Opinie: De honger in de derde wereld ligt op ons bord


27 april 2008

Het is ontroerend om te kunnen vaststellen hoezeer het milieu de harten van mensen geraakt heeft. In de discussie over biobrandstoffen breekt het ethisch besef door dat we niet voor de motor maar voor de mond zouden moeten produceren. Biobrandstoffen worden gezien als de grote boosdoeners die arme mensen het brood uit de mond stoten, waarvoor regenwouden gekapt worden en die de wereldvoedselcrisis in belangrijke mate zouden veroorzaken.

Dit voortschrijdend ethisch besef is echter vooral een ernstige vorm van selectieve verontwaardiging. Het is goed dat de wereldvoedselcrisis ons wakker schudt. Maar het zou verkeerd zijn wanneer de wereldvoedselcrisis gebruikt wordt om alleen onverantwoorde vormen van biobrandstoffen aan de kaak te stellen. Niet de biobrandstoffen zijn de grote veroorzakers van de wereldvoedselcrisis, maar de veehouderij.

Slechts 1% van het wereldwijde landbouwareaal is bestemd voor biobrandstoffen. 80% van het landbouwareaal wordt gebruikt voor de veehouderij. Bijna 50% van de wereldgraanvoorraad verdwijnt in de magen van landbouwdieren. Hierdoor wordt 85% van het plantaardig eiwit verspild. Dat levert niet alleen een ongelijke verdeling van voedsel op, maar veroorzaakt ook andere grote mondiale problemen.

En inderdaad zou de aarde ruim voldoende voedsel kunnen bieden, met het huidige landbouwareaal, om maar liefst 40 miljard monden te voeden. Maar, zo zei Louise Fresco onlangs in de Volkskrant, dan moeten we die monden wel voeden met bonen en graan, niet met vlees.

De veehouderij stoot meer broeikasgassen uit dan alle verkeer en vervoer samen, legt een groot beslag op de aanwezige zoetwatervoorraad en is een belangrijke veroorzaker van de ontbossing en het verlies aan biodiversiteit. De gigantische hoeveelheid mest die door de miljarden landbouwdieren wordt geproduceerd leidt tot grootschalige vervuiling van bodem, water en lucht.

De door minister Verburg veel gehanteerde uitspraak dat we niet voor de motor maar voor de mond zouden moeten produceren, zou eigenlijk moeten luiden: “voor de mond, niet voor de stront”.
Daar ligt de kern van het probleem. Het kabinet lijkt echter blind en doof als het gaat om de veehouderij en het stukje vlees op ons bord. Uit de kabinetsplannen blijkt niets van een sanering van de veehouderij of het stimuleren van een meer plantaardig dieet.

Het mes snijdt aan twee kanten bij een transitie van dierlijke naar plantaardige eiwitten. Juist de akkerbouw is in staat om duurzame biobrandstoffen te leveren uit plantresten. In Europa wordt tweederde van het landbouwareaal nu nog ingezet voor de veehouderij. Er ligt dus een enorm potentieel om regionaal biomassa te produceren waarvoor geen regenwoud gekapt hoeft te worden en waarbij geen concurrentie optreedt met voedselgewassen. Dat kan tot 50% van onze vervoersbrandstoffen opleveren. Maar daar zullen dan wel duidelijke duurzaamheidscriteria aan gesteld moeten worden.

De samenleving van de toekomst zal een veel plantaardiger samenleving zijn die geen voedseltekorten hoeft te kennen en die biobrandstoffen produceert die veel minder milieu-, prijs- en verdelingsproblemen zal kennen. Als wij dat willen.

Binnen 10 jaar komt er geen voedsel meer te pas aan biobrandstoffen. In die tijd kunnen we ons het beste bezinnen over hoe af te komen van de massale verspilling van hoogwaardige plantaardige voeding via productiedieren, in plaats van het uit de eerste hand te benutten.

De uitdaging in het oplossen van de wereldvoedselcrisis ligt in een drastische beleidswijziging. Dat betekent: géén kap meer van regenwouden voor de productie van biobrandstoffen of voor veevoer, maar een omvorming van de veevoerindustrie in het verbouwen van voedsel voor mensen en het verwerken van restproducten tot schone brandstof voor mensen.

Marianne Thieme

Blijf op de hoogte van het laatste nieuws

    Abonneer op de nieuwsbrief