, wanneer zij een hogere vorm van intelligentie zouden vertegenwoordigen?’

Wie kijkt naar de dieren en de lessen in duurzaamheid die ze ons kunnen leren, kan niet anders dan vaststellen dat het gelijk van de dieren het geluk van de mensen kan betekenen.
Daaraan doen vooroordelen als zouden we ons een omschakeling naar een meer plantaardiger en dus diervriendelijkere samenleving in economische zin niet kunnen veroorloven niets aan af.
De afschaffing van slavernij en kinderarbeid stuitte in eerste aanleg ook op economische bezwaren, net als het geval was bij de gelijkberechtiging van vrouwen. Uiteindelijk bleek dat deze verbeteringen in de rechtspositie louter economisch en maatschappelijk voordeel met zich mee te brengen.

Een samenleving die respectvol omgaat met haar dieren en de leefomgeving, is onder alle omstandigheden ook een samenleving waarin alle mensen zich gelukkiger kunnen voelen.

Daarvoor is niet meer nodig dan een mentaliteitsverandering in de richting van duurzaamheid en mededogen.

Er is sprake van een groeiende beweging van mensen die willen dat het anders gaat. Mensen die bereid zijn tegen de stroom op te roeien, ook als dat er in eerste aanleg toe leidt dat we genegeerd worden, uitgelachen, bevochten, verdacht gemaakt. Mahatma Gandhi heeft het ons voorspeld en hij krijgt keer op keer gelijk.
Maar Gandhi wist ook dat de aanhouder in de strijd om emancipatie wint. Die winst zal leiden tot een rechtvaardige samenleving, waarin de dieren geen angst meer zullen hoeven hebben voor de mensen. Een samenleving waarin mensen zich verantwoordelijk zullen voelen voor dieren, natuur en milieu en waarin mensen niet alleen zullen denken aan de drie generaties die op één bepaald moment leven, maar ook aan toekomstige generaties.
Een betere wereld voor dieren zal ook een betere wereld voor mensen opleveren. We mogen niet verwachten dat we dat van vandaag op morgen kunnen realiseren, maar laten we voortdurend in gedachten houden dat wanneer de wereld van morgen een klein stapje diervriendelijker is dan de wereld van vandaag, ook het doel van een betere mensenwereld een stapje dichterbij is gekomen.
Het doel van een samenleving waarin duurzaamheid en mededogen centraal staan. Waarin soortverschillen en meningsverschillen niet langer de doorslag geven, maar het gemeenschappelijk belang het uitgangspunt vormt voor een harmonieuze omgang tussen alle bewoners van onze kleine planeet.
Dank u wel!

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief