Schrif­te­lijke inbreng Partij voor de Dieren over mijnbouw/Groningen


18 maart 2020

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren hebben kennisgenomen van de regeringsbrief en bijbehorende stukken over de zout- en gaswinning onder de Waddenzee en hebben een groot aantal vragen over de regeringsinzet.

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren maken zich zorgen om de kwetsbare natuur in het Waddengebied en het huidige overheidsbeleid neemt die zorgen niet weg.
Een gebied dat wordt gekenmerkt door een unieke dynamiek waarbij de kleinste verschillen (bijvoorbeeld het wel of niet droogvallen van wadplaten) letterlijk van levensbelang zijn.
De leden zijn van mening dat het ondernemen van economische activiteiten waarbij schadelijke effecten ingecalculeerd zijn in zo’n gebied onverstandig en dus zeer ongewenst is. De leden zijn ook van mening dat het onverstandig en dus zeer ongewenst is een activiteit te ondernemen die schade veroorzaakt en die niet meer gestopt kan worden wanneer de schadelijke effecten voor de natuur uit de hand lopen. De leden zijn verder van mening dat het onverstandig en dus zeer ongewenst is een economische activiteit te ondernemen die ingrijpt op juist dat aspect dat dit gebied zo uniek maakt (zijnde de delicate bodembalans). Zij roepen de minister daarom op de Waddenzee te respecteren en zo snel als mogelijk te stoppen met de gas- en zoutwinning onder de Waddenzee.

De minister stelt in zijn brief dat er geen negatieve gevolgen mogen optreden voor de beschermde natuurwaarden in het Waddengebied. Allereerst vragen de leden of de minister de mening deelt dat alle effecten dan met zekerheid in beeld moeten zijn voordat economische activiteiten overwogen kunnen worden? Is de minister van mening dat alle effecten op de beschermde natuurwaarden van de Waddenzee op dit moment in beeld zijn? Indien dat niet het geval is deelt hij dan de mening dat vervolgonderzoek nodig is en er tot die tijd niet geboord kan worden? Hoe garandeert de minister anders dat er geen negatieve gevolgen zijn als niet alle gevolgen in beeld zijn? Is de minister van mening dat al deze effecten voldoende nauwkeurig gemonitord worden en kunnen worden?
En is de minister van mening dat er wel schadelijke gevolgen mogen optreden voor natuurwaarden die niet expliciet beschermd zijn? Zo ja, hoe zijn niet beschermde natuurwaarden en wel beschermde natuurwaarden volgens de minister los van elkaar te bezien in een complex ecosysteem als het Waddengebied?

De leden lezen in de brief van de minister dat voor mei 2020 de tweede nulmetingsrapportage (monitoringsjaar 2019) opgeleverd gaat worden.
Kan de minister aangeven hoe de twee nulmetingen voor een trendanalyse gebruikt gaan worden als de Auditcommissie over de nulmetingsrapportage monitoringsjaar 2018 stelt dat ‘de bruikbaarheid van een deel van de metingen nog onvoldoende is’?
Wat is de reactie van de minister op deze conclusie? Hoeveel rapportages zijn er volgens de minister nodig om voldoende betrouwbare trends te kunnen bepalen?

Deelt de minister de mening van de Auditcommissie dat de nulmetingsrapportage over monitoringsjaar 2018 onvoldoende bruikbaar is om negatieve effecten te kunnen aantonen of uitsluiten? Welke redenen ziet de minister om te verwachten dat er in de komende jaren wel voldoende bruikbare monitoringsrapportages komen om negatieve effecten te kunnen aantonen en vooral te kunnen uitsluiten? Is de minister met de leden van mening dat het vereiste kennisniveau om een negatief effect te kunnen uitsluiten vele malen hoger is dan het vereiste kennisniveau om een negatief effect te kunnen aantonen? Zo nee, waarom niet?
En kan de minister aangeven of negatieve effecten moeten kunnen worden uitgesloten (zoals hij schrijft) of dat deze ‘redelijkerwijs’ moeten kunnen worden uitgesloten (zoals de auditcommissie schrijft)? Wie bepaalt in dat laatste geval de ‘redelijkheid’?
Is de minister met de leden van de fractie van de Partij voor de Dieren van mening dat wanneer niet alle negatieve effecten gemonitord en uitgesloten kunnen worden een hand-aan-de-kraan dus ook geen optie is?

