Amen­dement waarmee weidegang verplicht wordt gesteld


12 november 2014

Tweede Kamer der Staten-Generaal


Vergaderjaar 2014–2015


33 979


Regels ten behoeve van een verantwoorde groei van de melkveehouderij (Wet verantwoorde groei melkveehouderij)
Nr.
56 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN HET LID SMALING C.S. TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR. 31
Ontvangen 14 november 2014
De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:
Artikel I, onderdeel E, wordt als volgt gewijzigd:
1. In de aanhef wordt «wordt een artikel» vervangen door: worden twee artikelen.
2. Na artikel 21a wordt een artikel toegevoegd, luidende: Artikel 21b 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de weidegang van melkvee. 2. Het ontwerp van een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De voordracht voor de vast te stellen algemene maatregel van bestuur kan worden gedaan nadat vier weken na de overlegging zijn verstreken, tenzij binnen die termijn door of namens een der kamers of door ten minste een vijfde van het grondwettelijk aantal leden van een der kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het onderwerp van de algemene maatregel van bestuur bij wet wordt geregeld. In dat geval wordt een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend. Indien het voorstel van wet wordt ingetrokken of indien een van de beide kamers van de Staten-Generaal besluit het voorstel niet aan te nemen, wordt de algemene maatregel van bestuur ingetrokken.
Toelichting
De Kamer heeft met het aannemen van de motie van het lid Klaver c.s. (Kamerstukken II 2014/15, 34 000 XIII, nr. 80) uitgesproken dat de regering weidegang voor alle koeien moet bewerkstelligen. Dit amendement creëert de mogelijkheid voor de regering om alsnog bij algemene maatregel van bestuur regels omtrent weidegang in te stellen of
kst-33979-56
ISSN 0921 - 7371
’s-Gravenhage 2014 Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 33 979, nr. 56 1
weidegang verplicht te stellen. Een logisch moment om hiertoe over te gaan is als de sector er onverhoopt niet in slaagt om het percentage weidegang op het huidige niveau van 70% te handhaven of er niet in slaagt dit op een wat langere termijn te verhogen tot boven de 70%. Nu de Kamer de ambitie omtrent weidegang heeft vastgesteld, is het raadzaam om de mogelijkheid te creëren om dit eenvoudig en snel bij AmvB te kunnen regelen indien Kamer en regering dit noodzakelijk en wenselijk achten. De manier waarop dit vorm gegeven wordt kan bij AmvB worden ingevuld en zal bij zware voorhang aan de Kamer voorgelegd worden.


Smaling
Schouw
Ouwehand
Klaver


Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 33 979, nr. 56 2

Verschillende wetenschappelijke rapporten hebben aangetoond dat weidegang vele voordelen biedt boven opstallen; het is economisch voordeliger voor de boer, beter voor het dierenwelzijn en de diergezondheid, gunstiger qua arbeidsinzet, beter voor het imago en beter voor de weidevogels. Wageningen University and Research centre (WUR) concludeert zelfs dat weidegang onder vrijwel alle omstandigheden de boer economische voordelen biedt. Dit wordt bevestigd door Agrifirm en andere organisaties. De totale emissie van broeikasgassen is in bijna alle gevallen met weidegang gunstiger, aldus het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM). Opstallen kan voorts leiden tot 25% meer ammoniakemissie dan bij weidegang. Weidegang leidt tot minder sterfte, minder uierproblemen, minder vruchtbaarheidsproblemen en minder pootproblemen aldus dierenartsen en de Animal Science Group. Nederlandse burgers, maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en boerenorganisaties onderschrijven het belang van weidegang.

Voorgestelde wijziging sluit aan op punt 7 van de bijlage bij Richtlijn 98/58/EG inzake de bescherming van voor landbouwdoelen gehouden dieren.

“De bewegingsvrijheid die past bij het dier, met inachtneming van de soort en overeenkomstig de bestaande ervaring en de wetenschappelijke kennis, mag niet op zodanige wijze worden beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht. […]”

Deze bepaling uit de Richtlijn is inhoudelijk overgenomen/geïm­plementeerd in art. 3 lid 1 van het Besluit welzijn productiedieren en zal terugkomen in artikel 1.6 lid 1 Besluit houders van dieren. De tekst luidt als volgt: De bewegingsvrijheid van het dier wordt niet op zodanige wijze beperkt dat het dier daardoor onnodig lijden of letsel wordt toegebracht.

Smaling
Schouw
Ouwehand


Status

Ingediend

Voor

SP, PVV, D66, GL, PvdD, 50PLUS

Tegen

VVD, PvdA, CDA, CU, SGP, GrKÖ, GrBvK, Klein, VanVliet