De leden vragen de minister of hij zich het Mijnbouw debat op 3 oktober 2019 kan heugen? Daarin gaf hij op vragen van het lid Wassenberg (PvdD) aan dat de onzekerheid van 7,2 cm bij LIDAR metingen nou eenmaal het beste was dat we hadden en dat met andere meetmethodes geprobeerd zou worden de metingen verder te verfijnen. Hij zei toen letterlijk: “Een ander antwoord dan «het wordt steeds beter» kan ik ook niet geven.”
Zijn metingen die steeds beter worden voor de minister voldoende? Of moeten de metingen zelf voldoende nauwkeurig zijn? Zijn ze dat op dit moment naar mening van de minister?
En hoe beziet hij zijn opmerkingen over de LIDAR metingen in het licht van de conclusies van de Auditcommissie dat ‘het beoogde hergebruik van de LIDAR gegevens nog niet gelukt is’?
Heeft dat te maken met de te grote onzekerheden die bij LIDAR metingen optreden? Zo nee, waarom is hergebruik van de gegevens dan nog niet gelukt?
Kan de minister garanderen, en zo ja op welke wijze, dat de onzekerheid van 7,2 cm binnen de marges vallen die de dieren (of specifiek de indicatorsoorten) aankunnen zonder negatieve gevolgen? Wat zijn die marges per soort?

Wat zijn volgens de minister de consequenties nu gesteld wordt dat trendanalyses en forecasts niet mogelijk zijn voor ruiende bergeenden? En als tegelijk gesteld wordt dat een afname van het aantal ruiende bergeenden in de komende jaren niet is uit te sluiten maar dit niet toegeschreven kan worden aan de zoutwinning waar is dat dan precies op gebaseerd?
En de ruiende bergeend is bewust opgenomen in het meetprogramma. Wat is de consequentie voor het meetprogramma en gerelateerde soorten nu blijkt dat deze indicator, in ieder geval met de huidige benadering, onvoldoende meetbaar is?

Deelt de minister de stelling dat voor de geselecteerde vogels (scholekster, bonte strandloper en kanoet) en voor de bodemdieren onvoldoende complete meetresultaten en analysetechnieken bestaan? Welke reden heeft de minister te veronderstellen dat deze op korte termijn wel beschikbaar zijn? Zeker gegeven het feit dat de auditcommissie stelt dat de huidige aanpak onvoldoende is om ‘een vinger aan de pols te houden’ terwijl een aanpak vereist is die met zekerheid of redelijke zekerheid kan uitsluiten dat een bepaald effect optreed. Hoe ver liggen volgens de minister de woorden ‘een vinger aan de pols houden’ en ‘met zekerheid uit kunnen sluiten’ uit elkaar?

Kan de minister aangeven hoe alle aanbevelingen uit de Rapportage Zoutwinning Waddenzee van de Auditcommissie opgevolgd gaan worden?
Kan de minister ook voor alle in tabel 1 van de Auditrapportage genoemde onderdelen benoemen welke redenen hij heeft om op korte termijn te verwachten dat ze toereikend verklaard kunnen worden?

De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren vragen de minister verder hoe het staat met de uitvoering van de motie 32 849 nr. 199. Klopt het dat het KNMI nog niet gevraagd is een geactualiseerd zeespiegelstijgingsscenario over de Waddenzee op te stellen? Op welke termijn gaat dit gebeuren? Of is de minister niet voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet?

Is de minister van mening dat nu er onzekerheid is over hoe lang bodemdaling na-ijlt nadat de gaswinning stop zou worden gezet het hand aan de kraan principe direct toegepast moet worden en de gaswinning stopgezet moet worden omdat anders onverantwoorde risico’s genomen worden met UNESCO werelderfgoed? Zo nee, waarom niet? Kan de minister uitsluiten dat het voorzorgsbeginsel niet geschonden wordt door toch de gaswinning met hand op de kraan uit te oefenen?

Klopt het dat onduidelijk is of de aardbevingen met beperkte kracht op zichzelf staande gebeurtenissen zijn of dat ze de inleiding tot een grotere beving vormen? Deelt de minister de mening van de leden dat zolang op deze vraag geen sluitend antwoord is het hand aan de kraan principe in werking gesteld moet worden? Zo nee, waarom niet?

Tot slot vragen de leden de minister of hij ook van mening is dat er teveel twijfels zijn over effecten van de mijnbouw op de Waddenzee?
De leden vragen de minister of hij ook van mening is dat er teveel twijfel bestaat over het nut en de werking van het huidige hand aan de kraan principe?
En de leden vragen de minister of hij ook van mening is dat er in ieder geval niet nog meer mijnbouw dan momenteel vergund onder de Waddenzee zou moeten plaatsvinden?